HvJ EU 23 oktober 2025, C-221/24, ECLI:EU:C:2025:818

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

23 oktober 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Afvalstoffen – Verordening (EG) nr. 1013/2006 – Artikel 24, lid 2 – Overbrenging – Terugname bij illegale overbrenging – Terugname van afvalstoffen door de bevoegde autoriteit van verzending – Verplichting of mogelijkheid voor deze autoriteit om de afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen ondanks het verzet van de oorspronkelijke verzender – Artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Eigendomsrecht – Geldigheid”

In de gevoegde zaken C‑221/24 en C‑222/24,

betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt, Mark‑ och miljööverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, kamer voor onroerende zaken en milieu, Zweden) bij beslissingen van 12 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 22 maart 2024, in de procedure

Naturvårdsverket

tegen

UQ (C‑221/24),

IC (C‑222/24),

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin, en S. Gervasoni (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

– Naturvårdsverket, vertegenwoordigd door Y. Lindén en L. Vogel, miljöjurister,

– het Europees Parlement, vertegenwoordigd door A. Ahlvin, W. D. Kuzmienko en A. Neergaard als gemachtigden,

– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Himmanen en A. Maceroni als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland en T. S. Bohr als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c) en d), van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006, L 190, blz. 1) en de geldigheid van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van deze verordening in het licht van het eigendomsrecht dat is neergelegd in artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen Naturvårdsverket (milieubeschermingsagentschap, Zweden; hierna: „agentschap”) en UQ (zaak C‑221/24) en IC (zaak C‑222/24) over de behandeling door dit agentschap van afval in door UQ en IC verzonden containers.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3 In de preambule van het op 22 maart 1989 te Bazel ondertekende Verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, dat namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 93/98/EEG van de Raad van 1 februari 1993 (PB 1993, L 39, blz. 1; hierna: „Verdrag van Bazel”), staat te lezen dat de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen alleen moet worden toegestaan wanneer het vervoer en de uiteindelijke verwijdering van die afvalstoffen milieuhygiënisch verantwoord zijn.

4 Artikel 9 van het Verdrag van Bazel („Ongeoorloofde handel”) bepaalt in lid 2: „In het geval van een grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen of andere afvalstoffen die als sluikhandel wordt beschouwd op grond van gedragingen van de exporteur of de producent, draagt de Staat van uitvoer er zorg voor dat de afvalstoffen in kwestie: a) door de exporteur of de producent of, indien noodzakelijk, door die Staat zelf, worden teruggebracht naar de Staat van uitvoer, dan wel, indien dit niet mogelijk is, b) op een andere wijze worden verwijderd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag; binnen dertig dagen vanaf het tijdstip waarop de Staat van uitvoer op de hoogte is gesteld van de sluikhandel, of binnen een ander tijdvak overeengekomen door de betrokken Staten. Geen van de betrokken Partijen verzet zich tegen, belemmert of verhindert de terugkeer van die afvalstoffen naar de Staat van uitvoer.”

Unierecht

Handvest

5 Artikel 17 van het Handvest („Het recht op eigendom”) bepaalt in lid 1: „Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.”

6 Artikel 52 van het Handvest („Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen”) bepaalt in lid 1: „Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

Richtlijn 2008/98

7 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008, L 312, blz. 3; hierna: „richtlijn 2008/98”), waarnaar wordt verwezen door verordening nr. 1013/2006, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 660/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB 2014, L 189, blz. 135), stelt een rechtskader vast voor de verwerking van afvalstoffen in de Europese Unie.

8 Zoals naar voren komt uit overweging 6 van deze richtlijn, moet „[e]lk afvalstoffenbeleid [...] in de eerste plaats tot doel hebben de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen voor menselijke gezondheid en milieu tot een minimum te beperken.”

9 Artikel 3 van die richtlijn („Definities”) luidt als volgt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: 1) ‚afvalstof’: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; [...]”

10 Artikel 15 van richtlijn 2008/98 („Verantwoordelijkheid voor het beheer van afvalstoffen”) bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De lidstaten nemen de maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat een eerste afvalproducent of andere houder van afvalstoffen zelf de afvalverwerking verricht, die verwerking laat verrichten door een handelaar, een inrichting of een onderneming die afvalverwerkingshandelingen verricht, of daartoe regelingen laat treffen door een publieke of private inzamelaar van afvalstoffen, met inachtneming van de artikelen 4 en 13. 2. Indien het afval van de eerste producent of houder voor voorafgaande behandeling wordt afgegeven aan een van de in lid 1 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen[,] wordt in de regel niet vrijgesteld van de verantwoordelijkheid voor de nuttige toepassing of verwijdering in haar geheel. [...]”

11 Krachtens artikel 16, lid 1, van deze richtlijn nemen „[d]e lidstaten [...] passende maatregelen [...] om een adequaat geïntegreerd netwerk tot stand te brengen van afvalverwijderingsinstallaties”.

Verordening nr. 1013/2006

12 Zoals blijkt uit overweging 1 van verordening nr. 1013/2006, is de bescherming van het milieu het hoofddoel en het belangrijkste element van die verordening. Daarenboven heet het in de overwegingen 3, 7 en 8: „(3) Besluit [93/98] betrof de sluiting namens de Gemeenschap van het Verdrag van Bazel [...], waarbij de Gemeenschap sinds 1994 partij is. Met de aanneming van verordening (EEG) nr. 259/93 [van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (PB 1993, L 30, blz. 1)] heeft de Raad voorschriften vastgesteld om dergelijke overbrenging aan banden te leggen en te controleren teneinde onder meer het bestaande stelsel van de Gemeenschap betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming te brengen met de eisen van het Verdrag van Bazel. [...] (7) Het is van belang het toezicht en de controle op de overbrenging van afvalstoffen te organiseren en te reguleren op een wijze die rekening houdt met de noodzaak de kwaliteit van het milieu en de gezondheid van de mens in stand te houden, te beschermen en te verbeteren en die bevorderlijk is voor een uniformere toepassing van de verordening in de gehele Gemeenschap. (8) Het is eveneens van belang rekening te houden met het voorschrift van artikel 4, lid 2, onder d), van het Verdrag van Bazel, dat overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen tot een minimum moet worden beperkt zodat een milieuhygiënisch verantwoord en efficiënt beheer van dergelijke afvalstoffen mogelijk is.”

13 Artikel 1 van deze verordening („Toepassingsgebied”) bepaalt in lid 1: „In deze verordening worden de procedures en controleregelingen voor de overbrenging van afvalstoffen vastgelegd [...].”

14 Artikel 2 van deze verordening definieert, in punt 34 ervan, het begrip „overbrenging” als, kort gezegd, „het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen” tussen meerdere landen of binnen eenzelfde land.

15 Artikel 3 van deze verordening stelt het „algemeen procedureel kader” voor deze overbrengingen vast, met daarin onder meer een procedure voor kennisgeving van deze overbrengingen, welke kennisgeving volgens artikel 4, tweede alinea, punt 6, ervan „de overbrenging van [...] afvalstoffen vanaf de oorspronkelijke plaats van verzending [bestrijkt] en [...] de voorlopige en niet-voorlopige nuttige toepassing of verwijdering [omvat]”.

16 Artikel 24 van verordening nr. 1013/2006 („Terugname bij illegale overbrenging”) bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Indien een bevoegde autoriteit een transport ontdekt dat volgens haar illegaal is, stelt zij onverwijld de overige betrokken bevoegde autoriteiten hiervan in kennis. 2. Indien de verantwoordelijkheid voor de illegale overbrenging berust bij de kennisgever, zorgt de bevoegde autoriteit van verzending ervoor dat de betrokken afvalstoffen: a) worden teruggenomen door de kennisgever de facto, of, indien geen kennisgeving is gedaan, b) worden teruggenomen door de kennisgever de jure, of, indien dit niet mogelijk is, c) worden teruggenomen door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, of, indien dit niet mogelijk is, d) anderszins worden verwijderd of nuttig toegepast in het land van bestemming of verzending door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, of, indien dit niet mogelijk is, e) anderszins worden verwijderd of nuttig toegepast in een ander land door de bevoegde autoriteit van verzending zelf dan wel namens haar door een natuurlijke of rechtspersoon, indien alle betrokken bevoegde autoriteiten daarmee instemmen. De terugname, nuttige toepassing of verwijdering gebeurt binnen 30 dagen, of een andere tussen de betrokken bevoegde autoriteiten overeengekomen periode, nadat de bevoegde autoriteit van verzending kennis heeft gekregen, of door de bevoegde autoriteiten van bestemming of doorvoer schriftelijk in kennis is gesteld, van het illegale transport en van de reden(en) daarvan. Een dergelijke kennisgeving kan voortvloeien uit informatie die onder meer door andere bevoegde autoriteiten aan de bevoegde autoriteiten van bestemming of van doorvoer is verstrekt. In geval van terugname als bedoeld onder a), b) en c), is een nieuwe kennisgeving vereist, tenzij de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomen dat een naar behoren gemotiveerd verzoek van de oorspronkelijke bevoegde autoriteit van verzending volstaat. De nieuwe kennisgeving dient te worden gedaan door de onder a), b) of c), genoemde persoon of autoriteit, in die volgorde. De bevoegde autoriteiten verzetten zich niet tegen de terugzending van afvalstoffen van een illegale overbrenging. [...]”

17 Artikel 25 van deze verordening („Kosten van terugname bij illegale overbrenging”) bepaalt in lid 1: „De kosten in verband met de terugname van afvalstoffen van een illegale overbrenging, met inbegrip van de kosten van vervoer, van nuttige toepassing of verwijdering uit hoofde van artikel 24, lid 2, en de kosten van opslag uit hoofde van artikel 24, lid 7, vanaf de dag waarop de bevoegde autoriteit van verzending er kennis van heeft gekregen dat een overbrenging illegaal is, worden in rekening gebracht: a) aan de kennisgever de facto in de volgorde van artikel 2, punt 15, en indien geen kennisgeving is gebeurd, b) aan de kennisgever de jure of andere natuurlijke of rechtspersonen, naargelang van het geval, en, indien dit niet mogelijk is, c) aan de bevoegde autoriteit van verzending.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Zaak C‑221/24

18 Op 26 augustus 2022 heeft het agentschap – de instantie in Zweden die verantwoordelijk is voor de uitvoering van verordening nr. 1013/2006 – de Belgische autoriteiten meegedeeld dat een container die vermoedelijk afvalstoffen bevatte, waaronder twee voertuigen, banden en elektronische producten, Zweden via België had verlaten met bestemming Kameroen, en heeft het die autoriteiten verzocht deze container te stoppen.

19 Op 17 oktober 2022 heeft het agentschap de verzender, UQ, ervan in kennis gesteld dat de container moest worden teruggestuurd naar Zweden omdat deze afvalstoffen bevatte, en hem gevraagd of hij deze terugzending zelf wilde verzorgen dan wel of het agentschap dit op zich moest nemen op kosten van UQ. UQ heeft betwist dat er afvalstoffen in de container zaten en heeft het agentschap verzocht om de terugkeer van de container naar Zweden te organiseren, met de mededeling dat hij niet zeker wist of hij kon voldoen aan de voorwaarden om de container zelf terug te nemen.

20 Het agentschap heeft op 14 december 2022 besloten de terugkeer van de container naar Zweden te organiseren. Dit besluit was ingegeven door het feit dat de container volgens het agentschap afvalstoffen bevatte, waaronder gevaarlijke afvalstoffen. Het agentschap preciseerde in zijn besluit ook dat de terugname of de verwerking van het afval door UQ geen optie was, aangezien hij geen gebruik had gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om de inhoud van de container terug te nemen en geen gegevens had verstrekt waaruit bleek dat hij in staat zou zijn deze op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te behandelen.

21 Met het oog op de terugkeer van de container naar Zweden heeft het agentschap overeenkomstig artikel 24, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1013/2006 een kennisgeving opgesteld, waarin het zelf werd genoemd als kennisgever en verantwoordelijke voor de overbrenging. Als ontvanger van de afvalstoffen werd een in Zweden erkende inrichting voor de ontvangst van afvalstoffen aangewezen en er werd gespecificeerd dat de afvalstoffen werden overgebracht met het oog op de nuttige toepassing ervan. De kennisgeving is goedgekeurd door de bevoegde Belgische autoriteiten.

22 De inhoud van de container is vervolgens naar Zweden teruggebracht, naar de ontvangstinrichting die in de kennisgeving was vermeld, en is daar opgeslagen. Deze inhoud is ook geïnspecteerd door de Länsstyrelse i Norrbottens län (provinciebestuur van Norrbotten, Zweden), die heeft vastgesteld dat de inhoud bestond uit een mengsel van afvalstoffen, waarvan sommige gevaarlijk waren. Het provinciebestuur van Norrbotten was het eens met de analyse van de Belgische autoriteiten en het agentschap dat het ging om een illegale overbrenging van afvalstoffen, die op een milieuhygiënisch verantwoorde manier moesten worden verwerkt.

23 UQ heeft tegen het besluit van het agentschap beroep ingesteld bij de Nacka tingsrätt, mark‑ och miljödomstol (rechter in eerste aanleg voor onroerende en milieuzaken in Nacka, Zweden), die het besluit gedeeltelijk nietig heeft verklaard voor zover hierin was bepaald dat de inhoud van de container door het agentschap zou worden behandeld. Volgens deze rechter kon het besluit van het agentschap niet anders worden opgevat dan in die zin dat de aan UQ toebehorende goederen zouden worden afgenomen en nuttig zouden worden toegepast. Hij heeft vastgesteld dat dit besluit, voor zover het betrekking had op de nuttige toepassing van die goederen, inbreuk maakte op het grondrecht op bescherming van de eigendom op grond van onder meer het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM), en dat dus een duidelijke rechtsgrondslag nodig was om op die manier te werk te gaan. Evenwel stond niets in de tekst van verordening nr. 1013/2006 het agentschap toe te besluiten dat de goederen die aan UQ toebehoorden en door het agentschap als afvalstoffen waren aangemerkt, na hun terugkeer naar Zweden nuttig moesten worden toegepast, tegen de wil van UQ in.

24 Het agentschap heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Mark‑ och miljööverdomstol (rechter in tweede aanleg Stockholm, kamer voor onroerende zaken en milieu, Zweden), die de verwijzende rechter is in zaak C‑221/24.

Zaak C‑222/24

25 De context en de nationale rechterlijke procedure in deze zaak lijken sterk op de context en de procedure in zaak C‑221/24.

26 Op 25 november 2021 hebben de Duitse autoriteiten de lading gecontroleerd van een container die vanuit Zweden op weg was naar Congo. Volgens de Duitse autoriteiten bevatte de container afvalstoffen, onder meer een voertuig, meubilair, kleding en speelgoed.

27 De Duitse autoriteiten hebben de verzending van deze container onderbroken wegens de verdenking van illegale overbrenging van afvalstoffen. Daarenboven hebben zij het agentschap, als bevoegde autoriteit in Zweden, verzocht ervoor te zorgen dat de lading van de container naar Zweden werd teruggezonden en milieuhygiënisch verantwoord werd behandeld.

28 Het agentschap was het eens met de analyse van de Duitse autoriteiten en heeft contact opgenomen met de afzender, IC, en hem de mogelijkheid geboden om zelf de terugkeer van de inhoud van de container naar Zweden te organiseren. IC heeft het agentschap meegedeeld dat hij de overbrenging van de lading van de container van Duitsland naar Zweden niet kon financieren en het agentschap verzocht om hem hiertoe bij te staan.

29 Het agentschap was verder van mening dat de bedoelingen van IC met betrekking tot de inhoud van de container niet duidelijk waren en heeft aldus besloten dat die inhoud naar Zweden moest worden teruggestuurd om deze op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te laten behandelen.

30 IC heeft tegen het besluit van het agentschap beroep ingesteld bij de Nacka tingsrätt, mark‑ och miljödomstol, die het besluit, op dezelfde gronden als die welke in punt 23 van het onderhavige arrest in zaak C‑221/24 zijn vermeld, nietig heeft verklaard voor zover hierin was bepaald dat de inhoud van de container nuttig moest worden toegepast.

31 Het agentschap heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt, Mark‑ och miljööverdomstol, die eveneens de verwijzende rechter is in zaak C‑222/24.

32 Ter ondersteuning van zijn beroep in elk van de twee zaken die het aan de verwijzende rechter heeft voorgelegd, voert het agentschap aan dat indien artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteit van verzending niet toestaat de afvalstoffen in het land van verzending nuttig toe te passen wanneer de exporteur wordt geacht de afvalstoffen niet op passende wijze te kunnen behandelen nadat zij zijn teruggenomen, artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder d), van deze verordening dan de passende rechtsgrondslag daarvoor vormt. UQ en IC betwisten de kwalificatie van de inhoud van de containers als „afvalstoffen”. UQ voegt daaraan toe nooit te hebben ingestemd met de nuttige toepassing van de betrokken afvalstoffen. IC verzet zich tegen de noodzaak van een nuttige toepassing van de afvalstoffen en wenst deze terug te winnen om ze opnieuw, voor humanitaire doeleinden, naar Afrika te verzenden.

33 De verwijzende rechter heeft in elk van de twee zaken twijfels over de wijze waarop artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 moet worden uitgelegd in een situatie waarin de bevoegde autoriteit van verzending ten eerste illegaal overgebrachte afvalstoffen heeft teruggenomen op grond van punt c) van deze bepaling, en ten tweede de kennisgeving heeft gedaan die, krachtens de derde en de vierde alinea van dat lid, aan die terugname moet voorafgaan. De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat de vraag rijst of deze autoriteit in een dergelijke situatie kan of moet worden beschouwd als de „houder van de afvalstoffen” en of zij krachtens deze verordening de afvalstoffen nuttig kan of moet toepassen of verwijderen terwijl de oorspronkelijke afzender zich daartegen verzet. Zo ja, dan wenst deze rechter bovendien te vernemen of een dergelijke uitlegging van deze bepaling, die niet voorziet in de mogelijkheid om de eigenaar van de afvalstoffen na deze terugname zijn eigendomsrecht te ontnemen, verenigbaar is met de in artikel 17 van het Handvest neergelegde bescherming van dit recht.

34 Daarop heeft de Svea hovrätt, Mark‑ och miljööverdomstol, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in de zaken C‑221/24 en C‑222/24 identiek zijn geformuleerd: „1) Moet of kan de autoriteit van verzending bij terugname krachtens artikel 24, lid 2, onder c), van [verordening nr. 1013/2006], de afvalstoffen na de terugname nuttig toepassen of verwijderen, in het geval dat met het oog op de terugzending een kennisgevingsdocument en een vervoersdocument zijn opgesteld waarin is vermeld hoe de afvalstoffen in het land van bestemming zullen worden behandeld? 2) Onder welke voorwaarden kan de autoriteit van verzending in geval van illegale overbrenging van afvalstoffen artikel 24, lid 2, onder d), toepassen om deze afvalstoffen in het land van verzending nuttig toe te passen of te verwijderen? Hoe verhoudt [artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder] d) zich tot [artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder] c), [van deze verordening]? Kunnen afvalstoffen bijvoorbeeld worden teruggenomen en vervolgens nuttig worden toegepast of verwijderd op grond van de punten c) en d) samen, of houdt de toepassing van een bepaald punt in dat de procedure krachtens het onmiddellijk daaraan voorafgaande punt niet mogelijk is? 3) Indien artikel 24, lid 2, van [verordening nr. 1013/2006] aldus kan worden uitgelegd dat de autoriteit van verzending na een terugname van afvalstoffen in laatste instantie bevoegd is om over die afvalstoffen te beschikken, zelfs wanneer de oorspronkelijke verzender de afvalstoffen wenst terug te nemen, is een dergelijke uitlegging dan verenigbaar met de bescherming van eigendom die wordt geboden door artikel 17 van het [Handvest] en artikel 1 van het aanvullend Protocol bij het EVRM?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste en tweede vraag

35 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, de punten c) en d) van deze bepaling alternatief van toepassing zijn en, ten tweede, punt c) van deze bepaling de bevoegde autoriteit van het land van verzending verplicht om, wanneer zij een overbrenging ontdekt die zij als illegaal beschouwt, de na een dergelijke overbrenging teruggenomen afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen.

36 Artikel 24 van verordening nr. 1013/2006 regelt, blijkens het opschrift „Terugname bij illegale overbrenging”, de terugname van afvalstoffen wanneer zij het voorwerp zijn van een overbrenging die krachtens deze verordening illegaal is. Het gaat met name om het geval, zoals in de hoofdgedingen aan de orde is, waarin de overbrenging is verricht in strijd met artikel 36 van die verordening, dat de uitvoer van bepaalde afvalstoffen naar derde landen zoals Kameroen en Congo en zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten verbiedt.

37 Artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 wijst, volgens de in de punten a) tot en met c) ervan vastgestelde rangorde, de autoriteiten en de natuurlijke of rechtspersonen aan die achtereenvolgens verplicht zijn de afvalstoffen terug te nemen in geval van illegale overbrenging, dat wil zeggen eerst degene die kennisgeving van de overbrenging heeft gedaan, de „kennisgever de facto” genoemd, vervolgens degene die deze kennisgeving had moeten doen maar dit niet heeft gedaan, de „kennisgever de jure” genoemd, en ten slotte de bevoegde autoriteit van verzending of haar vertegenwoordiger. Deze volgorde blijkt uit de verbindende uitdrukkingen die respectievelijk in de punten a) en b), van artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 staan, namelijk „of, indien geen kennisgeving is gedaan” en „of, indien dit niet mogelijk is” (zie naar analogie arrest van 16 februari 2006, Pedersen, C‑215/04, EU:C:2006:108, punt 16). Deze volgorde wordt bevestigd door artikel 24, lid 2, derde en vierde alinea, van deze verordening, dat bepaalt dat in geval van terugname in de zin van de eerste alinea, onder a), b) en c), een nieuwe kennisgeving wordt gedaan in de in die bepalingen aangegeven volgorde.

38 Daar de uitdrukking „of, indien dit niet mogelijk is” ook aan het einde van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 staat, volgt hieruit dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de betrokken afvalstoffen, zoals bedoeld in punt d) van artikel 24, lid 2, eerste alinea, slechts kan plaatsvinden in het geval de autoriteit van verzending de afvalstoffen niet terugneemt krachtens punt c) van die bepaling.

39 Zoals de advocaat-generaal in de punten 36 en 37 van haar conclusie in de grond heeft opgemerkt, hebben de punten a) tot en met c) enerzijds, en de punten d) en e) van artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 anderzijds namelijk betrekking op verschillende situaties. Deze punten a) tot en met c) hebben aldus betrekking op situaties waarin de betrokken afvalstoffen het land van verzending hebben verlaten, hetgeen een „terugzending” of „terugkeer” naar dat land impliceert. De genoemde punten d) en e) hebben daarentegen betrekking op situaties waarin de afvalstoffen het land van verzending nooit hebben verlaten of reeds in het land van bestemming zijn aangekomen dan wel zich in een ander land bevinden, maar niet kunnen worden teruggezonden naar het land van verzending. In deze laatste gevallen moeten de betrokken afvalstoffen nuttig worden toegepast of verwijderd in het land waar zij zich bevinden, ongeacht of het gaat om het land van verzending, het land van bestemming of een ander land.

40 Deze conclusie vindt steun in artikel 24, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1013/2006, dat in beginsel alleen in de in artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met c), van deze verordening bedoelde gevallen en niet in de in deze laatste bepaling, onder d) en e), bedoelde gevallen, een nieuwe kennisgeving vereist, welke krachtens artikel 4 van deze verordening verplicht is voor elke overbrenging en dus voor elke verplaatsing van afvalstoffen.

41 Uit het voorgaande volgt dat, ten eerste, de punten c) en d) van artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 slechts alternatief kunnen worden toegepast, waarbij punt d) van toepassing is wanneer punt c) niet van toepassing is, en ten tweede, het onder dat punt d) bedoelde geval overeenstemt met het geval waarin de betrokken afvalstoffen zich op het grondgebied van het land van bestemming of van verzending bevinden en daar dus nuttig kunnen worden toegepast of verwijderd door de bevoegde autoriteit van verzending of de entiteit die zij daartoe heeft gemachtigd.

42 Hieruit volgt ook dat in situaties als die in het hoofdgeding, waarin volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie de afvalstoffen het land van verzending hebben verlaten, illegaal in een lidstaat worden doorgevoerd en niet door de afzenders ervan zijn teruggenomen, artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 van toepassing is.

43 De verwijzende rechter benadrukt dat deze laatste bepaling, anders dan artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder d), van deze verordening, niet uitdrukkelijk specificeert dat de afvalstoffen nuttig worden toegepast of verwijderd, en vraagt zich af wat de gevolgen zijn van de terugname van de afvalstoffen waarvan de overbrenging door het agentschap als illegaal wordt beschouwd op grond van punt c) van die bepaling, en in het bijzonder of deze terugname noodzakelijkerwijs de nuttige toepassing of verwijdering ervan met zich meebrengt.

44 Zoals in de grond is opgemerkt door de advocaat-generaal in punt 49 van haar conclusie, kunnen de bewoordingen „anderszins” in de Engelse taalversie („alternatively recovered or disposed of”) en de Duitse taalversie („auf andere Weise verwertet oder beseitigt werden”) van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder d), van verordening nr. 1013/2006 – anders dan met name de Franse taalversie („valorisés ou éliminés d’une autre manière”), de Italiaanse taalversie („recuperati o smaltiti in modo alternativo”) en de Spaanse taalversie („valorizados o eliminados de forma alternativa”) ervan – aldus worden opgevat dat zij betrekking hebben op de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen door middel van een proces waarbij zij niet eerst worden teruggenomen. Deze bepaling zou dus betekenen dat de nuttige toepassing en de verwijdering altijd na de terugname moeten plaatsvinden, maar dat zij, subsidiair, kunnen plaatsvinden zonder voorafgaande terugname van de afvalstoffen wanneer deze terugname onmogelijk blijkt te zijn.

45 Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van Unierecht, moet, volgens vaste rechtspraak, bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest van 15 april 2010, Heinrich Heine, C‑511/08, EU:C:2010:189, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Daartoe zij er, in de tweede plaats, aan herinnerd dat de Europese Economische Gemeenschap bij besluit 93/98 partij is geworden bij het Verdrag van Bazel, zodat dit verdrag sinds 1994 integrerend deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie (arrest van 21 januari 2025, Conti 11. Container Schiffahrt II, C‑188/23, EU:C:2025:26, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Zoals in overweging 3 van verordening nr. 1013/2006 staat te lezen, heeft de Uniewetgever met de vaststelling van verordening nr. 259/93, die is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 1013/2006, voorschriften vastgesteld om de overbrenging van afvalstoffen aan banden te leggen en te controleren teneinde onder meer het bestaande stelsel van de Gemeenschap betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen in overeenstemming te brengen met de eisen van het Verdrag van Bazel.

48 In deze context wordt artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Bazel, respectievelijk onder a) en b), het geval vermeld dat afvalstoffen worden teruggebracht of, indien dit niet mogelijk is, het geval dat zij „op een andere wijze” worden verwijderd. Een dergelijke formulering lijkt, net als de Engelse en de Duitse taalversie van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder d), van verordening nr. 1013/2006 en zoals in wezen blijkt uit de paragrafen 101 en 102 van de richtsnoeren voor de toepassing van de bepalingen inzake illegale handel van het Verdrag van Bazel (leden 2, 3 en 4 van artikel 9), te suggereren dat de terugnameverplichting op zich de verwijdering van deze afvalstoffen impliceert en dat deze, wanneer dit niet mogelijk is, „op een andere wijze” kunnen worden verwijderd. Dientengevolge blijken de verwijdering of de nuttige toepassing het doel te zijn dat moet worden bereikt nadat een illegale overbrenging van afvalstoffen is geconstateerd, of dit nu is volgend op de terugname van de afvalstoffen, dan wel „op een andere wijze”, wanneer die terugname onmogelijk blijkt.

49 In navolging van het doel om het milieu en de gezondheid van de mens te beschermen, dat blijkens de overwegingen 1 en 7 van verordening nr. 1013/2006 door die verordening wordt nagestreefd (zie in die zin arresten van 8 september 2009, Commissie/Parlement en Raad, C‑411/06, EU:C:2009:518, punt 62, en 28 mei 2020, Interseroh, C‑654/18, EU:C:2020:398, punt 51), en het daardoor geïmpliceerde milieuhygiënisch verantwoord beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 8, van deze verordening, komt overigens naar voren uit artikel 2, punt 34, en uit artikel 3 van deze verordening – waarin het procedurele kader voor alle overbrengingen van afvalstoffen is afgebakend – dat de overbrenging van afvalstoffen, of deze nu legaal dan wel illegaal is, slechts plaatsvindt met het oog op de nuttige toepassing of de verwijdering ervan.

50 Zo bevat het kennisgevingsformulier in bijlage I A bij verordening nr. 1013/2006, dat – zoals in punt 40 van het onderhavige arrest is vermeld – in beginsel verplicht is in geval van terugname van afvalstoffen op grond van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006, een rubriek waarin van de kennisgever wordt verlangd dat hij het vakje „verwijdering” of „nuttige toepassing” aankruist, hetgeen veronderstelt dat deze verwijdering of nuttige toepassing noodzakelijkerwijs op die terugname volgt.

51 In dezelfde zin volgt uit de tekst van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1013/2006, betreffende de terugnamekosten in geval van illegale overbrenging, dat deze kosten onder meer de kosten omvatten die verband houden met de nuttige toepassing of verwijdering ervan overeenkomstig artikel 24, lid 2, van deze verordening, hetgeen eveneens inhoudt dat de terugname de nuttige toepassing of verwijdering omvat.

52 Deze conclusie vindt verder steun in artikel 15 van richtlijn 2008/98, waarnaar wordt verwezen door verordening nr. 1013/2006, dat voorziet in een verantwoordelijkheid voor het beheer van afvalstoffen en in het bijzonder in de verplichting voor de producent of de houder van afvalstoffen om deze te verwerken of te laten verwerken, dat wil zeggen een volledige nuttige toepassing of verwijdering. In artikel 16 van richtlijn 2008/98 is bovendien bepaald dat de lidstaten zorgen voor speciale installaties die in staat zijn afvalstoffen te verwijderen, ook wanneer zij afkomstig zijn uit of bestemd zijn voor derde landen.

53 Een dergelijke uitlegging van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 is, in de derde plaats, noodzakelijk in het licht van het in punt 49 van het onderhavige arrest vermelde hoofddoel van deze verordening, namelijk de bescherming van het milieu en van de gezondheid van de mens, en in het licht van het milieuhygiënisch verantwoord beheer van afvalstoffen.

54 Indien de bevoegde autoriteit onrechtmatig overgebrachte afvalstoffen na terugzending ervan zou teruggeven aan de eigenaar, die, zoals blijkt uit de hoofdgedingen, deze afvalstoffen mogelijk wil terugkrijgen terwijl hij zelf de terugkeer ervan niet heeft willen organiseren, zou er immers een risico bestaan dat zij opnieuw illegaal worden overgebracht en in elk geval niet worden verwerkt, hetgeen afbreuk zou doen aan deze doelstelling van milieuhygiënisch verantwoord beheer van afvalstoffen en aan het in artikel 4, lid 2, onder d), van het Verdrag van Bazel neergelegde en in overweging 8 van verordening nr. 1013/2006 in herinnering gebrachte vereiste dat de overbrenging ervan wordt beperkt tot een minimum dat verenigbaar is met een dergelijk efficiënt en milieuhygiënisch verantwoord beheer ervan.

55 Ten slotte kan worden opgemerkt dat artikel 25 van verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1013/2006 (PB L, 2024/1157), dat artikel 24 van verordening nr. 1013/2006 vanaf 21 mei 2026 moet vervangen, in lid 2 uitdrukkelijk benadrukt dat de terugname van afvalstoffen door een van de in de punten a) tot en met c) van deze bepaling bedoelde autoriteiten of natuurlijke personen geschiedt „om de verwijdering of nuttige toepassing ervan te regelen”.

56 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, de punten c) en d) van deze bepaling alternatief van toepassing zijn, waarbij punt d) van toepassing is wanneer punt c) niet van toepassing is, en ten tweede, dit punt c) de bevoegde autoriteit van het land van verzending verplicht om, wanneer zij een overbrenging ontdekt die zij als illegaal beschouwt, de na een dergelijke overbrenging teruggenomen afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen.

Derde vraag

57 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006, voor zover het de nuttige toepassing of verwijdering van de door de bevoegde autoriteit van het land van verzending teruggenomen afvalstoffen verplicht stelt, ondanks het verzet hiertegen van de oorspronkelijke afzender, geldig is in het licht van de bescherming van het in artikel 17, lid 1, van het Handvest neergelegde eigendomsrecht.

58 Volgens artikel 52, lid 3, van het Handvest geldt dat, voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die worden gewaarborgd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door dit verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert evenwel niet dat het Unierecht een ruimere bescherming biedt. Hieruit volgt dat voor de uitlegging van artikel 17, lid 1, van het Handvest moet worden gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, waarin de bescherming van het recht op eigendom is neergelegd (zie in die zin arrest van 10 september 2024, Neves 77 Solutions, C‑351/22, EU:C:2024:723, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Artikel 17, lid 1, van het Handvest bevat drie afzonderlijke normen. De eerste, opgenomen in de eerste volzin van deze bepaling en algemeen van aard, concretiseert het beginsel van eerbiediging van het recht op eigendom. De tweede, opgenomen in de tweede volzin van deze bepaling, heeft betrekking op de ontneming van eigendom en onderwerpt die aan bepaalde voorwaarden. De derde regel, in de derde volzin van diezelfde bepaling, verleent de lidstaten met name de bevoegdheid om het gebruik van de goederen te regelen voor zover het algemeen belang dit vereist. Deze regels staan echter niet los van elkaar. De tweede en de derde regel betreffen namelijk bijzondere voorbeelden van aantasting van het eigendomsrecht en moeten worden uitgelegd in het licht van het in de eerstgenoemde regel neergelegde beginsel (zie in die zin arrest van 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punt 144 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Voorts zij eraan herinnerd dat ontneming van eigendom veronderstelt dat er sprake is geweest van formele ontneming of onteigening of zelfs dat de litigieuze situatie neerkwam op een feitelijke onteigening (arrest van 5 mei 2022, BPC Lux 2 e.a., C‑83/20, EU:C:2022:346, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61 In casu blijkt uit de bewoordingen zelf van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 dat de betrokken maatregel, te weten de terugname door de bevoegde autoriteit van het land van verzending met het oog op nuttige toepassing of verwijdering van illegaal overgebrachte afvalstoffen, subsidiair van toepassing is, daar deze autoriteit enkel optreedt wanneer de verantwoordelijkheid voor de illegale overbrenging van afvalstoffen berust bij de kennisgever – ongeacht of hij de eigenaar van de afvalstoffen is of door deze is gemachtigd om deze over te brengen – en die kennisgever de afvalstoffen niet heeft teruggenomen noch, a fortiori, heeft aangetoond dat hij bereid of in staat is om deze op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te beheren, of mogelijk opnieuw zal proberen ze op onrechtmatige wijze over te brengen.

62 In die omstandigheden kan, gelet op het subsidiaire karakter van het optreden van de bevoegde autoriteit, niet worden geoordeeld dat de terugname door de bevoegde autoriteit van illegaal overgebrachte afvalstoffen een „ontneming van eigendom” vormt in de zin van artikel 17, lid 1, van het Handvest. Artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006 geeft voor de terugname van de afvalstoffen immers voorrang aan de kennisgever.

63 Dit neemt niet weg dat een dergelijke maatregel een beperking vormt op de uitoefening van het eigendomsrecht, die valt onder de regeling van het gebruik van de goederen in de zin van artikel 17, lid 1, derde volzin, van het Handvest, aangezien de bestemming van deze afvalstoffen noodzakelijkerwijs moet bestaan in de nuttige toepassing of de verwijdering ervan.

64 In dit verband zij eraan herinnerd dat het door artikel 17, lid 1, van het Handvest gewaarborgde eigendomsrecht geen absolute gelding heeft en dat de uitoefening ervan, onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest, aan beperkingen kan worden onderworpen die hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang (zie in die zin arrest van 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat in casu is voldaan aan het in artikel 52, lid 1, van het Handvest neergelegde vereiste dat beperkingen op de uitoefening van het eigendomsrecht „bij wet worden gesteld”, aangezien uit het antwoord op de eerste twee vragen naar voren komt dat artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 aldus moet worden uitgelegd dat het de bevoegde autoriteit van verzending verplicht om de teruggenomen afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen, hetgeen het eigendomsrecht van de eigenaren ervan kan beperken. Hoewel de handeling die de inmenging in de uitoefening van de grondrechten toestaat, zelf de omvang van de beperking van de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen, kan het Hof in voorkomend geval via uitlegging de concrete omvang van de beperking verduidelijken aan de hand van zowel de bewoordingen zelf van de betrokken Uniewetgeving als de algemene opzet en de doelstellingen van die wetgeving (zie in die zin arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains, C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66 In de tweede plaats vloeit voort uit vaste rechtspraak dat de bescherming van het milieu en van de gezondheid van de mens een van de doelstellingen van algemeen belang is die beperkingen van het eigendomsrecht kunnen rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 9 maart 2010, ERG e.a., C‑379/08 en C‑380/08, EU:C:2010:127, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punt 152). Zoals in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, bestaat het hoofddoel van verordening nr. 1013/2006 in de bescherming van het milieu en van de gezondheid van de mens. Artikel 175 EG (thans artikel 192 VWEU), dat de rechtsgrondslag van verordening nr. 1013/2006 vormt, verwijst namelijk naar de doelstellingen van artikel 174 EG (thans artikel 191 VWEU), dat bepaalt dat het beleid van de Unie op milieugebied met name bijdraagt tot behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en tot bescherming van de gezondheid van de mens, en dat met dit beleid naar een hoog niveau van bescherming wordt gestreefd.

67 In de derde plaats zij er, met betrekking tot de evenredigheid van de gevolgen van de terugname van illegaal overgebrachte afvalstoffen, in de zin van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006, aan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel vergt dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn voor de verwezenlijking van de met de betrokken regeling nagestreefde legitieme doelen en niet verder gaan dan daarvoor passend en noodzakelijk is, met dien verstande dat wanneer een keuze tussen meerdere geschikte maatregelen mogelijk is, die maatregel moet worden gekozen die het minst belastend is, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie in die zin arresten van 6 september 2017, Slowakije en Hongarije/Raad, C‑643/15 en C‑647/15, EU:C:2017:631, punt 206 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 juli 2025, INTERZERO e.a., C‑254/23, EU:C:2025:569, punt 109).

68 In dit verband moet worden vastgesteld dat de terugname van afvalstoffen door de bevoegde autoriteit van het land van verzending met het oog op nuttige toepassing of verwijdering na een illegale overbrenging geschikt is om het milieu en de gezondheid van de mens te beschermen, aangezien zij waarborgt dat deze afvalstoffen worden verwerkt.

69 Daarentegen zou een minder beperkende maatregel, zoals die welke ter terechtzitting is genoemd en die erin bestond de afvalstoffen, na de terugname ervan door de autoriteit van verzending, toe te vertrouwen aan de kennisgevers de jure of de facto, zodat deze kennisgevers zelf tot nuttige toepassing of verwijdering zouden overgaan, in voorkomend geval onder toezicht van de autoriteit van verzending, geen geschikte maatregel zijn geweest voor de bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens. Het ontbreken van de wil van de kennisgevers of hun onvermogen om de afvalstoffen terug te nemen, zoals vastgesteld door de verwijzende rechter, en het illegale karakter van de betrokken overbrengingen doen namelijk ernstige twijfel rijzen over de vraag of de kennisgevers de wil of het vermogen hebben om die afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen, zodat de ter terechtzitting aangevoerde minder beperkende maatregel niet zou hebben gewaarborgd dat het milieu en de gezondheid van de mens worden beschermd.

70 Bovendien zijn de veroorzaakte nadelen, te weten in casu de meegebrachte beperkingen van het eigendomsrecht, niet onevenredig ten opzichte van de doelstelling van bescherming van het milieu en de gezondheid van de mens.

71 In dit verband heeft de bescherming van de gezondheid van de mens volgens de rechtspraak van het Hof een groter belang dan economische overwegingen, zodat zij – zelfs aanzienlijke – negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a., C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dezelfde zin wordt, krachtens artikel 35 van het Handvest, bij de bepaling en de uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd, en moeten, krachtens artikel 37 van het Handvest, een hoog niveau van milieubescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu worden geïntegreerd in het beleid van de Unie en worden gewaarborgd overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

72 Voorts zijn de betrokken beperkingen beperkt en gecontroleerd.

73 Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest is opgemerkt, vereist artikel 24, lid 2, van verordening nr. 1013/2006 immers niet dat de eigenaar van de afvalstoffen, ongeacht of hij op grond van deze bepaling al dan niet de kennisgever is, al zijn rechten op deze afvalstoffen verliest of deze hem feitelijk volledig worden ontnomen.

74 Overigens zij eraan herinnerd dat de besluiten om de door de verzendende autoriteit teruggenomen afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen, overeenkomstig het recht op effectieve rechterlijke bescherming vatbaar zijn voor beroep (zie in die zin EHRM, 28 juni 2018, G.I.E.M. S.R. L. e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2018:0628JUD000182806, § 302 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 10 september 2024, Neves 77 Solutions, C‑351/22, EU:C:2024:723, punten 95 en 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De hoofdgedingen vormen overigens het bewijs dat de betrokken beperkingen van het eigendomsrecht door de rechter worden getoetst en kunnen worden betwist met, in voorkomend geval, het betoog dat er sprake is van een onregelmatigheid, mede ten aanzien van de kwalificatie als „afvalstof”, of van willekeurig of onredelijk gedrag. Voor deze rechterlijke toetsing moeten deze besluiten tot nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen bovendien worden gemotiveerd, hetgeen in casu is gebeurd door het onvermogen van UQ en IC om ervoor te zorgen dat de afvalstoffen werden teruggenomen en behandeld. Een dergelijke motivering impliceert dat de bevoegde autoriteit zich ervan vergewist dat de kennisgever tweemaal tekort is geschoten, zowel bij het vervoer als bij de behandeling van de afvalstoffen, hetgeen veronderstelt dat met die kennisgever wordt gecommuniceerd, wat in de hoofdgedingen daadwerkelijk is gebeurd en hem in voorkomend geval in staat kan stellen de betrokken afvalstoffen terug te krijgen indien hij aantoont dat hij in staat is deze te behandelen.

75 De uitlegging van artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1013/2006, zoals deze voortvloeit uit het antwoord op de eerste en de tweede vraag, maakt het bijgevolg mogelijk een hoog niveau van bescherming van het milieu en van de gezondheid van de mens te waarborgen, welke doelstelling ook door het Handvest wordt nagestreefd, en is dus in overeenstemming met artikel 17, lid 1, van het Handvest.

76 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat bij het onderzoek van de derde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 kunnen aantasten.

Kosten

77 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste, de punten c) en d) van deze bepaling alternatief van toepassing zijn, waarbij punt d) van toepassing is wanneer punt c) niet van toepassing is, en ten tweede, dit punt c) de bevoegde autoriteit van het land van verzending verplicht om, wanneer zij een overbrenging ontdekt die zij als illegaal beschouwt, de na een dergelijke overbrenging teruggenomen afvalstoffen nuttig toe te passen of te verwijderen.

2) Bij het onderzoek van de derde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 24, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1013/2006 kunnen aantasten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Zweeds.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in