HvJ EU 23 oktober 2025, C-294/23, ECLI:EU:C:2025:823
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
23 oktober 2025 ( *1 )
„Hogere voorziening – Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/261 – Uitgaven die van financiering door de Europese Unie zijn uitgesloten – Uitgaven verricht door de Republiek Bulgarije – Verordening (EU) nr. 1306/2013 – Artikel 52 – Conformiteitsgoedkeuringsprocedure – Artikel 54 – Onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden – Niet-inning door de betrokken lidstaat – Onderzoeksverslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)”
In zaak C‑294/23 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 8 mei 2023,
Republiek Bulgarije, vertegenwoordigd door T. Mitova en S. Ruseva als gemachtigden,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Aquilina, G. Koleva en I. Zaloguin als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, M. Condinanzi en N. Jääskinen, rechters,
advocaat-generaal: A. Biondi,
griffier: R. Stefanova-Kamisheva, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 december 2024,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Republiek Bulgarije om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 maart 2023, Bulgarije/Commissie (T‑235/21, EU:T:2023:105; hierna: „bestreden arrest”), waarbij haar beroep is verworpen tegen uitvoeringsbesluit (EU) 2021/261 van de Commissie van 17 februari 2021 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2021, L 59, blz. 10; hierna: „litigieus besluit”), voor zover daarbij het door de Republiek Bulgarije gedeclareerde bedrag van 7656848,97 EUR van die financiering is uitgesloten.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 2988/95
2 Artikel 1, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1) luidt als volgt: „Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het gemeenschapsrecht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.”
Verordening nr. 1306/2013
3 De overwegingen 36, 37, 39 en 94 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549, met rectificatie in PB 2016, L 130, blz. 13) luiden: „(36) De [Europese] Commissie heeft de taak om de begroting van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten uit te voeren in overeenstemming met artikel 317 VWEU. De Commissie is bevoegd, door middel van uitvoeringshandelingen, te besluiten of de door de lidstaten verrichte uitgaven in overeenstemming zijn met het recht van de Unie. De lidstaten moeten het recht hebben hun besluiten tot betaling te verantwoorden en een beroep te doen op bemiddeling als zij het niet met de Commissie eens kunnen worden. [...] (37) Wanneer door het ELGF betaalde bedragen worden teruggevorderd, moeten deze bedragen naar dat Fonds terugvloeien aangezien zij betrekking hadden op uitgaven die niet in overeenstemming waren met het recht van de Unie en de begunstigde er geen recht op had. Om te voorzien in voldoende tijd voor het verrichten van alle noodzakelijke administratieve procedures, interne controles daaronder begrepen, dienen de lidstaten onverschuldigde bedragen van de begunstigde terug te vorderen binnen een termijn van 18 maanden nadat een controleverslag of soortgelijk document houdende de bevestiging van het bestaan van een onregelmatigheid is goedgekeurd en, in voorkomend geval, is ontvangen door het betaalorgaan of de voor de terugvordering verantwoordelijke instantie. Een regeling inzake financiële aansprakelijkheid moet worden ingesteld voor gevallen waarin onregelmatigheden zijn gebeurd en waarin niet het totale bedrag van de onrechtmatig verkregen middelen is terugbetaald. Daartoe dient te worden voorzien in een procedure die het de Commissie mogelijk maakt de belangen van de begroting van de Unie te beschermen door te besluiten dat de betrokken lidstaat een deel voor zijn rekening moet nemen van de bedragen die wegens onregelmatigheden niet verschuldigd waren en niet binnen een redelijke termijn zijn terugbetaald. [...] [...] (39) Ter bescherming van de financiële belangen van de begroting van de Unie moeten de lidstaten maatregelen nemen om zich ervan te vergewissen dat de door de Fondsen gefinancierde verrichtingen daadwerkelijk plaatsvinden en correct worden uitgevoerd. Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden of niet-naleving van verplichtingen door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. In dit verband is verordening [nr. 2988/95] van toepassing. [...] [...] (94) De uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie moeten bovendien omvatten: de procedures met betrekking tot de specifieke verplichtingen waaraan de lidstaten moeten voldoen op het gebied van controles; de procedures betreffende de samenwerkingsverplichtingen waaraan de lidstaten moeten voldoen met betrekking tot de door de Commissie uit te voeren controles ter plaatse en toegang tot informatie; de procedures en andere praktische regelingen betreffende de verplichting om onregelmatigheden en fraude te melden, de voorwaarden waaronder de bewijsstukken van de verrichte betalingen en de stukken over de uitvoering van de bij het recht van de Unie voorgeschreven administratieve en fysieke controles moeten worden bewaard; de goedkeuring van de rekeningen en de conformiteitsgoedkeuring, de uitsluiting van ten laste van de begroting van de Unie gebrachte bedragen van financiering door de Unie, de procedures voor de terugvordering van onverschuldigde betalingen en rente, en de wijze waarop de lidstaten aan de Commissie kennisgevingen of mededelingen doen over onregelmatigheden.”
4 Artikel 1 van verordening nr. 1306/2013 heeft als opschrift „Toepassingsgebied” en luidt als volgt: „Deze verordening bevat voorschriften voor: a) de financiering van de uitgaven in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), met inbegrip van de uitgaven voor plattelandsontwikkeling; b) het bedrijfsadviseringssysteem; c) de door de lidstaten op te zetten beheers‑ en controlesystemen; d) het randvoorwaardensysteem; e) de goedkeuring van rekeningen.”
5 Artikel 2, lid 1, van die verordening bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: [...] g) ‚onregelmatigheid’: een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening [nr. 2988/95].”
6 Verordening nr. 1306/2013 bevat een titel IV, „Financieel beheer van de fondsen”, die een hoofdstuk IV bevat, met als opschrift „Goedkeuring van de rekeningen”. In afdeling I van dit hoofdstuk, met als opschrift „Algemene bepalingen”, bepaalt artikel 47 van deze verordening, met als opschrift „Controles ter plaatse door de Commissie”, het volgende: „1. Onverminderd de controles die de lidstaten verrichten krachtens hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen of krachtens artikel 287 VWEU, en onverminderd controles die krachtens artikel 322 VWEU of op basis van verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad [van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB 1996, L 292, blz. 2)] worden georganiseerd, kan de Commissie controles ter plaatse in de lidstaten organiseren om met name na te gaan: a) of de administratieve werkwijzen in overeenstemming zijn met de Unievoorschriften; b) of de nodige bewijsstukken voorhanden zijn en of deze corresponderen met de door het ELGF of het Elfpo gefinancierde verrichtingen; c) hoe de door het ELGF of het Elfpo gefinancierde verrichtingen zijn uitgevoerd en gecontroleerd; d) of een betaalorgaan voldoet aan de in artikel 7, lid 2, vastgelegde erkenningscriteria en of de lidstaat de bepalingen van artikel 7, lid 5, correct toepast. De personen die door de Commissie zijn gemachtigd om namens haar de controles ter plaatse uit te voeren, of de personeelsleden van de Commissie die handelen in het kader van de hun verleende bevoegdheden, hebben toegang tot de boeken en alle andere documenten, met inbegrip van de op een elektronische informatiedrager opgestelde of ontvangen en bewaarde documenten en metagegevens die betrekking hebben op de door het ELGF of het Elfpo gefinancierde uitgaven. De bevoegdheden om controles ter plaatse te verrichten, doen niet af aan de toepassing van nationale bepalingen op grond waarvan bepaalde handelingen alleen mogen worden verricht door ambtenaren die daartoe specifiek door nationaal recht zijn aangewezen. Onverminderd de specifieke bepalingen van verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad [van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1)] en verordening [nr. 2185/96] nemen de personen die door de Commissie zijn gemachtigd namens haar te handelen onder meer niet deel aan bezoeken thuis of aan formele ondervragingen van personen op basis van het recht van de betrokken lidstaat. Wel hebben zij toegang tot de aldus verkregen informatie. 2. Vóór een controle ter plaatse stelt de Commissie de betrokken lidstaat of de lidstaat op wiens grondgebied de controle moet plaatsvinden, tijdig daarvan in kennis, en wanneer zij controles organiseert houdt zij rekening met de administratieve impact op de betaalorganen. Ambtenaren van de betrokken lidstaat kunnen aan deze controle deelnemen. Op verzoek van de Commissie en met instemming van de lidstaat voeren de bevoegde instanties van deze lidstaat aanvullende controles uit van of onderzoeken naar de verrichtingen die onder deze verordening vallen. Personeelsleden van de Commissie of personen die door de Commissie zijn gemachtigd om namens haar te handelen kunnen daaraan deelnemen. Ter verbetering van de controles kan de Commissie met instemming van de betrokken lidstaten overheidsdiensten van deze lidstaten bij bepaalde controles of onderzoeken betrekken.”
7 Artikel 48, lid 3, van verordening nr. 1306/2013 bepaalt het volgende: „De lidstaten houden informatie over geconstateerde onregelmatigheden en gevallen van vermoedelijke fraude, en over de stappen die uit hoofde van afdeling [III] van dit hoofdstuk zijn gezet om onverschuldigd betaalde bedragen die verband houden met deze onregelmatigheden en fraudegevallen, terug te vorderen, ter beschikking van de Commissie.”
8 Hoofdstuk IV van titel IV van deze verordening bevat een afdeling II, met als opschrift „Goedkeuring”, die artikel 52 van die verordening bevat, dat betrekking heeft op de conformiteitsgoedkeuring en in de leden 1 tot en met 4 bepaalt: „1. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast, waarin de aan financiering door de Unie te onttrekken bedragen worden vastgesteld, indien zij constateert dat de uitgaven die vallen binnen de reikwijdte van artikel 4, lid 1, en artikel 5 niet zijn gedaan in overeenstemming met het recht van de Unie en, voor het Elfpo, in overeenstemming met het toepasselijke recht van de Unie en [het] nationale recht bedoeld in artikel 85 van verordening (EU) nr. 1303/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het [Elfpo] en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320)]. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 116, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. 2. De Commissie bepaalt de aan financiering te onttrekken bedragen met name in het licht van de ernst van de geconstateerde niet-naleving. Zij houdt rekening met de aard van de inbreuk en met de financiële schade voor de Unie. Zij baseert haar besluit tot onttrekking op de identificering van ten onrechte uitgegeven bedragen; indien die met een afdoende inspanning niet kunnen worden geïdentificeerd, kan zij geëxtrapoleerde of forfaitaire correcties toepassen. Er worden uitsluitend forfaitaire correcties toegepast wanneer het, vanwege de aard van de zaak of omdat de lidstaat aan de Commissie niet de nodige informatie heeft verstrekt, niet met een afdoende inspanning mogelijk is de aan de Unie toegebrachte financiële schade nauwkeuriger te bepalen. 3. Voordat een besluit tot weigering van financiering wordt vastgesteld, geeft de Commissie schriftelijk kennis van de resultaten van haar inspectie, en [...] de betrokken lidstaat [van] zijn antwoorden daarop, waarna beide partijen pogen overeenstemming te bereiken over de te ondernemen actie. In deze fase van de procedure worden de lidstaten in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de werkelijke omvang van de niet-naleving geringer is dan de Commissie in haar beoordeling stelt. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dan kan de lidstaat verzoeken om de opening van een procedure die tot doel heeft de standpunten van beide partijen binnen een termijn van vier maanden tot elkaar te brengen. De resultaten daarvan worden vermeld in een verslag dat wordt ingediend bij de Commissie. De Commissie houdt rekening met de aanbevelingen in het verslag voordat zij een besluit neemt over een eventuele weigering van financiering en motiveert haar besluit wanneer zij beslist geen rekening te houden met die aanbevelingen. 4. Financiering kan niet worden geweigerd voor: a) uitgaven zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, die zijn gedaan meer dan 24 maanden voordat de Commissie de resultaten van haar inspectie schriftelijk aan de betrokken lidstaat heeft gemeld; [...]”
9 Artikel 53 van verordening nr. 1306/2013, met als opschrift „Bevoegdheden van de Commissie”, bepaalt in lid 1: „De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor: [...] b) de in artikel 52 bedoelde conformiteitsgoedkeuring, wat betreft de maatregelen die moeten worden genomen in verband met de vaststelling van het besluit en de uitvoering ervan, waaronder de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de lidstaten en de in acht te nemen termijnen, en de bemiddelingsprocedure waarin dat artikel voorziet, inclusief de oprichting, de taken, de samenstelling en de werkwijze van het bemiddelingsorgaan.”
10 Hoofdstuk IV van titel IV van deze verordening bevat een afdeling III, met als opschrift „Onregelmatigheden”, waarin artikel 54 van die verordening is opgenomen, met als opschrift „Gemeenschappelijke bepalingen”, dat in de leden 1, 2, 4 en 5 het volgende bepaalt: „1. De lidstaten vorderen onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden, terug van de begunstigde binnen 18 maanden na de goedkeuring en, indien van toepassing, de ontvangst door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan van een controlerapport of een soortgelijk document waarin wordt verklaard dat er een onregelmatigheid of nalatigheid heeft plaatsgevonden. De desbetreffende bedragen worden op het moment van het verzoek tot terugbetaling opgenomen in het debiteurenboek van het betaalorgaan. 2. Indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 50 % door de betrokken lidstaat gedragen, en voor 50 % door de begroting van de Unie, onverminderd de eis dat de betrokken lidstaat de terugvorderingsprocedure overeenkomstig artikel 58 moet voortzetten. [...] 4. De lidstaten nemen de bedragen die zij op grond van lid 2 van dit artikel zelf moeten dragen, op in de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 102, lid 1, onder c), punt iv), bij de Commissie moeten indienen. De Commissie gaat na of dit is gebeurd, en verricht eventueel de nodige aanpassingen volgend op de vaststelling van de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 51. 5. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, mits zij daartoe de in artikel 52, lid 3, neergelegde procedure heeft gevolgd, op grond waarvan in de volgende gevallen ten laste van de begroting van de Unie gebrachte bedragen van financiering door de Unie worden uitgesloten: a) de lidstaat heeft de in lid 1 genoemde termijnen niet in acht genomen; [...] c) zij is van oordeel dat de onregelmatigheid of de niet-inning het gevolg is van onregelmatigheden of nalatigheden die te wijten zijn aan de overheidsdiensten of een andere officiële instantie van de lidstaat. [...]”
11 Titel V, „Controlesystemen en sancties”, van verordening nr. 1306/2013 bevat een hoofdstuk I, met als opschrift „Algemene regels”, waarin artikel 58 van deze verordening is opgenomen, met als opschrift „Bescherming van de financiële belangen van de Unie”, dat in lid 1 bepaalt: „De lidstaten stellen in het kader van het GLB alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen vast die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, in het bijzonder om: [...] e) onverschuldigd betaalde bedragen met rente terug te vorderen en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig.”
Uitvoeringsverordening nr. 908/2014
12 De overwegingen 25 en 27 van uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening [nr. 1306/2013], wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB 2014, L 255, blz. 59, met rectificatie in PB 2015, L 114, blz. 25) luiden als volgt: „(25) Er moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld voor de [...] in artikel 52 [van verordening nr. 1306/2013] bedoelde procedure voor de conformiteitsgoedkeuring, [...]. [...] (27) Om te garanderen dat de conformiteitsgoedkeuringsprocedure in normale gevallen binnen een redelijk tijdsbestek wordt afgesloten, moeten specifieke termijnen voor de verschillende fasen van de door de Commissie en de betrokken lidstaten in acht te nemen procedure te worden vastgesteld. Tegelijkertijd dient het voor de Commissie mogelijk te zijn deze termijnen te verlengen wanneer dat gezien de complexiteit van het onderzochte geval noodzakelijk is. In het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure moeten de lidstaten het recht krijgen om gehoord te worden en om de informatie die nodig is om het risico voor de Fondsen te evalueren, naar behoren te beoordelen.”
13 Artikel 34 van deze uitvoeringsverordening, met als opschrift „Conformiteitsgoedkeuring”, bepaalt: „1. Wanneer de Commissie constateert dat uitgaven niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan, bepaalt zij de van Uniefinanciering uit te sluiten uitgaven aan de hand van haar eigen bevindingen en met inachtneming van door de lidstaten beschikbaar gestelde gegevens, op voorwaarde dat die laatstbedoelde gegevens worden verstrekt binnen de termijnen die de Commissie heeft vastgesteld in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure die wordt toegepast overeenkomstig artikel 52 van verordening [nr. 1306/2013] en het onderhavige artikel. 2. Indien de Commissie als gevolg van een onderzoek van mening is dat uitgaven niet overeenkomstig de Unievoorschriften zijn gedaan, deelt zij haar bevindingen aan de betrokken lidstaat mee en geeft zij daarbij aan welke correctiemaatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat die voorschriften in de toekomst worden nageleefd, en welk voorlopig niveau van financiële correctie zij in die fase van de procedure als conform haar bevindingen beschouwt. In deze mededeling wordt ook vermeld wanneer een bilaterale vergadering zal worden gehouden gedurende de periode van vier maanden na afloop van de voor de lidstaat vastgestelde antwoordtermijn. In de mededeling wordt naar dit artikel verwezen. De lidstaat antwoordt uiterlijk twee maanden na de mededeling te hebben ontvangen. De lidstaat wordt in de gelegenheid gesteld om in zijn antwoord met name: a) ten genoegen van de Commissie aan te tonen dat de werkelijke omvang van de niet-naleving of van het risico voor het Fonds geringer is dan door de Commissie is aangegeven; b) de Commissie in kennis te stellen van de correctiemaatregelen die hij heeft genomen om ervoor te zorgen dat de Unievoorschriften worden nageleefd, en van de feitelijke datum van tenuitvoerlegging van deze maatregelen. In gevallen waarin dat gerechtvaardigd is, kan de Commissie op een met redenen omkleed verzoek van de lidstaat een verlenging van de termijn van twee maanden met maximaal twee maanden toestaan. Het verzoek moet vóór het verstrijken van die termijn tot de Commissie worden gericht. Lidstaten die een bilaterale vergadering niet nodig achten, stellen de Commissie daarvan in kennis in de hierboven bedoelde mededeling. 3. Tijdens de bilaterale vergadering pogen beide partijen tot overeenstemming te komen over de te nemen maatregelen en over de beoordeling van de ernst van de overtreding en van de aan de Uniebegroting toegebrachte financiële schade. De Commissie stelt binnen 30 werkdagen na de bilaterale vergadering de notulen op en zendt deze toe aan de lidstaat. De lidstaat heeft met ingang van de ontvangst van de notulen 15 werkdagen de tijd om eventuele opmerkingen in te dienen bij de Commissie. Uiterlijk zes maanden na toezending van de notulen van de bilaterale vergadering deelt de Commissie haar conclusies formeel aan de lidstaat mee op basis van de in het kader van de conformiteitsgoedkeuringsprocedure ontvangen gegevens. Deze mededeling bevat een evaluatie van de uitgaven die van Uniefinanciering moeten worden uitgesloten krachtens artikel 52 van verordening [nr. 1306/2013] en artikel 12 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 907/2014 [van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB 2014, L 255, blz. 18)]. In de mededeling wordt verwezen naar artikel 40, lid 1, van de onderhavige verordening. [...] 5. Om de leden 3 en 4 binnen de respectieve termijnen te kunnen toepassen, moet de Commissie de beschikking hebben over alle informatie die in dat specifieke stadium van de procedure relevant is. Vindt de Commissie dat zij niet over voldoende informatie beschikt, dan kan zij op elk moment binnen de in de leden 3 en 4 bedoelde termijnen: a) een verzoek om aanvullende informatie aan de lidstaat richten, waarop deze uiterlijk twee maanden na de mededeling te hebben ontvangen, op moet antwoorden, en/of b) de lidstaat in kennis stellen van haar voornemen om een aanvullend auditbezoek af te leggen teneinde de nodige verificaties te verrichten. In dat geval gaan de in de leden 3 en 4 bedoelde termijnen in hetzij zodra de Commissie de gevraagde aanvullende informatie ontvangt, hetzij op de laatste dag van het aanvullende auditbezoek. [...] 7. Na haar conclusies overeenkomstig artikel 34, lid 3 of lid 4, van de onderhavige verordening aan de lidstaten te hebben meegedeeld, stelt de Commissie zo nodig overeenkomstig artikel 52 van verordening [nr. 1306/2013] een of meer besluiten vast om door de niet-naleving van Unievoorschriften beïnvloede uitgaven uit te sluiten van Uniefinanciering. De Commissie kan opeenvolgende conformiteitsgoedkeuringsprocedures voeren totdat de lidstaat de correctiemaatregelen daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd. [...]”
14 Artikel 40 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, met als opschrift „Bemiddelingsprocedure”, bepaalt in lid 1: „Een lidstaat kan binnen 30 werkdagen na ontvangst van de in artikel 34, lid 3, derde alinea, bedoelde formele mededeling van de Commissie een aangelegenheid aan het Bemiddelingsorgaan voorleggen door een met redenen omkleed verzoek om bemiddeling toe te zenden aan het secretariaat van het Bemiddelingsorgaan. [...]”
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
15 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 2 tot en met 12 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.
16 Bij brief van 4 januari 2017 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije verzocht om opmerkingen in te dienen over informatie die OLAF had verstrekt in het kader van onderzoek INT/2016/101/BG (hierna: „mededeling van de bevindingen”), waaruit in wezen bleek dat frauduleuze activiteiten aanleiding hadden gegeven tot onregelmatige betalingen van middelen van de Unie. Bovendien heeft de Commissie de Republiek Bulgarije erop gewezen dat voor alle uitgaven in verband met de door [vertrouwelijk] ( 1 ) uitgevoerde programma’s in twijfel werd getrokken of deze voor financiering door het ELGF in aanmerking kwamen, en dat zij bijgevolg overeenkomstig artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 de mogelijkheid onderzocht om deze uitgaven aan financiering door de Unie te onttrekken. Tevens heeft de Commissie de Bulgaarse autoriteiten aanbevolen de betalingen voor elk programma en elke transactie waaraan [vertrouwelijk] ( 2 ) deelnam op te schorten wanneer zij daarvoor voldoende redenen hadden.
17 Bij brief van 2 mei 2017 heeft de Commissie de Bulgaarse autoriteiten verzocht om deel te nemen aan een bilaterale vergadering zoals bedoeld in artikel 34, lid 2, eerste alinea, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, waarbij zij hun heeft meegedeeld dat zij haar standpunt handhaafde dat de bevindingen van OLAF wijzen op ernstige onregelmatigheden in verband met de in het vorige punt genoemde uitgaven. Zij heeft gepreciseerd dat zij, eveneens per brief en na de mededeling van het eindverslag van OLAF, aanvullende informatie zou verstrekken over de verschillende stappen die in het kader van de ingeleide verificatiegoedkeuringsprocedure zouden worden gezet. De Commissie heeft tot slot benadrukt dat zij, in afwachting van dat verslag, bij haar standpunt bleef dat alle uitgaven in verband met de door [vertrouwelijk] ( 3 ) uitgevoerde programma’s een risico vormden.
18 Bij brief van 11 september 2017 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije de notulen van de bilaterale vergadering van 12 juli 2017 toegezonden en haar aanvullende vragen gesteld. De Commissie heeft haar tevens meegedeeld dat het eindverslag van OLAF diende te worden afgewacht alvorens over te gaan tot de volgende fasen van de goedkeuringsprocedure, met name wat de kwantitatieve evaluatie van het risico voor het betrokken fonds in verband met de geconstateerde tekortkomingen betrof. Overeenkomstig artikel 34, lid 9, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 heeft de Commissie besloten de in artikel 34, lid 3, van die uitvoeringsverordening gestelde termijn van zes maanden om de Republiek Bulgarije in kennis te stellen van haar conclusies met drie maanden te verlengen.
19 Bij brief van 19 januari 2018 heeft de Commissie het eindverslag van OLAF met referentie OF/2012/0565/B (hierna: „eerste verslag van OLAF”) aan de Republiek Bulgarije toegezonden. Zij heeft de Bulgaarse autoriteiten meegedeeld dat zij een tweede bilaterale vergadering met hen zou organiseren om dat verslag te bespreken.
20 Bij brief van 7 mei 2018 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije uitgenodigd voor een tweede bilaterale vergadering, die op 29 mei 2018 heeft plaatsgevonden om het eerste verslag van OLAF te bespreken (hierna: „tweede uitnodiging voor een bilaterale vergadering”). Zij heeft ook aangegeven dat zij haar standpunt handhaafde dat alle uitgaven in verband met de afzetbevorderingsprogramma’s waaraan [vertrouwelijk] ( 4 ) deelnam, waren blootgesteld aan een risico. De Commissie heeft de Bulgaarse autoriteiten derhalve aanbevolen om de betalingen voor alle programma’s waaraan [vertrouwelijk] ( 5 ) deelnam, niet te hernieuwen en overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 de onregelmatige betalingen terug te vorderen bij de begunstigden ervan.
21 Bij brief van 29 juni 2018 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije de notulen van de tweede bilaterale vergadering toegezonden, waarin zij eraan herinnerde dat zij tijdens die vergadering om aanvullende informatie had verzocht.
22 Bij brief van 3 september 2018 heeft de Commissie de Bulgaarse autoriteiten het verslag van OLAF met referentienummer OF/2016/0390/B5 toegezonden over de onregelmatigheden die [vertrouwelijk] ( 6 ) had begaan in het kader van door het ELGF gefinancierde afzetbevorderingsprogramma’s.
23 Bij brief van 1 maart 2019 heeft de Commissie de Bulgaarse autoriteiten overeenkomstig artikel 34, lid 5, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 verzocht om aanvullende informatie te verstrekken over de terugvordering van de bedragen die verband hielden met de uitgaven die het ELGF had gedaan in het kader van de negen bevorderingsprogramma’s waarvan was vastgesteld dat zij risico’s voor het betrokken fonds opleverden, en om de betrokken bedragen overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 in het debiteurenboek op te nemen. Zij heeft er eveneens op gewezen dat volgens dit artikel het verzoek tot terugvordering van de bedragen in verband met de door [vertrouwelijk] ( 7 ) uitgevoerde programma’s uiterlijk binnen 18 maanden vanaf 19 januari 2018 moest worden overgelegd, terwijl het verzoek tot terugvordering van de bedragen voor het door [vertrouwelijk] ( 8 ) uitgevoerde programma uiterlijk binnen 18 maanden vanaf 3 september 2018 moest worden ingediend, dat wil zeggen de datums waarop het eerste respectievelijk het tweede verslag van OLAF (hierna samen: „eindverslagen van OLAF”) aan het Bulgaarse betaalorgaan waren toegezonden.
24 Bij brief van 19 november 2019 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije een mededeling toegezonden als bedoeld in artikel 34, lid 3, derde alinea, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, waarin de door de Bulgaarse autoriteiten in drie brieven van respectievelijk 20 juli 2018, 21 september 2018 en 24 april 2019 verstrekte informatie werd geanalyseerd. Daaruit bleek in wezen dat de Commissie, na de bilaterale bespreking van 29 mei 2018 en gelet op de aanvullende informatie die zij vervolgens van de Republiek Bulgarije had ontvangen alsmede op de eindverslagen van OLAF, van mening was dat de financiering van negen door [vertrouwelijk] ( 9 ) en [vertrouwelijk] ( 10 ) uitgevoerde afzetbevorderingsprogramma’s niet in overeenstemming was met de toepasselijke regels. Voorts was zij van mening dat, aangezien de Republiek Bulgarije geen enkele terugvorderingsprocedure of procedure van opneming in het debiteurenboek van het betaalorgaan had ingeleid, het beheers‑ en controlesysteem van Bulgarije niet in overeenstemming was met de Unierechtelijke vereisten en er dus een risico bestond voor het betrokken fonds. Bijgevolg heeft de Commissie voorgesteld een bedrag van 7656848,97 EUR te onttrekken aan financiering door het ELGF.
25 Bij brief van 18 december 2019 heeft de Republiek Bulgarije overeenkomstig artikel 40, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 de zaak voorgelegd aan het bemiddelingsorgaan, dat op 25 februari 2020 een advies heeft uitgebracht.
26 Bij brief van 12 augustus 2020 heeft de Commissie haar definitieve standpunt toegezonden aan de Republiek Bulgarije, waarbij zij deze laatste ervan in kennis heeft gesteld bij haar standpunt te blijven zoals verwoord in haar brief van 19 november 2019, en zij dus heeft voorgesteld om een bedrag van 7656848,97 EUR te onttrekken aan financiering door het ELGF.
27 Op 17 februari 2021 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij zij op grond van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 een eenmalige correctie heeft toegepast waarbij bepaalde uitgaven die de Republiek Bulgarije had verricht in het kader van de door het ELGF en het Elfpo medegefinancierde operationele programma’s, aan financiering door de Unie werden onttrokken. Bijgevolg heeft het litigieuze besluit een bedrag van 7656848,97 EUR onttrokken aan financiering door de Unie.
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
28 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 april 2021, heeft de Republiek Bulgarije beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld voor zover haar daarbij een financiële correctie ten bedrage van 7656848,97 EUR is opgelegd.
29 Ter ondersteuning van haar beroep heeft de Republiek Bulgarije vijf middelen aangevoerd die in wezen zijn ontleend aan, ten eerste, schending van haar procedurele rechten gedurende de administratieve procedure aan het einde waarvan het litigieuze besluit is vastgesteld, ten tweede, ontoereikende motivering, ten derde, onjuiste uitlegging van artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 wat betreft de vaststelling van het aanvangspunt van de termijn van 18 maanden vanaf hetwelk de betrokken lidstaat elke onverschuldigde betaling van de begunstigde moet terugvorderen, ten vierde, een beoordelingsfout van de Commissie voor zover zij zich op het standpunt heeft gesteld dat het betaalorgaan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld om de bedragen die met risico-uitgaven overeenkomen, terug te vorderen en dat het nalatig is geweest door niet binnen de in artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 gestelde termijnen een administratieve terugvorderingsprocedure in te leiden, en ten vijfde, onverenigbaarheid van het bedrag van de uitgaven die bij het litigieuze besluit aan Uniefinanciering zijn onttrokken, met artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 en evenmin met het evenredigheidsbeginsel.
30 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen.
Conclusies van partijen voor het Hof
31 De Republiek Bulgarije verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak zelf af te doen of, subsidiair, terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.
32 De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en de Republiek Bulgarije te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
33 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Republiek Bulgarije twee middelen aan.
34 Het eerste middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 52, lid 3, van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, telkens gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, en artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, alsook aan schending van de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het beginsel van loyale samenwerking.
35 Volgens het tweede middel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 54, lid 5, onder a) en c), van verordening nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 54, lid 1, ervan.
Eerste middel
Argumenten van partijen
36 Met haar eerste middel verwijt de Republiek Bulgarije het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 52, lid 3, van verordening nr. 1306/2013 en artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, telkens gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, en artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, alsook schending van de motiveringsplicht uit hoofde van artikel 296 VWEU en van de beginselen van behoorlijk bestuur en loyale samenwerking, waardoor het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat de rechten van verdediging van de Republiek Bulgarije en de procedurele waarborgen die van toepassing waren tijdens de conformiteitsgoedkeuringsprocedure, de plicht tot motivering van corrigerende maatregelen en de beginselen van behoorlijk bestuur en loyale samenwerking in acht waren genomen. Deze lidstaat voegt hieraan toe dat het bestreden arrest ontoereikend en ongepast is gemotiveerd, aangezien het Gerecht niet alle voor het geding relevante feiten en de door deze lidstaat ingediende opmerkingen heeft beoordeeld.
37 In de eerste plaats betoogt de Republiek Bulgarije dat het Gerecht, door in de punten 47 tot en met 49 van het bestreden arrest te oordelen dat, gelet op de toezending van de tweede uitnodiging voor een bilaterale vergadering en het houden van die vergadering, de procedurefouten die verband hielden met de wijziging door de Commissie van de rechtsgrondslag van de financiële correctie betreffende de risico-uitgaven waren verholpen, de procedure op tegenspraak van artikel 52, lid 3, van verordening nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, heeft verward met de afzonderlijke materiële gronden voor het opleggen van een financiële correctie als bedoeld in respectievelijk artikel 52, lid 1, en artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013.
38 In dit verband voert de Republiek Bulgarije aan dat de oplegging van een financiële correctie op grond van, enerzijds, artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 en, anderzijds, artikel 54, lid 5, van deze verordening, op verschillende rechtsgrondslagen berust. Hoewel de vaststelling van besluiten op elk van deze grondslagen onderworpen is aan dezelfde procedure op tegenspraak, die is geregeld in artikel 52, lid 3, van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, had het litigieuze besluit dus moeten worden gebaseerd op dezelfde gronden als die op basis waarvan de procedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, was ingeleid.
39 In casu had de Commissie de op grond van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 ingeleide procedure dus moeten onderbreken en een nieuwe procedure op grond van artikel 54, lid 5, van deze verordening moeten inleiden door aan de Republiek Bulgarije overeenkomstig artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 haar bevindingen mee te delen die waren vastgesteld na de in artikel 54, lid 4, van verordening nr. 1306/2013 bedoelde verificaties.
40 Het Gerecht heeft in punt 42 van het bestreden arrest dus ten onrechte geoordeeld dat de tweede uitnodiging voor een bilaterale vergadering de mededeling van de bevindingen had kunnen aanpassen aan de nieuwe aangevoerde rechtsgrondslag.
41 In de tweede plaats stelt de Republiek Bulgarije dat het Gerecht in de punten 61 en 62 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de motiveringsplicht was voldaan omdat zij had deelgenomen aan de in artikel 52, lid 3, van verordening nr. 1306/2013 bedoelde procedure op tegenspraak.
42 In dit verband voert deze lidstaat aan dat de Commissie op grond van artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013 bevoegd is om uitvoeringshandelingen vast te stellen waarbij bedragen van Uniefinanciering worden uitgesloten, voor zover de procedure van artikel 52, lid 3, van die verordening is gevolgd, op grond waarvan de Commissie dergelijke handelingen ook zonder voorafgaande controle ter plaatse in de zin van artikel 47 van verordening nr. 1306/2013 kan vaststellen, mits de rechten van de verdediging en het beginsel van hoor en wederhoor worden geëerbiedigd.
43 De Republiek Bulgarije leidt hieruit af dat de Commissie in casu de verificatie die was gestart met de toezending van de eindverslagen van OLAF had moeten onderbreken en dat zij, na verificatie van de in artikel 54, lid 4, van verordening nr. 1306/2013 bedoelde documenten, de procedure van artikel 54, lid 5, had moeten inleiden door overeenkomstig artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 een mededeling toe te zenden waarin zij de lidstaat in kennis stelt van haar conclusies uit hoofde van artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, die zijn opgesteld na de in artikel 54, lid 4, bedoelde verificaties.
44 De Commissie heeft echter een onderzoek ingesteld op basis van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 en is vervolgens uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat, gelet op de nalatigheid van het betaalorgaan met betrekking tot het verzoek tot terugvordering bij de begunstigde en de opneming van de betrokken bedragen in het debiteurenboek binnen de in artikel 54, lid 1, van die verordening gestelde termijn, het bij de uitsluitingsgrond ging om die welke bedoeld is in artikel 54, lid 5, onder a) en c), van die verordening, ook al wordt in de motivering van het litigieuze besluit geenszins naar deze bepaling verwezen.
45 In de derde plaats is de Republiek Bulgarije van mening dat het Gerecht heeft nagelaten na te gaan of de Commissie de zorgvuldigheidsplicht van artikel 4, lid 3, VEU was nagekomen.
46 In dit verband voert de Republiek Bulgarije aan dat de Commissie voortijdig heeft gehandeld, aangezien zij – na ontvangst van de eindverslagen van OLAF – deze slechts had moeten toezenden met een aanbeveling om corrigerende maatregelen te nemen en vervolgens had moeten nagaan of artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 was nageleefd alvorens een uitvoeringsbesluit vast te stellen op grond van artikel 54, lid 5, onder a) en c), van deze verordening.
47 In de vierde plaats betoogt de Republiek Bulgarije dat het Gerecht de bewijzen die zij vóór de terechtzitting had overgelegd en die betrekking hadden op de eerbiediging van de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur, niet heeft beoordeeld en dienaangaande evenmin opmerkingen heeft gemaakt. Uit deze gegevens blijkt dat de Commissie in andere gevallen waarin het betaalorgaan een aantal eindverslagen over door OLAF verrichte controles had ontvangen, die zij eveneens aan de Bulgaarse autoriteiten had toegezonden, de procedure van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 niet had ingeleid. In dit verband heeft het Gerecht het feit dat de Commissie kennelijk van benadering was veranderd niet beoordeeld en dienaangaande evenmin opmerkingen gemaakt.
48 Volgens de Republiek Bulgarije had het litigieuze besluit redelijkerwijs slechts kunnen worden vastgesteld indien uit de eindverslagen van OLAF was gebleken dat het betaalorgaan artikel 54, lid 5, onder a) en c), van verordening nr. 1306/2013 niet had nageleefd, terwijl de feiten in casu betrekking hadden op door de begunstigden van de landbouwfondsen van de Unie begane onregelmatigheden.
49 De Commissie betwist de gegrondheid van dit betoog.
Beoordeling door het Hof
50 Wat in de eerste plaats de in de punten 37 tot en met 40 van het onderhavige arrest samengevatte grief betreft, dat de Commissie door middel van de tweede uitnodiging voor een bilaterale vergadering de mededeling van de bevindingen niet kon aanpassen in de zin van artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, aangezien de oplegging van een financiële correctie op grond van artikel 52, lid 1 van verordening nr. 1306/2013, dan wel op grond van artikel 54, lid 5, van die verordening, op verschillende rechtsgrondslagen berustte, zij eraan herinnerd dat het Gerecht in de punten 41, 42 en 46 van het bestreden arrest het volgende heeft overwogen: „41 [...] [Vastgesteld] moet worden [...] dat [...] de redenen voor de litigieuze financiële correctie, zoals uiteengezet in het syntheseverslag en in het [litigieuze] besluit, slechts gedeeltelijk overeenstemmen met de gronden die de inleiding van de litigieuze goedkeuringsprocedure hadden gerechtvaardigd en zoals deze door de Commissie waren uiteengezet in de mededeling van de bevindingen. 42 [...] [D]e Commissie [heeft] de Republiek Bulgarije evenwel uitgenodigd voor een tweede bilaterale vergadering. In deze tweede uitnodiging werd er onder meer op gewezen dat met betrekking tot bepaalde betalingen kon worden geoordeeld dat zij niet in aanmerking kwamen voor financiering door de Unie en werd aanbevolen om, ten eerste, de betalingen die werden geacht risico’s voor het betrokken fonds op te leveren niet te verrichten en, ten tweede, de onregelmatige betalingen overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 terug te vorderen bij de respectieve begunstigden ervan. Bovendien bevatte de tweede uitnodiging voor een bilaterale vergadering ten eerste een verwijzing naar artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, ten tweede een nauwkeurige identificatie van de onregelmatigheden die in dit stadium een financiële correctie zouden kunnen rechtvaardigen, en ten derde een vermelding van de te verwachten corrigerende maatregelen. In zoverre kan worden geoordeeld dat bij deze uitnodiging [de] op 4 januari 2017 aan de Republiek Bulgarije toegezonden mededeling van de bevindingen in wezen is aangepast. [...] 46 [...] [Er] moet worden opgemerkt dat de Commissie in het op 1 maart 2019 overgelegde verzoek om aanvullende inlichtingen de Republiek Bulgarije heeft herinnerd aan de vereisten van artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, omdat zij geconfronteerd werd met de weigering van de Republiek Bulgarije om een deel van de voorgenomen corrigerende maatregelen uit te voeren, namelijk om de litigieuze betalingen zo snel mogelijk terug te vorderen. Bij die gelegenheid heeft de Commissie met name benadrukt dat de Republiek Bulgarije de onverschuldigd betaalde bedragen van de begunstigden moest terugvorderen binnen een termijn van 18 maanden na de kennisgeving van de eindverslagen die OLAF in de twee door dit laatste uitgevoerde onderzoeken had uitgebracht. Bovendien liet de verwijzing naar artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 er geen enkele twijfel over bestaan dat financiële correcties konden volgen indien deze termijn niet in acht werd genomen.”
51 Artikel 54, lid 5, onder a) en c), van verordening nr. 1306/2013 bepaalt dat de Commissie, mits zij daartoe de in artikel 52, lid 3, van die verordening neergelegde procedure heeft gevolgd, uitvoeringshandelingen kan vaststellen, op grond waarvan ten laste van de begroting van de Unie gebrachte bedragen van financiering door de Unie worden uitgesloten indien de betrokken lidstaat de in artikel 54, lid 1, van die verordening genoemde termijn van 18 maanden niet in acht heeft genomen, of indien zij van mening is dat de niet-inning het gevolg is van onregelmatigheden of nalatigheden die te wijten zijn aan die lidstaat.
52 Volgens artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 vorderen de lidstaten onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden terug van de begunstigde binnen 18 maanden na de goedkeuring en, indien van toepassing, de ontvangst door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan van een controlerapport of een soortgelijk document waarin wordt verklaard dat er een onregelmatigheid of nalatigheid heeft plaatsgevonden. De desbetreffende bedragen moeten op het moment van dit verzoek tot terugvordering worden opgenomen in het debiteurenboek van het betaalorgaan.
53 Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling dat de krachtens deze bepaling op de lidstaten rustende verplichting om onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden van de begunstigde terug te vorderen, ontstaat vanaf de goedkeuring of ontvangst door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan van een „controlerapport of een soortgelijk document waarin wordt verklaard dat er een onregelmatigheid of nalatigheid heeft plaatsgevonden”.
54 Aangezien artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013 de vaststelling door de Commissie van een uitvoeringsbesluit op grond van die bepaling slechts afhankelijk stelt van de naleving van de procedure van artikel 52, lid 3, van deze verordening, moet bovendien worden geoordeeld, zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft gedaan, dat de procedure die leidt tot de vaststelling van een uitvoeringshandeling op basis van artikel 54, lid 5, van die verordening, los van de procedure van artikel 52, lid 1, van die verordening kan worden gevoerd.
55 Hieruit volgt dat de Commissie, overeenkomstig de in de overwegingen 37 en 39 van verordening nr. 1306/2013 vermelde doelstelling van bescherming van de financiële belangen van de Uniebegroting, wanneer de niet-nakoming van de terugvorderingsverplichting is vastgesteld, een uitvoeringshandeling kan vaststellen op grond van artikel 54, lid 5, van die verordening, mits de in artikel 52, lid 3, van die verordening vastgestelde procedure wordt nageleefd.
56 Uit laatstgenoemde bepaling, die de procedure vaststelt die moet worden gevolgd voordat een besluit tot weigering van financiering wordt vastgesteld, blijkt dat een dergelijk besluit slechts kan worden vastgesteld wanneer er sprake is van schriftelijke contacten tussen de Commissie en de betrokken lidstaat met betrekking tot de resultaten van de inspectie die de Commissie heeft verricht met het oog op het bereiken van overeenstemming over de te ondernemen actie. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, kan de betrokken lidstaat verzoeken om de opening van een bemiddelingsprocedure, na afloop waarvan een verslag met aanbevelingen wordt ingediend bij de Commissie, die daarmee rekening houdt voordat zij een besluit neemt over een eventuele weigering van financiering.
57 Overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder b), van verordening nr. 1306/2013 heeft de Commissie uitvoeringsverordening nr. 908/2014 vastgesteld, waarvan artikel 34 de nadere regels bevat voor de in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 bedoelde conformiteitsgoedkeuringsprocedure.
58 Zoals blijkt uit artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, gelezen in het licht van overweging 27 ervan, gaat het om een procedure op tegenspraak waarvan de verschillende fasen, die het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, zijn onderworpen aan specifieke termijnen om te garanderen dat deze procedure binnen een redelijk tijdsbestek wordt afgesloten.
59 In de eerste fase deelt de Commissie haar bevindingen aan de betrokken lidstaat mee en geeft zij aan welke correctiemaatregelen zij meent te moeten nemen, en welk voorlopig niveau van financiële correctie zij passend acht. Overeenkomstig de door het Gerecht in punt 37 van het bestreden arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet deze mededeling voldoende nauwkeurig melding maken van alle aan de betrokken lidstaat verweten onregelmatigheden waarop de toegepaste financiële correctie uiteindelijk is gebaseerd. Alleen een dergelijke mededeling kan waarborgen dat de bezwaren van de Commissie volledig bekend zijn (zie naar analogie arrest van 3 mei 2012, Spanje/Commissie, C‑24/11 P, EU:C:2012:266, punt 31). Bovendien moet die mededeling overeenkomstig artikel 34, lid 2, eerste alinea, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 verwijzen naar artikel 34 en vermelden wanneer een bilaterale vergadering zal worden gehouden gedurende de periode van vier maanden na afloop van de antwoordtermijn waarover de betrokken lidstaat beschikt.
60 In casu heeft het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie in haar tweede uitnodiging aan de Republiek Bulgarije voor een bilaterale vergadering had aangegeven dat bepaalde betalingen konden worden geacht niet in aanmerking te komen voor financiering door de Unie. In die uitnodiging heeft de Commissie aanbevolen om, ten eerste, de betalingen die werden geacht risico’s voor het betrokken fonds op te leveren niet te hernieuwen en, ten tweede, de onregelmatige betalingen overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 terug te vorderen bij de respectieve begunstigden ervan. Bovendien heeft het Gerecht vastgesteld dat deze uitnodiging, ten eerste een verwijzing naar artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 bevatte, ten tweede een nauwkeurige identificatie van de onregelmatigheden die in dit stadium een financiële correctie konden rechtvaardigen, en ten derde een vermelding van de te verwachten corrigerende maatregelen.
61 Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door daaruit af te leiden dat de tweede uitnodiging voor een bilaterale vergadering voldeed aan de vereisten van artikel 34, lid 2, eerste alinea, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 en dus te oordelen dat die uitnodiging in wezen de mededeling van de bevindingen, die op 4 januari 2017 aan de Republiek Bulgarije was toegezonden, had aangepast.
62 Voor zover de Republiek Bulgarije met deze grief betoogt dat de Commissie in casu voortijdig heeft gehandeld toen zij de procedure van artikel 54, lid 5, onder a) en c), van verordening nr. 1306/2013 inleidde, op grond dat zij haar in eerste instantie de eindverslagen van OLAF had moeten doorsturen, vergezeld van een eenvoudige aanbeveling om corrigerende maatregelen te nemen, en vervolgens had moeten nagaan of zij had voldaan aan de krachtens artikel 54, lid 1, van die verordening op haar rustende verplichtingen, alvorens haar in tweede instantie haar bevindingen uit hoofde van artikel 34, lid 2, van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 mee te delen, moet bovendien worden opgemerkt dat deze uitlegging geen enkele steun vindt in de bewoordingen van die bepalingen.
63 Bovendien zou die uitlegging moeilijk verenigbaar zijn met de in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstelling om de financiële belangen van de Uniebegroting te beschermen.
64 Een dergelijke uitlegging zou namelijk tot gevolg hebben dat de Commissie het einde van de in artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 gestelde termijn van 18 maanden zou moeten afwachten alvorens de procedure op tegenspraak van artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 te kunnen inleiden, en met name dat zij de betrokken lidstaat in kennis zou moeten stellen van de corrigerende maatregelen die volgens haar moesten worden uitgevoerd, waardoor de kans dat onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden daadwerkelijk worden teruggevorderd, zou kunnen worden verkleind.
65 Hieraan moet worden toegevoegd dat de door de Republiek Bulgarije voorgestane uitlegging niet wordt gerechtvaardigd door het vereiste van bescherming van de rechten van de verdediging, aangezien, zoals het Gerecht overigens in punt 49 van het bestreden arrest heeft onderzocht, de door het Gerecht gegeven uitlegging de betrokken lidstaat niet de mogelijkheid ontneemt om zijn standpunt over de terugvordering van de risico-uitgaven en de toepassing van artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 naar behoren kenbaar te maken.
66 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de onderhavige grief berust op een onjuiste uitlegging van artikel 52, lid 1, en artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, zodat zij ongegrond moet worden verklaard.
67 Wat in de tweede plaats het in de punten 41 tot en met 44 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog betreft, waarmee de Republiek Bulgarije in wezen betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 61 en 62 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht was nagekomen, terwijl het litigieuze besluit geenszins verwijst naar artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013, dat de werkelijke rechtsgrondslag van dat besluit vormt, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest terecht eerst heeft herinnerd aan de vaste rechtspraak inzake artikel 296 VWEU, volgens welke de motivering van rechtshandelingen moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen.
68 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 60 van het bestreden arrest eveneens terecht herinnerd aan de rechtspraak volgens welke in de bijzondere context waarin besluiten inzake de goedkeuring van de rekeningen op het gebied van landbouwfondsen van de Unie tot stand komen, de motivering van een besluit houdende weigering om een deel van de gedeclareerde uitgaven ten laste van een dergelijk fonds te brengen, als toereikend moet worden beschouwd wanneer de betreffende lidstaat nauw betrokken was bij de procedure die tot de vaststelling van dat besluit heeft geleid, en bekend was met de redenen waarom de Commissie van mening was dat die uitgaven niet ten laste van het betrokken fonds moesten worden gebracht.
69 In casu komt de Republiek Bulgarije echter niet op tegen de vaststellingen van het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest, volgens welke deze lidstaat betrokken was bij de opstelling van het litigieuze besluit en dat de kwestie van de invordering van de litigieuze schuldvorderingen, in samenhang met artikel 54 van verordening nr. 1306/2013, herhaaldelijk tussen partijen is besproken.
70 Bijgevolg kan de Republiek Bulgarije het Gerecht niet verwijten dat het daaruit in punt 62 van het bestreden arrest heeft afgeleid dat zij niet kon stellen dat zij niet op de hoogte was gebracht van de redenen waarom de Commissie voornemens was haar de financiële correctie met betrekking tot de risico-uitgaven op te leggen, en evenmin dat zij niet in staat was om de motivering van het litigieuze besluit op dit punt te begrijpen.
71 Gelet op de door het Gerecht in herinnering gebrachte rechtspraak heeft het Gerecht dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie haar motiveringsplicht niet had geschonden.
72 Derhalve moet de tweede grief ongegrond worden verklaard.
73 In de derde plaats, voor zover de Republiek Bulgarije met het in de punten 45 en 46 van het onderhavige arrest samengevatte betoogt stelt dat het Gerecht niet heeft onderzocht of de Commissie de zorgvuldigheidsplicht van artikel 4, lid 3, VEU was nagekomen, hoeft slechts te worden opgemerkt, zoals de advocaat-generaal dit in de punten 82 tot en met 85 van zijn conclusie heeft gedaan, dat de argumenten die de Republiek Bulgarije dienaangaande voor het Gerecht heeft aangevoerd, niet op zichzelf stonden, maar leken voort te vloeien uit de gestelde schending van de procedure die volgens deze lidstaat tot de vaststelling van het litigieuze besluit had moeten leiden, en voorts dat deze argumentatie bijzonder beknopt was en dat, anders dan deze lidstaat stelt, uit punt 49 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht deze argumentatie even beknopt heeft onderzocht en beantwoord.
74 Derhalve moet de derde grief ongegrond worden verklaard.
75 Wat in de vierde plaats de in de punten 47 en 48 van het onderhavige arrest samengevatte grief betreft, volgens welke het Gerecht bepaalde bewijzen niet heeft onderzocht die aantonen dat de Commissie de beginselen van loyale samenwerking en behoorlijk bestuur niet in acht heeft genomen door de procedure van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 in te leiden, terwijl die procedure in andere soortgelijke latere gevallen niet is ingeleid, zij eraan herinnerd dat het toezicht van het Hof in het kader van een hogere voorziening met name tot doel heeft na te gaan of het Gerecht rechtens genoegzaam heeft geantwoord op alle door de rekwirant aangevoerde argumenten en dat het middel waarmee wordt aangevoerd dat het Gerecht niet heeft geantwoord op de in eerste aanleg aangevoerde argumenten, in wezen neerkomt op de stelling dat niet is voldaan aan de motiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – dat op het Gerecht van toepassing is krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut – en uit artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (zie in die zin arrest van 27 februari 2025, OA/Parlement, C‑32/24 P, EU:C:2025:118, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 Die verplichting om arresten te motiveren verplicht het Gerecht niet om een uiteenzetting te geven waarin alle argumenten van de partijen een voor een uitvoerig worden behandeld. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het bestreden arrest is gebaseerd en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arrest van 27 februari 2025, OA/Parlement, C‑32/24 P, EU:C:2025:118, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77 Wat in casu ten eerste de brief van de Commissie betreft die de Republiek Bulgarije op 12 mei 2022 heeft ontvangen, moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 22 van het bestreden arrest dit bewijs, dat deze lidstaat aan de vooravond van de terechtzitting voor het Gerecht had overgelegd, ontvankelijk heeft verklaard. Het Gerecht heeft dit vervolgens onderzocht in punt 53 van dat arrest, waarin het heeft geoordeeld dat die lidstaat niet had uiteengezet hoe deze brief haar betoog kon ondersteunen, zodat de stelling dat het Gerecht dit bewijs buiten beschouwing heeft gelaten, ongegrond is.
78 Ten tweede, voor zover de Republiek Bulgarije met deze grief van mening is dat het Gerecht niet is ingegaan op haar opmerkingen die zijn gebaseerd op overweging 29 en artikel 2 van verordening (EU, Euratom) 2020/2223 van het Europees Parlement en de Raad van 23 december 2020 tot wijziging van verordening [nr. 883/2013] wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de door [OLAF] uitgevoerde onderzoeken (PB 2020, L 437, blz. 49), zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke een hogere voorziening krachtens artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven (arrest van 22 mei 2025, Trasta Komercbanka/ECB, C‑90/23 P, EU:C:2025:369, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 In casu moet worden opgemerkt dat de in punt 48 van de hogere voorziening uiteengezette argumenten van de Republiek Bulgarije die op voormelde overweging 29 en voormeld artikel 2 zijn gebaseerd, worden gekenmerkt door een totaal gebrek aan duidelijkheid en verband met de motivering van het bestreden arrest en dus kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
80 Gelet op een en ander moet het eerste middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
Tweede middel
Argumenten van partijen
81 Het tweede middel van de hogere voorziening is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven door artikel 54, lid 5, onder a) en c), van verordening nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 54, lid 1, van deze verordening, aldus uit te leggen dat de in artikel 54, lid 1, gestelde termijn van 18 maanden in casu was ingegaan vanaf de ontvangst van de eindverslagen van OLAF door het betaalorgaan.
82 Wat het Gerecht in de punten 76 tot en met 78 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, is volgens de Republiek Bulgarije namelijk in strijd met de vaste rechtspraak van het Gerecht dat het in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 bedoelde besluitvormingsproces een procedure op tegenspraak is en dat de in het kader van de administratieve procedure uitgewisselde documenten ter voorbereiding van de vaststelling van een besluit dienen.
83 De Republiek Bulgarije betoogt met name dat het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat indien de Uniewetgever het aanvangstijdstip van de termijn van 18 maanden die voor de lidstaten geldt om de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen van de begunstigden, had willen vastleggen op het tijdstip van de formele afronding van de goedkeuringsprocedure als bedoeld in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013, hij uitdrukkelijk zou hebben verwezen naar de „uitvoeringshandelingen”.
84 Deze lidstaat voert in dit verband aan dat de Uniewetgever in artikel 54, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 weliswaar in algemene bewoordingen de documenten heeft bepaald waarvan de ontvangst de termijn van 18 maanden doet ingaan, maar dat dit het gevolg is van de heterogene aard van de controles, conclusies en verslagen die in het kader van de goedkeuringsprocedure en de procedure inzake onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld.
85 De Republiek Bulgarije wijst er voorts op dat zij, anders dan in punt 77 van het bestreden arrest is aangegeven, niet betwist dat de Commissie in beginsel het recht heeft om een conformiteitsgoedkeuringsprocedure in te leiden en uitgaven uit te sluiten op basis van de informatie in de eindverslagen van OLAF.
86 In casu zou de reeds op grond van artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 ingeleide procedure echter hebben vereist dat de Commissie aan het einde van alle in artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014 bedoelde fasen een besluit tot weigering van financiering vaststelt.
87 De procedure van artikel 52, lid 3, van verordening nr. 1306/2013, die wordt ingeleid op grond van artikel 52, lid 1, van deze verordening, verplicht de Commissie namelijk om deze procedure te beëindigen met een op dezelfde grondslag vastgesteld uitvoeringsbesluit, zodat de betrokken lidstaat met zekerheid kan weten welke maatregelen hij moet nemen.
88 Door dit niet te doen, heeft de Commissie de Republiek Bulgarije in onzekerheid gebracht over de precieze aard van hetgeen haar werd verweten.
89 Deze lidstaat betoogt dat het Gerecht in de punten 73 tot en met 81 van het bestreden arrest de feiten van de onderhavige zaak onjuist heeft uitgelegd in samenhang met de artikelen 52 en 54 van verordening nr. 1306/2013, die samen moeten worden uitgelegd, aangezien artikel 54 van deze verordening verwijst naar artikel 52, lid 3, van die verordening wat de rechten van de verdediging betreft, en naar informatie in het kader van een op grond van artikel 54, lid 5, van die verordening vast te stellen besluit.
90 Het Gerecht heeft artikel 52, leden 1 en 3, van verordening nr. 1306/2013, in hun onderlinge samenhang gelezen, onjuist uitgelegd door te oordelen dat deze bepalingen de Commissie in staat stelden een besluit op grond van artikel 54, lid 5, van deze verordening vast te stellen, terwijl laatstgenoemde bepaling in werkelijkheid de Commissie enkel verplicht om de procedure op tegenspraak van artikel 52, lid 3, van die verordening te volgen om uitgaven op grond van artikel 54, lid 5, uit te sluiten in geval van niet-inachtneming van de in artikel 54, lid 1, van die verordening gestelde termijn of nalatigheid van de betrokken lidstaat.
91 De Commissie betwist de gegrondheid van dit argument.
Beoordeling door het Hof
92 Met dit tweede middel stelt de Republiek Bulgarije dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn uitlegging van artikel 54, lid 5, onder a) en c), van verordening nr. 1306/2013, gelezen in samenhang met artikel 54, lid 1, van deze verordening, doordat het in wezen heeft geoordeeld dat de in artikel 54, lid 1, gestelde termijn van 18 maanden in casu was ingegaan vanaf de ontvangst van de eindverslagen van OLAF door het betaalorgaan, terwijl volgens de betrokken lidstaat, wanneer een procedure wordt ingeleid op grond van artikel 52 van die verordening, deze moet leiden tot de vaststelling van een besluit tot weigering van financiering na afloop van de verschillende fasen bedoeld in artikel 34 van uitvoeringsverordening nr. 908/2014, hetgeen in casu niet het geval was toen OLAF zijn eindverslagen heeft doen toekomen.
93 Aldus is het Gerecht volgens die lidstaat voorbijgegaan aan het contradictoire karakter van het in artikel 52 van verordening nr. 1306/2013 bedoelde besluitvormingsproces en aan het feit dat de in het kader van die administratieve procedure meegedeelde documenten ter voorbereiding van de vaststelling van een besluit tot weigering van financiering dienen.
94 In dit verband moet worden opgemerkt dat het tweede middel berust op de onjuiste premisse dat de Commissie, wanneer zij de conformiteitsgoedkeuringsprocedure op grond van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 heeft ingeleid, op grond van deze bepaling een uitvoeringshandeling moet vaststellen alvorens in voorkomend geval een procedure op grond van artikel 54, lid 5, onder a) en c), van deze verordening te kunnen inleiden.
95 Zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel en in het bijzonder uit de punten 53 tot en met 55 van het onderhavige arrest, ontstaat de verplichting om onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden terug te vorderen, namelijk vanaf met name de ontvangst door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan van een „controlerapport of een soortgelijk document waarin wordt verklaard dat er een onregelmatigheid of nalatigheid heeft plaatsgevonden”, en kan de procedure die leidt tot de vaststelling van een uitvoeringshandeling op grond van artikel 54, lid 5, van verordening nr. 1306/2013 los van de procedure van artikel 52, lid 1, van die verordening worden gevoerd.
96 Wanneer de niet-nakoming van de terugvorderingsverplichting is vastgesteld, kan de Commissie bijgevolg, zonder eerst de op grond van deze laatste bepaling ingeleide procedure te moeten beëindigen, een uitvoeringshandeling vaststellen op grond van artikel 54, lid 5, van die verordening, mits zij de procedure van artikel 52, lid 3, van die verordening in acht neemt.
97 In die omstandigheden kan het onderhavige middel niet slagen.
98 Aangezien geen van de ter ondersteuning van de onderhavige hogere voorziening aangevoerde middelen is aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
99 Overeenkomstig artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
100 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
101 Aangezien de Republiek Bulgarije in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Republiek Bulgarije draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( 1 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 2 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 3 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 4 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 5 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 6 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 7 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 8 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 9 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.
( 10 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.