HvJ EU 8 juni 2023, C-430/22, ECLI:EU:C:2023:458
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
8 juni 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikel 8, lid 4 – Recht om aanwezig te zijn bij het proces – Verstekprocedures – Heropening van het proces – Inkennisstelling van de bij verstek veroordeelde van zijn recht op een nieuw proces”
In de gevoegde zaken C‑430/22 en C‑468/22,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) bij beslissingen van 28 juni 2022 en 13 juli 2022, ingekomen bij het Hof op respectievelijk 28 juni 2022 en 14 juli 2022, in de strafprocedures tegen
VB (C‑430/22)
VB (C‑468/22)
in tegenwoordigheid van:
Spetsializirana prokuratura,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Zesde kamer, en T. von Danwitz, rechter,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wasmeier en I. Zaloguin als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 8, lid 4, tweede volzin, en artikel 9 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van bij verstek tegen VB gevoerde strafprocedures wegens drugshandel en wapenbezit via deelname aan een criminele organisatie.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 9 en 39 van richtlijn 2016/343 luiden als volgt: „(9) Deze richtlijn heeft als doel het recht op een eerlijk proces in strafzaken te versterken door gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen over bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn. […] (39) Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te voeren in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar niet is voldaan aan de voorwaarden om een beslissing te kunnen nemen bij afwezigheid van een bepaalde verdachte of beklaagde, omdat de verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kon worden gelokaliseerd, bijvoorbeeld omdat hij is gevlucht of er vandoor is gegaan, moet het niettemin mogelijk zijn om een beslissing te nemen bij afwezigheid van de verdachte of beklaagde, en om deze beslissing ten uitvoer te leggen. In dat geval moeten de lidstaten ervoor zorgen dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van die beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens in kennis worden gesteld van de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en van het recht op een nieuw proces of op een andere voorziening in rechte. Dergelijke informatie dient schriftelijk te worden verstrekt. De informatie mag ook mondeling worden verstrekt, op voorwaarde dat het feit dat de informatie is verstrekt wordt vastgelegd overeenkomstig de volgens het nationaal recht geldende registratieprocedure.”
4 Artikel 8 van deze richtlijn heeft als opschrift „Recht op aanwezigheid bij proces” en luidt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om aanwezig te zijn bij hun terechtzitting. 2. De lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces, dat kan leiden tot een beslissing over schuld of onschuld van een verdachte of beklaagde, kan plaatsvinden in zijn afwezigheid, op voorwaarde dat: a) de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid; of b) de verdachte of beklaagde, die van het proces in kennis is gesteld, wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de verdachte of de beklaagde dan wel door de staat werd aangesteld. 3. Een overeenkomstig lid 2 genomen beslissing kan jegens de verdachte of beklaagde ten uitvoer worden gelegd. 4. Wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarden, omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, kunnen de lidstaten bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat wanneer verdachten of beklaagden in kennis worden gesteld van de beslissing, in het bijzonder wanneer zij in hechtenis worden genomen, zij eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9. 5. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale regels volgens welke de rechter of de bevoegde rechtbank een verdachte of beklaagde tijdelijk uit het proces kan weren wanneer dit noodzakelijk is om het goede verloop van de strafprocedure te waarborgen, mits de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd. 6. Dit artikel doet geen afbreuk aan nationale regels volgens welke procedures of bepaalde fasen daarvan schriftelijk worden gevoerd, mits zulks strookt met het recht op een eerlijk proces.”
5 Artikel 9 van die richtlijn („Recht op een nieuw proces”) bepaalt: „De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer verdachten of beklaagden niet aanwezig waren bij hun terechtzitting en niet is voldaan aan de in artikel 8, lid 2, gestelde voorwaarden, zij recht hebben op een nieuw proces, of een andere voorziening in rechte, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld, met inbegrip van de beoordeling van nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. In dit verband waarborgen de lidstaten dat die verdachten of beklaagden het recht hebben aanwezig te zijn, overeenkomstig nationaalrechtelijke procedures effectief deel te nemen, en hun recht op verdediging uit te oefenen.”
Bulgaars recht
6 Artikel 423 van de Nakazatelno‑protsesualen kodeks (wetboek van strafvordering; hierna: „NPK”) bepaalt in de leden 1 tot en met 4: „(1) Binnen zes maanden nadat hij kennis heeft genomen van de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling […], kan de bij verstek veroordeelde persoon verzoeken om hervatting van de strafprocedure door zich te beroepen op zijn afwezigheid in de [strafprocedure]. (2) Het verzoek schort de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke veroordeling niet op, tenzij de rechter anders beslist. (3) De procedure tot hervatting van de strafprocedure wordt beëindigd indien de bij verstek veroordeelde persoon zonder gegronde reden niet ter terechtzitting verschijnt. (4) Indien een bij verstek veroordeelde persoon met het oog op de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis is gedetineerd en de rechter de strafprocedure hervat, neemt hij in zijn beslissing tevens een beslissing over de veiligheidsmaatregel.”
7 Artikel 425, lid 1, punt 1, en lid 2, NPK luiden als volgt: „(1) Wanneer het verzoek om een nieuw proces gegrond is, kan de rechter: 1. de veroordeling, de beslissing, de beschikking of het bevel vernietigen en de zaak terugverwijzen voor een nieuwe behandeling, waarbij hij aangeeft vanaf welk stadium de zaak opnieuw moet worden behandeld; (2) In de in artikel 423, lid 1, bedoelde gevallen wordt de procedure hervat en de zaak teruggebracht naar het stadium waarin de procedure bij verstek is begonnen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 De Spetsializirana prokuratura (bijzonder openbaar ministerie, Bulgarije) heeft een strafvervolging ingesteld tegen VB, die ervan wordt beschuldigd samen met verschillende andere personen deel te hebben genomen aan een georganiseerde criminele bende die zich bezighoudt met de teelt en de distributie van verdovende middelen en wapens bezit – activiteiten die strafbare feiten vormen waarop een vrijheidsstraf staat.
9 De in de hoofdgedingen aan de orde zijnde strafprocedures zijn gevoerd in afwezigheid van VB. Laatstgenoemde heeft in deze strafprocedures geen formele kennisgeving van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen kunnen ontvangen. Bovendien is hij niet in kennis kunnen worden gesteld van zijn verwijzing naar een rechterlijke instantie, laat staan van het tijdstip en de plaats van de betrokken terechtzitting en van de gevolgen van zijn afwezigheid.
10 De bevoegde nationale autoriteiten zijn er immers niet in geslaagd VB te lokaliseren, aangezien hij in de onderzoeksfase van die strafprocedures net vóór de politieoperatie met het oog op de aanhouding van de verdachten is gevlucht. VB is „gezocht” verklaard, met name in een Europees aanhoudingsbevel, maar is niet kunnen worden gelokaliseerd.
11 Tijdens de onderzoeksfase en de gerechtelijke fase van de strafprocedures is VB achtereenvolgens verdedigd door drie verschillende advocaten, alle ambtshalve aangesteld, die hem nooit hebben gezien en geen contact met hem of zijn naasten hebben gehad.
12 De in de hoofdgedingen aan de orde zijnde strafprocedures lopen nog steeds en de meeste bewijzen zijn verzameld. Volgens de verwijzende rechter is het waarschijnlijk dat VB aan het eind van die strafprocedures zal worden veroordeeld tot een vrijheidsstraf.
13 Die rechter wijst er onder meer op dat een bij verstek veroordeelde persoon volgens artikel 423, lid 1, NPK het recht heeft om binnen zes maanden nadat hij kennisneemt van zijn veroordeling, te verzoeken om heropening van de procedure. Het Bulgaarse recht voorziet er evenwel niet in dat die persoon vooraf op de hoogte wordt gebracht van dit recht om de heropening van de procedure te vragen. Het Bulgaarse recht kent met name geen enkele verplichting om de beklaagde in het bij verstek gewezen vonnis of in enige andere tot hem gerichte rechtshandeling te wijzen op de mogelijkheid de heropening van de procedure te vragen.
14 Bovendien voorziet het Bulgaarse recht volgens de verwijzende rechter in beginsel niet in een vooraf vastgesteld recht op een nieuw proces in geval van veroordeling bij verstek. De rechter die de zaak behandelt en die in afwezigheid van de beklaagde ten gronde uitspraak doet, is met name niet bevoegd om te beslissen of die persoon wegens zijn afwezigheid recht heeft op een nieuw proces. Dit is volgens de verwijzende rechter zo omdat de bevoegdheid om zich uit te spreken over het bestaan van een dergelijk recht, naar Bulgaars recht toekomt aan de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Bulgarije), bij wie een verzoek om opening van een nieuw proces moet worden ingediend overeenkomstig artikel 423, lid 1, NPK en die de redenen voor de opening van een nieuw proces wegens de afwezigheid van de beklaagde moet beoordelen.
15 Ten slotte merkt de verwijzende rechter op dat het Bulgaarse recht vereist dat de bij verstek veroordeelde in persoon verschijnt om het verzoek tot heropening van de procedure ten gronde te kunnen behandelen, terwijl artikel 9 van richtlijn 2016/343 niet in een dergelijk vereiste voorziet. Volgens die rechter vermindert dit vereiste de doeltreffendheid van het in artikel 9 van deze richtlijn bedoelde recht aanzienlijk, aangezien die persoon het risico loopt om te worden aangehouden tijdens zijn verschijning en om dus zijn veroordeling bij verstek te zien worden uitgevoerd.
16 Gelet op het voorgaande vraagt de verwijzende rechter zich af of hij, wanneer hij een zaak onderzoekt in afwezigheid van de beklaagde in omstandigheden waarin duidelijk niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343, in geval van veroordeling bij verstek in het desbetreffende vonnis formeel moet vermelden dat de veroordeelde recht heeft op een nieuw proces, opdat de krachtens artikel 8, lid 4, tweede volzin, van deze richtlijn vereiste kennisgeving wordt verricht.
17 Hij preciseert in dit verband dat indien het Hof deze vraag bevestigend zou beantwoorden, de vraag rijst wat de inhoud moet zijn van de informatie die aan de bij verstek veroordeelde dient te worden verstrekt.
18 Ten eerste moet worden bepaald of deze persoon ervan in kennis moet worden gesteld dat hij recht heeft op een nieuw proces, mits hij daarom verzoekt, en dat de enige beoordeling die de rechter die dat verzoek onderzoekt daarbij kan verrichten het soort heropening van de procedure betreft, dan wel of die persoon ervan in kennis moet worden gesteld dat hij het recht heeft om een nieuw proces aan te vragen en dat die rechter de gegrondheid van zijn verzoek zal beoordelen. Ten tweede moet worden onderzocht of die persoon er ook van in kennis moet worden gesteld dat hij verplicht is om persoonlijk te verschijnen voor de rechter bij wie zijn verzoek om heropening van de procedure is ingediend, wat veronderstelt dat een dergelijke verplichting verenigbaar is met artikel 9 van richtlijn 2016/343.
19 In die omstandigheden heeft de Spetsializiran nakazatelen sad (bijzondere strafrechter, Bulgarije) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in zaak C‑430/22 de volgende prejudiciële vragen gesteld: „1) Moet artikel 8, lid 4, tweede volzin, van richtlijn 2016/343 aldus worden uitgelegd dat het de nationale rechter die de beklaagde bij verstek veroordeelt zonder dat aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn is voldaan, verplicht om uitdrukkelijk te wijzen op het krachtens artikel 9 van die richtlijn aan de beklaagde toekomende recht op een nieuw proces, opdat de beklaagde later, met name bij zijn aanhouding met het oog op de uitvoering van de straf, in kennis kan worden gesteld van dat recht? De vraag rijst in verband met het feit dat in het nationale recht niet is bepaald dat een bij verstek veroordeelde persoon bij zijn aanhouding met het oog op de uitvoering van de straf in kennis moet worden gesteld van zijn recht op een nieuw proces. Het nationale recht voorziet evenmin in de tussenkomst van een rechter bij de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel met het oog op de uitvoering van de straf. 2) Moet artikel 8, lid 4, tweede volzin, van richtlijn 2016/343, en met name de woorden ‚eveneens worden geïnformeerd over de mogelijkheid de beslissing aan te vechten en het recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte, overeenkomstig artikel 9 [van richtlijn 2016/343]’, aldus worden uitgelegd dat de beklaagde in kennis moet worden gesteld van een officieel erkend recht op een nieuw proces, of moet de beklaagde in kennis worden gesteld van het recht om een dergelijk verzoek om een nieuw proces in te dienen waarbij vervolgens nog de gegrondheid van het verzoek moet worden beoordeeld?”
20 Ook in zaak C‑468/22 heeft de Spetsializiran nakazatelen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Is het met artikel 9 van richtlijn 2016/343 en het doeltreffendheidsbeginsel verenigbaar dat een nationale bepaling als artikel 423, lid 3, NPK vereist dat een persoon die een verzoek om een nieuw proces indient omdat hij afwezig was en er zich geen van de in artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343 genoemde gevallen voordeed, in persoon voor de rechter verschijnt om dat verzoek ten gronde te laten behandelen?”
Procedure bij het Hof
21 Bij brief van 5 augustus 2022 heeft de Sofiyski gradski sad (rechter voor de stad Sofia, Bulgarije) het Hof meegedeeld dat de Spetsializiran nakazatelen sad na een op 27 juli 2022 in werking getreden wetswijziging is ontbonden en dat de bevoegdheid voor bepaalde bij deze laatste rechterlijke instantie aanhangig gemaakte strafzaken, met inbegrip van de hoofdgedingen, met ingang van die datum aan hem is overgedragen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste prejudiciële vraag in zaak C‑430/22
22 Met zijn eerste vraag in zaak C‑430/22 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 8, lid 4, van richtlijn 2016/343 aldus moet worden uitgelegd dat het de nationale rechter die een veroordeling bij verstek uitspreekt zonder dat aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn is voldaan, verplicht om in het desbetreffende vonnis uitdrukkelijk te wijzen op het recht op een nieuw proces, opdat de bij verstek veroordeelde later, met name bij zijn aanhouding met het oog op de uitvoering van de straf, in kennis kan worden gesteld van dat recht.
23 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens de verwijzende rechter duidelijk uit de omstandigheden van de hoofdgedingen blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/343, en bijgevolg artikel 8, lid 4, van deze richtlijn van toepassing is.
24 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan, de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Er moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de overwegingen van de betrokken Uniehandeling, aangezien zij licht kunnen werpen op de wil van de opsteller ervan en een belangrijk interpretatief element kunnen zijn voor die handeling [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde),C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 32].
25 Wat de bewoordingen van artikel 8, lid 4, van richtlijn 2016/343 betreft, deze bepaling preciseert dat wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid om processen te houden in afwezigheid van verdachten of beklaagden, maar het niet mogelijk is te voldoen aan de in artikel 8, lid 2, van deze richtlijn gestelde voorwaarden omdat een verdachte of beklaagde, ondanks redelijke inspanningen, niet kan worden gelokaliseerd, de lidstaten kunnen bepalen dat niettemin een beslissing kan worden genomen die ten uitvoer kan worden gelegd.
26 Zoals in artikel 8, lid 4, van deze richtlijn wordt verduidelijkt, is het in dat geval belangrijk dat de betrokkene op het moment dat hij in kennis wordt gesteld van de bij verstek gewezen beslissing, wordt geïnformeerd over de mogelijkheid deze beslissing aan te vechten en over het recht op een nieuw proces.
27 Zoals de Europese Commissie terecht opmerkt, geeft deze bepaling echter niet precies aan op welke wijze die informatie aan de betrokkene moet worden verstrekt, maar enkel dat die informatie aan de betrokkene moet worden verstrekt wanneer hij in kennis wordt gesteld van de bij verstek gewezen beslissing, in het bijzonder wanneer hij in hechtenis wordt genomen, aangezien dit gewoonlijk volgt op de lokalisering van de gezochte persoon.
28 Dit wordt bevestigd door overweging 39 van richtlijn 2016/343, waarin staat dat die informatie – die schriftelijk dient te worden verstrekt – ook mondeling mag worden verstrekt op voorwaarde dat het feit dat de informatie is verstrekt, wordt vastgelegd overeenkomstig de volgens het nationaal recht geldende registratieprocedure.
29 Tot slot zij eraan herinnerd dat richtlijn 2016/343 enkel tot doel heeft gemeenschappelijke minimumvoorschriften vast te stellen en dus geen uitputtende harmonisatie van de strafprocedure tot stand brengt. De regels van nationaal recht mogen echter niet afdoen aan de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het eerlijke verloop van de procedure waarborgen en de betrokkene dus in staat stellen om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn, in de zin van artikel 8 of artikel 9 van deze richtlijn [zie in die zin arrest van 19 mei 2022, Spetsializirana prokuratura (Proces van een gevluchte beklaagde),C‑569/20, EU:C:2022:401, punt 43].
30 Hieruit volgt dat richtlijn 2016/343 aan de rechter die een beslissing bij verstek wijst tegen de afwezige niet-gelokaliseerde betrokkene, niet de verplichting oplegt om in die beslissing informatie op te nemen over het recht op een nieuw proces en de mogelijkheid om die beslissing aan te vechten. De keuze van de nadere regels voor het verstrekken van die informatie aan de betrokkene behoort immers tot de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten, zolang die informatie maar aan de betrokkene wordt verstrekt op het moment dat hij in kennis wordt gesteld van die beslissing.
31 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag in zaak C‑430/22 te worden geantwoord dat artikel 8, lid 4, van richtlijn 2016/343 aldus moet worden uitgelegd dat het de nationale rechter die iemand bij verstek veroordeelt zonder dat aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn is voldaan, niet verplicht om de betrokkene in het desbetreffende vonnis uitdrukkelijk te wijzen op zijn recht op een nieuw proces.
Tweede prejudiciële vraag in zaak C‑430/22 en prejudiciële vraag in zaak C‑468/22
32 Aangezien het Hof de eerste vraag in zaak C‑430/22 ontkennend heeft beantwoord, hoeft niet te worden geantwoord op de tweede in die zaak gestelde vraag en evenmin op de vraag in zaak C‑468/22. Zoals in punt 17 van dit arrest is opgemerkt, rijst volgens de verwijzende rechter immers enkel ingeval die eerste vraag positief wordt beantwoord de vraag welke – in punt 18 van dit arrest nader omschreven – strekking de aan de bij verstek veroordeelde te bezorgen informatie dient te hebben.
Kosten
33 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 8, lid 4, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn
moet aldus worden uitgelegd dat
het de nationale rechter die iemand bij verstek veroordeelt zonder dat aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn is voldaan, niet verplicht om de betrokkene in het desbetreffende vonnis uitdrukkelijk te wijzen op zijn recht op een nieuw proces.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.