HvJ EU 19 december 2024, C-369/23, ECLI:EU:C:2024:1043
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
19 december 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden – Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht – Aansprakelijkheid van een lidstaat voor schade die aan particulieren wordt berokkend door een schending van het Unierecht – Schending door een in laatste aanleg beslissende nationale rechterlijke instantie op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Bevoegdheid van een rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet en de hoedanigheid heeft van verwerende partij in het geding – Samenstelling van de rechtsprekende formatie”
In zaak C‑369/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) bij beslissing van 9 juni 2023, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
„Vivacom Bulgaria” EAD
tegen
Varhoven administrativen sad,
Natsionalna agentsia za prihodite,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, S. Rodin, J. Passer en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– „Vivacom Bulgaria” EAD, vertegenwoordigd door S. Kostov en S. Yordanova, advokati,
– de Varhoven administrativen sad, vertegenwoordigd door A. Adamova-Petkova, T. Kutsarova-Hristova en M. Semov,
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door T. Mitova en R. Stoyanov als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, E. Rousseva, P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds „Vivacom Bulgaria” EAD en anderzijds de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) en de Natsionalna agentsia za prihodite (nationaal agentschap voor overheidsinkomsten, Bulgarije; hierna: „NAP”) over de vergoeding van de schade die Balgarska telekomunikatsionna kompania EAD (hierna: „BTK”), thans Vivacom Bulgaria, zou hebben geleden wegens schending van het Unierecht.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt: „De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.”
4 Artikel 47 van het Handvest luidt: „Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.”
Bulgaars recht
Wetboek bestuursprocesrecht
5 Artikel 1, punt 3, van de Administrativnoprotsesualen kodeks (wetboek bestuursprocesrecht), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (DV nr. 94 van 29 november 2019) (hierna: „wetboek bestuursprocesrecht”), luidt als volgt: „Dit wetboek regelt de procedure voor de vergoeding van schade die is veroorzaakt door onrechtmatige rechtshandelingen, handelingen of nalatigheden van bestuurlijke instanties en personeelsleden, alsmede voor schade die voortvloeit uit de uitoefening van gerechtelijke taken door de bestuursrechters en de Varhoven administrativen sad.”
6 Artikel 128, lid 1, punt 6, van dit wetboek bepaalt: „De bestuursrechters zijn bevoegd voor alle zaken betreffende verzoeken tot schadevergoeding […] wegens schade die voortvloeit uit de uitoefening van gerechtelijke taken door de bestuursrechters en de Varhoven administrativen sad.”
7 Artikel 203 van dat wetboek bepaalt: „(1) Vorderingen tot vergoeding van schade die burgers of rechtspersonen hebben geleden als gevolg van onrechtmatige rechtshandelingen, handelingen of nalatigheden van bestuurlijke instanties en hun personeelsleden worden onderzocht volgens de procedure van dit hoofdstuk. (2) Kwesties die niet onder dit wetboek vallen met betrekking tot de geldelijke aansprakelijkheid uit hoofde van lid 1, worden geregeld door de zakon za otgovornostta na darzhavata i obshtinite za vredi [wet betreffende de aansprakelijkheid van de staat en de gemeenten voor schade (DV nr. 60 van 5 augustus 1988)] of door de zakon za izpalnenie na nakazaniyata i zadarzhaneto pod strazha [wet inzake de strafuitvoering en voorlopige hechtenis (DV nr. 25 van 3 april 2009)]. (3) Dit hoofdstuk heeft ook betrekking op vorderingen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht, waarbij de geldelijke aansprakelijkheid en de ontvankelijkheid van de vordering worden beheerst door de regels inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de staat wegens schending van het Unierecht.”
Wet betreffende de aansprakelijkheid van de staat en de gemeenten voor schade
8 Artikel 2c van de zakon za otgovornostta na darzhavata i obshtinite za vredi (wet betreffende de aansprakelijkheid van de staat en de gemeenten voor schade), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (DV nr. 94 van 29 november 2019) (hierna: „wet betreffende de aansprakelijkheid van de staat en de gemeenten voor schade”), luidt als volgt: „(1) Wanneer de schade het gevolg is van een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht, worden de vorderingen door de rechterlijke instanties onderzocht volgens de modaliteiten van: 1. het wetboek bestuursprocesrecht, met betrekking tot schade […] die voortvloeit uit de uitoefening van gerechtelijke taken van de bestuursrechters en de Varhoven administrativen sad; 2. het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in andere dan de in punt 1 bedoelde gevallen […]. (2) Een vordering in de zin van lid 1 die tegen meerdere verweerders is gericht, wordt voor schade die is veroorzaakt bij of in verband met de uitoefening van bestuurlijke werkzaamheden onderzocht volgens de regels van het wetboek bestuursprocesrecht, indien een bestuursrechter, de Varhoven administrativen sad of een rechtspersoon partij in de procedure is.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 In 2007 en 2008 heeft BTK Mobile EOOD, waarvan BTK de rechtsopvolgster is, aan twee Roemeense ondernemingen facturen uitgeschreven voor de levering van prepaidkaarten en vouchers voor telecommunicatiediensten. In die facturen werden deze handelingen beschouwd als dienstverrichtingen die in Roemenië plaatsvonden en die bijgevolg in Bulgarije niet aan de belasting over de toegevoegde waarde (btw) waren onderworpen.
10 Op 20 juni 2012 heeft de NAP een naheffingsaanslag uitgevaardigd tegen BTK, waarbij de btw-schulden met betrekking tot die facturen werden vastgesteld. Volgens de NAP moesten de betrokken handelingen namelijk worden aangemerkt als dienstverrichtingen die in Bulgarije plaatsvonden en waren zij dan ook in die lidstaat belastbaar.
11 Bij vonnis van 22 november 2013, aangevuld bij vonnis van 28 januari 2014, heeft de Administrativen sad Sofia grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) deze naheffingsaanslag bevestigd voor de belastingtijdvakken van december 2007 tot juni 2008, en daarbij geoordeeld dat er bij de betrokken handelingen sprake was van in Bulgarije verrichte goederenleveringen. Bij het arrest van 16 december 2014, dat onherroepelijk is geworden, heeft de Varhoven administrativen sad het vonnis in eerste aanleg volledig bevestigd.
12 Bij een op 12 december 2019 bij de Administrativen sad Sofia grad ingesteld beroep tegen de NAP en de Varhoven administrativen sad heeft BTK op grond van artikel 2c van de wet betreffende de aansprakelijkheid van de staat en de gemeenten voor schade, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, verzocht om toekenning van schadevergoeding ten belope van het uit hoofde van de naheffingsaanslag betaalde bedrag en van de wettelijke rente voor een totaalbedrag van1808638,32 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 925000 EUR). Deze onderneming heeft ook wettelijke rente over een deel van dat bedrag gevorderd, voor de periode vanaf de instelling van het beroep tot de definitieve betaling ervan.
13 Deze bedragen komen overeen met de schade die voortvloeit uit een voldoende gekwalificeerde schending door de NAP en de Varhoven administrativen sad van een aantal bepalingen van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), in de tussen december 2007 en juni 2008 geldende versie (hierna: „btw-richtlijn”), zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 3 mei 2012, Lebara (C‑520/10, EU:C:2012:264).
14 Bij vonnis van 18 april 2022 heeft de Administrativen sad Sofia grad het beroep van BTK verworpen, met name op grond dat de NAP en de Varhoven administrativen sad zich niet schuldig hadden gemaakt aan een gekwalificeerde schending van het Unierecht. De NAP heeft de betrokken handelingen terecht als dienstverrichtingen gekwalificeerd en heeft het Unierecht niet geschonden door te oordelen dat niet was voldaan aan een van de voorwaarden om de plaats van verrichting van deze diensten in een andere lidstaat dan de Republiek Bulgarije te kunnen vaststellen, te weten het verkrijgen van de prepaidkaarten en vouchers door in een dergelijke lidstaat gevestigde belastingplichtigen.
15 De Administrativen sad Sofia grad heeft tevens geoordeeld dat de kwalificatie door de Varhoven administrativen sad van de betrokken handelingen als goederenleveringen en niet als dienstverrichtingen in strijd was met de btw-richtlijn en het arrest van 3 mei 2012, Lebara (C‑520/10, EU:C:2012:264). Los van deze verkeerde kwalificatie had het beroep tegen de naheffingsaanslag echter niet tot een ander resultaat kunnen leiden, aangezien niet was aangetoond dat de geleverde prepaidkaarten en vouchers wel degelijk door in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtigen waren ontvangen. Bovendien heeft de Varhoven administrativen sad terecht vastgesteld dat de omstandigheden in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 3 mei 2012, Lebara (C‑520/10, EU:C:2012:264), niet dezelfde waren als die waarop de NAP de vaststelling van de naheffingsaanslag in kwestie baseerde.
16 BTK heeft bij de Varhoven administrativen sad cassatieberoep ingesteld strekkende tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg van 18 april 2022 wegens schending van het materiële recht, wezenlijke schending van de procedureregels en ontoereikende motivering. BTK voert met name aan dat de schending van het Unierecht als gevolg van de onjuiste kwalificatie van de betrokken handelingen door de Varhoven administrativen sad blijkt uit de door de Europese Commissie tegen de Republiek Bulgarije ingeleide inbreukprocedure EU Pilot 8498/1/TAXU. Deze schending, die een kennelijke miskenning is van de rechtspraak van het Hof, is voldoende gekwalificeerd in het licht van de criteria van punt 43 van het arrest van 13 juni 2006, Traghetti del Mediterraneo (C‑173/03, EU:C:2006:391).
17 In deze context heeft BTK de Varhoven administrativen sad, de verwijzende rechter, gevraagd het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Zij erkent dat de rechtsprekende formatie van deze rechterlijke instantie waarbij het hoofdgeding aanhangig is, verschilt van de rechtsprekende formatie welke het in punt 11 van het onderhavige arrest aangehaalde arrest van 16 december 2014 heeft gewezen. Er bestaan evenwel legitieme twijfels over de onpartijdigheid van alle formaties van deze rechterlijke instantie, aangezien zij in eerste aanleg verweerster was en zich reeds op het standpunt had gesteld dat het tegen haar ingestelde beroep niet-ontvankelijk of in elk geval ongegrond was.
18 De verwijzende rechter merkt op dat BTK geen concrete argumenten heeft aangevoerd met betrekking tot de subjectieve of objectieve onpartijdigheid van de rechtsprekende formatie, maar is van oordeel dat zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het hoofdgeding moet worden verduidelijkt, alvorens hij uitspraak kan doen over de grond van de zaak.
19 Deze rechter zet uiteen dat de Bulgaarse wetgever, gelet op de specifieke kenmerken van bestuursrechtelijke geschillen, heeft bepaald dat vorderingen tot vergoeding van schade die voortvloeit uit de rechterlijke activiteit van de bestuursrechters en de Varhoven administrativen sad, vallen onder de bevoegdheid van de bestuursrechters en dat de verwijzende rechter onder die rechters degene is die in laatste aanleg uitspraak doet. Hij vraagt zich af of deze wettelijke regeling voldoet aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, waarin de daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden is verankerd, en van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, betreffende het vereiste van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.
20 Aan de hand van de relevante rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) betreffende tegen de Republiek Bulgarije ingestelde beroepen kan niet definitief worden vastgesteld of een rechter kennis kan nemen van een beroep in het kader waarvan hij verwerende partij is, zonder dat dit schending oplevert van artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
21 Zo wijst de verwijzende rechter erop dat het EHRM in zijn arresten van 10 april 2008, Mihalkov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2008:0410JUD006771901), en 5 april 2018, Boyan Gospodinov tegen Bulgarije (CE:ECHR:2018:0405JUD002841707), heeft vastgesteld dat artikel 6, lid 1, EVRM was geschonden in de context van aansprakelijkheidsvorderingen tegen de staat in verband met de activiteit van een rechterlijke instantie, wegens de professionele band van de rechters met die rechterlijke instantie, partij in het geding, en wegens de omstandigheid dat de eventueel toe te kennen schadevergoedingen uit de begroting van de betrokken rechterlijke instantie moesten worden betaald.
22 Daarentegen heeft het EHRM in zijn arresten van 18 juni 2013, Valcheva en Abrashev tegen Bulgarije (CE:ECHR:2013:0618DEC000619411), en van 18 juni 2013, Balakchiev e.a. tegen Bulgarije (CE:ECHR:2013:0618DEC006518710), geoordeeld dat er geen sprake was van schending van het EVRM omdat de vergoeding van de door de activiteit van elke rechterlijke instantie veroorzaakte schade afkomstig was van een specifieke begrotingspost van elke rechterlijke instantie.
23 De verwijzende rechter preciseert dat in casu de begrotingsregels die van toepassing zijn op de betaling van eventuele schadevergoeding als gevolg van de uitspraak in het hoofdgeding, vergelijkbaar zijn met die welke zijn beschreven in de in het vorige punt aangehaalde zaken en dat de begroting van de rechterlijke instanties voor de schadeloosstelling in voorkomend geval op verzoek van de betrokken rechterlijke instantie door de hoge raad voor de magistratuur kan worden verhoogd. De bezoldiging van de magistraten en hun arbeidsvoorwaarden bij een rechterlijke instantie hangen dus niet af van de eventueel door die rechterlijke instantie verschuldigde schadevergoeding.
24 In deze omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Staan artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het [Handvest] in de weg aan een nationale regeling als artikel 2c, lid 1, punt 1 van [de wet betreffende de aansprakelijkheid van de staat en de gemeenten voor schade] junctis artikel 203, lid 3, en artikel 128, lid 1, punt 6 van [het wetboek bestuursprocesrecht], op grond waarvan een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door schending van het Unierecht door de Varhoven administrativen sad […], waarbij die rechter verweerder is, door hem in laatste aanleg moet worden behandeld?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
25 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een rechterlijke instantie in het kader van een cassatieberoep in laatste aanleg kennisneemt van een zaak betreffende de aansprakelijkheid van de staat die voortvloeit uit een vermeende schending van het Unierecht wegens een door die rechterlijke instantie gewezen arrest, waarin laatstgenoemde de hoedanigheid van verweerder heeft.
26 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat de lidstaten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voor de justitiabelen voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren op de onder het Unierecht vallende gebieden, waaronder de btw, het gebied dat in het hoofdgeding aan de orde is.
27 Ten tweede moet worden opgemerkt dat artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, waarin met name het grondrecht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is neergelegd, overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest van toepassing is op de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Dat is in casu het geval, aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de staat voor een vermeende schending van de btw-richtlijn.
28 Voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaak geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Bovendien zij er aan herinnerd dat het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg dat alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten worden beschermd en tevens de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name de rechtsstaat, worden behouden (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Volgens vaste rechtspraak kent dit vereiste van onafhankelijkheid twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Voor de op grond van het Unierecht vereiste waarborg van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn dus regels nodig die geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen, met name dat de betrokken instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen [zie in die zin arrest van 8 mei 2024, Asociația Forumul Judecătorilor din România (Verenigingen van magistraten), C‑53/23, EU:C:2024:388, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33 Wat de voorwaarde van „onpartijdigheid” in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM betreft, bestaat haar objectieve beoordeling, die in casu als enige relevant is voor de vragen van de verwijzende rechter, erin vast te stellen of deze instantie, met name door haar samenstelling, voldoende waarborgen biedt om elke gegronde twijfel over haar onpartijdigheid uit te sluiten. Onafhankelijk van de persoonlijke opstelling van de rechters, moet dus getoetst worden of hun onpartijdigheid in twijfel kan worden getrokken op grond van bepaalde verifieerbare feiten. Op dit gebied kan zelfs uiterlijke schijn van belang zijn. Volgens de rechtspraak van het EHRM wordt bij de beslissing of er redenen zijn om te vrezen dat in een bepaalde zaak niet aan deze eisen van onafhankelijkheid of objectieve onpartijdigheid is voldaan, rekening gehouden met het standpunt van een partij, maar komt hieraan geen beslissende betekenis toe. Doorslaggevend is of de betrokken beoordelingen als objectief gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd [zie in die zin arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punten 128 en 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
34 Het is in het licht van deze rechtspraak dat het aangewezen is om het concrete geval te onderzoeken waarop de aan het Hof voorgelegde vraag betrekking heeft, namelijk dat van een rechterlijke instantie die in laatste aanleg, in het kader van een cassatieberoep, een zaak behandelt die betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de staat wegens een gestelde schending van het recht van de Unie als gevolg van een door die rechterlijke instantie gewezen arrest en waarin die rechterlijke instantie verweerster is.
35 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het beginsel van die aansprakelijkheid niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de rechter betreft, maar de aansprakelijkheid van de staat. De mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden de staat aansprakelijk te stellen voor rechterlijke beslissingen die in strijd zijn met het Unierecht, lijkt geen bijzondere risico’s voor aantasting van de onafhankelijkheid van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie met zich te brengen (zie in die zin arrest van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punt 42).
36 Het Hof heeft er ook aan herinnerd dat het bij gebreke van een Unieregeling ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procedureregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, te beschermen. Onder het voorbehoud dat de lidstaten in elk geval een effectieve bescherming van de aan de rechtsorde van de Unie ontleende individuele rechten moeten verzekeren, dient het Hof zich niet in te laten met de beslechting van bevoegdheidsvragen die op het niveau van de nationale rechterlijke organisatie kunnen rijzen bij de kwalificatie van bepaalde op het Unierecht gebaseerde rechtssituaties (zie in die zin arrest van 30 september 2003, Köbler, C‑224/01, EU:C:2003:513, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Bijgevolg is het een lidstaat in beginsel niet verboden om een rechterlijke instantie aan te wijzen die bevoegd is om in laatste aanleg, in het kader van een cassatieberoep, kennis te nemen van de aansprakelijkheid van de staat voor schade die aan particulieren is berokkend als gevolg van schendingen van het Unierecht die in voorkomend geval voortvloeien uit een van de arresten van die rechterlijke instantie, mits de nodige maatregelen worden genomen om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die rechterlijke instantie te waarborgen in de zin van de in de punten 30 tot en met 33 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
38 Wat in de tweede plaats het feit betreft dat in een geding zoals het hoofdgeding de in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie als verwerende partij in eerste aanleg een standpunt kan hebben ingenomen over de feitelijke en juridische vragen die het voorwerp van dat geding vormen, zij opgemerkt dat dit procedurele statuut de onpartijdigheid van die rechterlijke instantie niet in twijfel kan trekken, op voorwaarde dat de leden van de rechtsprekende formatie waarbij dat geding in laatste aanleg aanhangig is gemaakt, op geen enkele wijze hebben deelgenomen aan het verweer van die rechterlijke instantie in eerste aanleg.
39 In dit verband moet worden opgemerkt dat de omstandigheid dat het Hof van Justitie van de Europese Unie als instelling verweerder in het geding is, er niet aan in de weg staat dat een geding door het Hof kan worden beslecht (zie in die zin arresten van 25 mei 2000, Kögler/Hof van Justitie, C‑82/98 P, EU:C:2000:282, en 4 mei 2023, KY/Hof van Justitie van de Europese Unie, C‑100/22 P, EU:C:2023:377). Evenzo wordt het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht niet geschonden wanneer het Hof de rechterlijke instantie is waarbij hogere voorziening is ingesteld door de Europese Unie, vertegenwoordigd door de instelling Hof van Justitie van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 13 december 2018, Europese Unie/Kendrion, C‑150/17 P, EU:C:2018:1014, punt 36).
40 Wanneer de president van het Hof van Justitie van de Europese Unie, als president van deze instelling heeft besloten hogere voorziening in te stellen tegen een arrest van het Gerecht betreffende die instelling, wordt het grondrecht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht van de andere partij in de procedure slechts geacht te zijn gewaarborgd wanneer de president van het Hof als rechterlijke instantie niet intervenieert in de gerechtelijke behandeling van de zaak en zijn taken door de vicepresident worden overgenomen (zie in die zin arrest van 13 december 2018, Europese Unie/Kendrion, C‑150/17 P, EU:C:2018:1014, punt 38).
41 Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om te onderzoeken of in het hoofdgeding is voldaan aan de in punt 38 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarde, kan het Hof, in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin artikel 267 VWEU voorziet, evenwel op grond van de gegevens van het dossier aan die rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Zoals Vivacom Bulgaria heeft aangegeven en zoals blijkt uit de opmerkingen van de verwerende partij in het hoofdgeding, is het standpunt van de Varhoven administrativen sad, als verwerende partij in eerste aanleg, in casu verwoord door een, door de voorzitter van die rechterlijke instantie gemachtigd, personeelslid ervan. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt daarentegen niet dat de leden van de rechtsprekende formatie waarbij het hoofdgeding aanhangig is gemaakt, enige rol hebben gespeeld in de verdediging van de Varhoven administrativen sad. Het staat echter aan de verwijzende rechter om deze informatie te verifiëren.
43 In deze omstandigheden – indien die informatie zou worden bevestigd – zou de door Vivacom Bulgaria in herinnering gebrachte rechtspraak, volgens welke het begrip „onafhankelijkheid” inhoudt dat de betrokken instantie de hoedanigheid van derde heeft ten opzichte van de autoriteit die de aangevochten beslissing heeft genomen (zie in die zin arresten van 21 januari 2020, Banco de Santander, C‑274/14, EU:C:2020:17, punt 62, en 7 mei 2024, NADA e.a., C‑115/22, EU:C:2024:384, punt 46), niet onverenigbaar zijn met de bevoegdheid van een in laatste aanleg rechtsprekende rechterlijke instantie om kennis te nemen van een cassatieberoep in een zaak waarin zij verwerende partij is.
44 Wat in de derde plaats het vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters betreft, zij eraan herinnerd dat de regels inzake hun statuut en de uitoefening van hun taken het mogelijk moeten maken om niet alleen elke rechtstreekse beïnvloeding – in de vorm van instructies – maar ook meer indirecte vormen van beïnvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters kunnen sturen, uit te sluiten en aldus te voorkomen dat deze rechters niet de indruk wekken onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen zou kunnen ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In dit verband blijkt om te beginnen niet uit het dossier waarover het Hof beschikt dat het de rechters van de Varhoven administrativen sad ontbreekt aan de waarborgen voor hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid die zij overeenkomstig de Bulgaarse regeling moeten genieten, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan.
46 Vervolgens wordt in de verwijzingsbeslissing uiteengezet dat de bezoldiging en de arbeidsvoorwaarden van deze rechters niet afhangen van de betaling van eventuele schadevergoeding door die rechter. In die omstandigheden kunnen de begrotingsregels inzake de betaling van eventuele schadevergoeding als gevolg van de uitspraak in het hoofdgeding niet leiden tot legitieme twijfel bij de justitiabelen over de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van deze rechters.
47 Ten slotte moet worden opgemerkt dat het enkele feit dat meerdere rechtsprekende formaties van een rechterlijke instantie achtereenvolgens belast zijn met zaken betreffende verschillende juridische problemen die uit eenzelfde situatie voortkomen, niet volstaat om bij de justitiabelen legitieme twijfel te doen ontstaan over de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van die rechterlijke instantie in elk van die zaken.
48 Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van haar conclusie heeft opgemerkt, blijkt daarentegen uit de arresten van het EHRM van 29 juli 2004, San Leonard Band Club tegen Malta (CE:ECHR:2004:0729JUD007756201), en 7 juli 2020, Scerri tegen Malta (CE:ECHR:2020:0707JUD003631818), dat ingeval dezelfde rechters zich in een bepaalde zaak moeten uitspreken over de vraag of zij het recht in een eerdere beslissing onjuist hebben uitgelegd of toegepast, een schending van artikel 6 EVRM moet worden vastgesteld.
49 Tevens zij eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat het in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest neergelegde grondrecht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht wordt geëerbiedigd wanneer het Gerecht van de Europese Unie, dat wordt verzocht de schade te vergoeden die beweerdelijk voortvloeit uit de overschrijding van de redelijke procestermijn, zich over een dergelijke vordering uitspreekt in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd (zie in die zin arresten van 26 november 2013, Gascogne Sack Deutschland/Commissie, C‑40/12 P, EU:C:2013:768, punt 96, en 13 december 2018, Europese Unie/Kendrion, C‑150/17 P, EU:C:2018:1014, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de schriftelijke opmerkingen van Vivacom Bulgaria dat geen van de rechters in de rechtsprekende formatie waarbij het hoofdgeding aanhangig is gemaakt, deel uitmaakte van de rechtsprekende formatie die het aan dat geding ten grondslag liggende arrest heeft gewezen. Zonder dat het Hof zich hoeft uit te spreken over de vraag of het verenigbaar zou zijn met de bepalingen van het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht dat de twee rechtsprekende formaties, zij het gedeeltelijk, uit dezelfde rechters bestaan, kan dan ook worden volstaan met de vaststelling dat in de omstandigheden van het hoofdgeding bij de justitiabelen over de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de Varhoven administrativen sad geen legitieme twijfel kan voortvloeien uit de respectieve samenstelling van die twee rechtsprekende formaties.
51 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een rechterlijke instantie in het kader van een cassatieberoep in laatste aanleg kennisneemt van een zaak waarin die rechterlijke instantie de hoedanigheid van verwerende partij heeft en die betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de staat die voortvloeit uit een vermeende schending van het Unierecht wegens een door die rechterlijke instantie gewezen arrest, mits die nationale regeling en de voor de behandeling van deze zaak genomen maatregelen het mogelijk maken bij de justitiabelen elke legitieme twijfel over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de betrokken rechterlijke instantie weg te nemen.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een rechterlijke instantie in het kader van een cassatieberoep in laatste aanleg kennisneemt van een zaak waarin die rechterlijke instantie de hoedanigheid van verwerende partij heeft en die betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de staat die voortvloeit uit een vermeende schending van het Unierecht wegens een door die rechterlijke instantie gewezen arrest, mits die nationale regeling en de voor de behandeling van deze zaak genomen maatregelen het mogelijk maken bij de justitiabelen elke legitieme twijfel over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de betrokken rechterlijke instantie weg te nemen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 11 juli 2024, C-554/21, ECLI:EU:C:2024:594
- HvJ EU 8 mei 2024, C-53/23, ECLI:EU:C:2024:388
- HvJ EU 7 mei 2024, C-115/22, ECLI:EU:C:2024:384
- HvJ EU 21 januari 2020, C-274/14, ECLI:EU:C:2020:17
- HvJ EU 19 november 2019, C-585/18, ECLI:EU:C:2019:982
- HvJ EU 13 december 2018, C-150/17, ECLI:EU:C:2018:1014
- HvJ EU 26 november 2013, C-40/12, ECLI:EU:C:2013:768
- HvJ EU 3 mei 2012, C-520/10, ECLI:EU:C:2012:264
- HvJ EU 13 juni 2006, C-173/03, ECLI:EU:C:2006:391
- HvJ EU 30 september 2003, C-224/01, ECLI:EU:C:2003:513