HvJ EU 3 juli 2025, C-114/24, ECLI:EU:C:2025:520

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

3 juli 2025 ( *1 )

„Hogere voorziening – Arbitragebeding – Zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013) – SANAD-project – Personeelskosten – Subsidiabele kosten – Verzoek tot invordering – Debetnota – Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beginsel van behoorlijk bestuur – Substitutie van gronden – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Bewijslast – Evenredigheid”

In zaak C‑114/24 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 13 februari 2024,

Global Nanotechnologies AE schediasmou anaptyxis paraskevis kai emporias ylikon nanotechnologias (Glonatech), gevestigd te Lamía (Griekenland), vertegenwoordigd door N. Scandamis, dikigoros,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA), vertegenwoordigd door V. Canetti en S. Payan-Lagrou als gemachtigden, bijgestaan door M. Le Berre, avocat,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen, A. Arabadjiev, M. Condinanzi (rapporteur) en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening vordert Global Nanotechnologies AE schediasmou anaptyxis paraskevis kai emporias ylikon nanotechnologias (Glonatech) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 december 2023, Glonatech/REA (T‑409/22, EU:T:2023:802; hierna: „bestreden arrest”), waarbij haar beroep krachtens artikel 272 VWEU, strekkende tot verklaring voor recht dat zij haar contractuele verbintenissen naar behoren is nagekomen en volledig recht heeft op betaling van de voor het project „Synthesis of Advanced top Nano-coatings with improved Aerodynamic and De-icing behavior” (SANAD) gedeclareerde kosten, en tot nietigverklaring van debetnota nr. 3242113938 van het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) van 22 december 2021, waarbij van rekwirante betaling wordt gevorderd van het bedrag van 202883,48 EUR, is verworpen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

2 Artikel 125 („Vormen van bijdragen van de Unie”) van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement van 2018”) bepaalde: „1. De bijdragen van de [Europese] Unie in direct, gedeeld en indirect beheer helpen een beleidsdoelstelling van de Unie en gespecificeerde resultaten te verwezenlijken en kunnen elk van de volgende vormen aannemen: a) financiering die niet gekoppeld is aan de kosten van de desbetreffende verrichtingen op basis van: i) de vervulling van voorwaarden in sectorspecifieke regelgeving of besluiten van de [Europese] Commissie, hetzij ii) het bereiken van resultaten gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde mijlpalen of door middel van prestatie-indicatoren; b) vergoeding van subsidiabele kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt; c) eenheidskosten die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken op basis van een vast bedrag per eenheid; d) vaste bedragen die alle of bepaalde van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekken; e) financiering volgens een vast percentage die, door toepassing van een percentage, van tevoren duidelijk omschreven specifieke categorieën subsidiabele kosten dekt; f) een combinatie van de in de punten a) tot en met e) genoemde vormen. De in de eerste alinea van dit lid, onder a) bedoelde bijdragen van de Unie worden, in geval van direct en indirect beheer, vastgesteld overeenkomstig artikel 181, sectorspecifieke regelgeving of een besluit van de Commissie, en, in geval van gedeeld beheer, overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. De in de eerste alinea van dit lid, onder c), d) en e), bedoelde bijdragen van de Unie worden, in geval van direct en indirect beheer, vastgesteld overeenkomstig artikel 181 of sectorspecifieke regelgeving en, in geval van gedeeld beheer, overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. 2. Bij de vaststelling van de passende vorm van een bijdrage wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de belangen en boekhoudmethoden van de potentiële ontvangers. 3. De bevoegde ordonnateur brengt in het jaarlijks activiteitenverslag als bedoeld in artikel 74, lid 9, verslag uit over financiering die niet gekoppeld is aan kosten als vermeld in lid 1, eerste alinea, onder a) en f), van dit artikel.”

3 In artikel 181 („Vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage”) van het Financieel Reglement van 2018 is bepaald: „1. In geval van een subsidie in de vorm van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder c), d) of e) is deze titel van toepassing, met uitzondering van de bepalingen of delen van de bepalingen in verband met de verificatie van werkelijk gemaakte subsidiabele kosten. 2. Waar mogelijk en passend, worden vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages zodanig bepaald dat ze kunnen worden betaald bij het bereiken van concrete outputs en/of resultaten. 3. Tenzij anders bepaald in de basishandeling, wordt het gebruik van vaste bedragen, eenheidskosten en financiering volgens een vast percentage toegestaan bij een besluit van de bevoegde ordonnateur, die handelt volgens de interne regels van de betrokken instelling van de Unie. [...]”

4 Artikel 182 („Eenmalige vaste bedragen”) van het Financieel Reglement van 2018 was als volgt verwoord: „1. Een vast bedrag als bedoeld in artikel 125, lid 1, eerste alinea, onder d), kan alle subsidiabele kosten van een actie of een werkprogramma dekken (‚eenmalig vast bedrag’). 2. Overeenkomstig artikel 181, lid 4, kunnen eenmalige vaste bedragen op basis van de geraamde begroting van de actie of het werkprogramma worden vastgesteld. Die geraamde begroting moet voldoen aan de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid. De inachtneming van die beginselen wordt vooraf geverifieerd op het ogenblik van de evaluatie van de subsidieaanvraag. 3. Bij het toestaan van eenmalige vaste bedragen leeft de bevoegde ordonnateur artikel 181 na.”

5 Artikel 183 („Toetsen en controles van begunstigden met betrekking tot vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages”) van dit reglement bepaalde: „1. De bevoegde ordonnateur controleert, uiterlijk vóór de betaling van het saldo, of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, met inbegrip van, waar vereist, het verwezenlijken van outputs en/of resultaten, zijn vervuld. Daarnaast kan de vervulling van die voorwaarden ook aan controles achteraf worden onderworpen. De grootte van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage die vooraf zijn bepaald volgens de methode die overeenkomstig artikel 181 door de bevoegde ordonnateur of de Commissie is toegestaan, wordt niet door controles achteraf betwist. Dit doet niet af aan het recht van de bevoegde ordonnateur om te controleren of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling, als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, zijn vervuld, en de subsidie overeenkomstig artikel 131, lid 4, te verlagen in geval van niet-vervulling van die voorwaarden of in geval van onregelmatigheden, fraude of een schending van andere verplichtingen. Indien vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages zijn vastgesteld op basis van de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de begunstigde, is artikel 185, lid 2, van toepassing. 2. De frequentie en de reikwijdte van toetsen en controles kunnen onder meer afhangen van de aard van de actie of de begunstigde, met inbegrip van aan die begunstigde toe te schrijven onregelmatigheden of fraude uit het verleden. 3. De voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages, houden geen verplichting in tot verslaglegging over de kosten die de begunstigde daadwerkelijk heeft gemaakt. 4. Betaling van de subsidie op basis van vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage is niet van invloed op het recht om de boeken van de begunstigden in te kijken voor de in de artikelen 129 en 184 bedoelde doeleinden. 5. Met het oog op de in lid 1 van dit artikel bedoelde toetsen en controles is artikel 186, lid 3, onder a) en b), van toepassing.”

Belgisch recht

6 Wat het Belgische recht betreft, heeft het Gerecht in punt 32 van het bestreden arrest aangegeven dat moet worden verwezen naar het Belgische burgerlijk wetboek in de versie die gold ten tijde van het sluiten en uitvoeren van de subsidieovereenkomst.

7 Artikel 1134 van het Belgische burgerlijk wetboek bepaalde: „Alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die deze hebben aangegaan, tot wet. Zij kunnen niet herroepen worden dan met hun wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend. Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebracht.”

8 Artikel 1161 van dit wetboek bepaalde: „Alle bedingen van een overeenkomst worden uitgelegd het ene door het andere, zodat elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit.”

9 Artikel 1162 van dat wetboek luidde als volgt: „In geval van twijfel wordt de overeenkomst uitgelegd ten nadele van hem die bedongen heeft en ten voordele van hem die zich verbonden heeft.”

10 Artikel 1163 van het Belgische burgerlijk wetboek bepaalde: „Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin een overeenkomst gesteld is, toch omvat zij alleen die zaken waaromtrent het blijkt dat partijen bedoelden te contracteren.”

11 Artikel 1315 van dit wetboek bepaalde dat „[hij] die de uitvoering van een verbintenis vordert, [...] het bestaan daarvan [moet] bewijzen”, en dat „[omgekeerd] [...] hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs [moet] leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht”.

Voorgeschiedenis van het geding

12 De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 3 tot en met 24 van het bestreden arrest als volgt uiteengezet: „3 Verzoekster is een vennootschap naar Grieks recht die werkzaam is in de sector van de nanotechnologie. 4 Op 20 december 2012 heeft verzoekster als coördinator van een consortium met het REA subsidieovereenkomst nr. 324443 betreffende de uitvoering van het SANAD-project (hierna: ‚subsidieovereenkomst’) gesloten in het kader van het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013). Die overeenkomst, die op dezelfde datum in werking is getreden, voorzag in een maximale financiële bijdrage van de Europese Unie aan dit project van 2872668,87 EUR (artikel 5) en het project moest worden uitgevoerd binnen een periode van 48 maanden vanaf 1 januari 2013, verdeeld in twee declaratieperioden van 24 maanden (artikelen 3 en 4). 5 Doel van het SANAD-project was de efficiëntie van het luchtvervoer te verbeteren door geselecteerde coatings door onderzoekers van de deelnemende organisaties te laten testen op optimalisering van de ijsverwijdering en vermindering van [luchtweerstand], en kennisuitwisseling tussen de deelnemers aan het project en tussen universiteiten en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) te bevorderen. 6 Op 7, 15, 17 en 28 januari 2013 zijn vier andere deelnemers aan het SANAD-project achtereenvolgens als begunstigden tot de subsidieovereenkomst toegetreden, waaronder een universiteit die gedetacheerde onderzoekers zou ontvangen (hierna: ‚gastuniversiteit’). 7 Op 31 december 2016 is het SANAD-project voltooid. 8 De begunstigden van het SANAD-project hebben overeenkomstig de subsidieovereenkomst van de Unie een voorfinanciering van 1867234,77 EUR en een tussentijdse betaling van 718167,21 EUR ontvangen, dat wil zeggen in totaal 2585401,98 EUR. 9 Naar aanleiding van de eindbetaling van de bijdrage van de Unie aan het SANAD-project heeft het REA op 8 oktober 2018 in een e-mail aan verzoekster opgemerkt dat de bewijsstukken die zij had overgelegd een aantal onregelmatigheden en leemten vertoonden. 10 Op 21 augustus 2019 heeft het REA verzoekster ervan in kennis gesteld dat het jegens haar een financiële audit van de subsidieovereenkomst startte met betrekking tot de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016, met referentie RAIA 201901 (hierna: ‚financiële audit’). Het REA heeft daarbij in een gedetailleerde lijst opgegeven welke gegevens en documenten ten behoeve van deze audit dienden te worden verstrekt. 11 De financiële audit is uitgevoerd tussen 22 en 24 oktober 2019. 12 Op 22 juli 2020 heeft het REA aan verzoekster een ontwerpauditverslag meegedeeld dat de resultaten van de financiële audit bevatte en betrekking had op de twee declaratieperioden van het SANAD-project, namelijk, de eerste, van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 en, de tweede, van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016. In dat ontwerpverslag werd onder meer geconcludeerd dat bepaalde categorieën kosten die verzoekster in het kader van dat project had gemaakt, op grond van de bepalingen van de subsidieovereenkomst als niet-subsidiabel moesten worden beschouwd, meer bepaald 177074,80 EUR aan per maand betaalde dagvergoedingen en 22202,88 EUR aan mobiliteitstoelagen in verband met de detachering van onderzoekers naar de gastuniversiteit. 13 Na een verlenging van de termijn om haar opmerkingen te maken, heeft verzoekster op 23 september 2020 de conclusies van het ontwerpverslag betwist. 14 Op 30 maart 2021 heeft het REA het definitieve auditverslag aan verzoekster meegedeeld. Daarin stond vermeld dat verzoekster, gelet op de bedingen van de subsidieovereenkomst, 224463,00 EUR te veel had gedeclareerd. Zo vermeldde het verslag dat een bedrag van 33129,76 EUR voor beheersactiviteiten als subsidiabel moest worden beschouwd, maar dat de volgende kosten daarentegen dienden te worden verworpen: 177074,80 EUR voor de per maand betaalde dagvergoeding, 22202,88 EUR voor de maandelijkse mobiliteitstoelage, 36840,00 EUR voor de bijdrage aan ‚uitgaven in verband met het onderzoeksprogramma/opleiding/kennisuitwisseling’, 1069,35 EUR voor de beheersactiviteiten en 20405,73 EUR voor de bijdrage aan de algemene kosten. 15 Aldus heeft het REA in het definitieve auditverslag de conclusies van het ontwerpauditverslag gehandhaafd, in het bijzonder die betreffende ‚de dagvergoedingen en mobiliteitstoelagen die zijn gevraagd voor detacheringen’ waarvan verzoekster stelt dat deze betrekking hebben op vier onderzoekers die zij naar de gastuniversiteit heeft gedetacheerd, alsook de conclusies aangaande de ‚uitgaven in verband met het onderzoeksprogramma/opleiding/kennisuitwisseling’ die volgens verzoekster betrekking hebben op drie onderzoekers die de gastuniversiteit naar haar heeft gedetacheerd. Tevens heeft het REA vermeld dat de financiële audit als afgesloten werd beschouwd en dat de daarin vermelde aanpassingen zouden worden uitgevoerd, met inbegrip van de invorderingsopdracht voor de te veel betaalde bedragen en de berekening van de overeenkomstig artikel II.24 van de algemene voorwaarden van de subsidieovereenkomst vastgestelde schadevergoeding. 16 Op 22 april 2021 heeft het REA het prestatie-evaluatieverslag betreffende de tweede declaratieperiode van het SANAD-project (2015‑2016) goedgekeurd. 17 Op 5 mei 2021 heeft het REA in een voorafgaande kennisgevingsbrief aan verzoekster meegedeeld dat het definitieve auditverslag werd goedgekeurd en dat werd overgegaan tot invordering van het resultaat van de financiële audit betreffende de uitgaven in verband met de subsidieovereenkomst, waarbij werd bevestigd dat de bij verzoekster in te vorderen schuldvordering 224463,00 EUR bedroeg. Tevens werd verzoekster verzocht om elk bezwaar aangaande de conclusies van deze audit binnen de twee maanden schriftelijk aan het REA mee te delen. 18 Op 17 mei 2021 heeft verzoekster het definitieve auditverslag betwist. 19 Op 18 mei 2021 heeft het REA aan verzoekster een antwoord gestuurd. 20 Op 28 mei 2021 heeft verzoekster het REA opnieuw aangeschreven om kenbaar te maken dat zij niet akkoord ging met het definitieve auditverslag, met een uiteenzetting van de redenen waarom zij meende haar verbintenissen volgens de subsidieovereenkomst te zijn nagekomen. 21 Op 1 juli 2021 heeft verzoekster het REA aangeschreven om nogmaals de conclusies van het definitieve auditverslag te betwisten en om haar standpunt te herhalen dat zij aan de vereisten van de subsidieovereenkomst had voldaan en dat de overgelegde bewijsstukken met betrekking tot de betwiste kosten toereikend en overtuigend waren. 22 Op 22 december 2021 heeft het REA verzoekster aangeschreven om te antwoorden op de argumenten in haar brieven van 17 en 28 mei en 1 juli 2021 en uit te leggen dat deze de conclusies van het definitieve auditverslag niet konden wijzigen. Het heeft bij deze brief betreffende de financiële audit debetnota nr. 3242113938 van dezelfde datum gevoegd, waarbij van alle deelnemers aan het SANAD-project samen betaling werd geëist van een totaalbedrag van 681364,81 EUR voor dit project, waarvan 224 463,0[0] EUR voor rekening van verzoekster. 23 Op 22 juni 2022 heeft verzoekster het REA in kennis gesteld van een herziene verdeling van het totaalbedrag van de schuldvordering, namelijk 681364,81 EUR, dat bij de verschillende deelnemers aan het SANAD-project moest worden ingevorderd. Daarbij heeft zij meegedeeld dat, hoewel zij haar principiële betwisting handhaafde, haar aandeel 202883,48 EUR bedroeg en dat van de andere twee deelnemers respectievelijk 211855,32 EUR en 266626,01 EUR. 24 Op 29 september 2022 heeft het REA verzoekster, ten eerste, debetnota nr. 3234220185 voor een totaalbedrag van 681364,81 EUR doen toekomen – waarbij, onder meer, debetnota nr. 3242113938 werd ingetrokken en waarbij de verdeling van zijn schuldvordering tussen de verschillende deelnemers aan het SANAD-project in aanmerking werd genomen overeenkomstig verzoeksters brief van 22 juni 2022 –, en ten tweede, de nieuwe debetnota die specifiek zijn schuldvordering op verzoekster betreft.”

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

13 Op 30 juni 2022 heeft rekwirante beroep krachtens artikel 272 VWEU ingesteld waarbij zij het Gerecht in essentie heeft verzocht voor recht te verklaren dat zij haar contractuele verbintenissen naar behoren was nagekomen en het in debetnota nr. 3242113938 vermelde bedrag dus niet verschuldigd was, en die debetnota nietig te verklaren.

14 Ter ondersteuning van haar beroep heeft rekwirante vier middelen aangevoerd, namelijk, in essentie, niet-inachtneming van de werkingssfeer van de subsidieovereenkomst (eerste middel), schending van de voorschriften betreffende de controle van de uitgaven (tweede middel), schending van het beginsel van goede trouw die ertoe heeft bijgedragen dat de bewijsvolgorde is omgekeerd (derde middel), en schending van het evenredigheidsbeginsel (vierde middel).

15 Op 13 december 2023 heeft Gerecht het bestreden arrest gewezen. Bij dat arrest heeft het Gerecht ten eerste het beroep van rekwirante verworpen. Ten tweede heeft het de tegeneis van het REA, strekkende tot verklaring voor recht dat zijn schuldvordering op rekwirante vaststond overeenkomstig de subsidieovereenkomst en uitvoerbaar was, gegrond verklaard en rekwirante veroordeeld tot betaling aan het REA van het bedrag van 202883,48 EUR, zoals het REA had gevorderd.

16 In de punten 28 tot en met 32 van het bestreden arrest heeft het Gerecht, in de vorm van opmerkingen vooraf, vastgesteld dat het zich over het geding diende uit te spreken op basis van het op de subsidieovereenkomst toepasselijke materiële recht. Het heeft erop gewezen dat deze overeenkomst in casu, overeenkomstig artikel 9, eerste alinea, werd geregeld door de eigen bedingen ervan, door de handelingen van het Unierecht betreffende het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007‑2013), door het financieel reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Unie en de uitvoeringsbepalingen daarvan, door de overige bepalingen van het Unierecht en, subsidiair, door het Belgische recht. Het Gerecht heeft daaraan toegevoegd dat de materiële regels die van toepassing zijn op de subsidieovereenkomst, opgenomen zijn in verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1), en dat de procedureregels voor de financiële audit in het Financieel Reglement van 2018 staan. Wat het Belgische recht betreft, heeft het Gerecht aangegeven dat moest worden verwezen naar het Belgische burgerlijk wetboek in de versie die van kracht was ten tijde van het sluiten en uitvoeren van de subsidieovereenkomst.

17 Wat de gegrondheid van het beroep betreft, heeft het Gerecht in de punten 35 tot en met 54 van het bestreden arrest om te beginnen het eerste middel onderzocht en ongegrond verklaard, volgens hetwelk het REA in essentie ten onrechte een definitief auditverslag dat niet binnen de werkingssfeer van de subsidieovereenkomst viel, had opgesteld met betrekking tot een financiering volgens een vast percentage, die dus niet aan een controle achteraf had mogen worden onderworpen.

18 Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest vastgesteld dat de forfaitaire vergoeding van subsidiabele kosten, zoals detacheringskosten, gelet op de bedingen van de subsidieovereenkomst – meer bepaald de artikelen II.17 en II.21 van de algemene voorwaarden daarvan – niet afdeed aan het recht van het REA of de Commissie om een financiële audit uit te voeren en in het kader daarvan aan rekwirante, als begunstigde, te vragen om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de uitgaven werkelijk zijn gedaan, teneinde na te gaan of „[deze overeenkomst] naar behoren wordt beheerd en uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen ervan”, zoals artikel II.21, lid 2, van de algemene voorwaarden van die overeenkomst bepaalt.

19 Zo heeft het Gerecht in punt 43 van het bestreden arrest geoordeeld dat het verzoek om dergelijke bewijsstukken over te leggen, dat in casu geenszins tardief leek te zijn, anders dan rekwirante stelde er niet op neerkwam ter discussie te stellen dat de vergoeding van de kosten in kwestie op forfaitaire basis was verricht, maar er enkel toe strekte aan te tonen dat die kosten, in het bijzonder die in verband met de detachering van onderzoekers, werkelijk waren gemaakt, wat de voorwaarde was voor het recht op forfaitaire vergoeding daarvan.

20 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 44 tot en met 53 van het bestreden arrest de argumenten die rekwirante tegen deze benadering had ingebracht, afgewezen, en heeft het in de punten 50 tot en met 52 van dat arrest met name geoordeeld dat het feit dat het SANAD-project succesvol is voltooid, geen reden was om de uitvoering van een financiële audit of de voorwaarden waaronder het REA deze kon uitvoeren, ter discussie te kunnen stellen.

21 In de tweede plaats heeft het Gerecht, in de punten 55 tot en met 66 van het bestreden arrest, het tweede middel – volgens hetwelk het REA in essentie de voorschriften betreffende de controle van de door rekwirante gedane uitgaven heeft geschonden door ter aanvulling van de aanvankelijk overgelegde bewijsstukken nog extra bewijsstukken van haar te vragen, zoals instapkaarten of betaalbewijzen betreffende de verblijfskosten van de bij het project betrokken onderzoekers – onderzocht en ongegrond verklaard.

22 Dienaangaande heeft het Gerecht er in punt 59 van het bestreden arrest op gewezen dat de subsidieovereenkomst, krachtens de bedingen van artikel II.21.2 ervan, evenals het daaruit voortvloeiende recht om een audit te verrichten, van de begunstigde vereist dat hij „alle gedetailleerde informatie en gegevens” kan overleggen om zijn kosten en activiteiten te bewijzen en aan te tonen dat deze in overeenstemming zijn met die overeenkomst.

23 Volgens de in de punten 60 en 61 van het bestreden arrest geformuleerde overwegingen van het Gerecht had de financiële audit evenwel bepaalde leemten en zelfs incoherenties in de aanvraag voor vergoeding van de kosten van de kwestieuze detacheringen aan het licht gebracht, waardoor het REA verplicht was om bewijsstukken te vragen die, waar het om het bewijs van de reizen naar de gastuniversiteit ging, onder meer de vorm konden aannemen van vervoerbewijzen en instapkaarten en, wat de overnachtingen ter plaatse betreft, van betaalbewijzen voor verblijfskosten.

24 In dat verband heeft het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat de Unie volgens een fundamenteel beginsel dat van toepassing is op financiële bijstand van de Unie, enkel subsidie kan verlenen voor daadwerkelijk gedane uitgaven. Uit dit beginsel volgt dat de begunstigde van de bijstand er niet mee kan volstaan aan te tonen dat een project is uitgevoerd om de toekenning van een specifieke subsidie te rechtvaardigen. Hij moet bovendien het bewijs leveren dat hij de gedeclareerde kosten heeft gemaakt in overeenstemming met de voor de toekenning van de betrokken subsidie of financiële bijstand gestelde voorwaarden, aangezien alleen naar behoren verantwoorde kosten subsidiabel zijn. De inachtneming van de gestelde financiële voorwaarden is een essentiële verplichting en is derhalve een voorwaarde voor toekenning van de subsidie van de Unie.

25 In de derde plaats heeft het Gerecht, in de punten 67 tot en met 96 van het bestreden arrest, het derde middel – volgens hetwelk het REA in essentie het beginsel van goede trouw heeft geschonden, aangezien rekwirante in ieder geval tijdig alle gevraagde documenten had verstrekt en de vergoeding voor de detacheringskosten in strijd is met dit beginsel is geweigerd naar aanleiding van een controle achteraf – onderzocht en ongegrond verklaard.

26 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 78 en 79 van het bestreden arrest geoordeeld dat volgens artikel 183 van het Financieel Reglement van 2018 bij forfaitaire financiering controles achteraf kunnen plaatsvinden in het kader van een financiële audit.

27 Voorts heeft het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest herhaald dat concrete outputs of resultaten die in het kader van het SANAD-project op wetenschappelijk of technisch vlak zijn bereikt overeenkomstig de bedingen van de subsidieovereenkomst, niet volstaan om automatische betaling van de forfaitaire financiële bijstand van de Unie mogelijk te maken, noch om een financiële audit – die, zoals in casu, niet bedoeld was om na te gaan of de concrete doelstellingen van het project waren verwezenlijkt maar of de inlichtingen die recht geven op betaling van die bijstand juist waren – overbodig te maken.

28 Tevens heeft het Gerecht in de punten 83 en 84 van het bestreden arrest geoordeeld dat de verhoudingen tussen de partijen primair worden geregeld door de bedingen van de subsidieovereenkomst, waaronder artikel II.21, leden 2 en 3, van de algemene voorwaarden ervan dat het REA en de Commissie de mogelijkheid biedt om in het kader van een financiële audit, en tot vijf jaar na het einde van het SANAD-project, rekwirante, als begunstigde, te vragen om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de uitgaven werkelijk zijn gedaan. Volgens het Gerecht heeft het REA nooit iets aan zijn uit de subsidieovereenkomst voortvloeiende rechten willen wijzigen en heeft het evenmin afstand willen doen van een deel daarvan, namelijk van zijn recht om van rekwirante de overlegging van bewijsstukken te verlangen.

29 In de vierde plaats, ten slotte, heeft het Gerecht, in de punten 97 tot en met 104 van het bestreden arrest, het vierde middel – volgens hetwelk het REA in essentie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden bij zijn beoordeling van het bewijs van de door rekwirante gedeclareerde kosten – onderzocht en ongegrond verklaard.

30 Dienaangaande heeft het Gerecht er in punt 99 van het bestreden arrest op gewezen dat het evenredigheidsbeginsel niet wordt geschonden wanneer een ordonnateur bij uitgaven in de vorm van financiële bijstand van de Unie oordeelt dat het ter rechtvaardiging van de toekenning van die bijstand niet volstaat dat de begunstigde aantoont dat het project is verwezenlijkt en verlangt dat deze laatste het bewijs levert dat de gedeclareerde kosten zijn gemaakt in overeenstemming met de voor toekenning van de betrokken bijstand bepaalde voorwaarden.

31 Volgens de vaststellingen van het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest heeft het REA terecht geoordeeld dat de aanvankelijk door rekwirante overgelegde bewijsstukken, die betrekking hadden op de vervoers- en verblijfskosten van verschillende gedetacheerde onderzoekers, niet voldeden aan de vereisten van de subsidieovereenkomst.

32 Zoals het Gerecht in de punten 101 en 102 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, volgt hieruit dat het REA, gelet op zijn verplichtingen als ordonnateur, geen andere keuze had dan van rekwirante terugbetaling te vragen van een deel van de financiële bijstand die zij onterecht had ontvangen en dat aan het REA geen schending van het evenredigheidsbeginsel kon worden verweten aangezien deze slechts zijn verplichting is nagekomen om terugbetaling te vragen van de aan rekwirante verleende financiële bijstand, naar verhouding van de niet-nakoming door deze laatste van haar contractuele verbintenissen.

Conclusies van partijen in hogere voorziening

33 Rekwirante verzoekt het Hof – het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen; – REA-debetnota nr. 3242113938 van 22 december 2021 voor een vordering op rekwirante ten bedrage van 202833,48 EUR, zoals nadien herzien, ongeldig en zonder rechtsgevolgen te verklaren; – subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak in de zin van de voor het Gerecht geformuleerde vorderingen, en – hoe dan ook het REA te verwijzen in de gerechtskosten en de andere kosten die rekwirante in het kader van deze hogere voorziening en voordien in de procedure bij het Gerecht heeft gemaakt.

34 Het REA verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel af te wijzen, en – rekwirante te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

35 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen aan, namelijk, schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte (eerste middel), onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bij de uitlegging van het Unierecht in de context van forfaitaire financiering (tweede middel), onjuiste uitlegging van de subsidieovereenkomst en van het Belgische recht (derde middel), onjuiste opvatting van het bewijs (vierde middel), en omkering van de bewijslast en schending van het evenredigheidsbeginsel (vijfde middel).

Eerste middel

36 Het eerste middel betreft de punten 34 en 53 van het bestreden arrest en is ontleend aan schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), doordat het Gerecht geen rekening heeft gehouden met de asymmetrie tussen de partijen bij de subsidieovereenkomst en heeft geweigerd het in artikel 41 van het Handvest verankerde beginsel van behoorlijk bestuur toe te passen.

37 Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

Eerste onderdeel

– Argumenten van partijen

38 Met het eerste onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 53 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 41 van het Handvest in beginsel niet geldig kan worden ingeroepen in een geding van contractuele aard waarbij artikel 272 VWEU wordt toegepast, op grond dat zij slechts inbreuken op de contractuele bepalingen of op het op de overeenkomst toepasselijke recht mag inroepen als er, zoals in het onderhavige geval, niet tegelijkertijd bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU is ingesteld tegen een besluit van de Commissie dat een executoriale titel vormt waarbij een contractuele schuldvordering wordt geformaliseerd. Het Gerecht heeft in dat verband ten onrechte verwezen naar het arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie (C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 88), waarvan het stelde dat het van overeenkomstige toepassing is. Tevens stelt rekwirante dat het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoekschrift, ondanks het gebruik van een terminologie die kenmerkend is voor beroepen krachtens artikel 263 VWEU, moest worden geacht gebaseerd te zijn op artikel 272 VWEU en een contractueel geschil te betreffen.

39 Rekwirante meent dat een dergelijke beoordeling voorbijgaat aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, als bedoeld in artikel 47 van het Handvest, en zij betoogt dat het Hof in het arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie (C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81), heeft geoordeeld dat indien de partijen besluiten in hun overeenkomst de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, die rechter bevoegd is om, ongeacht het in de overeenkomst gekozen toepasselijke recht, inbreuken op het Handvest en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken.

40 Het REA betoogt vooraf dat de punten 34 en 53 van het bestreden arrest niet voorbijgaan aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, als bedoeld in artikel 47 van het Handvest. Ten eerste wordt in punt 53 van het bestreden arrest namelijk uiteengezet om welke redenen het Gerecht van oordeel is dat een schending van artikel 41 van het Handvest in beginsel niet kan worden ingeroepen in het kader van een beroep krachtens artikel 272 VWEU, en ten tweede verduidelijkt punt 34 van dit arrest de strekking van rekwirantes vordering in eerste aanleg. Aldus moet dit middel volgens het REA als niet ter zake dienend worden beschouwd.

41 Subsidiair betoogt het REA dat dit onderdeel ongegrond is, aangezien, ten eerste, punt 34 van het bestreden arrest de voorafgaande opmerkingen van het Gerecht bevat die ertoe strekken vast te stellen dat rekwirantes beroep, dat op artikel 272 VWEU en niet op artikel 263 VWEU is gebaseerd, ontvankelijk is, en ten tweede, de in punt 54 van het bestreden arrest vermelde betwistingen van rekwirante niet met argumenten zijn onderbouwd.

– Beoordeling door het Hof

42 Er zij op gewezen dat het beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat de bevoegde instelling verplicht is om alle relevante omstandigheden van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (arresten van 29 maart 2012, Commissie/Estland,C‑505/09 P, EU:C:2012:179, punt 95, en 8 oktober 2020, Union des industries de la protection des plantes,C‑514/19, EU:C:2020:803, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Wanneer de instellingen, organen en instanties van de Unie handelen in het kader van de uitvoering van een overeenkomst, valt die situatie onder het Unierecht en dus binnen het toepassingsgebied van het Handvest, als bedoeld in artikel 51 ervan.

44 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld blijven de instellingen, organen en instanties van de Unie, wanneer zij een overeenkomst uitvoeren, dus onderworpen aan de verplichtingen die krachtens het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht op hen rusten. De omstandigheid dat het op de betreffende overeenkomst toepasselijke recht niet dezelfde waarborgen biedt als die welke door het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht worden geboden, ontslaat de instellingen, organen en instanties van de Unie dus niet van de verplichting om zich ervan te vergewissen dat deze waarborgen worden geëerbiedigd ten aanzien van hun contractanten (arresten van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie,C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 82, en ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 86).

45 Indien de partijen in hun overeenkomst besluiten de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, is die rechter voorts bevoegd om, ongeacht het in de overeenkomst bepaalde toepasselijke recht, inbreuken op het Handvest en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie,C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81).

46 Die rechtspraak is meer recentelijk, vóór de uitspraak van het bestreden arrest, bevestigd in een met de onderhavige zaak vergelijkbare situatie, te weten in het kader van een hogere voorziening tegen een arrest waarin het Gerecht uitspraak had gedaan over een beroep krachtens artikel 272 VWEU waarbij de verzoekster met name stelde dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 41 van het Handvest, had geschonden (arresten van 14 juli 2022, SGI Studio Galli Ingegneria/Commissie,C‑371/21 P, EU:C:2022:566, punt 79, en 29 september 2022, HIM/Commissie,C‑500/21 P, EU:C:2022:741, punt 41).

47 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 53 van het bestreden arrest de mogelijkheid uit te sluiten dat de Unierechter in een geding waarbij, zoals in casu, artikel 272 VWEU wordt toegepast, nagaat of er inbreuk is gemaakt op het in artikel 41 van het Handvest verankerde beginsel van behoorlijk bestuur.

48 Er zij evenwel aan herinnerd dat uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat wanneer blijkt dat de motivering van een arrest van het Gerecht in strijd is met het Unierecht maar het dictum ervan op basis van andere rechtsgronden gerechtvaardigd is, die strijdigheid met het Unierecht niet betekent dat dit arrest moet worden vernietigd, maar dat het anders dient te worden gemotiveerd en dat de hogere voorziening moet worden afgewezen (arrest van 19 september 2024, Coppo Gavazzi e.a./Parlement,C‑725/20 P, EU:C:2024:766, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Derhalve moet worden nagegaan of de afwijzing van de grief inzake schending van het in artikel 41 van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur gegrond is op basis van andere rechtsgronden dan die welke op de in punt 47 van het onderhavige arrest genoemde onjuiste rechtsopvatting berusten.

50 In dit verband is, ten eerste, in artikel 183, lid 1, van het Financieel Reglement van 2018 bepaald dat de bevoegde ordonnateur uiterlijk vóór de betaling van het saldo controleert of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, met inbegrip van, waar vereist, het verwezenlijken van outputs en/of resultaten, zijn vervuld. Volgens deze bepaling kan de vervulling van die voorwaarden ook aan controles achteraf worden onderworpen, zodat uitdrukkelijk is erkend dat de bevoegde ordonnateur het recht heeft om te controleren of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling vervuld zijn en om de subsidie te verminderen indien niet aan die voorwaarden is voldaan of indien er sprake is van onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van andere verplichtingen. In dit verband moet worden beklemtoond dat het REA of de Commissie volgens de bedingen van de subsidieovereenkomst die de partijen hebben gesloten, met name artikel II.21, lid 1, ervan, op ieder moment tijdens de uitvoering van het project en tot vijf jaar na het einde ervan financiële audits kunnen verrichten met betrekking tot de behoorlijke uitvoering van deze overeenkomst.

51 Ten tweede bepaalt artikel II.21, lid 3, van de subsidieovereenkomst dat de begunstigde van de financiering gedurende een periode van vijf jaar vanaf het einde van het project de originelen of, in uitzonderingsgevallen, voor eensluidend gewaarmerkte afschriften, daaronder begrepen elektronische afschriften, moet bewaren van alle documenten die betrekking hebben op deze overeenkomst.

52 Blijkens de vaststellingen van het Gerecht in de punten 7 tot en met 10 van het bestreden arrest is het SANAD-project op 31 december 2016 voltooid en heeft het REA – nadat het op 8 oktober 2018 een e-mail had gestuurd waarin het in het kader van de eindbetaling van de bijdrage van de Unie aan het SANAD-project, dus vóór de betaling van het saldo, reeds had opgemerkt dat er sprake was van een aantal onregelmatigheden en leemten in de bewijsstukken die rekwirante had overgelegd – rekwirante op 21 augustus 2019 laten weten dat er een audit werd gestart.

53 Voorts heeft het Gerecht er in punt 46 van het bestreden arrest op gewezen dat de subsidieovereenkomst bepaalde dat personeelsleden van het REA of de Commissie financiële audits konden uitvoeren, waarbij het heeft vastgesteld dat rekwirante zich weliswaar beriep op een gebrek aan onpartijdigheid van die personeelsleden maar geen enkel bewijs ter staving daarvan aanvoerde.

54 In die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat de betrokken audit niet tardief is verricht noch op een wijze die strijdig is met het beginsel van onpartijdigheid.

55 Ondanks de in punt 47 van het onderhavige arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting was het argument van Glonatech inzake schending van het in artikel 41 van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur dus ongegrond en kon het Gerecht dit afwijzen.

56 Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel gelet op de in punt 48 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak ongegrond moet worden verklaard.

Tweede onderdeel

– Argumenten van partijen

57 Met het tweede onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht, door de toepassing van het in artikel 41 van het Handvest verankerde beginsel van behoorlijk bestuur in casu uit te sluiten, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het is voorbijgegaan aan de asymmetrie tussen de partijen bij de subsidieovereenkomst. Volgens haar rijst in dit verband de vraag of de Commissie tegelijkertijd rechter en partij kan zijn, waardoor zij bevoegdheden van openbaar gezag zou cumuleren. Zo betoogt rekwirante dat artikel 41 van het Handvest in de weg staat aan het gebruik van bevoegdheden van openbaar gezag bij de uitoefening van rechten die voortvloeien uit contractuele betrekkingen, waarbij de partijen in beginsel op gelijke voet moeten staan.

58 Door voorbij te gaan aan dat aspect heeft het Gerecht het in artikel 1161 van het Belgische burgerlijk wetboek geformuleerde fundamentele beginsel, namelijk dat een overeenkomst bij de uitlegging ervan in haar geheel moet worden bekeken, geschonden. Het heeft in casu namelijk geen rekening gehouden met de invloed van de forfaitaire financiering. Evenzo heeft het Gerecht artikel 1162 van het Belgische burgerlijk wetboek geschonden, volgens hetwelk de overeenkomst in geval van twijfel moet worden uitgelegd ten nadele van degene die bedongen heeft en ten voordele van degene die zich verbonden heeft.

59 Het REA stelt dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

60 Er zij aan herinnerd dat uit artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke punten van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of van het betrokken middel [arrest van 16 januari 2025, Região Autónoma da Madeira/Commissie (Vrijhandelszone van Madeira), C‑547/23 P, EU:C:2025:22, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

61 Voorts blijkt uit deze bepalingen dat een hogere voorziening die beperkt blijft tot een herhaling van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten, daaronder begrepen die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen, niet-ontvankelijk is. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, waartoe het Hof niet bevoegd is in het kader van een hogere voorziening (arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie,C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62 In het onderhavige geval dient in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de argumenten van rekwirante, zoals het REA opmerkt, niet tegen de vaststellingen in het bestreden arrest gericht zijn maar, zoals onder meer blijkt uit het feit dat rekwirante in haar hogere voorziening verwijst naar haar bij het Gerecht ingediende verzoekschrift, eerder betrekking hebben op het geschil tussen de partijen bij de subsidieovereenkomst, dat reeds in de procedure in eerste aanleg aan bod is gekomen.

63 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat rekwirantes verwijzingen naar de artikelen 1161 en 1162 van het Belgische burgerlijk wetboek niet gericht zijn tegen de punten 34 en 53 van het bestreden arrest, noch tegen enig ander aangeduid deel van het bestreden arrest. Zo verwijst rekwirante slechts naar meningsverschillen tussen de partijen bij de subsidieovereenkomst en komt zij in essentie op tegen het feit dat de middelen en argumenten die zij in eerste aanleg had aangevoerd, niet waren aanvaard in het bestreden arrest, zonder aan te geven door welke onjuiste rechtsopvatting of onjuiste opvatting van de feiten het Gerecht concreet artikel 41 van het Handvest zou hebben kunnen schenden.

64 In die omstandigheden en gelet op de in de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, moet het tweede onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk worden verklaard.

65 Bijgevolg moet het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Tweede middel

Argumenten van partijen

66 Het tweede middel is gericht tegen de punten 40 tot en met 47 van het bestreden arrest en is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de uitlegging van het Unierecht in een context van forfaitaire financiering.

67 Rekwirante is van mening dat het bestreden arrest blijk geeft van onjuiste rechtsopvattingen voor zover het Gerecht heeft vastgesteld dat de subsidieovereenkomst eerst en vooral door de eigen bedingen ervan werd geregeld en dat het feit dat de financiering van bepaalde uitgaven krachtens deze overeenkomst op forfaitaire basis plaatsvond, niet relevant was om te bepalen welke controles achteraf mochten worden verricht in het kader van een financiële audit. Rekwirante betoogt dus dat dit arrest de relevante bepalingen van het Unierecht inzake forfaitaire financiering miskent.

68 Dienaangaande betoogt rekwirante dat het Gerecht in punt 42 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat „de forfaitaire vergoeding van subsidiabele kosten, zoals detacheringskosten, geen gevolgen heeft voor het recht van het REA of de Commissie om een financiële audit uit te voeren en in het kader daarvan rekwirante, als begunstigde, te verzoeken bewijsstukken over te leggen om aan te tonen dat de uitgaven werkelijk zijn gedaan”, en in punt 43 van dit arrest dat „het verzoek om dergelijke bewijsstukken over te leggen [...] er [...] niet op neerkomt ter discussie te stellen dat de vergoeding van de kosten in kwestie op forfaitaire basis is verricht, maar er enkel toe strekt aan te tonen dat die kosten, in het bijzonder die in verband met de detachering van onderzoekers, werkelijk zijn gemaakt, wat de voorwaarde is voor het recht op forfaitaire vergoeding daarvan”.

69 Daarmee heeft het Gerecht volgens haar de relevante Unierechtelijke bepalingen inzake forfaitaire financiering, namelijk de artikelen 181 en 183 van het Financieel Reglement van 2018, onjuist uitgelegd. In essentie stelt zij dat, in een context van forfaitaire financiering, zoals in het onderhavige geval, het bedrag van de toegekende financiering niet ter discussie kan worden gesteld naar aanleiding van controles achteraf.

70 Het REA stelt dat het tweede middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

71 Het tweede middel is gericht tegen de punten 40 tot en met 47 van het bestreden arrest en is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de uitlegging van de relevante Unierechtelijke bepalingen inzake forfaitaire financiering, met name de artikelen 181 en 183 van het Financieel Reglement van 2018. Rekwirante stelt in essentie dat er in het kader van een financiering volgens een vast percentage, zoals in het onderhavige geval, geen controles achteraf kunnen worden verricht en het bedrag van de toegekende financiering dus niet kan worden verminderd.

72 Vooraf moet worden opgemerkt dat, zoals het REA aanvoert, de conclusie van het Gerecht in punt 40 van het bestreden arrest, volgens welke de subsidieovereenkomst „in de eerste plaats wordt geregeld door de eigen bedingen ervan”, niet aldus kan worden opgevat dat uitsluitend de bepalingen van de subsidieovereenkomst van toepassing zijn, maar veeleer in die zin moet worden uitgelegd dat de bepalingen van deze overeenkomst voorrang hebben op andere bepalingen die in voorkomend geval van toepassing kunnen zijn, zodat dit argument van rekwirante op een onjuiste lezing van het dat arrest berust.

73 Met name heeft het Gerecht, na eerst in de punten 40 en 41 van het bestreden arrest de artikelen II.17 en II.21 van de subsidieovereenkomst in herinnering te hebben gebracht, in punt 42 van dit arrest geoordeeld dat „uit de lezing van de bedingen van [deze overeenkomst] blijkt dat de forfaitaire vergoeding van subsidiabele kosten, zoals detacheringskosten, [...] geen gevolgen [heeft] voor het recht van het REA of de Commissie om een financiële audit uit te voeren en in het kader daarvan verzoekster, als begunstigde, te verzoeken bewijsstukken over te leggen om aan te tonen dat de uitgaven werkelijk zijn gedaan, teneinde na te gaan of ‚[deze overeenkomst] naar behoren wordt beheerd en uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen ervan’, zoals is bepaald in artikel II.21, lid 2, van de algemene voorwaarden van die overeenkomst”.

74 Wat dit betreft moet worden vastgesteld dat het Gerecht, anders dan rekwirante stelt, in het bestreden arrest de artikelen 181 en 183 van het Financieel Reglement van 2018 juist heeft uitgelegd, zoals blijkt uit de punten 77 tot en met 80 van dat arrest. Met name blijkt duidelijk uit die bepalingen dat er zelfs in de context van financiering volgens een vast percentage controles achteraf kunnen worden verricht in het kader van een financiële audit.

75 Zoals in punt 50 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, bepaalt artikel 183, lid 1, van het Financieel Reglement van 2018 dat de bevoegde ordonnateur uiterlijk vóór de betaling van het saldo controleert of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van de vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, met inbegrip van, waar vereist, het verwezenlijken van outputs en/of resultaten, zijn vervuld. Volgens deze bepaling kan de vervulling van die voorwaarden ook aan controles achteraf worden onderworpen. Aldus wordt uitdrukkelijk erkend dat de bevoegde ordonnateur het recht heeft om te controleren of de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling, vervuld zijn en om de subsidie te verminderen indien niet aan die voorwaarden is voldaan of indien er sprake is van onregelmatigheden, fraude of niet-nakoming van andere verplichtingen.

76 Voorts bepaalt artikel II.21, lid 3, van de algemene voorwaarden van de subsidieovereenkomst, met het opschrift „Financiële audits en controles”, waarvan de inhoud in punt 41 van het bestreden arrest is weergegeven, uitdrukkelijk dat de begunstigde van de financiële bijstand gedurende een periode van vijf jaar vanaf het einde van het project de originelen of, in uitzonderingsgevallen, voor eensluidend gewaarmerkte afschriften, daaronder begrepen elektronische afschriften, moet bewaren van alle documenten die betrekking hebben op de subsidieovereenkomst, en tevens dat die begunstigde die documenten tijdens een audit in het kader van die overeenkomst ter beschikking moet stellen van het REA en de Commissie.

77 Rekwirante stelt dus ten onrechte dat er in het kader van een financiering volgens een vast percentage, zoals in het onderhavige geval, geen controles achteraf kunnen worden verricht.

78 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

Derde middel

Argumenten van partijen

79 Het derde middel is gericht tegen de punten 40 tot en met 49, 57 en 91 van het bestreden arrest en is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de uitlegging van verschillende bepalingen van de subsidieovereenkomst, met name de artikelen II.17 en II.21, en bijlage III bij deze overeenkomst, alsook van de artikelen 1161 tot en met 1163 van het Belgische burgerlijk wetboek.

80 Rekwirante voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich in de punten 40 en 41 van het bestreden arrest te baseren op de artikelen II.17 en II.21 van de subsidieovereenkomst om de voorwaarden te omschrijven die aanleiding geven tot betalingen in het kader van financiering volgens een vast percentage, terwijl die voorwaarden nauwkeurig zijn vastgesteld in bijlage III bij deze overeenkomst. Daardoor is het Gerecht zijn motiveringsplicht met betrekking tot die uitlegging niet nagekomen, en heeft het de bepalingen van het Financieel Reglement van 2018, die voorrang hebben op de die van de subsidieovereenkomst, geschonden.

81 Voorts stelt rekwirante dat het Gerecht de artikelen 1161 tot en met 1163 van het Belgische burgerlijk wetboek heeft geschonden door op grond van artikel II.21.3 van de subsidieovereenkomst – dat zonder onderscheid ziet op alle vormen van bijdragen en geen rekening houdt met de specifieke kenmerken van financieringen volgens een vast percentage, die zijn uiteengezet in het Financieel Reglement van 2018 en in bijlage III bij de subsidieovereenkomst – te oordelen dat het REA mocht vragen om overlegging van aanvullende gegevens.

82 Het REA betoogt dat het derde middel niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Hof

83 Met het derde middel betoogt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de uitlegging van verschillende bepalingen van de subsidieovereenkomst en van de artikelen 1161 tot en met 1163 van het Belgische burgerlijk wetboek.

84 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het onderzoek van het Gerecht naar contractuele bedingen, zoals de bepalingen van de subsidieovereenkomst, volgens vaste rechtspraak van het Hof niet kan worden beschouwd als een uitlegging van het recht en dus niet kan worden geverifieerd in het kader van een hogere voorziening zonder inbreuk te maken op de bevoegdheid van het Gerecht om de feiten vast te stellen (arrest van 14 januari 2021, ERCEA/Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis,C‑280/19 P, EU:C:2021:23, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85 Dat geldt ook voor het argument van rekwirante dat het Gerecht heeft verzuimd om de subsidieovereenkomst overeenkomstig artikel 1162 van het Belgische burgerlijk wetboek in haar voordeel uit te leggen wegens gebrek aan duidelijkheid. Daarmee betwist rekwirante in werkelijkheid immers het oordeel van het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest dat de contractuele bedingen duidelijk en ondubbelzinnig zijn geformuleerd (zie in die zin arrest van 16 november 2017, Ludwig-Bölkow-Systemtechnik/Commissie,C‑250/16 P, EU:C:2017:871, punten 48 en 49).

86 Daarnaast dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof, aangaande de uitlegging door het Gerecht van het nationale recht dat van toepassing is op door de instellingen, organen en instanties van de Unie gesloten overeenkomsten, tevens heeft geoordeeld dat het in hogere voorziening enkel bevoegd is om te onderzoeken of dit recht onjuist is opgevat, hetgeen duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest van 18 januari 2024, Jenkinson/Raad e.a.,C‑46/22 P, EU:C:2024:50, punt 107).

87 In het onderhavige geval voert rekwirante niet aan dat het Gerecht de bepalingen van het Belgische burgerlijk wetboek onjuist heeft opgevat.

88 Rekwirante kan evenmin met recht stellen dat het Gerecht, door te verwijzen naar het beding van artikel II.21, lid 3, van de algemene voorwaarden van de subsidieovereenkomst, inbreuk heeft gemaakt op de bepalingen van het Financieel Reglement van 2018, die volgens haar voorrang hebben op die van deze overeenkomst. Uit de punten 74 tot en met 77 van het onderhavige arrest blijkt namelijk dat de bedingen van de subsidieovereenkomst die voorzien in de verplichting om de documenten met betrekking tot deze overeenkomst te bewaren en in geval van een audit ter beschikking te stellen van het REA of de Commissie, in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Financieel Reglement van 2018, dat toestaat dat er controles achteraf worden verricht in het kader van een financiële audit, ook in het geval van forfaitaire financiering

89 Wat ten slotte het argument betreft dat het Gerecht zijn uitlegging van de subsidieovereenkomst niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd, dient te worden vastgesteld dat de uitlegging van het Gerecht volgens welke de forfaitaire vergoeding niet onverenigbaar was met achteraf geformuleerde verzoeken om bewijsstukken over te leggen, berust op het grondige onderzoek van de bedingen van die overeenkomst dat in de punten 41, 42 en 46 van het bestreden arrest is verricht. Bijgevolg heeft het Gerecht zijn beoordeling dienaangaande rechtens genoegzaam gemotiveerd.

90 In die omstandigheden moet het derde middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vierde middel

91 Het vierde middel is gericht tegen de punten 48, 55, 61, 62, 82 tot en met 86 en 103 van het bestreden arrest en is ontleend aan, ten eerste, een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven bij de beoordeling van de door rekwirante overgelegde bewijzen in een context van forfaitaire financiering, en ten tweede, aan een onjuiste opvatting van die bewijzen.

92 Dit middel bestaat uit drie onderdelen, die ertoe strekken te doen vaststellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste opvattingen betreffende respectievelijk de beoordeling van het vereiste bewijsniveau om de subsidiabiliteit van de uitgaven bij forfaitaire financiering aan te tonen, de afwijzing van de bewijzen die rekwirante heeft overgelegd en de onjuiste opvatting van die bewijzen, alsmede de kwalificatie door het Gerecht van de mogelijkheid voor het REA om bewijzen te beoordelen bij een audit.

Eerste onderdeel

– Argumenten van partijen

93 Het eerste onderdeel van het vierde middel is gericht tegen de punten 48 en 62 van het bestreden arrest.

94 Rekwirante stelt dat het Gerecht, door in punt 62 van het bestreden arrest te verklaren dat „de Unie [...] volgens een fundamenteel beginsel dat van toepassing is op de financiële bijstand van de Unie, enkel subsidie [kan] verlenen voor daadwerkelijk gedane uitgaven”, voorbij is gegaan aan het onderscheid dat in artikel 125, lid 1, en in de artikelen 181 en 182 van het Financieel Reglement van 2018, betreffende de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling, wordt gemaakt naargelang van de betrokken vormen van bijdragen, en daardoor geen rekening heeft gehouden met de bijzonderheden in verband met forfaitaire financieringen.

95 Daarnaast heeft het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest volgens rekwirante blijk gegeven van een onjuiste opvatting door het argument waarmee zij in essentie betoogt dat „alle uitgaven die op forfaitaire basis zijn vergoed, bewezen zijn aangezien zij het SANAD-project tot een goed einde heeft gebracht”, en dat dit project zelfs niet had kunnen worden voltooid indien de detacheringen niet of slechts zeer gedeeltelijk hadden plaatsgevonden, af te wijzen. Rekwirante stelt dat – in het kader van dit project en gelet op de omstandigheid dat het feit op zich dat er onderzoekers zijn gedetacheerd, een voldoende voorwaarde vormt voor vergoeding van de kosten bij forfaitaire financiering – het behalen van de verwachte resultaten op zichzelf reeds het bewijs oplevert dat er daadwerkelijk dergelijke detacheringen hebben plaatsgevonden. Het gaat in casu immers om een project dat enkel door middel van „kennisuitwisseling en intersectorale mobiliteit” kan worden verwezenlijkt. Met andere woorden, zonder de detacheringen was er geen enkel resultaat behaald.

96 Het REA stelt dat dit onderdeel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

97 Vastgesteld zij dat het Gerecht in punt 52 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat het feit dat het SANAD-project succesvol kon worden voltooid niet betekent dat de uitvoering van een financiële audit of de voorwaarden waaronder het REA deze kon uitvoeren, ter discussie kunnen worden gesteld. Zoals het Gerecht in punt 50 van dit arrest heeft onderstreept, volstaat het feit dat het project technisch correct en in overeenstemming met de bedingen van de subsidieovereenkomst is uitgevoerd niet opdat rekwirante recht heeft op de overeengekomen financiële bijstand. Daarvoor is ook vereist dat rekwirante haar uit die overeenkomst voortvloeiende verbintenissen naar behoren is nagekomen, zodat het REA overeenkomstig artikel II.21 van de algemene voorwaarden daarvan kan nagaan of de gedeclareerde kosten subsidiabel en bewezen waren, bijvoorbeeld in het kader van een financiële audit. Te dien einde moet de begunstigde met name kunnen aantonen dat de gedeclareerde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt met het oog op de uitvoering van het project in kwestie.

98 Zoals het Gerecht in punt 51 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, verliest de begunstigde van de financiële bijstand in geval van niet-nakoming van in de subsidieovereenkomst opgenomen financiële verplichtingen het recht op betaling van de subsidie en moet de medecontractant van rekwirante bijgevolg overeenkomstig II.21, lid 6, van de algemene voorwaarden van deze overeenkomst alle passende maatregelen dienaangaande treffen, waaronder de volledige of de gedeeltelijke terugvordering van de subsidie, ongeacht of het SANAD-project technisch correct is uitgevoerd.

99 Hieruit volgt dat de begunstigde van de subsidie slechts een definitief recht op betaling van de financiële bijdrage van de Unie verwerft indien alle voorwaarden voor toekenning van de subsidie zijn vervuld. Om te bewijzen dat hij recht heeft op toekenning van een bepaalde subsidie kan de begunstigde daarvan er niet mee volstaan aan te tonen dat een project is verwezenlijkt, aangezien hij het bewijs moet leveren dat de gedeclareerde kosten zijn gemaakt in overeenstemming met de met name in de subsidieovereenkomst vastgelegde voorwaarden voor toekenning van de betrokken subsidie.

100 In die omstandigheden moet het eerste onderdeel van het vierde middel ongegrond worden verklaard.

Tweede en derde onderdeel

– Argumenten van partijen

101 Met het tweede onderdeel van het vierde middel, dat gericht is tegen de punten 55 en 61 van het bestreden arrest, stelt rekwirante om te beginnen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 55 van dat arrest te oordelen dat het controlesysteem dat bekend is onder de naam „Reporting and Participants Portal” (rapportage- en deelnemersportaal) en dat het REA heeft ontwikkeld en onder zijn eigen verantwoordelijkheid beheert om tegemoet te komen aan essentiële operationele behoeften, niet betrouwbaar is, noch voldoende bewijskracht heeft. Zo vormt het misbruik en is het in strijd met artikel 1162 van het Belgische burgerlijk wetboek dat het Gerecht heeft geoordeeld dat het REA niet verplicht is om dat controlesysteem te erkennen als voldoende parallel bewijs dat de detacheringen hebben plaatsgevonden.

102 Daarnaast heeft noch het Gerecht noch het REA genoegzaam gemotiveerd hoe een vermeende niet‑nakoming van de verplichting van de begunstigde om de prestatie van een gedetacheerde van de organisatie van oorsprong in zijn lokalen in dat controlesysteem te registreren ertoe kan leiden dat de aanwezigheid van die gedetacheerde aldaar in twijfel wordt getrokken. Het Gerecht heeft in punt 61 van het bestreden arrest slechts, zonder nadere precisering, verklaard dat de registraties in het in casu bedoelde controlesysteem „bewijzen op basis van zuivere verklaringen op eer van de deelnemers aan het SANAD-project” zijn. Volgens rekwirante zijn de bewijzen aldus onjuist opgevat, waardoor ten aanzien van alle deelnemers de verdenking werd gewekt dat zij heimelijke afspraken hebben gemaakt, wat nooit het geval is geweest en in ieder geval in tegenspraak is met de conclusies van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF).

103 Met het derde onderdeel van het vierde middel, dat gericht is tegen de punten 82 tot en met 86 en 103 van het bestreden arrest, stelt rekwirante in essentie dat het REA met zijn e-mail van 8 oktober 2018 de voorwaarden van de subsidieovereenkomst heeft gewijzigd en bij haar een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat wat de bijdrage, volgens een vast percentage, in de kosten van de detachering van onderzoekers betreft, niet zou worden gecontroleerd of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Hieruit volgt volgens rekwirante dat zij niet kon verwachten dat het REA bij brief van 21 augustus 2019 een financiële audit van de subsidieovereenkomst zou starten. Zo was voor de begunstigden van het project, waaronder rekwirante, de e-mail van het REA van 8 oktober 2018 beslissend maar werden zij vervolgens, met de brief van 21 augustus 2019, opeens, en nadat de audit al was aangevat, geconfronteerd met een lange lijst van te verstrekken inlichtingen.

104 Wat dit betreft heeft het Gerecht volgens verzoekster een vergissing begaan door in punt 86 van het bestreden arrest vast te stellen dat „niet kan worden geoordeeld dat de bewoordingen van de [e-mail] van het REA van 8 oktober 2018 in tegenspraak zijn met die van, onder meer, de latere brief van 21 augustus 2019” en dat „geenszins is uitgesloten dat met de gevraagde documenten de werkelijke datums van de detacheringen moeten kunnen worden nagegaan”.

105 Voorts stelt rekwirante dat de e-mail van 8 oktober 2018 ertoe heeft geleid dat haar mogelijke praktijk om reisdocumenten in verband met detacheringen niet te bewaren, bevestiging vond.

106 Het REA stelt dat het tweede en het derde onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond zijn.

– Beoordeling door het Hof

107 Er zij aan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om de aangevoerde bewijzen te beoordelen. De vaststelling van de feiten en de beoordeling van de bewijzen leveren dus, behoudens onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arresten van 29 oktober 2015, Commissie/ANKO,C‑78/14 P, EU:C:2015:732, punt 22, en 14 januari 2021, ERCEA/Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis,C‑280/19 P, EU:C:2021:23, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

108 Voorts moet een rekwirant, wanneer hij stelt dat het Gerecht feiten of bewijzen onjuist heeft opgevat, overeenkomstig artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, precies aangeven welke elementen volgens hem onjuist zijn opgevat en welke fouten in de analyse het Gerecht tot die onjuiste opvatting hebben gebracht. Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld (arrest 6 juni 2024, Ryanair/Commissie,C‑441/21 P, EU:C:2024:477, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Tevens dient eraan te worden herinnerd dat in het kader van een hogere voorziening de beoordeling van de bewijskracht van de stukken in het dossier door het Gerecht, in beginsel voor het Hof niet in twijfel kan worden getrokken, behoudens in het geval van schending van de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering en van verdraaiing van deze bewijzen (arrest van 14 juli 2022, SGI Studio Galli Ingegneria/Commissie,C‑371/21 P, EU:C:2022:566, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

110 Zoals het REA stelt, moet in het onderhavige geval met betrekking tot het tweede onderdeel van het vierde middel worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest het tweede middel van rekwirante in haar beroep in eerste aanleg alleen samenvat zonder een beoordeling daarvan te formuleren, en dat de conclusie waar het Gerecht in punt 61 van dat arrest toe komt een beoordeling van de feiten en de bewijzen in het kader van dat beroep inhoudt. Rekwirante legt niet uit in welk opzicht die beoordeling van het Gerecht op een onjuiste opvatting van die bewijzen berust.

111 Evenzo moet met betrekking tot het derde onderdeel van het vierde middel, zelfs in de veronderstelling dat rekwirante met haar argumenten wil doen vaststellen dat het Gerecht de e-mail van 8 oktober 2018 onjuist heeft opgevat, worden onderstreept dat, zoals in punt 108 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, een onjuiste opvatting duidelijk moet blijken uit de aan het Hof overgelegde stukken van het dossier. Zo is het vaste rechtspraak dat het Hof in het kader van een middel inzake de onjuiste opvatting van een feitelijk gegeven enkel nagaat of het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van dat gegeven niet kennelijk heeft overschreden, zodat het niet volstaat aan te tonen dat een document anders zou kunnen worden uitgelegd dan het Gerecht heeft gedaan (arrest van 14 juli 2022, SGI Studio Galli Ingegneria/Commissie,C‑371/21 P, EU:C:2022:566, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112 Door in punt 86 van het bestreden arrest vast te stellen dat „niet kan worden geoordeeld dat de bewoordingen van de [e-mail] van het REA van 8 oktober 2018 in tegenspraak zijn met die van, onder meer, de latere brief van 21 augustus 2019” en dat „geenszins is uitgesloten dat met de gevraagde documenten de werkelijke datums van de detacheringen moeten kunnen worden nagegaan”, heeft het Gerecht de grenzen van een redelijke beoordeling van de betrokken documenten niet kennelijk overschreden, en heeft het deze niet onjuist opgevat.

113 Zoals het Gerecht in dat punt 86 namelijk terecht heeft opgemerkt, vermeldt de e-mail van 8 oktober 2018 weliswaar dat een controle niet is bedoeld om na te gaan welke kosten in het kader van de detacheringen werkelijk zijn gemaakt, aangezien die kosten forfaitair worden vergoed, maar dat daarentegen geenszins is uitgesloten dat met de gevraagde documenten de werkelijke datums van de detacheringen moeten kunnen worden nagegaan. Zo kan door verificatie van de datums van de vluchten die de gedetacheerde onderzoekers hebben genomen, bijvoorbeeld aan de hand van instapkaarten, worden geverifieerd of zij daadwerkelijk naar de gastuniversiteit zijn gegaan en of de detacheringen wel degelijk in overeenstemming met de bedingen van de subsidieovereenkomst hebben plaatsgevonden.

114 Zoals het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, heeft rekwirante in casu weliswaar met de betrokken onderzoekers gesloten arbeidsovereenkomsten overgelegd, maar kan aan de hand daarvan niet worden nagegaan of die onderzoekers werkelijk zijn gedetacheerd, met name omdat de datums van de detacheringen niet overeenstemmen met de in die overeenkomsten vermelde datums, zodat overlegging van aanvullende stukken, zoals instapkaarten, volstrekt noodzakelijk was om aan te tonen dat die detacheringen hadden plaatsgevonden.

115 Met haar betoog dat het Gerecht had moeten concluderen dat de bewoordingen van de e-mail van het REA van 8 oktober 2018 in tegenspraak zijn met die van, onder meer, de latere brief van het REA van 21 augustus 2019, waarbij deze laatste een financiële audit van de subsidieovereenkomst heeft gestart, betwist rekwirante in werkelijkheid de beoordeling die het Gerecht heeft gemaakt van de bewijskracht van de door haar overgelegde bewijsstukken. Dergelijke argumenten zijn volgens de in punt 109 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak niet-ontvankelijk in het stadium van de hogere voorziening, aangezien rekwirante niet heeft aangetoond dat de bewijzen onjuist zijn opgevat en evenmin argumenten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het Gerecht de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering heeft geschonden.

116 In die omstandigheden moeten het tweede en het derde onderdeel van het vierde middel in hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

Vijfde middel

Argumenten van partijen

117 Het vijfde middel is gericht tegen de punten 64 en 69 van het bestreden arrest en is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door de bewijslast om te keren en het evenredigheidsbeginsel te schenden.

118 In punt 64 van het bestreden arrest heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak in het kader van een overeenkomst die een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU bevat, de partij die met het oog op toekenning van een financiële bijdrage van de Unie kosten heeft gedeclareerd bij de entiteit die deze bijdrage toekent, het bewijs moet leveren dat deze kosten voldoen aan de financiële voorwaarden van de geldende subsidieovereenkomst.

119 Voorts heeft het Gerecht in punt 69 van dat arrest geoordeeld dat het evenredigheidsbeginsel niet wordt geschonden wanneer een ordonnateur bij uitgaven in de vorm van financiële bijstand van de Unie oordeelt dat het, om de toekenning van die bijstand te rechtvaardigen, niet volstaat dat de begunstigde aantoont dat het project is verwezenlijkt en eist dat deze laatste het bewijs levert dat de gedeclareerde kosten zijn gemaakt in overeenstemming met de voor toekenning van de betrokken bijstand bepaalde voorwaarden.

120 Volgens rekwirante is het de vraag welke financiële voorwaarden van toepassing waren op de subsidieovereenkomst, rekening houdend met hun aanvankelijke inhoud en de wijze waarop deze zijn geëvolueerd in de loop van de uitvoering van die overeenkomst. Zij stelt dat er in casu twijfels zijn gerezen na de voltooiing van het project en na een financiële audit waarbij zij werd geconfronteerd met een onverwachte controle achteraf. Die twijfels zijn, onder meer volgens een onderzoek van OLAF, onterecht gebleken, wat het systematische karakter ervan betreft.

121 Het REA stelt dat het vijfde middel ongegrond is.

Beoordeling door het Hof

122 Wat ten eerste punt 64 van het bestreden arrest betreft, moet worden vastgesteld dat rekwirante opkomt tegen het daarin genoemde beginsel volgens hetwelk de begunstigde van een financiële bijdrage van de Unie moet bewijzen dat de kosten die zijn gedeclareerd bij de entiteit die deze bijdrage toekent, voldoen aan de financiële voorwaarden van de geldende subsidieovereenkomst.

123 Wat ten tweede punt 99 van het bestreden arrest betreft, betwist rekwirante de beoordeling van het Gerecht volgens welke het evenredigheidsbeginsel niet wordt geschonden wanneer de begunstigde van een financiële bijdrage van de Unie niet alleen moet bewijzen dat de activiteit die wordt gefinancierd, is voltooid, maar ook dat de gedeclareerde kosten zijn gemaakt in overeenstemming met de voor toekenning van de betrokken bijstand bepaalde voorwaarden.

124 In casu moet worden vastgesteld dat de punten 64 en 99 van het bestreden arrest de vermeende omkering van de bewijslast geenszins staven maar veeleer de – door het Gerecht in het bestreden arrest terecht toegepaste – vaste rechtspraak in herinnering brengen aangaande de toewijzing en de omvang van de bewijslast die krachtens de subsidieovereenkomst op de begunstigde van de financiering door de Unie rust.

125 Bijgevolg heeft het Gerecht, door te verwijzen naar de verplichting van de begunstigde van een subsidie om te bewijzen dat de kosten daadwerkelijk en overeenkomstig de geldende voorwaarden van de subsidieovereenkomst zijn gemaakt, het evenredigheidsbeginsel niet geschonden.

126 Wat de verwijzing naar de audit en het onderzoek van OLAF betreft, moet worden vastgesteld dat rekwirante het Hof in werkelijkheid verzoekt om een nieuwe beoordeling van de feiten van de zaak, die in de plaats zou komen van de beoordeling door het Gerecht. Dat verzoek moet overeenkomstig de in punt 108 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

127 In die omstandigheden moet het vijfde middel in hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond worden verklaard.

128 Aangezien geen van de door rekwirante opgeworpen middelen is aanvaard, moet de hogere voorziening worden afgewezen.

Kosten

129 Ingevolge artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

130 Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

131 Aangezien Glonatech in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het REA worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Global Nanotechnologies AE schediasmou anaptyxis paraskevis kai emporias ylikon nanotechnologias (Glonatech) wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in