HvJ EU 23 oktober 2025, C-87/24, ECLI:EU:C:2025:826
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
23 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Harmonisatie van wetgevingen – Aardgas – Richtlijn 2009/73/EG – Artikel 41, lid 8 – Begrip ‚passende stimulansen’ – Verordening (EG) nr. 715/2009 – Artikel 13, lid 1 – Begrip ‚nodige winst op de investeringen’ – Transmissie‑ en distributiesystemen – Opslaginstallatie – Criteria waarmee de nationale regulerende instantie rekening moet houden bij de vaststelling van de transmissie‑ en distributietarieven – Rendement op kapitaal – Verplichting tot conforme uitlegging – Motiveringsplicht”
In zaak C‑87/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) bij beslissing van 3 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 2 februari 2024, in de procedure
AS „Gaso”,
AS „Conexus Baltic Grid”
tegen
Sabiedrisko pakalpojumu regulēšanas komisija,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, en M. Condinanzi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: M. Aleksejev, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– AS „Gaso”, vertegenwoordigd door L. Liepa en J. Sarāns-Reneslācis, advokāti,
– AS „Conexus Baltic Grid”, vertegenwoordigd door C. Ginter, vandeadvokaat, en K. Pļaviņa-Mika, advokāte, U. Bariss, valdes priekšsēdētājs, en M. Gode, valdes loceklis,
– Sabiedrisko pakalpojumu regulēšanas komisija, vertegenwoordigd door J. Miķelsons, izpilddirektors, en A. Upena, padomes locekle,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet, L. Ozola en T. Scharf als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 april 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB 2009, L 211, blz. 94), en van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB 2009, L 211, blz. 36).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee beroepen tot nietigverklaring die zijn ingesteld door respectievelijk „Gaso” AS en „Conexus Baltic Grid” AS tegen lēmums nr. 109 „par kapitāla atdeves likmi dabasgāzes pārvades sistēmas, dabasgāzes sadales sistēmas un dabasgāzes uzglabāšanas pakalpojumu tarifu projekta aprēķināšanai” (besluit nr. 109 betreffende de vaststelling van het rendement op kapitaal voor de berekening van het tariefvoorstel voor de diensten van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen en aardgasopslag) van 20 augustus 2020 (hierna: „litigieus besluit”) van de Sabiedrisko pakalpojumu regulēšanas komisija (commissie voor de regulering van openbare diensten, Letland) (hierna: „Letse regulerende instantie”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2009/73
3 De overwegingen 23 tot en met 25, 30 en 32 van richtlijn 2009/73 waren als volgt verwoord: „(23) Er moeten verdere maatregelen worden getroffen om te zorgen voor transparante en niet-discriminerende tarieven voor de toegang tot transmissie. Deze tarieven moeten op een niet-discriminerende basis voor alle gebruikers gelden. Indien de opslaginstallaties, de leidingbuffer of ondersteunende diensten op een voldoende concurrerende markt functioneren, kan toegang worden verleend op basis van transparante en niet-discriminerende, op de markt gebaseerde mechanismen. (24) De onafhankelijkheid van de opslagsysteembeheerders moet worden gewaarborgd teneinde derden een betere toegang te geven tot opslaginstallaties die in technische en/of economische zin noodzakelijk zijn voor een efficiënte toegang tot het systeem voor levering aan de klanten. [...] Ook moet de transparantie worden verhoogd inzake de opslagcapaciteit die aan derden ter beschikking wordt gesteld, meer bepaald door de lidstaten te verplichten een duidelijk, niet-discriminerend kader vast te stellen en bekend te maken waarin het voor opslaginstallaties geldende reguleringsstelsel omschreven staat. [...] (25) Niet-discriminerende toegang tot het distributienet is bepalend voor de toegang tot afnemers op kleinhandelsniveau. [...] [...] (30) Om de interne markt voor aardgas goed te laten functioneren, moeten de energieregulators besluiten kunnen nemen over alle relevante reguleringskwesties en moeten zij volledig onafhankelijk zijn van alle andere publieke of particuliere belangen. Dit sluit rechterlijke toetsing en parlementair toezicht overeenkomstig het constitutionele recht van de lidstaten niet uit. [...] [...] (32) De nationale regulerende instanties moeten in staat zijn de tarieven of de methoden voor de berekening van de tarieven vast te stellen of goed te keuren op basis van een voorstel van de transmissiesysteembeheerder(s), van de distributiesysteembeheerder(s) of van de lng-systeembeheerders, dan wel op basis van een voorstel dat is overeengekomen tussen deze systeembeheerder(s) en de gebruikers van het net. Bij de uitvoering van deze taken moeten de nationale regulerende instanties ervoor zorgen dat de transmissie‑ en distributietarieven niet-discriminerend zijn en een weerspiegeling van de kosten vormen, en rekening houden met de op lange termijn, marginale, vermeden netkosten van vraagzijdebeheersmaatregelen.”
4 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn bepaalde: „Bij deze richtlijn worden gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de transmissie, de distributie, de levering en de opslag van aardgas. De richtlijn stelt de regels vast met betrekking tot de organisatie en de werking van de aardgassector, de toegang tot de markt, de criteria en procedures voor de verlening van vergunningen voor de transmissie, de distributie, de levering en de opslag van aardgas en het beheer van systemen.”
5 Artikel 2 van die richtlijn was als volgt geformuleerd: „Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities: [...] 4. ‚transmissiesysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die de transmissiefunctie verricht en in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en zo nodig de ontwikkeling van het transmissiesysteem alsook, indien van toepassing, de interconnecties ervan met andere systemen, en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar transmissie van gas; [...] 6. ‚distributiesysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die de distributiefunctie verricht en in een bepaald gebied verantwoordelijk is voor de exploitatie, het onderhoud en zo nodig de ontwikkeling van het distributiesysteem alsook, indien van toepassing, de interconnecties met andere systemen, en die ervoor moet zorgen dat het systeem op lange termijn kan voldoen aan een redelijke vraag naar distributie van gas; [...] 9. ‚opslaginstallatie’: installatie die wordt gebruikt voor de opslag van aardgas en die eigendom is van of geëxploiteerd wordt door een aardgasbedrijf, met inbegrip van het gedeelte van lng‑installaties dat voor opslag gebruikt wordt, maar met uitzondering van het gedeelte dat in gebruik is voor productiedoeleinden en met uitzondering van installaties die uitsluitend ten dienste staan van transmissiesysteembeheerders bij de uitoefening van hun functies; 10. ‚opslagsysteembeheerder’: natuurlijke persoon of rechtspersoon die de opslagfunctie verricht en verantwoordelijk is voor het beheer van een opslaginstallatie; [...]”
6 Artikel 39 („Aanwijzing en onafhankelijkheid van regulerende instanties”) van deze richtlijn bepaalde: „1. Iedere lidstaat wijst één enkele nationale regulerende instantie op nationaal niveau aan. [...] 4. De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de regulerende instantie en zorgen ervoor dat zij haar bevoegdheid op onpartijdige en transparante wijze uitoefent. Te dien einde waken de lidstaten erover dat de regulerende instantie, bij de uitvoering van de reguleringstaken die haar bij deze richtlijn en de aanverwante wetgeving worden opgelegd: a) juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk is van enige andere publieke of particuliere entiteit; b) ervoor zorgt dat haar personeel en de personen die belast zijn met haar beheer: i) onafhankelijk zijn van marktbelangen, en ii) bij het verrichten van de reguleringstaken geen directe instructies verlangen of ontvangen van regeringen of andere publieke of particuliere entiteiten. Eventuele nauwe samenwerking met andere bevoegde nationale instanties of de toepassing van algemene beleidsrichtsnoeren van de overheid die geen verband houden met de in artikel 41 genoemde reguleringstaken, worden door dit voorschrift onverlet gelaten. [...]”
7 Artikel 40 („Algemene doelstellingen van de regulerende instantie”) van richtlijn 2009/73 bepaalde: „Bij de uitvoering van de in deze richtlijn omschreven reguleringstaken neemt de regulerende instantie alle redelijke maatregelen om de volgende doelstellingen te bereiken binnen het kader van haar taken en bevoegdheden zoals vastgesteld in artikel 41, waar nodig in nauw overleg met de andere betrokken nationale autoriteiten, waaronder mededingingsautoriteiten, en zonder dat wordt geraakt aan hun bevoegdheden: [...] f) ervoor zorgen dat de systeembeheerders en -gebruikers de nodige stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie van netprestaties te verbeteren en de marktintegratie te versterken; [...]”
8 Artikel 41 („Taken en bevoegdheden van de regulerende instantie”) van deze richtlijn bepaalde het volgende: „1. De regulerende instantie heeft de volgende taken: a) vaststellen of goedkeuren, volgens transparante criteria, van transmissie‑ of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor; [...] n) toezicht op en toetsing van de voorwaarden voor toegang tot opslag, leidingbuffer en andere ondersteunende diensten als bedoeld in artikel 33. Indien de toegangsregeling voor opslag is omschreven overeenkomstig artikel 33, lid 3, omvat deze taak niet de herziening van de tarieven; [...] 6. De regulerende instanties zijn bevoegd om ten minste de methodes voor het berekenen of tot stand komen van de volgende voorwaarden vast te stellen of voldoende ruim vóór hun inwerkingtreding goed te keuren: a) de aansluiting op en toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven en voorwaarden en tarieven voor toegang tot lng‑installaties. Deze tarieven of methoden maken het mogelijk dat de noodzakelijke investeringen in de netten en lng‑installaties op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netten en de lng‑installaties kunnen waarborgen; [...] 8. Bij de vaststelling of goedkeuring van de tarieven of methoden en de balanceringsdiensten zorgen de regulerende instanties ervoor dat de transmissie‑ en distributiesysteembeheerders passende stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen. [...] 16. De door de regulerende instantie genomen besluiten worden volledig gemotiveerd en verantwoord, teneinde door de rechter te kunnen worden getoetst. Deze besluiten zijn voor het publiek beschikbaar waarbij de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie behouden blijft. [...]”
Verordening nr. 715/2009
9 In de overwegingen 7 en 8 van verordening nr. 715/2009 stond het volgende te lezen: „(7) Er moeten criteria worden vastgesteld voor de berekening van de tarieven voor toegang tot het net opdat deze tarieven volledig voldoen aan het beginsel van niet-discriminatie en aan de behoeften van een goed functionerende interne markt. Daarbij moet ten volle rekening worden gehouden met de noodzakelijke systeemintegriteit. Bovendien moeten de tarieven een afspiegeling vormen van de werkelijke kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, waarbij wordt gelet op een redelijke winst op de investeringen, en, in voorkomend geval, rekening wordt gehouden met de benchmarking van de tarieven door de regulerende instanties. (8) Bij de berekening van de tarieven voor de toegang tot netten is het van belang dat rekening wordt gehouden met de werkelijke kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, en met de noodzaak om een redelijke winst op de investeringen te genereren en stimulansen te scheppen voor de aanleg van nieuwe infrastructuur, inclusief een speciale regelgevende behandeling van nieuwe investeringen als bepaald in [richtlijn 2009/73]. In dat verband zal, met name als er sprake is van daadwerkelijke concurrentie tussen pijpleidingen, de benchmarking van tarieven door de regulerende instanties een relevant punt van overweging zijn.”
10 In artikel 1 van deze verordening was het volgende bepaald: „Deze verordening beoogt: a) niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor aardgastransmissiesystemen, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van nationale en regionale markten, teneinde een goede werking van de interne markt voor gas te waarborgen; b) niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor lng‑ en opslaginstallaties, rekening houdend met de specifieke kenmerken van nationale en regionale markten, [...] [...] De in de eerste alinea genoemde doelstellingen omvatten onder meer de vaststelling van geharmoniseerde beginselen inzake de tarieven voor de toegang tot het net, maar niet tot opslaginstallaties, [...]. Deze verordening is behoudens artikel 19, lid 4, alleen van toepassing op opslaginstallaties die onder artikel 33, leden 3 of 4, van [richtlijn 2009/73] vallen. [...]”
11 Artikel 13, lid 1, tweede en derde alinea, bepaalde: „De door de transmissiesysteembeheerders toegepaste tarieven, of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden die zijn goedgekeurd door de regulerende instanties overeenkomstig artikel 41, lid 6, van [richtlijn 2009/73], alsmede de tarieven die worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 32, lid 1, van die richtlijn, zijn transparant, houden rekening met de noodzaak van systeemintegriteit en verbetering ervan en zijn een afspiegeling van de werkelijke kosten, voor zover deze overeenkomen met die van een efficiënte, structureel vergelijkbare netbeheerder en transparant zijn, waarbij tevens wordt gelet op de nodige winst op de investeringen en in voorkomende gevallen met inachtneming van de benchmarking van tarieven door de regulerende instanties. De tarieven of de voor de berekening daarvan gebruikte methoden zijn niet-discriminerend. [...]” De tarieven, of de methoden voor de berekening daarvan, zijn bevorderlijk voor de efficiënte handel in gas en voor de concurrentie en zijn tegelijk gericht op het vermijden van kruissubsidiëring tussen de netgebruikers en op het bieden van stimulansen voor investeringen en het handhaven of creëren van interoperabele transmissienetten.”
Verordening 2017/460
12 Artikel 1 van verordening (EU) 2017/460 van de Commissie van 16 maart 2017 tot vaststelling van een netcode betreffende geharmoniseerde transmissietariefstructuren voor gas (PB 2017, L 72, blz. 29) bepaalt dat bij deze verordening een netcode wordt vastgesteld ter bepaling van regels inzake geharmoniseerde transmissietariefstructuren voor gas, met inbegrip van regels inzake de toepassing van een referentieprijsmethodologie, de bijbehorende raadplegings‑ en bekendmakingsvereisten, alsook de berekening van reserveringsprijzen voor standaard capaciteitsproducten.
13 Artikel 30 („Vóór de tariefperiode bekend te maken informatie”) van die verordening bepaalt in lid 1: „De volgende informatie wordt bekendgemaakt vóór de tariefperiode overeenkomstig de vereisten van de artikelen 31 en 32 door de nationale regulerende instantie of de transmissiesysteembeheerder(s), afhankelijk van het besluit van de nationale regulerende instantie: [...] b) de volgende informatie: i) de toegestane of beoogde inkomsten, of beide, van de transmissiesysteembeheerder; ii) de informatie met betrekking tot veranderingen van jaar tot jaar van de onder i) bedoelde inkomsten; iii) de volgende parameters: [...] 2) kosten van kapitaal en de berekeningsmethode ervan; 3) kapitaaluitgaven, [...] 4) operationele uitgaven; 5) stimuleringsmechanismen en efficiëntiestreefcijfers; 6) inflatie-indexen; [...] [...]”
Lets recht
Wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten
14 Volgens artikel 7, lid 2, van de likums „Par sabiedrisko pakalpojumu regulatoriem” (wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten) van 19 oktober 2000 (Latvijas Vēstnesis, 2000, nr. 394), is de Letse regulerende instantie een publiekrechtelijke instelling die uit institutioneel en functioneel oogpunt onafhankelijk is en haar bij wet goedgekeurde begroting autonoom uitvoert. Een van haar taken is het reguleren van de levering van openbare diensten op het gebied van de aardgasvoorziening.
15 Artikel 9, lid 1, punt 2, van deze wet bepaalt dat de Letse regulerende instantie de methode voor de berekening en vaststelling van tarieven of tariefplafonds vaststelt, evenals de voorwaarden voor de toepassing van tarieven of tariefplafonds, voor zover de specifieke sectorale wetgeving niet in andere tariefbeginselen voorziet.
16 Artikel 9, lid 2, van die wet bepaalt: „De [Letse] regulerende instantie stelt binnen de grenzen van haar bevoegdheden autonoom besluiten en administratieve handelingen vast die bindend zijn voor de betrokken aanbieders en gebruikers van openbare diensten.”
17 Artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten luidt als volgt: „De tarieven worden vastgesteld op een zodanig niveau dat de betaling ervan door de gebruikers de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekt en de winstgevendheid ervan garandeert, voor zover specifieke sectorale wetgeving niet in andere tariefbeginselen voorziet. Bij een verandering in de factoren die van invloed zijn op de tarieven, zoals de winstgevendheid, kan de regulerende instantie besluiten tot een tariefherziening en van de openbaredienstverlener eisen dat hij binnen een bepaalde termijn een tariefvoorstel indient, vergezeld van een verantwoording van de daaraan ten grondslag liggende kosten.”
Methodebesluit
18 In sabiedrisko pakalpojumu regulēšanas komisijas padomes lēmums Nr. 1/23 kapitāla atdeves likmes aprēķināšanas metodika (besluit nr. 1/23 inzake de methode voor de berekening van het rendement op kapitaal) van 13 augustus 2018 (hierna: „methodebesluit”) zijn de methoden vastgesteld voor de berekening en de toepassing van het rendement op kapitaal ter opstelling van tariefvoorstellen voor gereguleerde diensten, waaronder aardgasdistributiesystemen. In het bijzonder definieert dit besluit de formule voor de berekening van het gewogen gemiddelde rendement op kapitaal in reële termen.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 Het bestuur van de Letse regulerende instantie heeft krachtens het methodebesluit het litigieuze besluit vastgesteld, waarbij het heeft bepaald dat de beheerders van respectievelijk het aardgastransmissiesysteem, het aardgasdistributiesysteem en de aardgasopslaginstallaties het gewogen gemiddelde rendement op kapitaal in reële termen moeten toepassen.
20 Rekening houdend met het rendement op eigen vermogen, het rendement op geleend kapitaal, berekend overeenkomstig het methodebesluit, het vennootschapsbelastingtarief en de gemiddelde jaarlijkse schommelingen van de consumptieprijzen in de laatste vijf kalenderjaren, heeft de Letse regulerende instantie bepaald dat voor een marktdeelnemer die volgens de gegevens van het laatste beschikbare jaarverslag tot de categorie middelgrote of grote ondernemingen behoort, het rendement op kapitaal moet worden vastgesteld op 2,65 %, en dat dit percentage voor een marktdeelnemer die tot de categorie van kleine of micro-ondernemingen behoort op 4,37 % moet worden vastgesteld.
21 Het litigieuze besluit preciseert dat het rendementspercentage van 2,65 % in overeenstemming is met de situatie op de financiële markten en het resultaat is van een adequate inschatting van de risico’s in verband met het aantrekken van financiering, en dus waarborgt dat de beheerders van de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen en de aardgasopslaginstallaties leningen kunnen financieren, kunnen investeren in de vernieuwing en ontwikkeling van de systemen en een redelijk rendement kunnen behalen, terwijl tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat gebruikers ononderbroken, betrouwbare en kwalitatief hoogstaande openbare diensten konden ontvangen waarvan de tarieven (prijzen) overeenstemmen met economisch verantwoorde kosten.
22 Zowel Gaso, beheerder van het aardgasdistributiesysteem in Letland, als Conexus Baltic Grid, beheerder van het aardgastransmissiesysteem en de aardgasopslaginstallaties in die lidstaat, hebben bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland), de verwijzende rechter, beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
23 Ter ondersteuning van hun beroepen hebben deze ondernemingen aangevoerd dat de Letse regulerende instantie haar bevoegdheden heeft overschreden, ernstige procedurele en materiële fouten heeft gemaakt bij de vaststelling van de criteria en bij de berekening van het rendement op kapitaal, en haar motiveringsplicht niet is nagekomen door dat rendement op een abnormaal laag niveau vast te stellen. Volgens hen maakt het litigieuze besluit in het bijzonder inbreuk op richtlijn 2009/73, die de bevoegde nationale regulerende instanties de verplichting oplegt om met name de ontwikkeling en de werking van de aardgasmarkt te bevorderen door de investeerders de nodige stimulansen te bieden om de noodzakelijke investeringen in de infrastructuur uit te voeren. Zij menen dat dit besluit ook in strijd is met verordening nr. 715/2009, die van de regulerende instanties verlangt dat zij bij de vaststelling van tarieven rekening houden met de nodige winst op de uitgevoerde investeringen.
24 In dit verband stelt de verwijzende rechter ten eerste vast dat artikel 40, onder f), en artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 715/2009, gelezen in samenhang met de overwegingen 7 en 8 van deze verordening, relevant zijn voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding.
25 Ten tweede benadrukt hij dat, hoewel uit de in het vorige punt genoemde bepalingen blijkt dat de lidstaten bij de vaststelling van de tarieven voor de toegang tot de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen moeten zorgen voor de „nodige winst op de investeringen”, die bepalingen niet aangeven wat onder dit begrip, waarover het Hof zich bovendien nog niet heeft kunnen uitspreken, moet worden verstaan. De verwijzende rechter stelt dat hij dan ook niet over duidelijke richtsnoeren beschikt om te oordelen over de verenigbaarheid met het Unierecht van de methode die de Letse regulerende instantie heeft gevolgd bij de vaststelling van het rendement op kapitaal dat in de bij hem aanhangige zaak is toegepast.
26 Ten derde merkt deze rechter op dat de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten voorziet in een regelgevingskader dat geen bepalingen bevat die overeenkomen met de artikelen 40 en 41 van deze richtlijn, die respectievelijk betrekking hebben op de algemene doelstellingen van de nationale regulerende instanties en op hun taken en bevoegdheden. In dit verband preciseert de verwijzende rechter dat artikel 20, lid 1, van deze wet, op grond waarvan de Letse regulerende instantie het litigieuze besluit heeft vastgesteld, naar alle waarschijnlijkheid niet alle doelstellingen van de in punt 24 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen van die richtlijn dekt, meer bepaald wat betreft het recht van verleners van een gereguleerde openbare dienst om zowel op korte als op lange termijn passende stimulansen te krijgen. Volgens de verwijzende rechter rijst dan ook de vraag of de bepalingen van die richtlijn correct zijn omgezet in Lets recht.
27 Ten vierde en ten slotte betwijfelt deze rechter, gelet op de bepalingen van richtlijn 2009/73 en verordening nr. 715/2009, of artikel 13, lid 1, van deze verordening van toepassing is bij de vaststelling van het tarief voor de toegang tot de aardgasopslaginstallaties, die in casu worden beheerd door Conexus Baltic Grid. Op grond van het facultatieve karakter van de procedures van artikel 33, leden 3 en 4, van richtlijn 2009/73 is deze rechter van oordeel dat artikel 13, lid 1, van die verordening – dat de voorwaarden vaststelt waaraan de door de transmissiesysteembeheerders toegepaste tarieven die zijn goedgekeurd door de regulerende instanties overeenkomstig artikel 41, lid 6, van richtlijn 2009/73, alsmede de tarieven die worden gepubliceerd overeenkomstig artikel 32, lid 1, van die richtlijn, moeten voldoen – uitsluitend van toepassing is op de tarieven voor de aardgastransmissiesysteemdienst en niet op de vaststelling van de tarieven voor toegang tot de aardgasopslaginstallaties.
28 Gelet op deze overwegingen heeft de Administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Verzet artikel 41, lid 8, van [richtlijn 2009/73] zich tegen een nationale regeling volgens welke de regulerende instantie bij het berekenen van tarieven of het vaststellen van methoden niet verplicht is te motiveren hoe ervoor wordt gezorgd dat de transmissie‑ en distributiesysteembeheerders voldoende stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen? 2) Is het in overeenstemming met artikel 41, lid 8, van [richtlijn 2009/73] om een nationale regeling aldus uit te leggen dat zowel op korte als op lange termijn wordt gezorgd voor passende stimulansen om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen, wanneer de door de gebruikers betaalde tarieven alleen de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekken en de winstgevendheid garanderen, althans voor een minimumbedrag? 3) Is een nationale regeling volgens welke bij de vaststelling van ‚passende stimulansen, zowel op korte als op lange termijn’ en stimulansen ‚om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen’ geen rekening wordt gehouden met de in de financiële wereld gevestigde beginselen voor de vaststelling van het gewogen gemiddelde rendement op kapitaal die vergelijkbare ondernemingen op de vrije markt in acht nemen, in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 41, lid 8, van [richtlijn 2009/73/]? 4) Moet de regulerende instantie zich bij de uitlegging van de begrippen „nodige winst op de investeringen” in de zin van artikel 13 van [verordening nr. 715/2009] en ‚stimulansen voor investeringen’ voor de toepassing van artikel 41 van richtlijn 2009/73 laten leiden door het in de financiële wereld gevestigde begrip gemiddeld rendement op kapitaal [(WACC; gewogen gemiddelde kapitaalkost)] en door de methode die wordt gebruikt om dat rendement te bepalen? 5) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de regulerende instantie dan rechtmatig afwijken van de in de financiële wereld gebruikte methode om het gemiddelde rendement op kapitaal te bepalen en dit rendement naar eigen goeddunken aanpassen? 6) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de regulerende instantie dan rechtmatig het gemiddelde rendement op kapitaal aanpassen zodat bij de berekening ervan rekening wordt gehouden met een op de financieringskosten van de andere ondernemingen in de economie van de lidstaat gebaseerde omvangpremie? 7) Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de regulerende instantie dan rechtmatig het gemiddelde rendement op kapitaal aanpassen zodat zij de beheerder van het aardgastransmissie‑ of -opslagsysteem niet hoeft te vergoeden voor de stijging van de inflatie gedurende de voorgaande tariefperiode? 8) Indien de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord, en in het geval dat de systeembeheerder het niet eens is met de hoogte van het door de regulerende instantie voorgestelde gemiddelde rendement op kapitaal of met de elementen waarop het is gebaseerd, moet de regulerende instantie bij de vaststelling van het gemiddelde rendement op kapitaal (WACC) dan een beroep doen op een onafhankelijke derde om de geschikte hoogte van het rendement te bepalen? 9) Verzetten de doelstellingen van artikel 41, lid 8, van [richtlijn 2009/73] zich tegen een procedure voor de vaststelling van tarieven waarbij het gemiddelde rendement op kapitaal wordt bepaald door de regulerende instantie en waarbij de beheerder van het aardgastransmissie‑ of ‑opslagsysteem die berekening niet mag aanpassen op basis van de individuele bedrijfsindicatoren van de systeembeheerder? 10) Moet artikel 1, [eerste alinea,] onder b), van [verordening nr. 715/2009], gelezen in samenhang met de tweede alinea van dit artikel, aldus worden uitgelegd dat de overwegingen 7 en 8 en artikel 13, lid 1, van deze verordening van toepassing zijn op aardgasopslaginstallaties en op de door de regulerende instantie vastgestelde tarieven indien de toegang tot de installaties voor de opslag van vloeibaar aardgas gereguleerd is?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
29 De Letse regulerende instantie betoogt dat de vragen van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk zijn.
30 In de eerste plaats is de eerste prejudiciële vraag volgens deze instantie hypothetisch en betreft zij niet de uitlegging van het Unierecht, maar van het nationale recht. Deze vraag is volgens die instantie gebaseerd op de onjuiste premisse dat zij is vrijgesteld van de verplichting om zowel de methode voor de berekening van het rendement op kapitaal als de rendementspercentages zelf te motiveren. Volgens die instantie blijkt echter uit de nationale wetgeving, meer bepaald artikel 67, lid 2, van de Administratīvā procesa likums (wet betreffende de administratieve procedure), dat de regulerende instantie haar beslissingen moet motiveren, en zij stelt dat zij in casu rekening heeft gehouden met de toepasselijke bepalingen, met name artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en verordening nr. 715/2009.
31 In de tweede plaats is de Letse regulerende instantie van mening dat de tweede tot en met de zesde vraag te algemeen zijn geformuleerd en geen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, maar op de toepassing ervan. Bovendien zijn de in de vragen gebruikte begrippen of uitdrukkingen van algemene aard en kan het Hof deze daardoor niet nauwkeurig beantwoorden. Ten slotte betoogt zij dat zowel artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 als artikel 13, lid 1, van verordening nr. 715/2009 de regulerende instanties enkel het te bereiken doel oplegt, en hun de vrijheid laat de middelen of methoden te kiezen om dat doel te bereiken. Bij de keuze van deze middelen of methoden, waarover de verwijzende rechter vragen heeft, gaat het echter niet om de uitlegging van het Unierecht, waarover het Hof bevoegd is, maar om de toepassing ervan, die tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort.
32 In de derde plaats betoogt de Letse regulerende instantie dat de tweede, de achtste en de negende vraag geen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, maar van het nationale recht. Wat specifiek de tweede vraag betreft, wordt het begrip „winstgevendheid” niet gebruikt in het toepasselijke Unierecht, maar in artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten.
33 In de vierde plaats betoogt de Letse regulerende instantie dat de vierde tot en met de achtste vraag geen verband houden met de feitelijke en juridische situatie van het hoofdgeding en niet objectief noodzakelijk zijn voor de beslechting daarvan aangezien artikel 13, lid 1, van verordening nr. 715/2009 niet van toepassing is op de aardgasopslaginstallaties waarvan Conexus Baltic Grid in casu de beheerder is, noch op het aardgasdistributiesysteem waarvan het beheer in Letland aan Gaso is toevertrouwd.
34 In dit verband is het vaste rechtspraak dat, in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het hoofdgeding, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie en wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het Hof kan dus slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is, of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Aangezien de verwijzingsbeslissing als basis dient voor de prejudiciële procedure voor het Hof krachtens artikel 267 VWEU, is het echter onontbeerlijk dat de nationale rechter in die beslissing het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding uiteenzet en een minimum aan uitleg geeft over de redenen voor de keuze van de bepalingen van het Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt en over het verband tussen die bepalingen en de nationale regeling die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding. Deze cumulatieve vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (arrest van 12 december 2019, Slovenské elektrárne,C‑376/18, EU:C:2019:1068, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 In casu blijkt om te beginnen uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de bepalingen van richtlijn 2009/73 en verordening nr. 715/2009 duidelijk verband houden met het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de vaststelling van een rendement op kapitaal dat door een regulerende instantie voor de aardgasmarkt wordt opgelegd aan met name de beheerders van de aardgasnetten van de lidstaten, en van invloed kan zijn op de tarieven die deze beheerders toepassen.
37 Wat vervolgens het in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering genoemde vereiste betreft, dat betrekking heeft op, ten eerste, de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging van richtlijn 2009/73 en verordening nr. 715/2009 en, ten tweede, het verband dat hij legt tussen deze twee handelingen van het Unierecht en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale regeling, moet worden vastgesteld dat deze rechter melding maakt van zijn eigen beschouwingen aangaande zijn twijfels over de uitlegging van die handelingen, meer bepaald van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, van verordening nr. 715/2009, alsook over het verband tussen deze bepalingen en die nationale regeling, met name wat betreft de vereisten die de Letse regulerende instantie in aanmerking moet nemen bij de vaststelling van de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas.
38 Wat ten slotte de prejudiciële vragen betreft die betrekking hebben op de uitlegging van de twee in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde handelingen van Unierecht en de relevantie daarvan voor de toegang tot de door Conexus Baltic Grid beheerde aardgasinstallaties, volstaat het eraan te herinneren dat, wanneer niet duidelijk blijkt dat de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling geen verband houdt met het reële geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, de exceptie van niet-toepasselijkheid van deze bepaling op het hoofdgeding niet de ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing maar de grond van de gestelde vragen betreft (zie in die zin arrest van 12 december 2019, Slovenské elektrárne,C‑376/18, EU:C:2019:1068, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Hieruit volgt dat het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Ten gronde
Opmerkingen vooraf
40 De tien vragen van de verwijzende rechter betreffen in essentie drie juridische aspecten, namelijk, ten eerste, de werkingssfeer van de tariefbeginselen van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 (zevende, negende en tiende vraag), ten tweede, de omzetting in nationaal recht van het begrip „passende stimulansen” in de zin van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en de op de nationale regulerende instantie rustende motiveringsplicht (eerste en tweede vraag), en ten derde, de wijze waarop deze autoriteit bij de berekening en de vaststelling van de tarieven ervoor moet zorgen dat de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen dergelijke passende stimulansen krijgen en/of de „nodige winst op de investeringen”, in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009, genereren (derde tot en met negende vraag).
41 Deze drie aspecten dienen in de voornoemde volgorde te worden onderzocht.
Zevende, negende en tiende vraag, betreffende de werkingssfeer van de tariefbeginselen van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009
42 Met zijn zevende, negende en tiende vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat de in deze bepalingen neergelegde tariefbeginselen niet alleen van toepassing zijn op beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen, maar ook op aardgasopslaginstallaties.
43 Deze vraag vloeit voort uit het feit dat de Letse regulerende instantie bij het litigieuze besluit een identiek rendement op kapitaal heeft vastgesteld voor Gaso, als beheerder van het aardgasdistributiesysteem in Letland, en voor Conexus Baltic Grid, als beheerder van het aardgastransmissiesysteem en de aardgasopslaginstallaties in dat land. In dit verband moet worden gepreciseerd dat, aangezien alleen de tiende vraag – in de laatste volzin – ook de opslaginstallaties voor vloeibaar aardgas vermeldt, zonder dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt uiteengezet waarom deze laatste installaties in die vraag aan de orde zijn, het antwoord van het Hof op de zevende, de negende en de tiende vraag moet worden beperkt tot de vraag of de tariefregels van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 van toepassing zijn op aardgasopslaginstallaties.
44 Na deze verduidelijkingen zij eraan herinnerd dat richtlijn 2009/73 de totstandbrenging van een volledig en daadwerkelijk opengesteld en door concurrentie gekenmerkte interne markt voor aardgas nastreeft door, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, ervan, gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de transmissie, de distributie, de levering en de opslag van aardgas (zie in die zin arrest van 19 december 2019, GRDF,C‑236/18, EU:C:2019:1120, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 In dit verband worden in de leden 4, 6, 9 en 10 van artikel 2 van deze richtlijn respectievelijk de „transmissiesysteembeheerder”, de „distributiesysteembeheerder”, de „opslaginstallatie” en de „opslagsysteembeheerder” gedefinieerd en van elkaar onderscheiden.
46 Daarnaast beoogt deze richtlijn, zoals wordt benadrukt in de overwegingen 23, 25 en 32 ervan, een niet-discriminerende toegang tot de aardgastransmissie‑ en distributiesystemen te waarborgen door de nationale regulerende instanties overeenkomstig artikel 41, lid 1, onder a), van deze richtlijn met name te belasten met de taak om „volgens transparante criteria, [...] transmissie‑ of distributietarieven of de berekeningsmethodes hiervoor [vast te stellen of goed te keuren]”.
47 Artikel 41, lid 6, onder a), van richtlijn 2009/73 bepaalt dat de nationale regulerende instanties bevoegd zijn om ten minste de methoden voor het berekenen of tot stand komen van de voorwaarden voor de toegang tot nationale netten, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, vast te stellen of goed te keuren.
48 Bovendien bepaalt artikel 41, lid 8, van die richtlijn dat „[de regulerende instanties] bij de vaststelling of goedkeuring van de tarieven of methoden [ervoor zorgen] dat de transmissie‑ en distributiesysteembeheerders passende stimulansen krijgen [...] om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen”.
49 Hieruit volgt dat de tariefregels van met name artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 uitsluitend van toepassing zijn op beheerders van de „systemen” voor aardgastransmissie‑ en ‑distributie, als bedoeld in artikel 2, punten 4 en 6, van deze richtlijn, en niet op „opslaginstallaties” voor aardgas en de beheerders daarvan, als bedoeld in artikel 2, punten 9 en 10, van die richtlijn.
50 Deze uitsluiting van aardgasopslaginstallaties is ook terug te vinden in de bepalingen van verordening nr. 715/2009, welke luidens de titel ervan „de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten” vaststelt.
51 Ten eerste beoogt deze verordening volgens artikel 1, tweede alinea, ervan slechts de vaststelling van geharmoniseerde beginselen inzake de tarieven voor de toegang tot het net of inzake de methoden voor de berekening voor wat de toegang tot het net betreft, niet voor wat de toegang tot opslaginstallaties betreft. Ten tweede volgt uit de bewoordingen van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 dat de tariefmaatregelen en de verplichtingen, met name op het gebied van transparantie en non-discriminatie, die bij deze bepaling zijn vastgesteld alleen gelden voor beheerders van aardgastransmissiesystemen.
52 Het fundamentele onderscheid in de tariefregeling tussen de regels voor de „netten” en de regels voor aardgasopslaginstallaties is, zoals de Europese Commissie terecht heeft benadrukt, te verklaren door het feit dat die installaties, anders dan „netten”, in het algemeen niet als natuurlijke monopolies worden beschouwd en dus met andere installaties kunnen concurreren. Zoals vooropgesteld in de overwegingen 23 en 24 ervan, voert richtlijn 2009/73 om die reden voor aardgasopslaginstallaties een specifieke regeling in. Die omvat artikel 33 van deze richtlijn, dat voorziet in de vaststelling van specifieke regels voor de toegang tot deze installaties, hetzij via onderhandeling, overeenkomstig lid 3 van dit artikel, hetzij via regulering, overeenkomstig lid 4 van dat artikel, maar dan onder bepaalde voorwaarden.
53 Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, neemt dit niet weg dat noch richtlijn 2009/73 noch verordening nr. 715/2009 de nationale regulerende instanties verbiedt om de tariefbeginselen die gelden voor „aardgasnetten” – die zijn neergelegd in respectievelijk artikel 41, lid 8, van die richtlijn en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van die verordening – uit te breiden tot die opslaginstallaties.
54 Zoals de Commissie in essentie heeft opgemerkt, kan immers niet worden uitgesloten dat objectieve redenen, zoals specifieke technische kenmerken of het belang van de opslaginstallaties voor de energieleveringszekerheid op het grondgebied van een of meer lidstaten, kunnen rechtvaardigen dat een nationale regulerende instantie de tariefbeginselen die zij toepast op de transmissie‑ en distributiesystemen voor aardgas uitbreidt tot de toegang tot die opslaginstallaties.
55 Gelet op een en ander moet op de zevende, de negende en de tiende vraag worden geantwoord dat artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat de tariefbeginselen waarin deze bepalingen voorzien niet van toepassing zijn op de aardgasopslaginstallaties van een lidstaat, onverminderd de mogelijkheid voor de nationale regulerende instanties om deze tariefbeginselen tot die installaties uit te breiden om objectief gerechtvaardigde redenen.
Eerste en tweede vraag, betreffende de omzetting in nationaal recht van het begrip „passende stimulansen”, als bedoeld in artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73, en de motiveringsplicht van de nationale regulerende instantie
56 Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 41, leden 8 en 16, van richtlijn 2009/73 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke „passende stimulansen” in de zin van dit artikel 41, lid 8, reeds worden gewaarborgd wanneer de door de gebruikers betaalde tarieven de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekken en de winstgevendheid garanderen, althans voor een minimumbedrag, zonder dat de nationale regulerende instantie verplicht is om te motiveren hoe zij ervoor zorgt dat de aardgastransmissie‑ en aardgasdistributiesysteembeheerders „passende stimulansen” krijgen.
57 Vooraf zij opgemerkt dat deze vragen voortvloeien uit de algemene twijfels van de verwijzende rechter over de juiste omzetting van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 in de Letse rechtsorde. Deze rechter is namelijk van oordeel dat de doelstellingen van deze bepaling in het kader van de vaststelling van de tarieven ruimer zijn dan die waarin het Letse recht voorziet, met name in artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten, volgens hetwelk de Letse regulerende instantie ervoor moet zorgen dat de tarieven op een zodanig niveau worden vastgesteld dat zij de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekken en winstgevendheid garanderen.
58 Aangaande de bepalingen van richtlijn 2009/73 betreffende de verplichtingen van de nationale regulerende instanties inzake de tarieven van de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen, blijkt uit artikel 41, lid 6, onder a), van deze richtlijn dat die instanties bevoegd zijn voor de vaststelling of de goedkeuring van de methoden voor de berekening of de totstandkoming van de voorwaarden voor toegang tot de nationale aardgasnetten, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven. Volgens deze bepaling moeten deze tarieven het mogelijk maken dat de noodzakelijke investeringen in de netten op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze de levensvatbaarheid van de netten kunnen waarborgen.
59 Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 41, lid 8, van die richtlijn bepaalt dat de nationale regulerende instanties bij de vaststelling of goedkeuring van de tarieven of de methoden ervoor moeten zorgen „dat de transmissie‑ en distributiesysteembeheerders passende stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen”.
60 Daarenboven moeten de door de regulerende instantie genomen besluiten luidens artikel 41, lid 16, van die richtlijn volledig worden gemotiveerd en verantwoord, teneinde door de rechter te kunnen worden getoetst.
61 Artikel 41, lid 6, onder a), en leden 8 en 16, van richtlijn 2009/73, gelezen in het licht van overweging 32 ervan, vereist van de nationale regulerende instanties dus dat zij, hetzij op het tijdstip van de vaststelling van de methode voor de berekening van de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas, hetzij bij de daadwerkelijke vaststelling van deze tarieven, behalve in de dekking van de werkelijke kosten van de transmissie‑ en distributiesysteembeheerders voor het verlenen van toegang tot de netten tevens voorzien in, ten eerste, de investeringen die nodig zijn voor de levensvatbaarheid van deze netten en, ten tweede, „passende stimulansen” op korte en lange termijn die deze beheerders in staat stellen de doelstellingen van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 na te streven en de in deze bepaling bedoelde activiteiten te ondersteunen, waarbij de besluiten van die instanties volledig moeten worden gemotiveerd en verantwoord, zodat zij door de rechter kunnen worden getoetst.
62 Wat de omzetting van artikel 41, lid 8, van die richtlijn in Lets recht betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat ook de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten er uitdrukkelijk in voorziet dat de Letse regulerende instantie, hetzij op het tijdstip van de vaststelling van de methode voor de berekening van de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas, hetzij bij de daadwerkelijke vaststelling van deze tarieven, moet zorgen voor „passende stimulansen” in de zin van dat artikel 41, lid 8. Met name – zoals in punt 57 van het onderhavige arrest is benadrukt – bepaalt artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten, de enige relevante bepaling van die wet die de verwijzende rechter vermeldt, slechts dat de Letse regulerende instantie ervoor moet zorgen dat de tarieven die door de gebruikers worden betaald de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekken en de winstgevendheid garanderen.
63 In dit verband lijkt het begrip „winstgevendheid” in die wet te verwijzen naar de gedachte dat de beheerders van de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen een redelijke winstmarge kunnen verkrijgen, zonder evenwel aan te geven waarvoor deze winstmarge, ten minste gedeeltelijk, moet worden gebruikt. Dit begrip lijkt dus een meer algemene strekking te hebben en minder gericht te zijn op doelstellingen nastreven en activiteiten ondersteunen die verband houden met de werking van de aardgasmarkt dan het begrip „passende stimulansen” van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73.
64 Er zij evenwel aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de nationale rechter, wanneer hij het nationale recht toepast, dit recht zo veel mogelijk moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht is namelijk inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien zij de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren (arresten van 5 maart 2020, OPR-Finance,C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 41, en 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C‑555/23 en C‑556/23, EU:C:2025:484, punt 85).
65 Voorts vereist het beginsel van richtlijnconforme uitlegging dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, rekening houdend met het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling (arresten van 5 maart 2020, OPR-Finance,C‑679/18, EU:C:2020:167, punt 42, en 26 juni 2025, Makeleio en Zougla, C‑555/23 en C‑556/23, EU:C:2025:484, punt 86).
66 Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of zijn nationale recht, in het bijzonder artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten, zo veel mogelijk in overeenstemming met artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 kan worden uitgelegd, zodat de winstgevendheid die aan de beheerders van de transmissie‑ en distributiesystemen voor aardgas moet worden gegarandeerd, ook inhoudt dat zij daardoor „passende stimulansen” in de zin van dat artikel 41, lid 8, krijgen. Het waarborgen van een bepaald rendement vormt namelijk mogelijkerwijs een passende stimulans om de betrokken systeembeheerders aan te moedigen om de in artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 genoemde doelstellingen na te streven en de daarin genoemde activiteiten te ondersteunen.
67 Voor het geval dat de verwijzende rechter evenwel tot het oordeel komt dat een dergelijke conforme uitlegging onmogelijk is, moet worden nagegaan of de verplichting van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om te kunnen worden geacht rechtstreekse werking te hebben en door justitiabelen, zoals beheerders van de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen, te kunnen worden ingeroepen tegen een beslissing van een overheidsinstantie als de Letse regulerende instantie, zodat deze rechter artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten buiten toepassing kan laten.
68 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen particulieren zich namelijk in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover de staat, wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn tijdig in nationaal recht om te zetten, of dit op onjuiste wijze heeft gedaan [arrest van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking),C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
69 Het Hof heeft verduidelijkt dat een Unierechtelijke bepaling onvoorwaardelijk is wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Unie of van de lidstaten, en voldoende nauwkeurig is om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast wanneer de erin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd. Bovendien kan een richtlijnbepaling, ook al laat zij de lidstaten een zekere beoordelingsmarge bij de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen daarvoor, als onvoorwaardelijk en nauwkeurig worden beschouwd indien zij de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte regel [arresten van 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking),C‑205/20, EU:C:2022:168, punten 18 en 19, en 25 januari 2024, Global NRG,C‑277/22, EU:C:2024:78, punt 28].
70 Zoals in punt 59 van het onderhavige arrest is vastgesteld, blijkt in casu uit artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 dat de nationale regulerende instanties in het kader van de opdracht om de tarieven voor aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen vast te stellen of goed te keuren, die de lidstaten hen moeten toevertrouwen, ervoor moeten zorgen dat de beheerders van de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen daarbij passende stimulansen krijgen, zowel op korte als op lange termijn, om de efficiëntie te verbeteren, de marktintegratie en de leverings‑ en voorzieningszekerheid te versterken en verwante onderzoeksactiviteiten te ondersteunen.
71 Hoewel artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 de nationale regulerende instanties bij de uitvoering van deze bepaling een zekere beoordelingsmarge laat, neemt dit niet weg dat deze bepaling de lidstaten, door hen te verplichten in dergelijke passende stimulansen te voorzien om die systeembeheerders aan te moedigen de daarin genoemde doelstellingen en activiteiten na te streven respectievelijk te ondersteunen, in ondubbelzinnige bewoordingen een voldoende nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting oplegt (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic, C‑508/14, EU:C:2015:657, punt 53).
72 Artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 legt dus onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig de verplichting op om aan de beheerders van de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen te waarborgen dat de nationale regulerende instanties bij de vaststelling of goedkeuring van de transmissie‑ en distributietarieven zullen zorgen voor de in die bepaling bedoelde passende stimulansen.
73 Bijgevolg moet worden erkend dat artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 rechtstreekse werking heeft, zodat de verwijzende rechter het met deze bepaling strijdige nationale recht buiten toepassing moet laten ingeval dit recht niet in overeenstemming met deze bepaling kan worden uitgelegd.
74 Wat het begrip „passende stimulansen” betreft, bepaalt richtlijn 2009/73 in welke context de nationale regulerende instanties deze stimulansen moeten bieden – namelijk bij de vaststelling of goedkeuring van de methoden voor de vaststelling van de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas of bij de vaststelling van deze tarieven – en welke doelstellingen en activiteiten zij moeten waarborgen, maar definieert deze richtlijn dat begrip niet en preciseert zij evenmin in welke vorm de nationale regulerende instanties die stimulansen moeten bieden. Richtlijn 2009/73 kent die instanties dus een beoordelingsmarge toe aangaande de vorm die deze stimulansen moeten aannemen, alsook aangaande de beoordeling en de vaststelling van het passende karakter ervan, met inachtneming van met name de in artikel 40 van die richtlijn genoemde doelstellingen, die voor alle nationale regulerende instanties gelden, en de in artikel 41, lid 16, van deze richtlijn neergelegde motiveringsplicht, en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de nationale aardgasmarkt.
75 Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie in essentie heeft vastgesteld, blijkt in het licht van het voorgaande niet uit richtlijn 2009/73 dat de passende stimulansen die de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen krijgen om de in artikel 41, lid 8, van deze richtlijn genoemde doelstellingen na te streven en de daarin genoemde activiteiten te ondersteunen, uitsluitend moeten worden beoordeeld en vastgesteld op basis van een rendement op kapitaal, zoals het gewogen gemiddelde rendement op kapitaal dat in het litigieuze besluit is vastgesteld overeenkomstig het methodebesluit.
76 Gelet op de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt, en aangezien vaststaat dat een dergelijk rendement op kapitaal slechts één van de factoren is waarmee bij de vaststelling van de tarieven rekening wordt gehouden, betekent het feit dat in het litigieuze besluit geen specifieke motivering wordt gegeven over hoe dit rendementspercentage wordt geacht de beheerders van de betrokken systemen aan te moedigen om de in artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 genoemde doelstellingen na te streven en de daarin genoemde activiteiten te ondersteunen dan ook niet dat de Letse regulerende instantie niet – zoals zij voor het Hof heeft betoogd – verder is gegaan dan dat waartoe artikel 20, lid 1, van de wet inzake de regulerende instanties voor openbare diensten haar verplichtte en in het bredere kader van de methode voor de berekening of vaststelling van de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas in Letland niet heeft gezorgd voor passende stimulansen, als bedoeld in dat artikel 41, lid 8.
77 Uit artikel 41, leden 8 en 16, van richtlijn 2009/73 volgt evenwel dat de nationale regulerende instantie hetzij in het kader van de methode voor de berekening van de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas, hetzij uiterlijk bij de vaststelling of goedkeuring daarvan, verplicht is om duidelijk, ondubbelzinnig en voldoende nauwkeurig uiteen te zetten hoe deze tarieven volgens haar moeten waarborgen dat de beheerders van die systemen zowel op korte als op lange termijn worden aangemoedigd om de in artikel 41, lid 8, van deze richtlijn genoemde doelstellingen na te streven en de daarin genoemde activiteiten te ondersteunen, teneinde de belanghebbenden in staat te stellen kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van haar besluit en een doeltreffende rechterlijke toetsing te waarborgen.
78 Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de Letse regulerende instantie heeft voldaan aan de in het vorige punt van dit arrest bedoelde motiveringsplicht, in voorkomend geval ook buiten het strikte kader van het litigieuze besluit.
79 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 41, leden 8 en 16, van richtlijn 2009/73 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke „passende stimulansen” in de zin van dit artikel 41, lid 8, reeds worden gewaarborgd wanneer de door de gebruikers betaalde tarieven de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekken en de winstgevendheid garanderen, althans voor een minimumbedrag, zonder dat de nationale regulerende instantie verplicht is om te motiveren hoe zij ervoor zorgt dat de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesysteembeheerders „passende stimulansen” krijgen, tenzij die nationale regeling in overeenstemming met dat artikel 41, leden 8 en 16, kan worden uitgelegd.
Derde tot en met negende vraag, betreffende de wijze waarop de nationale regulerende instantie ervoor moet zorgen dat beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen passende stimulansen krijgen en/of de nodige winst op de investeringen genereren
80 Met zijn derde tot en met negende vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 aldus moeten worden uitgelegd dat de verplichting die deze bepalingen aan de nationale regulerende instanties opleggen om bij de vaststelling van de tarieven of de berekeningsmethoden die gelden voor de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen te zorgen voor „passende stimulansen” en voor de „nodige winst op de investeringen”, inhoudt dat zij voor de berekening van de tarieven specifieke methoden moeten gebruiken, zoals de in de financiële sector toegepaste WACC-methode, de kapitaalkosten moeten vergelijken met die van andere niet-gereglementeerde ondernemingen, aanpassingen moeten doen om onder meer rekening te houden met de inflatie en/of de vennootschapsbelasting, geen rekening mogen houden met de individuele bedrijfsindicatoren van de betrokken systeembeheerder, en in geval van betwisting door de betrokken entiteiten een beroep moeten doen op een derde.
81 Met andere woorden, de verwijzende rechter vraagt zich af of de beoordelingsmarge waarover de nationale regulerende instanties beschikken met betrekking tot de keuze van de methoden voor de berekening van het rendement op kapitaal en met betrekking tot de parameters die bij de vaststelling van de tarieven voor de toegang tot de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen in deze berekening worden opgenomen, wordt afgebakend of zelfs beperkt, en zo ja onder welke voorwaarden, door de verplichting van die instanties om ervoor te zorgen dat de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen „passende stimulansen” in de zin van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 krijgen en/of de „nodige winst op de investeringen” in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 genereren.
82 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat artikel 41, leden 8 en 16, van richtlijn 2009/73 de nationale regulerende instanties de taak toevertrouwt om de transmissie‑ en distributietarieven voor aardgas vast te stellen of goed te keuren, op gemotiveerde wijze en met inachtneming van de doelstellingen van transparantie en non-discriminatie, maar niet bepaalt volgens welke methode deze tarieven worden vastgesteld. A fortiori biedt richtlijn 2009/73 met het oog op de vaststelling van deze tarieven geen enkele aanwijzing over de methode noch over de wijze van berekening van het rendement op kapitaal.
83 Ten tweede geldt hetzelfde voor artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009, waarin enkel is bepaald dat deze tarieven en de methoden voor de berekening ervan, die door de transmissiesysteembeheerder worden toegepast en door de regulerende instanties worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 41, lid 6, van richtlijn 2009/73, transparant moeten zijn en de werkelijke kosten moeten afspiegelen, waarbij tevens wordt gelet op de nodige winst op de investeringen, en niet-discriminerend mogen zijn.
84 Het is juist dat artikel 30, lid 1, van verordening 2017/460 – die de Commissie op grond van verordening nr. 715/2009 heeft vastgesteld en waarnaar zij verwijst in haar schriftelijke opmerkingen – in het kader van de doelstelling om de transparantie van de tariefstructuur van de aardgastransmissiesysteembeheerder te vergroten voorziet in een reeks gegevens die vóór elke tariefperiode moeten worden bekendgemaakt, waaronder met name de „kosten van kapitaal en de berekeningsmethode ervan”, de „stimuleringsmechanismen en efficiëntiestreefcijfers” en de „inflatie-indexen”.
85 Verordening 2017/460 geeft echter niet nader aan wat deze begrippen inhouden noch, met name, volgens welke methoden of op welke wijze de kosten van kapitaal of die stimuleringsmechanismen moeten of kunnen worden berekend.
86 Hieruit volgt dat de nationale regulerende instanties, teneinde rekening te kunnen houden met dergelijke complexe technische en economische parameters bij de vaststelling van de transmissie‑ of distributietarieven voor aardgas over een ruime beoordelingsmarge moeten beschikken om met name, in voorkomend geval, een rendement op kapitaal vast te stellen voor die marktdeelnemers, daarbij ook rekening houdend met de specifieke omstandigheden op de nationale aardgasmarkt en de betrokken marktdeelnemers. Zo kunnen deze instanties in verband met de verplichting om te zorgen voor „passende stimulansen” in de zin van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en – wat de aardgastransmissietarieven betreft – voor de „nodige winst op de investeringen” in de zin van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009, niet worden verplicht om een specifieke methode toe te passen, zoals die welke is gebaseerd op de WACC, of om de kapitaalkosten te vergelijken met die van andere niet-gereglementeerde ondernemingen of entiteiten. Die instanties moeten daarbij over de mogelijkheid beschikken om de methode voor de vaststelling van deze tarieven en hun berekeningen aan te passen op basis van verschillende parameters, zonder dat zij bovendien verplicht zijn om bij deze berekeningen de inflatie en/of de vennootschapsbelasting in aanmerking te nemen.
87 Voor zover de inaanmerkingneming van het rendement op kapitaal overeenkomt met een „passende stimulans” in de zin van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 kan het argument van de Letse regulerende instantie dat een nationale regeling die een nationale regulerende instantie verbiedt de berekening van het rendement op kapitaal aan te passen op basis van de individuele bedrijfsindicatoren van de beheerders, verenigbaar is met de doelstellingen van artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73, daarentegen niet slagen.
88 Afgezien van het feit dat een dergelijke uitlegging in strijd zou zijn met de ruime beoordelingsmarge waarover de nationale regulerende instanties beschikken bij het onderzoek van complexe technische en economische parameters, moet namelijk worden vastgesteld dat de in artikel 41, lid 8, bedoelde „passende stimulansen” het onder meer mogelijk moeten maken de efficiëntie van de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen te verbeteren en dus moeten kunnen worden aangepast op basis van de bedrijfsindicatoren van die beheerders in het verleden. Een dergelijke aanpassing kan niet a priori in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel, aangezien zij kan worden gerechtvaardigd door objectieve overwegingen of door het feit dat de situaties van de verschillende systeembeheerders, juist wegens objectief gedocumenteerde verschillen tussen hun bedrijfsindicatoren in het verleden, niet vergelijkbaar zijn.
89 Gelet op de vragen van de verwijzende rechter moet hieraan worden toegevoegd dat wanneer de beoordeling van de verschillende parameters voor de berekening van de tarieven die door de nationale regulerende instanties is verricht krachtens artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 wordt betwist door de entiteiten waarop deze tarieven van toepassing zijn, bij deze beoordeling geen derde, zoals een expertisebureau, kan worden betrokken.
90 Wat dit betreft volstaat het eraan te herinneren dat artikel 39, lid 4, van richtlijn 2009/73, gelezen in het licht van overweging 30 van die richtlijn, bepaalt dat deze instanties hun bevoegdheden onafhankelijk van enige publieke of private entiteit moeten uitoefenen en hun besluiten onafhankelijk en uitsluitend op basis van het algemeen belang moeten nemen, zonder daarbij onderworpen te zijn aan externe instructies van andere publieke of particuliere instanties [zie naar analogie arrest van 2 september 2021, Commissie/Duitsland (Omzetting van de richtlijnen 2009/72 en 2009/73), C‑718/18, EU:C:2021:662, punt 109 en aldaar]. Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft aangegeven, doet de inachtneming van de onafhankelijkheid van de nationale regulerende instantie bij de uitoefening van haar bevoegdheden echter geen afbreuk aan de eventuele mogelijkheid voor de betrokken systeembeheerders om zich ter ondersteuning van hun vorderingen voor de regulerende instantie of, in geval van beroep in rechte, voor de nationale rechterlijke instanties te beroepen op deskundigenverslagen van derden, voor zover dit krachtens de nationale wetgeving is toegestaan, met inachtneming van met name het beginsel van hoor en wederhoor. Evenzo staat het de nationale regulerende instantie of, in geval van beroep in rechte, de bevoegde nationale rechter overigens vrij om een of meer onafhankelijke deskundigen aan te stellen om hen bij te staan bij hun taken.
91 Gelet op een en ander moeten artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 aldus worden uitgelegd dat de verplichting die deze bepalingen aan de nationale regulerende instanties opleggen om bij de vaststelling van de tarieven of de berekeningsmethoden die gelden voor de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen te zorgen voor „passende stimulansen” en voor de „nodige winst op de investeringen”, niet inhoudt dat zij voor de berekening van de tarieven alleen specifieke methoden mogen gebruiken, zoals de in de financiële sector toegepaste WACC-methode, de kapitaalkosten moeten vergelijken met die van andere niet-gereglementeerde ondernemingen, en aanpassingen moeten doen om onder meer rekening te houden met de inflatie en/of de vennootschapsbelasting.
92 Wel moet artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 aldus worden uitgelegd dat de nationale regulerende instantie, wanneer zij voorziet in „passende stimulansen” in de zin van deze bepaling, rekening moet houden met de individuele bedrijfsindicatoren van de betrokken beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen in het verleden.
93 Voorts moet artikel 39, lid 4, van richtlijn 2009/73 aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat wanneer de beoordeling van de parameters voor de berekening van de tarieven van de betrokken beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen, die door de nationale regulerende instantie is verricht krachtens artikel 41, lid 8, van die richtlijn en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009, door die beheerders wordt betwist, bij deze beoordeling geen derde kan worden betrokken die zijn verslag uitsluitend op verzoek van een van die beheerders heeft opgesteld.
Kosten
94 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG, en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1775/2005 moeten aldus worden uitgelegd dat de tariefbeginselen waarin deze bepalingen voorzien niet van toepassing zijn op de aardgasopslaginstallaties van een lidstaat, onverminderd de mogelijkheid voor de nationale regulerende instanties om deze tariefbeginselen tot die installaties uit te breiden om objectief gerechtvaardigde redenen.
2) Artikel 41, leden 8 en 16, van richtlijn 2009/73 moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke „passende stimulansen” in de zin van dit artikel 41, lid 8, reeds worden gewaarborgd wanneer de door de gebruikers betaalde tarieven de economisch verantwoorde kosten van de openbare dienst dekken en de winstgevendheid garanderen, althans voor een minimumbedrag, zonder dat de nationale regulerende instantie verplicht is om te motiveren hoe zij ervoor zorgt dat de aardgastransmissie‑ en ‑distributiesysteembeheerders „passende stimulansen” krijgen, tenzij die nationale regeling in overeenstemming met dat artikel 41, leden 8 en 16, kan worden uitgelegd.
3) Artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009 moeten aldus worden uitgelegd dat de verplichting die deze bepalingen aan de nationale regulerende instanties opleggen om bij de vaststelling van de tarieven of de berekeningsmethoden die gelden voor de beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen te zorgen voor „passende stimulansen” en voor de „nodige winst op de investeringen”, niet inhoudt dat zij voor de berekening van de tarieven alleen specifieke methoden mogen gebruiken, zoals de in de financiële sector toegepaste methode van de gewogen gemiddelde kapitaalkost, de kapitaalkosten moeten vergelijken met die van andere niet-gereglementeerde ondernemingen, en aanpassingen moeten doen om onder meer rekening te houden met de inflatie en/of de vennootschapsbelasting.
4) Artikel 41, lid 8, van richtlijn 2009/73 moet aldus worden uitgelegd dat de nationale regulerende instantie, wanneer zij voorziet in „passende stimulansen” in de zin van deze bepaling, rekening moet houden met de individuele bedrijfsindicatoren van de betrokken beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen in het verleden.
5) Artikel 39, lid 4, van richtlijn 2009/73 moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat wanneer de beoordeling van de parameters voor de berekening van de tarieven van de betrokken beheerders van aardgastransmissie‑ en ‑distributiesystemen, die door de nationale regulerende instantie is verricht krachtens artikel 41, lid 8, van die richtlijn en artikel 13, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 715/2009, door die beheerders wordt betwist, bij deze beoordeling geen derde kan worden betrokken die zijn verslag uitsluitend op verzoek van een van die beheerders heeft opgesteld.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 26 juni 2025, C-555/23, ECLI:EU:C:2025:484
- HvJ EU 25 februari 2025, C-146/23, ECLI:EU:C:2025:109
- HvJ EU 25 januari 2024, C-277/22, ECLI:EU:C:2024:78
- HvJ EU 8 maart 2022, C-205/20, ECLI:EU:C:2022:168
- HvJ EU 2 september 2021, C-718/18, ECLI:EU:C:2021:662
- HvJ EU 5 maart 2020, C-679/18, ECLI:EU:C:2020:167
- HvJ EU 19 december 2019, C-236/18, ECLI:EU:C:2019:1120
- HvJ EU 12 december 2019, C-376/18, ECLI:EU:C:2019:1068
- HvJ EU 6 oktober 2015, C-508/14, ECLI:EU:C:2015:657