HvJ EU 1 augustus 2025, C-404/24, ECLI:EU:C:2025:595
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
1 augustus 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 6 – Bewijslast voor de schuld van de beklaagde – Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht – Door het openbaar ministerie ter terechtzitting gedeeltelijk ingetrokken tenlastelegging – Verplichting voor de rechter om zich uit te spreken over de ter terechtzitting niet gehandhaafde elementen van de tenlastelegging”
In zaak C‑404/24 [Dimnev] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 10 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 10 juni 2024, in de strafprocedure tegen
KP,
in tegenwoordigheid van:
Sofiyska gradska prokuratura,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– KP, vertegenwoordigd door D. L. Kamenova, advokat,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en C. Schillemans als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), alsmede van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen KP, die ervan wordt beschuldigd verdovende middelen in zijn bezit te hebben gehad en te hebben gedistribueerd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 22 en 23 van richtlijn 2016/343 luiden: „(22) De bewijslast voor het aantonen van de schuld van de verdachte of beklaagde rust op de vervolgende instantie, en enige twijfel moet ten gunste van de beklaagde komen. Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden indien de bewijslast zou worden verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging; dit doet echter geen afbreuk aan bevoegdheden van rechters om ambtshalve feitenonderzoek te doen, noch aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de beoordeling van de schuld van de verdachte of beklaagde. Evenmin doet het afbreuk aan het gebruik van wettelijke of feitelijke vermoedens inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte of beklaagde. Dergelijke vermoedens moeten binnen redelijke grenzen blijven, rekening houdend met het belang van wat er op het spel staat en de handhaving van de rechten van de verdediging. Daarnaast dienen de gehanteerde middelen in redelijke verhouding te staan tot het legitieme doel dat wordt nagestreefd. Dergelijke vermoedens moeten weerlegbaar zijn en mogen in ieder geval alleen dan worden gebruikt wanneer de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd. (23) In de verschillende lidstaten zijn niet alleen de vervolgende instantie, maar ook rechters en bevoegde rechterlijke instanties belast met het zoeken naar belastende en ontlastende bewijzen. Lidstaten die niet over een stelsel op tegenspraak beschikken, moeten hun huidige systeem kunnen handhaven op voorwaarde dat dit strookt met deze richtlijn en met andere toepasselijke Unierechtelijke en internationaalrechtelijke bepalingen.”
4 Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Vermoeden van onschuld”, luidt als volgt: „De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan.”
5 Artikel 6 van deze richtlijn, met als opschrift „Bewijslast”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen. 2. De lidstaten waarborgen dat iedere twijfel over de schuldvraag in het voordeel van de verdachte of de beklaagde werkt, ook wanneer de rechter beoordeelt of de betrokkene moet worden vrijgesproken.”
Bulgaars recht
6 Artikel 14, lid 1, van de Nakazatelno-protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „NPK”), bepaalt: „[De] rechter [beslist] op grond van [zijn] innerlijke overtuiging [...].”
7 Artikel 27, lid 1, NPK bepaalt: „Na indiening van de akte van tenlastelegging door de openbaar aanklager, leidt de rechter de procedure in en geeft hij een beslissing op alle vragen in de zaak.”
8 Artikel 46 NPK bepaalt: „(1) De openbaar aanklager stelt strafvervolging in en voert deze uit bij algemene strafzaken. (2) Bij de uitvoering van de in lid 1 bedoelde taken: [...] 3. neemt de openbaar aanklager deel aan de gerechtelijke procedure als aanklager namens de staat; [...]”
9 Artikel 246 NPK bepaalt: „(1) De openbaar aanklager stelt de akte van tenlastelegging op, wanneer hij ervan overtuigd is dat hij beschikt over de nodige bewijzen om strafvervolging in te stellen. (2) Het feitelijke deel van de tenlastelegging bevat: het door de beklaagde gepleegde strafbare feit [...] (3) Het laatste deel van de tenlastelegging bevat: [...] de juridische kwalificatie van het feit [...] [...]”
10 Artikel 293 NPK is als volgt verwoord: „De verklaring van de openbaar aanklager dat de strafprocedure moet worden beëindigd of de beklaagde moet worden vrijgesproken, ontslaat de rechter niet van zijn plicht om op grond van zijn persoonlijke overtuiging te beslissen.”
11 Artikel 301, lid 1, NPK bepaalt: „In het kader van de uitspraak van het vonnis onderzoekt de rechter de volgende vragen en beslist hij: 1. of een daad is gepleegd, door de beklaagde is gepleegd en hem dit kan worden verweten; 2. of de handeling een strafbaar feit is en hoe deze juridisch moet worden gekwalificeerd; [...]”
Hoofdgeding en de prejudiciële vraag
12 De Sofiyska gradska prokuratura (openbaar aanklager van de stad Sofia, Bulgarije) heeft KP in staat van beschuldiging gesteld omdat hij op 21 mei 2022 een zakje met 0,67 gram marihuana aan een derde had verkocht en hij op twee verschillende plaatsen houder was van twee andere zakjes met respectievelijk 1,61 gram en 0,5 gram marihuana, met het oog op het distribueren ervan.
13 In de tenlastelegging zijn deze drie feiten door de openbaar aanklager op grond van artikel 354a, lid 1, van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht) aangemerkt als de distributie van een verdovend middel voor het eerste feit en voor de twee andere feiten als het bezit van een verdovend middel met het oog op het distribueren ervan. Deze drie strafbare feiten zijn samengevoegd tot één enkele handeling die in artikel 26, lid 1, van het wetboek van strafrecht als een „voortgezette handeling” wordt gekwalificeerd en die wordt bestraft met een gevangenisstraf van twee tot acht jaar en een geldboete van 5000 tot 20000 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 2500 tot 10000 EUR).
14 Een procedure is ingeleid bij de Sofiyski gradski sad, de verwijzende rechter, die de zaak heeft onderzocht en partijen ter terechtzitting heeft gehoord waarbij volgens deze rechterlijke instantie het beginsel van hoor en wederhoor en de rechten van de verdediging zijn geëerbiedigd. KP heeft daarbij verklaard dat hij de drie zakjes verdovende middelen voor eigen gebruik in bezit had en hij geen dergelijke middelen had verkocht.
15 Ter terechtzitting heeft de openbaar aanklager, na de fase van het verzamelen van het bewijs, geoordeeld dat de drie marihuanazakjes voor persoonlijk gebruik in het bezit van KP waren geweest. De openbaar aanklager heeft derhalve een aantal elementen van de tenlastelegging laten vallen, namelijk de verkoop van het eerste zakje aan een derde en het voornemen om de twee andere zakjes te distribueren. Bijgevolg heeft hij de vrijspraak van de verdachte voor deze elementen gevorderd, naast zijn veroordeling voor het in artikel 354a, lid 3, van het wetboek van strafrecht bedoelde strafbare feit, te weten het bezit van verdovende middelen, dat wordt bestraft met één tot zes jaar gevangenisstraf en met een geldboete van 2000 tot 10000 BGN (ongeveer 1000 tot 5000 EUR). De advocaat van KP heeft zijnerzijds verzocht om KP vrij te spreken wegens schendingen van wezenlijke vormvoorschriften die zouden zijn begaan bij het verzamelen van het bewijs in de fase van het opsporingsonderzoek.
16 De verwijzende rechter deelt het standpunt van de openbaar aanklager met betrekking tot het gedrag van de verdachte in verband met het tweede en het derde marihuanazakje, maar is op basis van zijn eigen analyse van de verzamelde bewijzen van oordeel dat het gedrag van KP in verband met het eerste zakje het in artikel 354a, lid 1, van het wetboek van strafrecht bedoelde strafbare feit oplevert, te weten het distribueren van verdovende middelen, aangezien KP dit zakje aan een derde heeft bezorgd nadat hij het in samenspraak met die persoon en met gedeelde kosten had gekocht. Volgens de verwijzende rechter dient voor dit strafbare feit dan ook een veroordeling te worden uitgesproken.
17 De verwijzende rechter wijst erop dat de Bulgaarse wetgeving, en meer bepaald artikel 293 NPK, een dergelijke veroordeling toelaat, zelfs tegen het door de openbaar aanklager ter terechtzitting uitgesproken advies in. In de tenlastelegging waarbij de openbaar aanklager de zaak aanhangig maakt bij de strafrechter en die hij niet meer kan intrekken, zet hij immers het feitelijke en juridische kader van die tenlastelegging uiteen op basis waarvan die rechter uitspraak moet doen, zonder daarvan te kunnen afwijken door zich uit te spreken over met name feiten die daarin niet zijn vermeld. De strafrechter moet dus volgens zijn innerlijke overtuiging uitspraak doen over de gegrondheid van de tenlastelegging, zonder gebonden te zijn aan de argumenten van partijen, waarbij hij in voorkomend geval ambtshalve alle maatregelen kan nemen die nodig zijn om de in die tenlastelegging aangegeven feiten vast te stellen.
18 In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 6, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2016/343, volgens hetwelk „de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust”, de openbaar aanklager niet alleen verplicht om de bewijzen aan te dragen die de beschuldiging onderbouwen, maar ook om in de procedure bij de rechter aan te tonen dat deze schuld is bewezen. Volgens de verwijzende rechter is het namelijk twijfelachtig of de openbaar aanklager aan de op hem rustende bewijslast kan voldoen wanneer hij ter terechtzitting niet meer aanvoert dat de beklaagde schuldig is.
19 De verwijzende rechter is van oordeel dat in dergelijke omstandigheden het bewijs van de schuld van deze persoon noodzakelijkerwijs door de rechter wordt geleverd. Hij vraagt zich dan ook af of hij op eigen initiatief, in het kader van het ambtshalve onderzoek van het bewijs waarnaar artikel 6, lid 1, tweede volzin, en de overwegingen 22 en 23 van richtlijn 2016/343 verwijzen, kan oordelen dat die schuld bewezen is.
20 De verwijzende rechter is overigens van oordeel dat, naast die richtlijn, ook kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PB 2004, L 335, blz. 8), van toepassing is op de situatie in het hoofdgeding, zodat de feiten van het hoofdgeding binnen de in artikel 51, lid 1, van het Handvest omschreven werkingssfeer vallen.
21 Gelet op de noodzaak van inachtneming van de vereisten van een „onpartijdig gerecht” in de zin van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, vraagt de verwijzende rechter zich bijgevolg af of een gerecht als onpartijdig kan worden beschouwd wanneer het afwijkt van het gemeenschappelijke standpunt van de openbaar aanklager en de verdediging en het zelf het bewijs van de schuld van de beklaagde levert, waarbij het zich aldus met betrekking tot bepaalde elementen van de tenlastelegging in de plaats van de openbaar aanklager stelt.
22 In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat de situatie in het hoofdgeding verschilt van die welke is onderzocht in het arrest van 9 november 2023, BK (Herkwalificatie van het strafbare feit) (C‑175/22, EU:C:2023:844, punten 55‑57), waarin het Hof heeft geoordeeld dat het betrokken gerecht onpartijdig handelde. Hij wijst er nogmaals op dat de openbaar aanklager in het hoofdgeding duidelijk heeft aangegeven dat hij bepaalde elementen van de tenlastelegging, waaronder een aantal feitelijke gegevens, niet handhaafde, terwijl het er in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, alleen om ging de feiten opnieuw te kwalificeren, waarover de openbaar aanklager geen standpunt had ingenomen.
23 Ten slotte moet het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) zowel als in overweging 23 van richtlijn 2016/343 genoemd „internationaal recht” als uit hoofde van artikel 52, lid 3, van het Handvest in aanmerking worden genomen.
24 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn arresten van 20 september 2016, Karelin tegen Rusland (CE:ECHR:2016:0920JUD000092608), en 8 oktober 2019, Korneyeva tegen Rusland (CE:ECHR:2019:1008JUD007205117), geoordeeld dat een gerecht niet onpartijdig is wanneer de openbaar aanklager afwezig is geweest tijdens de debatten waarin nieuw bewijs is onderzocht. In het eerstgenoemde arrest en in dat van 6 maart 2018, Mikhaylova tegen Oekraïne (CE:ECHR:2018:0306JUD001064408), heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook geoordeeld dat een gerecht niet onpartijdig is wanneer het een veroordeling uitspreekt in afwezigheid van de openbaar aanklager en het daardoor de bewijslast inzake de schuld van de beklaagde overneemt. Hieruit volgt dat een gerecht a fortiori de taak van strafrechtelijke vervolging vervult wanneer het de betrokkene veroordeelt hoewel de openbaar aanklager, die aanwezig is op de terechtzitting, bepaalde elementen van de tenlastelegging heeft ingetrokken.
25 In die omstandigheden heeft de Sofiyski gradski sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Staat artikel 6, lid 1, van richtlijn [2016/343], gelezen in samenhang met de overwegingen 22 en 23 van deze richtlijn, en gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, in de weg aan een nationale wet waarin is bepaald dat de verklaring van de openbaar aanklager dat hij niet achter de tenlastelegging staat, de rechter niet ontslaat van zijn verplichting om vonnis te wijzen, waardoor het met betrekking tot een deel van de niet bewezen geachte tenlastelegging tot een veroordeling komt?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
26 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke een strafrechter zich over de tenlastelegging moet uitspreken volgens zijn innerlijke overtuiging, hoewel de openbaar aanklager, na ter terechtzitting de bewijzen te hebben aangedragen op grond waarvan de beklaagde volgens deze rechter kan worden veroordeeld voor de strafbare feiten waarop die tenlastelegging betrekking heeft, verzoekt om de betrokkene voor een aantal daarin vermelde feiten vrij te spreken of om hem te veroordelen voor een minder ernstig strafbaar feit.
27 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat richtlijn 2016/343 enkel tot doel heeft gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen en dus geen uitputtende harmonisatie van de strafprocedure tot stand brengt [arrest van 8 juni 2023, VB (Informatie van bij verstek veroordeelde),C‑430/22 en C‑468/22, EU:C:2023:458, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Gelet op de beperkte omvang van de door deze richtlijn tot stand gebrachte harmonisatie, worden aangelegenheden die niet door deze richtlijn worden geregeld beheerst door het nationale recht [zie in die zin arrest van 4 juli 2024, FP e.a. (Proces per videoconferentie),C‑760/22, EU:C:2024:574, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 Artikel 6 van deze richtlijn heeft tot doel de verdeling van de bewijslast bij rechterlijke beslissingen over schuld te regelen (zie in die zin arrest van 28 november 2019, Spetsializirana prokuratura, C‑653/19 PPU, EU:C:2019:1024, punt 33).
29 Volgens artikel 6, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2016/343 rust de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van deze richtlijn zich, zoals blijkt uit overweging 22 van die richtlijn, ertegen verzet dat deze bewijslast wordt verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging [zie in die zin arrest van 8 december 2022, HYA e.a. (Onmogelijkheid om getuigen à charge te ondervragen), C‑348/21, EU:C:2022:965, punt 32].
30 Hieruit volgt dat de vervolgende instantie krachtens artikel 6, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2016/343 bewijzen moet verzamelen die de tenlastelegging onderbouwen en zij deze dient aan te brengen bij de bevoegde rechter.
31 Zoals blijkt uit de tweede volzin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343, doet de uit de eerste volzin van dit lid voortvloeiende verplichting geen afbreuk aan enige op de rechter of de bevoegde rechterlijke instantie rustende verplichting om zowel belastend als ontlastend bewijs te zoeken.
32 Bovendien blijkt uit overweging 22 van richtlijn 2016/343 dat de vaststelling dat het vermoeden van onschuld zou worden geschonden indien de bewijslast zou worden verschoven van de vervolgende instantie naar de verdediging, maar dat dit geen afbreuk doet aan de bevoegdheden van rechters om ambtshalve feitenonderzoek te doen, noch aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de beoordeling van de schuld van de verdachte of beklaagde, en evenmin aan het gebruik van wettelijke of feitelijke vermoedens inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte of beklaagde.
33 Hieruit volgt dat de krachtens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 op de aanklager rustende verplichting om het bewijs van de schuld van de beklaagde te leveren, er niet aan in de weg staat dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat het aan de bevoegde rechter of rechterlijke instantie staat om autonoom de schuld van de beklaagde te beoordelen na zelf, in voorkomend geval, naar zowel belastend als ontlastend bewijs te hebben gezocht.
34 Dit geldt des te meer wanneer, zoals in casu, de rechter of de bevoegde rechter de schuld van de beklaagde, los van de dienaangaande door de openbaar aanklager verrichte beoordeling, uitsluitend op basis van de door de openbaar aanklager en de verdediging overgelegde bewijzen beoordeelt.
35 Uit het voorgaande volgt dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 zich niet verzet tegen een dergelijke nationale wettelijke regeling, ook al verzoekt de openbaar aanklager, nadat hij ter terechtzitting dergelijke bewijzen heeft overgelegd, met betrekking tot bepaalde in de tenlastelegging vermelde feiten om de beklaagde vrij te spreken of om hem te veroordelen voor een minder zwaar strafbaar feit.
36 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de lidstaten overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest de door het Unierecht gewaarborgde rechten moeten eerbiedigen wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen.
37 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat het vermoeden van onschuld, waarnaar in overweging 22 en artikel 6 van richtlijn 2016/343 wordt verwezen, veronderstelt dat de rechter bij het onderzoek van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte vrij is van vooroordelen en vooringenomenheid. De onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van rechters zijn dus essentiële voorwaarden voor de waarborging van het vermoeden van onschuld (zie in die zin arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C‑748/19-C‑754/19, EU:C:2021:931, punt 88).
38 Het recht van eenieder om zijn zaak voor te leggen aan een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, is een van de vereisten die inherent zijn aan het door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest gewaarborgde grondrecht op een eerlijk proces (zie in die zin, arrest van 29 juli 2024, Breian, C‑318/24 PPU, EU:C:2024:658, punt 80).
39 Derhalve moet worden bepaald of de in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een strafrechter aan het einde van de strafprocedure een beklaagde kan veroordelen voor een in de tenlastelegging aangegeven strafbaar feit, ook al verzoekt de openbaar aanklager, nadat hij het door hem verkregen bewijs heeft aangebracht, om de betrokkene vrij te spreken of om hem te veroordelen voor een minder ernstig strafbaar feit.
40 Volgens vaste rechtspraak kent dit vereiste van onafhankelijkheid twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen (arrest van 19 december 2024, Vivacom Bulgaria, C‑369/23, EU:C:2024:1043, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 19 december 2024, Vivacom Bulgaria, C‑369/23, EU:C:2024:1043, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Voor de op grond van het Unierecht vereiste waarborg van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn dus regels nodig die geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen of de betrokken instantie met name onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen (arrest van 19 december 2024, Vivacom Bulgaria, C‑369/23, EU:C:2024:1043, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Een nationale wettelijke regeling die een strafrechter de verplichting oplegt om zich volgens zijn innerlijke overtuiging over de tenlastelegging uit te spreken, zonder dat hij gebonden is aan de door de openbaar aanklager ter terechtzitting naar voren gebrachte bevindingen aangaande de schuld van de beklaagde, kan niet worden geacht in strijd te zijn met die vereisten. Een dergelijke wettelijke regeling, die ertoe strekt te verzekeren dat de strafwet volledig wordt toegepast en dat de daders van strafbare feiten worden gestraft, is immers niet van dien aard dat afbreuk wordt gedaan aan de gelijke afstand die deze rechterlijke instantie moet houden ten opzichte van de partijen bij de procedure en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding, noch dat dienaangaande legitieme twijfel bij de justitiabelen kan rijzen.
44 Daarbij zij erop gewezen dat, voor zover het Handvest rechten bevat die overeenkomen met de door het EVRM gewaarborgde rechten, artikel 52, lid 3, van het Handvest voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte rechten en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten moet zorgen, zonder dat daarbij de autonomie van het Unierecht wordt aangetast. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17), correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaak geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest van 19 december 2024, Vivacom Bulgaria, C‑369/23, EU:C:2024:1043, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Het verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgens welke het uit artikel 6, lid 1, EVRM voortvloeiende vereiste van onpartijdigheid zich ertegen verzet dat een strafrechter ermee belast is om de tenlastelegging te staven door, in voorkomend geval na op eigen initiatief nieuw bewijs te hebben verzameld, een veroordeling uit te spreken terwijl de openbaar aanklager afwezig was op de terechtzittingen (EHRM, 20 september 2016, Karelin tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0920JUD000092608, § 73 en 76, en EHRM, 6 maart 2018, Mikhaylova tegen Oekraïne, CE:ECHR:2018:0306JUD001064408, § 64).
46 Deze rechtspraak is echter niet relevant in de onderhavige zaak. De prejudiciële vraag heeft immers geen betrekking op het verzamelen, ter terechtzitting, van nieuw bewijsmateriaal op initiatief van de rechtsprekende rechterlijke instantie in afwezigheid van de openbaar aanklager of op het houden van een terechtzitting zonder dat de openbaar aanklager aanwezig is, over welke omstandigheden het in die rechtspraak ging, maar op de verplichting van die rechter om zich volgens zijn innerlijke overtuiging uit te spreken over de tenlastelegging in een situatie waarin de openbaar aanklager aan de terechtzitting heeft deelgenomen, met als enige bijzonderheid dat de openbaar aanklager, in weerwil van alle door hem vergaarde bewijzen, met betrekking tot bepaalde in die tenlastelegging genoemde feiten heeft verzocht om de beklaagde vrij te spreken of om hem voor een minder ernstig strafbaar feit te veroordelen.
47 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke een strafrechter zich over de tenlastelegging moet uitspreken volgens zijn innerlijke overtuiging, hoewel de openbaar aanklager, na ter terechtzitting de bewijzen te hebben aangedragen op grond waarvan de beklaagde volgens deze rechter kan worden veroordeeld voor de strafbare feiten waarop die tenlastelegging betrekking heeft, verzoekt om de betrokkene voor een aantal daarin vermelde feiten vrij te spreken of om hem te veroordelen voor een minder ernstig strafbaar feit.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke een strafrechter zich over de tenlastelegging moet uitspreken volgens zijn innerlijke overtuiging, hoewel de openbaar aanklager, na ter terechtzitting de bewijzen te hebben aangedragen op grond waarvan de beklaagde volgens deze rechter kan worden veroordeeld voor de strafbare feiten waarop die tenlastelegging betrekking heeft, verzoekt om de betrokkene voor een aantal daarin vermelde feiten vrij te spreken of om hem te veroordelen voor een minder ernstig strafbaar feit.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 19 december 2024, C-369/23, ECLI:EU:C:2024:1043
- HvJ EU 29 juli 2024, C-318/24, ECLI:EU:C:2024:658
- HvJ EU 4 juli 2024, C-760/22, ECLI:EU:C:2024:574
- HvJ EU 9 november 2023, C-175/22, ECLI:EU:C:2023:844
- HvJ EU 8 juni 2023, C-430/22, ECLI:EU:C:2023:458
- HvJ EU 8 december 2022, C-348/21, ECLI:EU:C:2022:965
- HvJ EU 16 november 2021, C-748/19, ECLI:EU:C:2021:931
- HvJ EU 28 november 2019, C-653/19, ECLI:EU:C:2019:1024