HvJ EU 5 september 2024, C-775/22, ECLI:EU:C:2024:679

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

5 september 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2014/59/EU – Afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen – Algemene beginselen – Artikel 34, lid 1, onder a) en b) – Bail-in – Afschrijving van kapitaalinstrumenten – Omzetting van achtergestelde obligaties in aandelen en gedwongen overdracht zonder tegenprestatie – Gevolgen – Artikel 38, lid 13 – Artikel 53, leden 1 en 3 – Artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c) – Artikelen 73 tot en met 75 – Bescherming van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers – Verwerving van kapitaalinstrumenten – Gebrekkige en onjuiste informatie in het prospectus – Aansprakelijkheidsvordering – Vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst voor de verwerving van de kapitaalinstrumenten – Vorderingen die zijn ingesteld tegen de algemene opvolger van de kredietinstelling die onderworpen is aan een afwikkelingsbesluit”

In de gevoegde zaken C‑775/22, C‑779/22 en C‑794/22,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissingen van 15 december 2022, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 20, 22 en 23 december 2022, in de procedures

M.S.G.,

N.G.S.,

A.G.S. (C‑775/22),

M.C.S. (C‑779/22),

FSC (C‑794/22)

tegen

Banco Santander SA

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), P. G. Xuereb, A Kumin en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– A.G.S., N.G.S. en M.S.G., vertegenwoordigd door J. Madrazo Leal, abogado, en V. Montes Guerra, procuradora,

– FSC, vertegenwoordigd door J. Concheiro Fernández, abogado,

– Banco Santander SA, vertegenwoordigd door R. R. García-Zarco, J. M. Rodríguez Cárcamo en A. M. Rodríguez Conde, abogados,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková, A. Nijenhuis en D. Triantafyllou als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 34, lid 1, onder a), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van geschillen tussen respectievelijk de beleggers M.S.G., N.G.S., A.G.S., M.C.S. en FSC, enerzijds, en Banco Santander SA, in haar hoedanigheid van opvolger van Banco Popular Español SA (hierna: „Banco Popular”), anderzijds, betreffende nietigheidsvorderingen en aansprakelijkheidsvorderingen die door deze beleggers zijn ingesteld omdat aan hen in het emissieprospectus beweerdelijk gebrekkige en onjuiste informatie is verstrekt bij de verwerving van kapitaalinstrumenten die vervolgens in aandelen van Banco Popular zijn omgezet.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2003/71

3 Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG (PB 2003, L 345, blz. 64) is met ingang van 21 juli 2019 ingetrokken bij verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van richtlijn 2003/71 (PB 2017, L 168, blz. 12). Ten tijde van de hoofdgedingen waren de bepalingen van richtlijn 2003/71 echter nog van kracht.

4 Artikel 6 („Verantwoordelijkheid voor het prospectus”) van die richtlijn bepaalde: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de verantwoordelijkheid voor de in een prospectus verstrekte informatie ten minste berust bij de uitgevende instelling of bij zijn leidinggevend, toezichthoudend of bestuursorgaan, de aanbieder, de aanvrager van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt of de garant, al naargelang van het geval. De verantwoordelijke personen worden duidelijk in het prospectus geïdentificeerd met vermelding van hun naam en functie of, in geval van rechtspersonen, naam en statutaire zetel, waarbij tevens een door deze personen afgelegde verklaring is opgenomen dat, voor zover hun bekend, de gegevens in het prospectus in overeenstemming zijn met de werkelijkheid en dat geen gegevens zijn weggelaten waarvan de vermelding de strekking van het prospectus zou wijzigen. 2. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing zijn op de personen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie. […]”

Richtlijn 2014/59

5 De overwegingen 45, 49 en 120 van richtlijn 2014/59 luiden als volgt: „(45) Om moreel risico (moral hazard) te voorkomen, moet een falende instelling, ongeacht haar grootte of verwevenheid, de markt kunnen verlaten zonder daarmee het systeem te verstoren. Een falende instelling moet in beginsel volgens een normale insolventieprocedure worden geliquideerd. Liquidatie volgens een normale insolventieprocedure kan echter de financiële stabiliteit in gevaar brengen, de verrichting van kritieke functies verstoren en de bescherming van deposanten aantasten. In dergelijke gevallen is het zeer waarschijnlijk dat het in het algemeen belang zou zijn om de instelling af te wikkelen en om afwikkelingsinstrumenten toe te passen eerder dan gebruik te maken van de normale insolventieprocedures. […] […] (49) De beperkingen van de rechten van aandeelhouders en schuldeisers moeten in overeenstemming zijn met artikel 52 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’)]. De afwikkelingsinstrumenten dienen daarom alleen te worden toegepast op instellingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Afwikkelingsinstrumenten dienen met name te worden toegepast wanneer de instelling niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren, de maatregelen noodzakelijk zijn om de snelle overdracht en continuïteit van systeemkritische functies te verzekeren en er geen redelijk vooruitzicht is op een alternatieve oplossing vanuit de particuliere sector, zoals onder meer een zodanige kapitaalverhoging door de bestaande aandeelhouders of door een derde dat de levensvatbaarheid van de instelling volledig wordt hersteld. […] […] (120) De Unierichtlijnen inzake vennootschapsrecht bevatten verplichte regels voor de bescherming van aandeelhouders en schuldeisers van instellingen die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijnen vallen. In situaties waarin afwikkelingsautoriteiten snel moeten handelen, kunnen deze regels een doeltreffend optreden van de afwikkelingsautoriteiten en het gebruik, door die autoriteiten, van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden belemmeren; daarvoor zouden passende afwijkingen in deze richtlijn moeten worden opgenomen. Om maximale rechtszekerheid voor de belanghebbende partijen te garanderen, moeten de afwijkingen duidelijk en precies worden omschreven en mogen ze alleen in het algemeen belang worden gebruikt, mits is voldaan aan de voorwaarden om tot afwikkeling over te gaan. […]”

6 Artikel 1, lid 1, van die richtlijn is als volgt verwoord: „In deze richtlijn worden de regels en procedures vastgelegd voor het herstel en de afwikkeling van de volgende entiteiten: […] b) in de [Europese] Unie gevestigde financiële instellingen indien zij dochterondernemingen zijn van een kredietinstelling of beleggingsonderneming, dan wel van een in punt c) of d) bedoelde onderneming, […]; c) in de Unie gevestigde financiële holdings, gemengde financiële holdings en gemengde holdings; d) financiële moederholdings in een lidstaat, financiële Unie-moederholdings, gemengde financiële moederholdings in een lidstaat, gemengde financiële Unie-moederholdings; […]”

7 Artikel 2, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 57. ‚instrument van bail-in’: het mechanisme voor het verrichten van de uitoefening door een afwikkelingsautoriteit van de bevoegdheden voor het afschrijven of omzetten van de passiva van een instelling in afwikkeling, in overeenstemming met artikel 43; 58. ‚instrument van verkoop van de onderneming’: het mechanisme voor het verrichten van een overdracht door een afwikkelingsautoriteit van door een instelling in afwikkeling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten of van activa, rechten of passiva en van een instelling in afwikkeling aan een verkrijger die geen overbruggingsinstelling is, in overeenstemming met artikel 38; […] 63. ‚overdrachtsbevoegdheden’: de in artikel 63, lid 1, onder c) of d), bedoelde bevoegdheden voor het overdragen van aandelen, andere eigendomsinstrumenten, schuldinstrumenten, activa, rechten of passiva, dan wel een willekeurige combinatie daarvan door een instelling in afwikkeling aan een ontvanger; […] 82. ‚beëindigingsrecht’: een recht om een contract te beëindigen, een recht om verplichtingen te versnellen, voortijdig te beëindigen of te verrekenen, dan wel een eventuele soortgelijke bepaling die een verplichting van een partij bij het contract opschort, wijzigt of nietig verklaart of een bepaling die het ontstaan belet van een verplichting uit hoofde van het contract die anders zou zijn ontstaan; […]”

8 In artikel 34 („Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling”), lid 1, van richtlijn 2014/59 staat te lezen: „De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de afwikkelingsbevoegdheden alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat de afwikkelingsmaatregel in overeenstemming met de volgende beginselen wordt genomen: a) de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling dragen de eerste verliezen; b) schuldeisers van de instelling in afwikkeling dragen verliezen na de aandeelhouders volgens de rangorde van hun vorderingen overeenkomstig normale insolventieprocedures, tenzij in deze richtlijn uitdrukkelijk anders is bepaald; […] f) tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, worden schuldeisers van dezelfde categorie op gelijkwaardige wijze behandeld; g) geen enkele crediteur lijdt grotere verliezen dan hij zou hebben geleden in het kader van een normale insolventieprocedure ten aanzien van de instelling of de in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), bedoelde entiteit, overeenkomstig de waarborgen in de artikelen 73 tot en met 75; […]”

9 Artikel 37 („Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten”) van die richtlijn bepaalt: „[…] 3. De in lid 1 bedoelde afwikkelingsinstrumenten zijn: a) het instrument van verkoop van de onderneming; b) het instrument van de overbruggingsinstelling; c) het instrument van afsplitsing van activa; d) het instrument van bail-in. 4. Behoudens lid 5 mogen de afwikkelingsautoriteiten de afwikkelingsinstrumenten zowel afzonderlijk als in combinatie toepassen. […]”

10 Artikel 38 („Het instrument van verkoop van de onderneming”) van deze richtlijn bepaalt als volgt: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat afwikkelingsautoriteiten de bevoegdheid hebben het volgende over te dragen aan een verkrijger die geen overbruggingsinstelling is: a) aandelen of andere eigendomsinstrumenten die zijn uitgegeven door een instelling in afwikkeling; b) alle of bepaalde activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling. Behoudens de leden 8 en 9 van dit artikel en artikel 85 vindt de in de eerste alinea bedoelde overdracht plaats zonder de toestemming van de aandeelhouders van de instelling in afwikkeling of van derden die geen verkrijger zijn te moeten vragen en zonder te moeten voldoen aan andere procedurele voorschriften van het vennootschaps- of effectenrecht dan die genoemd in artikel 39. 2. Een overdracht overeenkomstig lid 1 wordt verricht onder commerciële voorwaarden, rekening houdend met de omstandigheden en in overeenstemming met het kader voor staatssteun van de Unie. 3. In overeenstemming met lid 2 van dit artikel ondernemen de afwikkelingsautoriteiten alle redelijke stappen om voor de overdracht commerciële voorwaarden te bedingen die in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 36 verrichte waardering, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak. […] 6. Na toepassing van het instrument van verkoop van de onderneming mogen de afwikkelingsautoriteiten, met de toestemming van de verkrijger, de overdrachtsbevoegdheden ten aanzien van activa, rechten of passiva die aan de verkrijger zijn overgedragen, uitoefenen om de activa, rechten of passiva terug aan de instelling in afwikkeling over te dragen, of om de aandelen of andere eigendomsinstrumenten terug aan de oorspronkelijke eigenaars over te dragen, waarbij de instelling in afwikkeling of de oorspronkelijke eigenaars verplicht zijn deze activa, rechten of passiva of deze aandelen of andere eigendomsinstrumenten terug te nemen. […] 9. De lidstaten dragen er zorg voor dat, indien de bevoegde autoriteit van die instelling de in lid 8 bedoelde beoordeling niet heeft verricht vanaf datum van overdracht van aandelen of andere eigendomsinstrumenten in het kader van de toepassing, door de afwikkelingsautoriteit, van het instrument van verkoop van de onderneming, de volgende bepalingen van toepassing zijn: a) die overdracht van aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan de koper heeft onmiddellijk rechtsgevolg; […] 13. Onverminderd titel IV, hoofdstuk VII, hebben aandeelhouders of schuldeisers van de instelling in afwikkeling en andere derden wier activa, rechten of passiva niet zijn overgedragen, geen rechten op of met betrekking tot de overgedragen activa, rechten of passiva.”

11 In artikel 48 („Volgorde van afschrijvingen en omzettingen”) van richtlijn 2014/59 staat te lezen: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten bij de toepassing van het instrument van bail-in, behoudens de uitzonderingen in artikel 44, leden 2 en 3, de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden met inachtneming van de volgende vereisten uitoefenen: a) tier 1-kernkapitaalposten worden verlaagd overeenkomstig artikel 60, lid 1, onder a); b) indien, en alleen indien, de totale verlaging overeenkomstig punt a) minder dan de som van de in artikel 47, lid 3, onder b) en c), bedoelde bedragen is, verlagen de autoriteiten de hoofdsom van de aanvullende tier 1-instrumenten in de mate die noodzakelijk is en in de mate van hun vermogen; c) indien, en alleen indien, de totale verlaging overeenkomstig punt a) en punt b) minder dan de som van de in artikel 47, lid 3, onder b) en c), bedoelde bedragen is, verlagen de autoriteiten de hoofdsom van de aanvullende tier 2-instrumenten in de mate die noodzakelijk is en in de mate van hun vermogen; […]”

12 Artikel 53 („Werking van bail-in”) van die richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten dragen er zorg voor dat zodra een afwikkelingsautoriteit een van de in artikel 59, lid 2, en artikel 63, lid 1, onder e) tot en met i), bedoelde bevoegdheden uitoefent, de vermindering van de hoofdsom of van het nog uitstaande verschuldigde bedrag, de omzetting of de intrekking van kracht wordt en onmiddellijk bindend is voor de instelling in afwikkeling en de getroffen schuldeisers en aandeelhouders. […] 3. Indien een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, onder e), bedoelde bevoegdheid tot nul verlaagt, dan worden die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment waarop de bevoegdheid werd uitgeoefend, als voldaan beschouwd voor alle doeleinden en kunnen zij niet worden ingebracht in het kader van eventuele latere procedures met betrekking tot de instelling in afwikkeling of een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie. 4. Wanneer een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, onder e), bedoelde bevoegdheid verlaagt maar niet tot nul reduceert: a) wordt de verplichting als voldaan beschouwd ten belope van het verminderde bedrag; b) blijft het betrokken instrument of de betrokken overeenkomst waarop de oorspronkelijke verplichting is gebaseerd, van toepassing op het resterende bedrag van de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van de verplichting, behoudens een eventuele wijziging van het verschuldigde rentebedrag om de verlaging van het bedrag van de hoofdsom weer te geven, en een eventuele verdere wijziging van de voorwaarden die de afwikkelingsautoriteit zou kunnen aanbrengen met gebruikmaking van de in artikel 63, lid 1, onder j), bedoelde bevoegdheid.”

13 Artikel 60 („Voorschriften voor de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten”) van die richtlijn bepaalt als volgt: „1. Bij het voldoen aan het in artikel 59 vastgelegde vereiste oefenen de afwikkelingsautoriteiten, met inachtneming van de rangorde van vorderingen in het kader van een normale insolventieprocedure, de afschrijvings- of de omzettingsbevoegdheid op zodanige wijze uit dat dit de volgende resultaten oplevert: a) tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden eerst verlaagd in verhouding tot de verliezen en tot de volledige omvang ervan. De afwikkelingsautoriteit neemt jegens houders van tier 1-kernkapitaalinstrumenten een of meer maatregelen als bedoeld in artikel 47, lid 1; b) de hoofdsom van de aanvullende tier 1-instrumenten wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, dan wel beide, in de mate die noodzakelijk is om de in artikel 31 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te bereiken of tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten, al naargelang hetgeen lager is; c) de hoofdsom van de aanvullende tier 2-instrumenten wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, dan wel beide, in de mate die noodzakelijk is om de in artikel 31 bedoelde afwikkelingsdoelstellingen te bereiken of tot de volledige omvang van de relevante kapitaalinstrumenten, al naargelang hetgeen lager is. 2. Bij afschrijving van de hoofdsom van een relevant kapitaalinstrument: […] b) resteert [jegens] de houder van het relevante kapitaalinstrument geen verplichting uit hoofde van of in verband met de som die met betrekking tot dit instrument is afgeschreven, met uitzondering van alle reeds te betalen verplichtingen en elke schadevergoedingsverplichting die [kan ontstaan] uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid […]; c) wordt aan houders van de relevante kapitaalinstrumenten […] geen compensatie betaald, behalve in overeenstemming met lid 3. 3. Met het oog op de omzetting van relevante kapitaalinstrumenten uit hoofde van lid 1, onder b), van dit artikel kunnen de afwikkelingsautoriteiten verlangen dat instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), tier 1-kernkapitaalinstrumenten verstrekken aan de houders van de relevante kapitaalinstrumenten. […] […]”

14 Artikel 63 („Algemene bevoegdheden”), lid 1, van deze richtlijn is als volgt verwoord: „De lidstaten dragen er zorg voor dat de afwikkelingsautoriteiten over alle nodige bevoegdheden beschikken om de afwikkelingsinstrumenten toe te passen op de instellingen en entiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), die aan de toepasselijke afwikkelingsvoorwaarden voldoen. De afwikkelingsautoriteiten hebben in het bijzonder de volgende afwikkelingsbevoegdheden, die zij afzonderlijk, of in elke combinatie met elkaar kunnen uitoefenen: […] c) de bevoegdheid om door een instelling in afwikkeling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten over te dragen; d) de bevoegdheid om rechten, activa en passiva van een instelling in afwikkeling aan een andere entiteit over te dragen, met toestemming van die entiteit; e) de bevoegdheid om de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag met betrekking tot in aanmerking komende passiva van een instelling in afwikkeling (tot nul) te verlagen; f) de bevoegdheid om in aanmerking komende passiva van een instelling in afwikkeling om te zetten in aandelen of andere eigendomsinstrumenten van die instelling of entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c), of d), een relevante moederinstelling of een overbruggingsinstelling waaraan activa, rechten of verplichtingen van de instelling of de entiteit als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b), c) of d), worden overgedragen; […]”

15 Overeenkomstig artikel 64, lid 4, onder b), van die richtlijn hebben de aanvullende bevoegdheden van de afwikkelingsautoriteiten geen invloed op „behoudens het bepaalde in de artikelen 69, 70 en 71, ieder recht van een partij bij een contract om rechten op grond van het contract uit te oefenen, waaronder het recht om het te beëindigen indien dit overeenkomstig de contractvoorwaarden is toegestaan wegens een handeling of een nalatigheid van de instelling in afwikkeling vóór de betrokken overdracht, of van de ontvanger na de betrokken overdracht”.

16 Artikel 68 („Uitsluiting van bepaalde contractuele voorwaarden in geval van vroegtijdige interventie en afwikkeling”) van richtlijn 2014/59 bepaalt in de leden 3 en 4 het volgende: „3. Mits bij voortduring aan de materiële verplichtingen uit hoofde van het contract, daaronder begrepen de betalings- en leveringsverplichtingen, wordt voldaan en het verschaffen van zekerheden wordt voortgezet, biedt een opzichzelfstaande crisispreventiemaatregel of een crisisbeheersingsmaatregel, daaronder begrepen een gebeurtenis die rechtstreeks met de toepassing van een dergelijke maatregel verband houdt, op zich niemand de mogelijkheid om: a) recht op beëindiging, opschorting, wijziging, saldering of verrekening uit te oefenen, waaronder in verband met een overeenkomst die is gesloten door: i) door een dochteronderneming waarbij de verplichtingen door een groepsentiteit worden gegarandeerd of anderszins worden gewaarborgd, ii) door een groepsentiteit, waarbij de overeenkomst wederzijdse tekortkomingsbepalingen (cross-default provisions) omvat; […] 4. Dit artikel laat het recht van een persoon om tot een in lid 3 bedoelde handeling over te gaan onverlet indien dit recht ontstaat uit hoofde van een andere gebeurtenis dan de crisispreventiemaatregel, de crisisbeheersingsmaatregel of een gebeurtenis die rechtstreeks met de toepassing van een dergelijke maatregel verband houdt. […]”

17 Artikel 73 („Behandeling van aandeelhouders en schuldeisers in geval van gedeeltelijke overdrachten en toepassing van bail-in”) van deze richtlijn bepaalt in punt b) dat de lidstaten er „met name voor de toepassing van artikel 75 [zorg voor dragen dat] […] ingeval afwikkelingsautoriteiten het instrument van bail-in toepassen, de aandeelhouders en de schuldeisers wier vorderingen zijn afgeschreven of in aandelen zijn omgezet, geen grotere verliezen lijden dan zij zouden hebben geleden mocht […] de instelling in afwikkeling vlak voor de afschrijving of omzetting volgens een normale insolventieprocedure zijn geliquideerd”.

18 In artikel 74 („Waardering van verschillen in behandeling”) van die richtlijn is in lid 1 bepaald: „Om te beoordelen of de aandeelhouders en de schuldeisers beter zouden zijn behandeld mocht een normale insolventieprocedure zijn geopend ten aanzien van de instelling in afwikkeling, met inbegrip van, maar niet beperkt tot de toepassing van artikel 73, dragen de lidstaten er zorg voor dat op zo kort mogelijke termijn nadat de afwikkelingsmaatregel of afwikkelingsmaatregelen heeft c.q. hebben plaatsgevonden een waardering door een onafhankelijke persoon wordt verricht. […]”

19 Artikel 75 („Waarborg voor aandeelhouders en schuldeisers”) van de richtlijn luidt: „De lidstaten dragen er zorg voor dat, indien bij de overeenkomstig artikel 74 verrichte waardering blijkt dat enige in artikel 73 bedoelde aandeelhouder of schuldeiser […] grotere verliezen heeft geleden dan deze in het kader van een normale insolventieprocedure [zou] hebben geleden, deze recht heeft op de betaling van het verschil uit de financieringsregelingen voor de afwikkeling.”

20 Volgens artikel 101, lid 1, onder e), van richtlijn 2014/59 kunnen de opgezette financieringsregelingen, enkel voor zover noodzakelijk om de effectieve toepassing van de afwikkelingsinstrumenten te verzekeren, door de afwikkelingsautoriteit met name worden gebruikt voor het compenseren van aandeelhouders en schuldeisers overeenkomstig artikel 75 van deze richtlijn.

Besluit van de GAR

21 Bij besluit SRB/EES/2017/08 van 7 juni 2017 heeft de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (hierna: „GAR”) een afwikkelingsregeling vastgesteld voor Banco Popular. Die regeling is door de Europese Commissie goedgekeurd bij besluit (EU) 2017/1246 (PB 2017, L 178, blz. 15).

Spaans recht

22 Besluit SRB/EES/2017/08 van de GAR is uitgevoerd bij het besluit van het Fondo de Reestructuración Ordenada Bancaria (fonds voor de geordende herstructurering van de banksector, Spanje) (hierna: „herstructureringsfonds”) van 7 juni 2017 (BOE nr. 155 van 30 juni 2017, blz. 55470), waarbij de volgende maatregelen zijn genomen: „Ten eerste. Vermindering van het huidige aandelenkapitaal van [Banco Popular] door alle aandelen die momenteel in omloop zijn af te schrijven […]. Ten tweede. Gelijktijdige verhoging van het kapitaal zonder preferentieel inschrijvingsrecht met het oog op de omzetting van alle aanvullende tier 1-instrumenten […]. Ten derde. Verlaging van het aandelenkapitaal tot nul euro (0 EUR) door de afschrijving van de aandelen die zijn uitgegeven overeenkomstig de in het voorgaande lid vastgestelde omzetting van de aanvullende tier 1-instrumenten […]. Ten vierde. Gelijktijdige verhoging van het kapitaal zonder preferentieel inschrijvingsrecht met het oog op de omzetting van alle tier 2-instrumenten in nieuwe aandelen van Banco Popular […]. […] Ten zesde. Overdracht aan [Banco Santander] van alle aandelen van [Banco Popular] die zijn uitgegeven als gevolg van de omzetting van de in de derde rechtsoverweging van dit besluit vermelde tier 2-instrumenten.”

23 De derde rechtsoverweging van dit besluit bepaalt: „De bij dit besluit vastgestelde afschrijvingsmaatregel is […] permanent van aard, waarbij aan de houders [van de afgeschreven aandelen] geen compensatie wordt betaald […]. Jegens de houder van de afgeschreven aandelen resteert geen verplichting, met uitzondering van alle reeds te betalen verplichtingen en elke schadevergoedingsverplichting die kan ontstaan uit een beroep dat is ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

24 Tijdens 2010 en 2011 hebben verzoekers in de hoofdgedingen respectievelijk verschillende door Banco Popular of door een van haar dochterondernemingen, te weten BPE Preference International Ltd, uitgegeven kapitaalinstrumenten verworven.

25 Tijdens 2012 en 2014 zijn de kapitaalinstrumenten die aan de orde zijn in de zaken C‑779/22 en C‑794/22 omgezet in aandelen van Banco Popular.

26 Op 7 juni 2017 heeft de GAR de afwikkelingsregeling vastgesteld voor Banco Popular, die op dezelfde dag is goedgekeurd door de Commissie.

27 Deze afwikkelingsregeling is ten uitvoer gelegd bij besluit van het herstructureringsfonds, dat eveneens op 7 juni 2017 is vastgesteld. Bij dit besluit is met name het aandelenkapitaal van Banco Popular tot nul verlaagd door alle in omloop zijnde aandelen af te schrijven. Als gevolg van dit besluit zijn verzoekers in de hoofdgedingen in de zaken C‑779/22 en C‑794/22 geen houders meer van de aandelen van Banco Popular waarin hun kapitaalinstrumenten in 2012 en 2014 waren omgezet.

28 Bovendien heeft het herstructureringsfonds besloten om de tier 2-kapitaalinstrumenten om te zetten en de ten gevolge hiervan uitgegeven nieuwe aandelen aan Banco Santander over te dragen, zonder de toestemming te vragen van de voormalige houders van deze instrumenten. Bijgevolg zijn verzoekers in het hoofdgeding in de zaak C‑775/22 geen houders meer van de achtergestelde obligaties die in 2010 en 2011 waren verworven, welke zijn omgezet in aandelen en zonder tegenprestatie zijn overgedragen aan Banco Santander.

29 Verzoekers in de hoofdgedingen hebben respectievelijk, ten eerste, een verzoek tot nietigverklaring van de verwerving van de aan de orde zijnde kapitaalinstrumenten ingediend, stellende dat Banco Popular noch BPE Preference International hen naar behoren had geïnformeerd over de aard, de kenmerken en de risico’s van deze instrumenten. Ten tweede hebben zij verzocht om vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden doordat deze banken de juridische informatieverplichting niet in acht hebben genomen bij de inschrijving op deze kapitaalinstrumenten.

30 Deze verzoeken hebben uiteindelijk geleid tot cassatieberoepen bij de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), de verwijzende rechter in de onderhavige zaken. Daarbij moet worden opgemerkt dat deze beroepen zich respectievelijk beperken tot het verzoek om nietigverklaring, waar het gaat om de zaken C‑775/22 en C‑779/22, en tot het verzoek om schadevergoeding, waar het gaat om zaak C‑794/22.

31 Nadat de cassatieberoepen waren ingesteld, heeft het Hof het arrest van 5 mei 2022, Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) (C‑410/20, EU:C:2022:351) [hierna: „arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular)”], gewezen. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 34, lid 1, onder a), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 er, wanneer bij de afwikkeling van een bank alle aandelen van die bank zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat tegen die bank of haar rechtsopvolger aansprakelijkheidsvorderingen op grond van de in het prospectus vervatte informatie en vorderingen tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen worden ingesteld.

32 De verwijzende rechter merkt op dat er in Spanje veel geschillen bestaan betreffende de verschillende kapitaalinstrumenten van Banco Popular. Het gaat daarbij onder meer om aandelen, bevoorrechte aandelen en achtergestelde obligaties. In de meeste gevallen hebben de verkrijgers van deze financiële producten op grond van artikel 6 van richtlijn 2003/71 of de algemene regels van het contractenrecht vorderingen tot nietigverklaring van de koopovereenkomst van deze producten en tot teruggave van de betaalde prijs ingesteld en/of aansprakelijkheidsvorderingen voor de door die verwerving geleden verliezen. Al die vorderingen waren gebaseerd op een wilsgebrek als gevolg van gebrekkige of onjuiste informatie die was verstrekt tijdens de verkoop van deze financiële producten, aldus de verwijzende rechter.

33 Hij geeft aan dat deze geschillen weliswaar aanleiding hebben gegeven tot uiteenlopende interpretaties van de bepalingen van richtlijn 2014/59 door de nationale rechterlijke instanties, maar dat de partijen in de bij hem aanhangige gedingen het oneens zijn over de vraag of de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) van toepassing is op de situatie die in de hoofdgedingen aan de orde is.

34 Wat meer in het bijzonder de zaken C‑779/22 en C‑794/22 betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of het recht op terugbetaling als gevolg van de nietigheid van de aankoop van de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde kapitaalinstrumenten, die vóór de afwikkeling van Banco Popular in aandelen waren omgezet, en de verplichting tot schadevergoeding een „vorderbare” of een „niet-vorderbare” verplichting in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/59 vormen.

35 In dit verband merkt hij op dat naar Spaans recht de term „vorderbaar” duidt op het tijdstip waarop het recht ontstaat om nakoming van een verbintenis te vorderen, terwijl de term „vervaldatum” verwijst naar het einde van de periode die is vastgesteld voor de nakoming van een verbintenis na afloop waarvan deze opeisbaar wordt. De in de hoofdgedingen aan de orde zijnde converteerbare obligaties zijn namelijk vervallen op de dag waarop zij in aandelen zijn omgezet, dus vóór de inleiding van de afwikkelingsprocedure van Banco Popular. Bovendien heeft de rechterlijke beslissing waarbij de aansprakelijkheid voor eventuele schade wordt erkend, geen constitutieve werking, maar stelt zij het bestaan van die aansprakelijkheid vast en bepaalt zij de omvang van de schadevergoeding. Hoewel de verplichting tot schadevergoeding een „mogelijke vordering” was totdat deze onherroepelijk werd vastgesteld door de rechter, kon die verplichting toch reeds vóór die vaststelling worden aangemerkt als vorderbaar, aldus de verwijzende rechter.

36 Wat zaak C‑775/22 betreft, wijst die rechter erop dat verzoekers in het hoofdgeding in de eerste plaats voor hem hebben betoogd dat de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) niet van toepassing is op de omzetting van achtergestelde obligaties in aandelen en de latere overdracht ervan, aangezien artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, van richtlijn 2014/59 enkel van toepassing zijn wanneer het gaat om afschrijvingsmaatregelen, maar niet bij omzettingsmaatregelen met latere overdracht. Bovendien moeten de beperkingen van het recht op effectieve rechterlijke bescherming en het eigendomsrecht van de houders van kapitaalinstrumenten van een vennootschap in afwikkeling volgens hen restrictief worden uitgelegd.

37 In de tweede plaats hebben zij zich beroepen op de regeling van het contractuele beëindigingsrecht die voortvloeit uit artikel 64, lid 4, onder b), artikel 68, leden 3 en 4, en artikel 71 van richtlijn 2014/59. Betoogd wordt dat in geval van omzetting geen enkele regel de instelling van een vordering tot nietigverklaring van de koopovereenkomst van achtergestelde obligaties uitsluit of beperkt, aangezien deze vordering haar oorsprong niet vindt in de afwikkelingsmaatregelen, maar betrekking heeft op de oorspronkelijke transactie waarbij op die obligaties wordt ingeschreven.

38 In de derde plaats hebben zij aangevoerd dat een ontzegging van het recht om vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding in te stellen in strijd is met het in artikel 34, lid 1, onder g), en artikel 73, onder b), van richtlijn 2014/59 neergelegde verbod van minder gunstige behandeling dan in het kader van een normale insolventieprocedure.

39 In die omstandigheden heeft de Tribunal Supremo in zaak C‑775/22 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, leden 1 en 3, juncto artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), en artikel 64, lid 4, onder b), van richtlijn [2014/59] aldus worden uitgelegd dat zij, wanneer er sprake is van achtergestelde obligaties (tier 2-kapitaalinstrumenten) die zijn uitgegeven door een kredietinstelling in afwikkeling en die nog niet waren vervallen toen er werd besloten tot afwikkeling, eraan in de weg staan dat de personen die dergelijke obligaties vóór de aanvang van de afwikkelingsprocedure hebben verworven, tegen die kredietinstelling of haar rechtsopvolger een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op de betreffende achtergestelde obligaties instellen die strekt tot teruggave van de voor de inschrijving op de achtergestelde obligaties betaalde prijs, vermeerderd met rente vanaf de datum van sluiting van die overeenkomst, nadat die obligaties zijn omgezet in aandelen en die aandelen vervolgens zijn overgedragen zonder daadwerkelijke tegenprestatie?”

40 In dezelfde omstandigheden heeft de Tribunal Supremo ook in zaak C‑779/22 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, leden 1 en 3, juncto artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn [2014/59] aldus worden uitgelegd dat de vordering die of het recht dat zou voortvloeien uit een veroordeling van de rechtsopvolger van Banco Popular op grond van de nietigheid van de verwerving van kapitaalinstrumenten (preferente participaties) die uiteindelijk – voordat de afwikkelingsmaatregelen voor Banco Popular werden vastgesteld (7 juni 2017) – zijn omgezet in aandelen, kan worden aangemerkt als een verplichting die valt onder artikel 53, lid 3, van richtlijn 2014/59 en de daarin geregelde afschrijving, daar het gaat om een ‚niet-vorderbare’ verplichting of vordering, zodat deze als voldaan is te beschouwen en niet kan worden tegengeworpen aan Banco Santander, als rechtsopvolger van Banco Popular, wanneer de vordering waaruit die verplichting zou voortvloeien aanhangig is gemaakt nadat de afwikkeling van de bank reeds had plaatsgevonden? 2) Of moeten die bepalingen daarentegen aldus worden uitgelegd dat die vordering of dat recht is aan te merken als een ‚vorderbare’ verplichting (artikel 53, lid 3, van de richtlijn) of een bij de afwikkeling van de bank ‚reeds te betalen verplichting’ [artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b)] en als zodanig is uitgesloten van de gevolgen die verbonden zijn aan de voldoening of annulering van dergelijke verplichtingen of vorderingen, ook al zijn de aandelen afgeschreven en tenietgedaan, zodat die vordering of dat recht kan worden tegengeworpen aan Banco Santander, als rechtsopvolger van Banco Popular, ook wanneer de vordering waaruit de veroordeling tot schadevergoeding zou voortvloeien aanhangig is gemaakt nadat de afwikkeling van de bank reeds had plaatsgevonden?”

41 Tegen die achtergrond heeft de Tribunal Supremo ten slotte ook in zaak C‑794/22 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moeten artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, leden 1 en 3, juncto artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn [2014/59] aldus worden uitgelegd dat de vordering die of het recht dat zou voortvloeien uit een veroordeling van de rechtsopvolger van Banco Popular tot betaling van schadevergoeding naar aanleiding van een aansprakelijkheidsvordering die is ingesteld in verband met het op de markt brengen van financiële producten (achtergestelde obligaties die verplicht converteerbaar zijn in aandelen van dezelfde bank) die niet behoren tot de aanvullend-kapitaalinstrumenten waarop de ten aanzien van Banco Popular getroffen afwikkelingsmaatregelen betrekking hadden en die uiteindelijk – voordat de afwikkelingsmaatregelen voor de bank werden vastgesteld (7 juni 2017) – zijn omgezet in aandelen, kan worden aangemerkt als een verplichting die valt onder artikel 53, lid 3, van richtlijn 2014/59 en de daarin geregelde afschrijving of annulering, daar het gaat om een ‚niet-vorderbare’ verplichting of vordering, zodat deze als voldaan is te beschouwen en niet kan worden tegengeworpen aan Banco Santander, als rechtsopvolger van Banco Popular, wanneer de vordering waaruit de veroordeling tot schadevergoeding zou voortvloeien aanhangig is gemaakt nadat de afwikkeling van de bank reeds had plaatsgevonden? 2) [De tweede prejudiciële vraag is identiek aan de tweede prejudiciële vraag in zaak C‑779/22]”.

42 Bij beslissing van de president van het Hof van 7 maart 2023 zijn de zaken C‑775/22, C‑779/22 en C‑794/22 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Vragen in de zaken C‑779/22 en C‑794/22

43 Met zijn vragen in de zaken C‑779/22 en C‑794/22, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, leden 1 en 3, juncto artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die kapitaalinstrumenten hebben verworven die in aandelen van die kredietinstelling zijn omgezet voordat deze is afgewikkeld, tegen die kredietinstelling of haar rechtsopvolger overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2003/71 een vordering tot schadevergoeding wegens gebrekkige en onjuiste informatie in het prospectus instellen of een op het nationale recht gebaseerde vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op die kapitaalinstrumenten, die, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, zou leiden tot terugbetaling van de tegenwaarde van de aanvankelijk verworven kapitaalinstrumenten die vervolgens in aandelen zijn omgezet, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

44 Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 51 van het arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) reeds heeft geoordeeld dat de in het vorige punt genoemde bepalingen er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die vóór het begin van de afwikkelingsprocedure aandelen hebben verworven dergelijke vorderingen kunnen instellen.

45 De verwijzende rechter vraagt zich af of de uit dat arrest voortvloeiende rechtspraak kan worden toegepast op nietigheidsvorderingen en aansprakelijkheidsvorderingen die zijn ingesteld door personen die aanvankelijk geen aandelen van een kredietinstelling of onderneming in afwikkeling hadden verworven, maar wel andere kapitaalinstrumenten die vóór de inleiding van de afwikkelingsprocedure in aandelen zijn omgezet. In het bijzonder vraagt hij zich af of de rechten op terugbetaling of schadevergoeding die voortvloeien uit de nietigverklaring of de aansprakelijkstelling, voor de toepassing van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 als vorderbare verplichtingen kunnen worden aangemerkt voordat het afwikkelingsbesluit is vastgesteld, ook al zijn de vorderingen die aan die rechten ten grondslag liggen ingesteld na de tenuitvoerlegging van de afwikkelingsmaatregel.

46 Volgens artikel 53, lid 3, van deze richtlijn worden, indien een afwikkelingsautoriteit de hoofdsom of het uitstaande verschuldigde bedrag van een verplichting tot nul verlaagt, die verplichting en eventuele verplichtingen of vorderingen die daaruit voortvloeien en die niet vorderbaar waren op het moment van de afwikkeling, als voldaan beschouwd voor alle doeleinden en kunnen zij niet worden ingebracht tegen een kredietinstelling of een beleggingsonderneming in afwikkeling of tegen een eventuele opvolgende entiteit bij een latere liquidatie.

47 Artikel 60 van die richtlijn, dat betrekking heeft op de afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten, bepaalt in lid 2, eerste alinea, onder b), dat jegens de houder van in waarde verminderde kapitaalinstrumenten krachtens het afwikkelingsbesluit geen verplichting resteert uit hoofde van of in verband met de som die met betrekking tot die instrumenten is afgeschreven, met uitzondering van alle reeds te betalen verplichtingen en elke schadevergoedingsverplichting die kan ontstaan uit een beroep ingesteld ter betwisting van de rechtmatigheid van de uitoefening van de afschrijvingsbevoegdheid.

48 Aangezien de verwijzende rechter heeft aangegeven dat volgens de relevante nationale wettelijke regeling de rechten op terugbetaling of schadevergoeding die voortvloeien uit de nietigverklaring of de aansprakelijkstelling, in de omstandigheden van de hoofdgedingen verplichtingen vormen die opeisbaar waren voordat het afwikkelingsbesluit is vastgesteld, zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak met het oog op de eenvormige toepassing van het Unierecht en het beginsel van gelijke behandeling als algemene regel noodzakelijk is dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en reikwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 29 april 2021, X (Europees aanhoudingsbevel – Ne bis in idem), C‑665/20 PPU, EU:C:2021:339, punt 69, en 30 april 2024, M.N. (EncroChat),C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

49 Met betrekking tot de begrippen „vorderbare verplichtingen” of „vorderbare vorderingen” zoals vermeld in de punten 46 en 47 van het onderhavige arrest, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de rechten die voortvloeien uit een op de informatie in het prospectus voor de verkoop van effecten gebaseerde aansprakelijkheidsvordering als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2003/71 en uit een vordering tot nietigverklaring van een overeenkomst tot inschrijving op aandelen niet kunnen worden geacht te vallen onder de categorie van „vorderbare” verplichtingen of vorderingen in de zin van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/59 wanneer deze vorderingen, nadat het afwikkelingsbesluit op grond van die bepalingen is vastgesteld, worden ingesteld tegen de kredietinstelling of beleggingsonderneming die het prospectus heeft uitgegeven of de opvolgende entiteit [zie in die zin arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punten 41, 42 en 44].

50 Een dergelijke uitlegging van deze begrippen is ook vereist wanneer de rechten voortvloeien uit een aansprakelijkheids- of nietigheidsvordering met betrekking tot de verwerving van kapitaalinstrumenten die later in aandelen zijn omgezet, gelet op de context van die begrippen en op de doelstellingen van richtlijn 2014/59.

51 Ten eerste zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 34, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 2014/59 het beginsel formuleert dat de aandeelhouders en vervolgens de schuldeisers van een kredietinstelling of een beleggingsonderneming in afwikkeling de eerste verliezen als gevolg van de toepassing van die procedure moeten dragen.

52 Daarnaast is het zo dat, wanneer er bij de afwikkelingsprocedure sprake is van een „bail-in” in de zin van artikel 2, lid 1, punt 57, van richtlijn 2014/59, artikel 48, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat bij de uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden de afwikkelingsautoriteiten eerst de verschillende categorieën kapitaalinstrumenten verminderen. Artikel 53, lid 1, van richtlijn 2014/59 bepaalt dat de door deze bail-in toegestane maatregelen inzake kapitaalvermindering, omzetting of intrekking onmiddellijk bindend zijn voor de getroffen aandeelhouders en schuldeisers. Bij een bail-in dragen de afschrijving en omzetting van kapitaalinstrumenten dus rechtstreeks bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de afwikkelingsprocedure.

53 Een uitlegging volgens welke personen die vóór de afwikkeling kapitaalinstrumenten hebben verworven, na de afwikkeling aansprakelijkheids- of nietigheidsvorderingen kunnen instellen met het oog op schadevergoeding of op terugbetaling van het voor die verwerving betaalde bedrag, zou juist het risico inhouden dat het bedrag van de kapitaalinstrumenten waar de bail-in betrekking op heeft, met terugwerkende kracht wordt verminderd, hetgeen afbreuk zou kunnen doen aan de verwezenlijking van de met de afwikkelingsmaatregel nagestreefde doelstellingen.

54 Vanuit dat oogpunt bepaalt artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder c), en lid 3, van richtlijn 2014/59 dat aan houders van de relevante kapitaalinstrumenten geen compensatie wordt betaald, behalve in geval van omzetting van die instrumenten als bedoeld in dat lid 3, in welk geval de compensatie de vorm aanneemt van een uitgifte van kapitaalinstrumenten ten gunste van die houders. Door de compensatie tot die uitgifte van kapitaalsinstrumenten te beperken, voorkomen deze bepalingen namelijk dat door deze compensatie met terugwerkende kracht het voor de afwikkeling gebruikte bedrag aan kapitaal wordt verminderd.

55 Ten tweede, wat de door richtlijn 2014/59 nagestreefde doelstellingen betreft, staat in overweging 49 te lezen dat afwikkelingsinstrumenten, om het hoofd te bieden aan noodsituaties, alleen dienen te worden toegepast op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die falen of waarschijnlijk zullen falen, en alleen wanneer zulks noodzakelijk is om de doelstelling van financiële stabiliteit in het algemeen belang na te streven. Een dergelijke procedure moet dus worden toegepast wanneer de betrokken kredietinstelling of beleggingsonderneming niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel te destabiliseren. Zoals bovendien is vermeld in overweging 45 van deze richtlijn, wordt met de afwikkelingsprocedure beoogd om moreel risico in de financiële sector te verminderen door de verliezen als gevolg van de liquidatie van een kredietinstelling of beleggingsonderneming bij voorrang door de aandeelhouders te laten dragen, zodat wordt voorkomen dat die liquidatie de overheidsmiddelen aantast en de bescherming van deposanten in gevaar brengt [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 35].

56 Richtlijn 2014/59 voorziet dus, voor het geval dat er zich een uitzonderlijke economische context voordoet, in het gebruik van een procedure die met name de rechten van aandeelhouders en schuldeisers van een kredietinstelling of beleggingsonderneming kan aantasten, teneinde de financiële stabiliteit van de lidstaten te waarborgen, door een insolventieprocedure in te voeren die afwijkt van het gemene recht inzake insolventieprocedures, die slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegepast en die moet worden gerechtvaardigd door een hoger algemeen belang. Het uitzonderingskarakter van deze procedure impliceert dat andere bepalingen van Unierecht buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer deze de uitvoering van de afwikkelingsprocedure elk nuttig effect ontnemen of belemmeren [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 37].

57 In dit verband wordt in overweging 120 van richtlijn 2014/59 gespecificeerd dat de in deze richtlijn opgenomen afwijkingen van de verplichte regels voor de bescherming van aandeelhouders en schuldeisers van instellingen die binnen het toepassingsgebied van de Unierichtlijnen inzake vennootschapsrecht vallen, die een doeltreffend optreden van de bevoegde autoriteiten en het gebruik van afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden door die autoriteiten kunnen belemmeren, niet alleen passend moeten zijn, maar ook duidelijk en precies moeten worden omschreven om voor de belanghebbende partijen maximale rechtszekerheid te garanderen [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 38].

58 Richtlijn 2003/71, die tot doel had de beleggers te beschermen wanneer zij besluiten effecten van een kredietinstelling of beleggingsonderneming te kopen, maakt deel uit van de „Unierichtlijnen inzake vennootschapsrecht” zoals vermeld in overweging 120 van richtlijn 2014/59. Laatstgenoemde richtlijn staat dus afwijkingen toe van de bepalingen van richtlijn 2003/71 wanneer de toepassing ervan de uitvoering van een afwikkelingsprocedure haar nuttig effect zou kunnen ontnemen of die uitvoering zou kunnen belemmeren [zie in die zin arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punten 39 en 40].

59 Wat zowel de aansprakelijkheidsvordering als de nietigheidsvordering betreft, heeft het Hof opgemerkt dat met die vorderingen namelijk wordt geëist dat de kredietinstelling of beleggingsonderneming in afwikkeling of de rechtsopvolger van deze entiteiten, de aandeelhouders schadeloosstelt voor de verliezen die zij hebben geleden als gevolg van de uitoefening, door een afwikkelingsautoriteit, van de bevoegdheid tot afschrijving en omzetting van de schulden van die instelling of onderneming, of dat de bij de inschrijving op aandelen belegde bedragen die als gevolg van die procedure zijn afgeschreven volledig worden terugbetaald. Door deze vorderingen komt de gehele waardering waarop het afwikkelingsbesluit berust op losse schroeven te staan, aangezien de samenstelling van het kapitaal deel uitmaakt van de objectieve gegevens van die waardering en er dus afbreuk zou kunnen worden gedaan aan de afwikkelingsprocedure zelf en de door richtlijn 2014/59 nagestreefde doelstellingen [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 43].

60 In die omstandigheden heeft het Hof in punt 44 van het arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular) geoordeeld dat de toepassing van artikel 34, lid 1, onder a), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 uitsluit dat, nadat het afwikkelingsbesluit op grond van deze bepalingen is vastgesteld, een aansprakelijkheidsvordering krachtens artikel 6 van richtlijn 2003/71 of een vordering naar nationaal recht tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen wordt ingesteld tegen de kredietinstelling of beleggingsonderneming die het prospectus heeft uitgegeven of de opvolgende entiteit.

61 In casu hebben verzoekers in de hoofdgedingen in de zaken C‑779/22 en C‑794/22 weliswaar aanvankelijk andere kapitaalinstrumenten dan aandelen van Banco Popular verworven, maar uit de in de verzoeken om een prejudiciële beslissing verstrekte gegevens blijkt dat deze instrumenten vóór de afwikkeling van Banco Popular reeds waren omgezet in aandelen van die bank en dat de uit die omzetting resulterende aandelen bij de afwikkeling zijn afgeschreven en omgezet voor de bail-in van die bank. Gelet op het voorgaande staan de in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde bepalingen van richtlijn 2014/59 er dus aan in de weg dat verkrijgers van dergelijke kapitaalinstrumenten na de vaststelling van het afwikkelingsbesluit aansprakelijkheidsvorderingen of vorderingen tot nietigverklaring van de koopovereenkomst van die instrumenten kunnen instellen.

62 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen in de zaken C‑779/22 en C‑794/22 worden geantwoord dat artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 53, leden 1 en 3, juncto artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die kapitaalinstrumenten hebben verworven die in aandelen van die kredietinstelling zijn omgezet voordat deze is afgewikkeld, tegen die kredietinstelling of haar rechtsopvolger overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2003/71 een vordering tot schadevergoeding wegens gebrekkige en onjuiste informatie in het prospectus instellen of een op het nationale recht gebaseerde vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op die kapitaalinstrumenten, die, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, zou leiden tot terugbetaling van de tegenwaarde van de aanvankelijk verworven kapitaalinstrumenten die vervolgens in aandelen zijn omgezet, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

Enige vraag in zaak C‑775/22

63 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak is van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Derhalve belet de omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn vraag formeel heeft beperkt tot de uitlegging van een specifieke bepaling van Unierecht, het Hof niet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak, ongeacht of die rechter er in zijn vraag melding van maakt. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van dat recht te putten die gelet op het voorwerp van het geding moeten worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 18 september 2019, VIPA,C‑222/18, EU:C:2019:751, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 30 juni 2022, Valstybės sienos apsaugos tarnyba e.a.,C‑72/22 PPU, EU:C:2022:505, punt 51).

64 Hoewel de in zaak C‑775/22 gestelde vraag met name betrekking heeft op de uitlegging van artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59, moet worden opgemerkt dat deze bepalingen de gevolgen van een afschrijvingsmaatregel alleen regelen voor de rechten van aandeelhouders en schuldeisers van een kredietinstelling in afwikkeling. De in deze zaak aan de orde zijnde achtergestelde obligaties zijn echter pas omgezet in aandelen van Banco Popular bij de afwikkeling van die bank en de uit die omzetting voortgekomen aandelen zijn onmiddellijk overgedragen aan Banco Santander, zonder dat deze zijn afgeschreven. De gevolgen van een dergelijke aandelenoverdracht worden met name geregeld in artikel 38 van deze richtlijn.

65 In die omstandigheden moet worden begrepen dat de verwijzende rechter met zijn enige vraag in zaak C‑775/22 in wezen wenst te vernemen of de bepalingen van richtlijn 2014/59, en met name artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 38, aldus moeten worden uitgelegd dat zij er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die kapitaalinstrumenten hebben verworven die bij de afwikkeling zijn omgezet in aandelen van die kredietinstelling en vervolgens zijn overgedragen aan een andere kredietinstelling, op grond van het nationale recht tegen de laatstgenoemde kredietinstelling een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op die kapitaalinstrumenten instellen, die, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, zou leiden tot terugbetaling van de tegenwaarde van de kapitaalinstrumenten, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

66 In dit verband zij eraan herinnerd dat de afwikkelingsautoriteiten krachtens artikel 37, lid 3, onder a) en d), en lid 4, van richtlijn 2014/59 het instrument van bail-in kunnen combineren met dat van de verkoop van de onderneming. Zoals blijkt uit artikel 2, punten 57 en 58, van deze richtlijn houdt het eerste instrument bevoegdheden in voor het afschrijven of omzetten en het tweede de overdracht van onder meer van door een instelling in afwikkeling uitgegeven aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan een verkrijger die geen overbruggingsinstelling is.

67 Uit de bepalingen van artikel 38, leden 1, 4 en 6, van die richtlijn vloeit voort dat bij dit tweede instrument de oorspronkelijke eigenaren niet alleen de eigendom verliezen, maar ook de hoedanigheid van „aandeelhouder” of „schuldeiser” van de kredietinstelling in afwikkeling, aangezien de eigendom van de aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan de koper wordt overgedragen. Voorts wordt in artikel 38, lid 9, onder a), van deze richtlijn aangegeven dat die overdracht van aandelen of andere eigendomsinstrumenten aan de koper onmiddellijk rechtsgevolg heeft.

68 De voormalige aandeelhouders van de kredietinstelling in afwikkeling wier aandelen in het kader van de afwikkeling zijn overgedragen, zijn dus niet langer aandeelhouder van deze kredietinstelling of haar opvolger. Zoals artikel 38, lid 13, van richtlijn 2014/59 bevestigt, verliezen zij hun rechten op de overgedragen activa, rechten of passiva.

69 Die bepaling staat er, net als artikel 53, lid 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/59, aan in de weg dat schuldeisers en aandeelhouders met terugwerkende kracht de afwikkelingsprocedure en de daarmee nagestreefde doelstellingen kunnen dwarsbomen door na de afwikkeling vorderingen tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen of op in aandelen omgezette kapitaalinstrumenten in te stellen.

70 Bovendien zou een dergelijke vordering schuldeisers en aandeelhouders in staat kunnen stellen met terugwerkende kracht de verliezen te vermijden die zij volgens het in artikel 34, lid 1, onder a) en b), van deze richtlijn neergelegde beginsel bij voorrang moeten dragen. In dit verband kan de omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kapitaalinstrumenten bij de afwikkeling zijn omgezet en overgedragen, niet ertoe leiden dat deze instrumenten zijn te onderscheiden van de aandelen waarop is ingeschreven in de zaak die heeft geleid tot het arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), welke aandelen zijn afgeschreven met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de afwikkeling van dezelfde bank.

71 De in de punten 36 tot en met 38 van het onderhavige arrest samengevatte argumenten van verzoekers in het hoofdgeding doen niet af aan de uitlegging dat de bepalingen van richtlijn 2014/59 zich verzetten tegen de instelling van een dergelijke vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst.

72 Wat in de eerste plaats het met name in artikel 64, lid 4, onder b), en artikel 68, lid 4, van richtlijn 2014/59 bedoelde recht betreft om een contractuele verplichting te beëindigen om andere redenen dan een afwikkelingsbesluit, volgt uit de wettelijke definitie in artikel 2, lid 1, punt 82, van deze richtlijn dat een „beëindigingsrecht” een overeenkomst ex nunc kan beëindigen of wijzigen.

73 Een nietigheidsvordering kan daarentegen ex tunc werken, met het risico dat de contractuele betrekkingen tussen de kredietinstelling in afwikkeling en haar aandeelhouders met terugwerkende kracht ter discussie worden gesteld en dat bijgevolg de samenstelling van het maatschappelijk kapitaal waarop de afwikkelingsmaatregel is gebaseerd, met terugwerkende kracht wordt gewijzigd. In elk geval vooronderstelt zowel de uitoefening van een beëindigingsrecht als een nietigheidsvordering het bestaan van een overeenkomst die nietig kan worden verklaard of kan worden beëindigd. Zoals in de punten 67 en 68 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft een overdracht van aandelen en andere eigendomsinstrumenten echter tot gevolg dat de contractuele banden die vóór die overdracht bestonden tussen de bank in afwikkeling en haar aandeelhouders en schuldeisers, worden verbroken.

74 Wat in de tweede plaats de doelstelling van artikel 34, lid 1, onder g), van richtlijn 2014/59 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling er weliswaar in voorziet dat geen enkele crediteur grotere verliezen lijdt dan hij zou hebben geleden indien de instelling in afwikkeling onderworpen was aan een normale insolventieprocedure, maar dat uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat deze doelstelling moet worden nagestreefd „overeenkomstig de waarborgen in de artikelen 73 tot en met 75 [van die richtlijn]”.

75 Krachtens artikel 73, onder b), van richtlijn 2014/59, hebben aandeelhouders en schuldeisers het recht om ter betaling van of als compensatie voor hun vorderingen in het kader van een afwikkelingsprocedure niet minder te ontvangen dan het bedrag dat zij naar schatting zouden hebben teruggekregen indien de betrokken instelling of onderneming in haar geheel volgens de normale insolventieprocedure zou zijn geliquideerd. In deze context bepaalt artikel 75 van deze richtlijn dat de aandeelhouders recht hebben op betaling van het verschil tussen de bij de afwikkeling geleden verliezen en de verliezen die in het kader van een normale liquidatie zouden zijn geleden [zie in die zin arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punten 48 en 50].

76 Volgens artikel 74, lid 1, van die richtlijn is de toepassing van de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde beschermingsmaatregelen afhankelijk van de uitvoering van een waardering door een onafhankelijke persoon waarbij zo spoedig mogelijk na de uitvoering van de afwikkelingsmaatregel achteraf een vergelijking wordt gemaakt tussen de behandeling die aandeelhouders en schuldeisers daadwerkelijk hebben gekregen en de behandeling die zij in een normale insolventieprocedure zouden hebben gekregen.

77 De omstandigheid dat richtlijn 2014/59 voorziet in een dergelijke specifieke regeling ter bescherming van de belangen van aandeelhouders en schuldeisers van een bank in afwikkeling, sluit uit dat deze aandeelhouders of schuldeisers na de tenuitvoerlegging van de afwikkelingsprocedure nietigheidsvorderingen kunnen instellen om, los van het resultaat van de in artikel 74 van de richtlijn genoemde waardering, terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zijn betaald voor de verwerving van de betrokken kapitaalinstrumenten.

78 In casu geldt dit des te meer, gelet op het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde terugbetaling wordt gevorderd van de opvolger van de kredietinstelling in afwikkeling, terwijl de betaling als bedoeld in artikel 75, gelezen in samenhang met artikel 101, lid 1, onder e), van die richtlijn, niet ten laste komt van die opvolger, maar van de financieringsregelingen voor de afwikkeling.

79 Bovendien hebben verzoekers in het hoofdgeding zich in wezen beroepen op een beperking van hun recht op effectieve rechterlijke bescherming waar het gaat om hun recht om een vordering in te stellen tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen of op in aandelen omgezette kapitaalinstrumenten.

80 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op rechterlijke bescherming geen absolute strekking heeft en dat de uitoefening ervan aan beperkingen kan worden onderworpen die hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang. Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, kan dit grondrecht aan beperkingen worden onderworpen, mits deze beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en vanuit het oogpunt van het nagestreefde doel geen onevenredige en onduldbare ingreep opleveren waardoor het gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast [arrest van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe,C‑752/18, EU:C:2019:1114, punt 44, en arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 47].

81 Verder heeft het Hof reeds geoordeeld dat, hoewel het duidelijk van algemeen belang is dat een sterke en eenvormige bescherming van beleggers in de gehele Unie wordt verzekerd, dat belang niet in alle gevallen kan worden geacht voorrang te hebben op het algemeen belang dat erin bestaat de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen [zie in die zin arresten van 19 juli 2016, Kotnik e.a.,C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 91, en 8 november 2016, Dowling e.a.,C‑41/15, EU:C:2016:836, punt 54, alsmede arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 36].

82 Zoals in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beoogt richtlijn 2014/59 de stabiliteit van het financiële stelsel van de Unie te waarborgen door de geleden verliezen van een kredietinstelling of beleggingsonderneming bij voorrang te laten dragen door de aandeelhouders. Bovendien blijkt uit artikel 32, leden 1 en 5, van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 49, dat een afwikkelingsprocedure slechts in uitzonderlijke en uiterst spoedeisende economische omstandigheden mag worden toegepast wanneer de betrokken kredietinstelling of beleggingsonderneming niet volgens een normale insolventieprocedure kan worden geliquideerd zonder het financiële stelsel van de Unie te destabiliseren.

83 Hoewel de bepalingen van richtlijn 2014/59 eraan in de weg staan dat verzoekers in het hoofdgeding in zaak C‑775/22 na de vaststelling van het afwikkelingsbesluit een nietigheidsvordering instellen teneinde terugbetaling te verkrijgen van de bedragen die zijn betaald bij de verwerving van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kapitaalinstrumenten, kunnen zij evenwel terugbetaling of schadevergoeding vorderen op grond van het in de artikelen 73 tot en met 75 van die richtlijn neergelegde beschermingsmechanisme en daartoe een beroep in rechte instellen. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de waardering waar artikel 74 van richtlijn 2014/59 in voorziet, los van het afwikkelingsbesluit kan worden betwist [arrest Banco Santander (Afwikkeling van Banco Popular), punt 49].

84 Bovendien kan tegen een afwikkelingsmaatregel, zoals die voortvloeit uit het besluit van de Commissie tot goedkeuring van een afwikkelingsregeling, beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU worden ingesteld (zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Commissie/GAR,C‑551/22 P, EU:C:2024:520, punt 96). Een dergelijk beroep draagt bij tot de effectieve rechterlijke bescherming van de aandeelhouders en schuldeisers, ook doordat een eventuele nietigverklaring van de afwikkelingsmaatregel het mogelijk zou maken een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op aandelen of op in aandelen omgezette kapitaalinstrumenten in te stellen.

85 Gelet op een en ander dient op de enige vraag die in zaak C‑775/22 is gesteld, te worden geantwoord dat de bepalingen van richtlijn 2014/59, en met name artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 38, aldus moeten worden uitgelegd dat zij er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die kapitaalinstrumenten hebben verworven die bij de afwikkeling zijn omgezet in aandelen van die kredietinstelling en vervolgens zijn overgedragen aan een andere kredietinstelling, op grond van het nationale recht tegen de laatstgenoemde kredietinstelling een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op die kapitaalinstrumenten instellen, die, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, zou leiden tot terugbetaling van de tegenwaarde van de kapitaalinstrumenten, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

Kosten

86 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 34, lid 1, onder a) en b), artikel 53, leden 1 en 3, en artikel 60, lid 2, eerste alinea, onder b) en c), van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die kapitaalinstrumenten hebben verworven die in aandelen van die kredietinstelling zijn omgezet voordat deze is afgewikkeld, tegen die kredietinstelling of haar rechtsopvolger overeenkomstig artikel 6 van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG een vordering tot schadevergoeding wegens gebrekkige en onjuiste informatie in het prospectus instellen of een op het nationale recht gebaseerde vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op die kapitaalinstrumenten, die, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, zou leiden tot terugbetaling van de tegenwaarde van de aanvankelijk verworven kapitaalinstrumenten die vervolgens in aandelen zijn omgezet, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

2) De bepalingen van richtlijn 2014/59, en met name artikel 34, lid 1, onder a) en b), en artikel 38, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er, wanneer alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van een kredietinstelling in afwikkeling zijn afgeschreven, aan in de weg staan dat personen die kapitaalinstrumenten hebben verworven die bij de afwikkeling zijn omgezet in aandelen van die kredietinstelling en vervolgens zijn overgedragen aan een andere kredietinstelling, op grond van het nationale recht tegen de laatstgenoemde kredietinstelling een vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst tot inschrijving op die kapitaalinstrumenten instellen, die, gelet op de daaraan verbonden terugwerkende kracht, zou leiden tot terugbetaling van de tegenwaarde van de kapitaalinstrumenten, vermeerderd met rente vanaf de datum waarop die overeenkomst is gesloten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in