HvJ EU 19 juni 2025, C-509/23, ECLI:EU:C:2025:466

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

19 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering – Richtlijn (EU) 2015/849 – Artikel 3, punt 11, onder a) – Naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon – Definitie – Artikel 45, leden 1 en 8 – Meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van een groep – Delen van informatie binnen deze groep – Toepassing van de besluiten van een andere meldingsplichtige entiteit van die groep – Artikel 14, leden 1 en 8 – Door de meldingsplichtige entiteiten uit te voeren doorlopende monitoring van de cliënten – Artikel 11, onder d) – Verscherpte onderzoeksmaatregelen ten aanzien van cliënten van aanbieders van kansspeldiensten”

In zaak C‑509/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) bij beslissing van 7 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 8 augustus 2023, in de procedure

„Laimz” SIA

tegen

Izložu un azartspēļu uzraudzības inspekcija,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Kumin (rapporteur) en I. Ziemele, rechters,

advocaat-generaal: P. Pikamäe,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– „Laimz” SIA, vertegenwoordigd door E. Jonins, zvērināta advokāta palīgs,

– de Letse regering, vertegenwoordigd door J. Davidoviča, K. Pommere en I. Romanovska als gemachtigden,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine en M. Pere als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin, I. Naglis en G. von Rintelen als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, artikel 3, punt 9, punt 11, onder a), punten 12 en 15, artikel 8, lid 2, artikel 11, onder d), artikel 14, lid 5, en artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 (PB 2018, L 156, blz. 43; hierna: „richtlijn 2015/849”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Laimz” SIA, een aanbieder van kansspeldiensten, en de Izložu un azartspēļu uzraudzības inspekcija (inspectie- en toezichtsdienst voor kansspelen, Letland) (hierna: „inspectiedienst”) over een financiële sanctie die aan deze onderneming is opgelegd wegens inbreuken op de nationale bepalingen inzake de voorkoming van het witwassen van geld en terrorismefinanciering.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 1, 4, 21, 22, 30 tot en met 33 en 35 van richtlijn 2015/849 luiden: „(1) [...] Het witwassen van geld, terrorismefinanciering en de georganiseerde misdaad blijven aanzienlijke problemen die op het niveau van de [Europese] Unie moeten worden aangepakt. Naast de verdere uitbouw van de strafrechtelijke benadering op het niveau van de Unie, is doelgerichte en evenwichtige preventie van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering onontbeerlijk en deze kan extra resultaten opleveren. [...] (4) Witwassen en terrorismefinanciering vinden gewoonlijk in een internationale context plaats. Maatregelen die uitsluitend op nationaal niveau of zelfs op het niveau van de Unie zonder internationale coördinatie en samenwerking worden getroffen, zouden een zeer beperkte uitwerking hebben. De door de Unie op dat gebied vast te stellen maatregelen dienen derhalve verenigbaar te zijn met en minstens even streng te zijn als andere in de internationale gremia ondernomen acties. In het optreden van de Unie moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de [...] aanbevelingen [van de Financial Action Task Force (FATF, financiële actiegroep witwassen van geld)] en met de instrumenten van andere internationale organen voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Met het oog op een doelmatiger bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering moeten de relevante rechtshandelingen van de Unie in voorkomend geval worden afgestemd op de door de FATF in februari 2012 vastgestelde International Standards on Combating Money Laundering and the Financing of Terrorism and Proliferation (de ‚herziene FATF-aanbevelingen’). [...] (21) Het gebruik van de diensten van de kansspelsector om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen, is zorgwekkend. Om de risico’s in verband met kansspeldiensten te beperken, dient deze richtlijn te voorzien in de verplichting voor aanbieders van kansspeldiensten waaraan een hoger risico is verbonden, cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen voor afzonderlijke transacties van 2000 EUR of meer. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat meldingsplichtige entiteiten dezelfde drempel toepassen op het ophalen van de prijs, het aangaan van weddenschappen, met inbegrip van het aankopen en verkopen van speelpenningen, of beide. Aanbieders van kansspeldiensten met fysieke lokalen, zoals casino’s en speelhuizen, moeten ervoor zorgen dat cliëntenonderzoek, als het bij de ingang van de lokalen plaatsvindt, aan de door de cliënt in die lokalen aangegane transacties kan worden gekoppeld. In bepaalde omstandigheden waaraan een bewezen laag risico is verbonden, moet het de lidstaten evenwel worden toegestaan om bepaalde kansspeldiensten van sommige of alle voorschriften van deze richtlijn vrij te stellen. Het gebruik van een vrijstelling door een lidstaat zou alleen mogen worden overwogen in strikt beperkte en gerechtvaardigde omstandigheden, en indien het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering gering zijn. Dergelijke vrijstellingen moeten aan een specifieke risicobeoordeling worden onderworpen, waarbij tevens wordt nagegaan hoe hoog het aan de transacties in kwestie verbonden risico is. De vrijstellingen moeten aan de [Europese] Commissie worden gemeld. De lidstaten moeten in de risicobeoordeling aangeven hoe zij rekening hebben gehouden met de toepasselijke bevindingen van de Commissie in de door haar in het kader van de supranationale risicobeoordeling opgestelde verslagen. (22) Het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering kunnen van geval tot geval variëren. Bijgevolg moet een integrale op risico gebaseerde benadering worden gebruikt. De op risico gebaseerde benadering is niet een al te vrijblijvende optie voor de lidstaten en meldingsplichtige autoriteiten. Zij gaat gepaard met het gebruik van empirisch onderbouwde besluitvorming om het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering waarmee de Unie en degenen die daarin opereren geconfronteerd worden, efficiënter aan te pakken. [...] (30) Risico is van nature variabel en de variabelen kunnen afzonderlijk of in onderlinge combinatie het potentiële risico verhogen of verlagen, en aldus van invloed zijn op het passende niveau van preventieve maatregelen, zoals cliëntenonderzoeksmaatregelen. Er zijn derhalve omstandigheden waarin verscherpt cliëntenonderzoek moet worden toegepast en andere omstandigheden waarin vereenvoudigd cliëntenonderzoek passend kan zijn. (31) Erkend moet worden dat sommige situaties een groter witwasrisico of risico van terrorismefinanciering vertegenwoordigen. Hoewel de identiteit en het zakelijk profiel van alle cliënten dienen te worden vastgesteld, zijn er gevallen waarin bijzonder strikte cliëntidentificatie- en cliëntverificatieprocedures vereist zijn. (32) Dit geldt in het bijzonder in het geval van relaties met individuele personen die binnen de Unie of op internationaal niveau een prominente publieke functie bekleden of bekleed hebben, [...]. Dergelijke relaties kunnen voor de financiële sector vooral een groot reputatierisico en juridisch risico behelzen. Ook de internationale inspanning ter bestrijding van corruptie rechtvaardigt bijzondere aandacht voor dergelijke personen en de toepassing van passende maatregelen inzake verscherpt cliëntenonderzoek ten aanzien van personen die in eigen land of in het buitenland een prominente publieke functie bekleden of bekleed hebben en ten aanzien van hooggeplaatsten bij internationale organisaties. (33) De voorschriften betreffende politiek prominente personen [(hierna: ‚PPP’s’)] zijn preventief en niet strafrechtelijk van aard en dienen niet te worden opgevat als zouden [PPP’s] per definitie in criminele activiteiten verwikkeld zijn. Een zakelijke relatie met een persoon afwijzen, louter op grond van de vaststelling dat hij of zij [...] een [PPP] is, druist in tegen de letter en de geest van deze richtlijn en van de herziene FATF-aanbevelingen. [...] (35) Om te vermijden dat cliëntidentificatieprocedures worden overgedaan, hetgeen tot vertragingen en inefficiëntie in de zakelijke activiteiten zou leiden, is het passend om, mits passende waarborgen, toe te staan dat cliënten die reeds elders zijn geïdentificeerd bij meldingsplichtige entiteiten worden geïntroduceerd. Indien een meldingsplichtige entiteit zich op een derde verlaat, dient de eindverantwoordelijkheid voor het cliëntonderzoek bij de meldingsplichtige entiteit waarbij de cliënt is geïntroduceerd te blijven. De derde, of de persoon die de cliënt heeft geïntroduceerd, moet, voor zover hij met de cliënt een relatie onderhoudt die onder deze richtlijn valt, zelf eveneens verantwoordelijk blijven voor de naleving van deze richtlijn, waaronder het voorschrift om verdachte transacties te melden en gegevens te bewaren.”

4 Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn is als volgt verwoord: „Deze richtlijn heeft ten doel het gebruik van het financiële stelsel van de Unie voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering te voorkomen.”

5 Artikel 2, lid 1, van die richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op de volgende meldingsplichtige entiteiten: [...] 3. de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van hun beroepsactiviteiten: [...] f) aanbieders van kansspeldiensten; [...]”

6 Artikel 3 van diezelfde richtlijn luidt als volgt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 9. ‚[PPP]’: een persoon die een prominente publieke functie bekleedt of bekleed heeft, zoals: a) staatshoofden, regeringsleiders, ministers, onderministers en staatssecretarissen; b) parlementsleden en leden van soortgelijke wetgevende organen; c) leden van bestuurslichamen van politieke partijen; d) leden van hooggerechtshoven, constitutionele hoven of van andere hoge rechterlijke instanties die arresten wijzen waartegen geen beroep openstaat, behalve in uitzonderlijke omstandigheden; e) leden van rekenkamers of van raden van bestuur van centrale banken; f) ambassadeurs, zaakgelastigden en hoge officieren van de strijdkrachten; g) leden van het leidinggevend, toezichthoudend of bestuurslichaam van staatsbedrijven; h) bestuurders, plaatsvervangend bestuurders en leden van de raad van bestuur of bekleders van een gelijkwaardige functie bij een internationale organisatie. Middelbare of lagere ambtenaren vallen niet onder de in de punten a) tot en met h) bedoelde publieke functies; [...] 11. ‚personen bekend als naaste geassocieerden’: a) natuurlijke personen van wie bekend is dat deze met een [PPP] de gezamenlijke uiteindelijk begunstigden zijn van juridische entiteiten of juridische constructies, of met een [PPP] andere nauwe zakelijke relaties heeft; b) natuurlijke personen die als enige de uiteindelijk begunstigden zijn van een juridische entiteit of juridische constructie waarvan bekend is dat deze is opgezet ten behoeve van de feitelijke begunstiging van een [PPP]. 12. ‚hoger leidinggevend personeel’: functionarissen of werknemers met voldoende kennis van de blootstelling van een instelling aan het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering en met voldoende anciënniteit om beslissingen te nemen die van invloed zijn op die blootstelling; hierbij hoeft het niet noodzakelijk om een lid van de raad van bestuur te gaan; 13. ‚zakelijke relatie’: een zakelijke, professionele of commerciële relatie die verband houdt met de professionele activiteiten van een meldingsplichtige entiteit en waarvan op het tijdstip dat het contact wordt gelegd wordt aangenomen dat zij enige tijd zal duren; 14. ‚kansspeldiensten’: diensten die gepaard gaan met het aangaan van een weddenschap waarbij een geldbedrag wordt ingezet in kansspelen, daaronder begrepen die welke enige bekwaamheid vereisen zoals loterijen, casinospelen, poker en weddenschapstransacties, die worden aangeboden op een fysieke locatie, dan wel op afstand met eender welk middel, langs elektronische weg of met enig andere communicatietechnologie, en op individueel verzoek van een afnemer van diensten; 15. ‚groep’: een groep van ondernemingen bestaande uit een moederonderneming, haar dochterondernemingen en de entiteiten waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen een deelneming hebben, alsook ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 22 van richtlijn 2013/34/EU [van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van [de] richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19)]; [...]”

7 Artikel 8 van richtlijn 2015/849 bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de meldingsplichtige entiteiten de nodige stappen ondernemen om hun witwasrisico en risico van terrorismefinanciering te identificeren en te beoordelen, rekening houdend met risicofactoren zoals die welke verband houden met hun cliënten, landen of geografische gebieden, producten, diensten, transacties en leveringskanalen. Deze stappen zijn evenredig met de aard en omvang van de meldingsplichtige entiteiten. 2. De in lid 1 bedoelde risicobeoordelingen worden gedocumenteerd, actueel gehouden en beschikbaar gesteld aan de ter zake bevoegde autoriteiten en de betrokken zelfregulerende organen. De bevoegde autoriteiten kunnen besluiten dat afzonderlijke gedocumenteerde risicobeoordelingen niet vereist zijn, indien de aan de sector inherente specifieke risico’s duidelijk en inzichtelijk zijn. 3. De lidstaten zorgen ervoor dat de meldingsplichtige entiteiten beschikken over gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures om het op het niveau van de Unie, van de lidstaten en van de meldingsplichtige entiteiten geïdentificeerde witwasrisico en risico van terrorismefinanciering te beperken en effectief te beheren. Die gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures zijn evenredig met de aard en omvang van de meldingsplichtige entiteiten. 4. De in lid 3 bedoelde gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures omvatten: a) de ontwikkeling van interne gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures, daaronder begrepen model-risicobeheerpraktijken, cliëntenonderzoek, rapportage, bewaring van bewijsstukken, interne controle, nalevingsbeheer (daaronder begrepen, voor zover passend gezien de omvang en de aard van het bedrijf, de aanstelling van een nalevingsfunctionaris op managementniveau) en doorlichting van medewerkers; b) voor zover passend gezien de omvang en de aard van het bedrijf, een onafhankelijke auditfunctie om de onder a) bedoelde interne gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures te testen. 5. De lidstaten verlangen dat de meldingsplichtige entiteiten van hun hoger leidinggevend personeel goedkeuring verkrijgen voor de gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures die zij invoeren en dat zij waar nodig de genomen maatregelen monitoren en aanscherpen.”

8 Artikel 11 van deze richtlijn bepaalt het volgende: „De lidstaten zorgen ervoor dat de meldingsplichtige entiteiten in de volgende omstandigheden cliëntenonderzoeksmaatregelen toepassen: a) wanneer zij een zakelijke relatie aangaan; [...] d) voor aanbieders van kansspeldiensten, wanneer zij bij het ophalen van prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, transacties ten bedrage van 2000 EUR of meer verrichten, ongeacht of de transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan; [...] f) wanneer wordt betwijfeld of de eerder verkregen cliëntidentificatiegegevens waarheidsgetrouw of toereikend zijn.”

9 In artikel 13, leden 1, 2 en 4, van die richtlijn wordt het volgende bepaald: „1. De cliëntenonderzoeksmaatregelen omvatten: a) de identificatie van de cliënt en de verificatie van zijn identiteit op basis van documenten, gegevens of informatie uit een betrouwbare en onafhankelijke bron, met inbegrip van, voor zover beschikbaar, elektronische identificatiemiddelen, relevante vertrouwensdiensten zoals vastgesteld in verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad [van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG (PB 2014, L 257, blz. 73)], of ieder ander identificatieproces dat veilig is, op afstand of langs elektronische weg plaatsvindt en door de relevante nationale autoriteiten is gereglementeerd, erkend, goedgekeurd of aanvaard; b) de identificatie van de uiteindelijk begunstigde en het nemen van redelijke maatregelen om de identiteit van die persoon te verifiëren, zodat de meldingsplichtige entiteit ervan overtuigd is dat zij weet wie de uiteindelijk begunstigde is, en, wanneer het rechtspersonen, trusts, vennootschappen, stichtingen en soortgelijke juridische constructies betreft, het nemen van redelijke maatregelen om inzicht te verwerven in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt. [...]; c) het beoordelen en, in voorkomend geval, inwinnen van informatie over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie; d) het doorlopend monitoren van de zakelijke relatie, met inbegrip van een nauwlettende controle van de tijdens de gehele duur van deze relatie verrichte transacties, om ervoor te zorgen dat deze stroken met de kennis die de meldingsplichtige entiteit heeft van de cliënt en van het zakelijk en risicoprofiel, indien noodzakelijk met inbegrip van de oorsprong van de geldmiddelen, en het actueel houden van de in haar bezit zijnde documenten, gegevens of informatie. [...] 2. De lidstaten zorgen ervoor dat meldingsplichtige entiteiten alle in lid 1 vastgelegde cliëntenonderzoeksvoorschriften uitvoeren. Meldingsplichtige entiteiten kunnen evenwel op basis van de risicogevoeligheid bepalen hoe verstrekkend die maatregelen zijn. [...] 4. De lidstaten zorgen ervoor dat de meldingsplichtige entiteiten tegenover de bevoegde autoriteiten of de zelfregulerende organen kunnen aantonen dat de maatregelen in verhouding staan tot het geïdentificeerde witwasrisico of risico van terrorismefinanciering.”

10 Artikel 14, lid 5, van diezelfde richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten verlangen dat meldingsplichtige entiteiten cliëntenonderzoeksmaatregelen niet alleen toepassen op alle nieuwe cliënten, maar te gepasten tijde ook op bestaande cliënten naargelang van de risicogevoeligheid van deze cliënten, of wanneer de relevante omstandigheden van een cliënt veranderen, of wanneer de meldingsplichtige entiteit wettelijk verplicht is in de loop van het betrokken kalenderjaar contact op te nemen met de cliënt voor het evalueren van relevante informatie met betrekking tot de uiteindelijk begunstigde(n), of indien de meldingsplichtige entiteit hiertoe verplicht was uit hoofde van richtlijn 2011/16/EU van de Raad [van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG (PB 2011, L 64, blz. 1)].”

11 Artikel 20 van richtlijn 2015/849 bepaalt: „Ten aanzien van transacties of zakelijke relaties met [PPP’s] verlangen de lidstaten, naast de cliëntenonderzoeksmaatregelen als vastgelegd in artikel 13, dat meldingsplichtige entiteiten: a) over passende risicobeheersystemen, inclusief op risico gebaseerde procedures, beschikken om te bepalen of de cliënt, of de uiteindelijk begunstigde van de cliënt, een [PPP] is; b) in gevallen van zakelijke relaties met [PPP’s], de volgende maatregelen toepassen: i) toestemming verkrijgen van het hoger leidinggevend personeel om zakelijke relaties met dergelijke personen aan te gaan of voort te zetten; ii) passende maatregelen nemen om de bron vast te stellen van het vermogen en van de geldmiddelen die bij zakelijke relaties of transacties met zulke personen worden gebruikt; iii) die zakelijke relaties doorlopend aan verscherpte monitoring onderwerpen.”

12 Artikel 23 van deze richtlijn bepaalt dat de maatregelen bedoeld in de artikelen 20 en 21 ervan ook van toepassing zijn op de familieleden van PPP’s en op „personen bekend als naaste geassocieerden van [PPP’s].”

13 Artikel 45, leden 1 en 8, van die richtlijn luidt: „1. De lidstaten verlangen van meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van een groep dat zij op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures toepassen, daaronder begrepen gedragslijnen inzake gegevensbescherming en gedragslijnen en procedures voor het delen van informatie binnen de groep [ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering]. Die gedragslijnen en procedures worden op effectieve wijze ten uitvoer gelegd door de bijkantoren en meerderheidsdochters in de lidstaten en in derde landen. [...] 8. De lidstaten zorgen ervoor dat het delen van informatie binnen de groep toegestaan is. Informatie over aan de [financiële-inlichtingeneenheid (FIE)] gemelde vermoedens dat geldmiddelen opbrengsten van criminele activiteiten zijn of met terrorismefinanciering verband houden, wordt gedeeld binnen de groep, tenzij de FIE andersluidende instructies geeft.”

Lets recht

14 De Noziedzīgi iegūtu līdzekļu legalizācijas un terorisma un proliferācijas finansēšanas novēršanas likums (wet ter voorkoming van het witwassen van geld en terrorismefinanciering en nucleaire proliferatie) van 17 juli 2008 (Latvijas Vēstnesis, 2008, nr. 116) (hierna: „preventiewet”) is gewijzigd om richtlijn 2015/849 in de Letse rechtsorde om te zetten.

15 Artikel 1 van deze wet, in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding, bepaalt: „In deze wet worden de volgende termen gebruikt: [...] 21) groep: een groep van rechtspersonen of juridische constructies; a) die bestaat uit een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, alsmede constructies waarin de moedermaatschappij of de dochteronderneming een deelneming heeft, [...] [...] 81) hoger leidinggevend personeel: de raad van bestuur, indien van toepassing, of een bestuurder, functionaris of werknemer die specifiek door de raad van bestuur is benoemd, met voldoende kennis van de blootstelling van de meldingsplichtige entiteit aan het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering en proliferatie, en met een voldoende hoge hiërarchische positie om beslissingen te nemen die van invloed zijn op de blootstelling van die entiteit aan dat risico; [...] 18) een [PPP]: een persoon die een belangrijk openbaar ambt bekleedt of heeft bekleed in de Republiek Letland, in een andere lidstaat of in een derde land, met inbegrip van de hoogste overheidsfunctionarissen, de hoofden van een administratieve eenheid van de staat (of de gemeente), de regeringsleiders, de ministers (gedelegeerde of plaatsvervangende ministers indien een dergelijke functie in het betrokken land bestaat), de staatssecretaris of andere hoge ambtenaren van de regering of van een bestuurlijke eenheid van de staat (of de gemeente); parlementariërs of leden van soortgelijke wetgevende organen, leden van de bestuurs- of bestuursorganen van politieke partijen, rechters van constitutionele hoven, hooggerechtshoven of andere niveaus van rechterlijke macht (leden van rechterlijke organen), leden van de bestuurs- of leidinggevende organen van de hoge controle-instanties (audit), leden van de raden of directeuren van centrale banken, ambassadeurs, zaakgelastigden, hoge officieren van de strijdkrachten, leden van de bestuurs- of leidinggevende organen van overheidsbedrijven, hoofden (directeuren, adjunct-directeuren) en leden van de raad van bestuur van een internationale organisatie, of personen die daarin een gelijkwaardige positie bekleden; [...] 182) een naaste geassocieerde van een [PPP]: een natuurlijke persoon die bekend is om een zakelijke of andere nauwe relatie te onderhouden met een van de in punt 18 van dit artikel bedoelde personen [...]”.

16 Artikel 3 van die wet heeft als opschrift „Toepassingsgebied van de wet” en bepaalt in de leden 1 tot en met 21: 1. De aan deze wet onderworpen entiteiten zijn personen die een van de volgende bedrijfs- of beroepsactiviteiten uitoefenen: [...] 7) organisatoren van loterijen en kansspelen; [...] 2. Meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van een groep zorgen ervoor dat zij op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures toepassen, daaronder begrepen gedragslijnen inzake behandeling van gegevens van natuurlijke personen en gedragslijnen en procedures voor het delen van informatie binnen de groep ter bestrijding van witwassen van geld, terrorismefinanciering en nucleaire proliferatie. Deze gedragslijnen en procedures op groepsniveau worden tevens op effectieve wijze ten uitvoer gelegd door de bijkantoren en meerderheidsdochters van de meldingsplichtige entiteiten in de lidstaten en in derde landen. 21) Meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van een groep zorgen ervoor dat, op groepsniveau, de structurele entiteiten die zijn belast met de taken van naleving, audit of bestrijding van witwassen van geld, terrorismefinanciering en nucleaire proliferatie, toegang hebben tot de noodzakelijke informatie vanwege bijkantoren en dochters voor de uitoefening van die taken, met inbegrip van informatie over cliënten, rekeningen en betalingen.”

17 Artikel 10 van diezelfde wet heeft als opschrift „Aanwijzing van de werknemers die belast zijn met de naleving van de vereisten van deze wet” en bepaalt in lid 1: „Meldingsplichtige entiteiten, rechtspersonen, wijzen een of meer werknemers aan (personen die belast zijn met de naleving van de vereisten op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld, terrorismefinanciering en nucleaire proliferatie), met name uit hoger leidinggevend personeel, die bevoegd zijn om beslissingen te nemen en die rechtstreeks zijn belast met de naleving van de vereisten van deze wet en met het delen van informatie met de bevoegde toezichthoudende autoriteit [...].”

18 Artikel 11 („Cliëntenonderzoeksvoorschriften”) van de preventiewet bepaalt in lid 1: „De meldingsplichtige entiteit past cliëntenonderzoeksmaatregelen toe: 1) voordat een zakelijke relatie wordt aangegaan; [...] 4) wanneer de meldingsplichtige entiteit die loterijen en kansspelen organiseert, een transactie met een cliënt verricht voor een bedrag van 2000 EUR of meer, onder meer indien de cliënt wint, deelnamen aan het spel of loterijtickets koopt, of daartoe vreemde valuta inwisselt, ongeacht of deze transactie in één keer dan wel in de vorm van meerdere met elkaar verband houdende handelingen wordt verricht; [...]”

19 Artikel 111 van deze wet heeft als opschrift „Cliëntenonderzoeksmaatregelen en risicofactoren” en bepaalt in de leden 1, 2, 6 en 7: „1. Cliëntenonderzoeksmaatregelen vormen een reeks risicobeoordelingsmaatregelen waarbij de meldingsplichtige entiteit: 1) de cliënt identificeert en de verkregen identificatiegegevens verifieert; [...] 5) ervoor zorgt dat de in de loop van het cliëntenonderzoek met betrekking tot de cliënt verkregen documenten, persoonsgegevens en informatie worden bewaard en periodiek, maar ten minste elke vijf jaar, worden geëvalueerd en geactualiseerd met inachtneming van de geïdentificeerde risico’s. 2. Bij het bepalen van de reikwijdte en de procedure van cliëntenonderzoek, evenals de regelmatigheid van het onderzoek van documenten, persoonsgegevens en informatie die in het kader van het cliëntenonderzoek zijn verkregen, houdt de meldingsplichtige entiteit rekening met het risico van witwassen van geld en terrorismefinanciering in verband met de cliënt, zijn woonstaat (vestiging), zijn economische of persoonlijke activiteit, de gebruikte diensten en goederen en de toeleveringsketens ervan, alsmede met de aangegane transacties. [...] 6. Bij het aangaan van een zakelijke relatie verkrijgt en documenteert de meldingsplichtige entiteit op basis van een beoordeling van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering en nucleaire proliferatie informatie over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie, met inbegrip van de diensten die de cliënt voornemens is te gebruiken, het aantal en het volume van de voorgenomen transacties, het soort economische of persoonlijke activiteit van de cliënt in het kader waarvan de cliënt gebruik zal maken van de diensten en, in voorkomend geval, de herkomst van de middelen van de cliënt en de herkomst van het vermogen dat kenmerkend is voor de financiële situatie van de cliënt. 7. De meldingsplichtige entiteit past cliëntenonderzoeksmaatregelen niet alleen toe bij het aangaan van een zakelijke relatie, maar ook tijdens die relatie (ook voor bestaande cliënten) volgens een op risico gebaseerde benadering [...].”

20 Artikel 25 van die wet heeft als opschrift „Zakelijke relaties met een [PPP], een familielid van een [PPP] of een naaste geassocieerde van een [PPP]” en bepaalt in lid 2: „Het interne controlesysteem van de meldingsplichtige entiteit, dat is gebaseerd op een risicobeoordeling, biedt de mogelijkheid om vast te stellen dat een cliënt die bij het aangaan van een zakelijke relatie geen [PPP] is, geen familielid van een [PPP] is of geen naaste geassocieerde van een [PPP] is, een dergelijke persoon wordt nadat de zakelijke relatie is aangegaan.”

21 Artikel 29 van die wet heeft als opschrift „Erkenning en aanvaarding van de resultaten van een cliëntenonderzoek” en bepaalt in lid 1: „Kredietinstellingen en financiële instellingen kunnen de resultaten van een cliëntenonderzoek naar de naleving van de in artikel 111, lid 1, punten 1 tot en met 3, van deze wet bedoelde maatregelen, dat wordt uitgevoerd door kredietinstellingen en financiële instellingen van lidstaten of derde landen, erkennen en aanvaarden mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan: [...].”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22 Laimz is een in Letland gevestigde onderneming waarvan de handelsactiviteit bestaat in de organisatie van kansspelen. Het maatschappelijk kapitaal van deze onderneming is volledig in handen van „Optibet” SIA, eveneens een in Letland gevestigde onderneming met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de handelsactiviteit ook bestaat in de organisatie van kansspelen. Beide ondernemingen maken deel uit van de in Zweden gevestigde groep Enlabs AB. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Laimz een meldingsplichtige entiteit is in de zin van de preventiewet, die strekt tot omzetting van richtlijn 2015/849.

23 Op 2 maart 2020 sloot Optibet, die met een onderneming was overeengekomen dat deze haar gepubliceerde en openbaar beschikbare gegevens zou verstrekken over risicobeoordeling en risicobeheer overeenkomstig de vereisten van de preventiewet, een overeenkomst met Laimz waarbij Optibet zich ertoe verbond deze gegevens aan Laimz te verstrekken, teneinde binnen deze groep van ondernemingen te zorgen voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van middelen en een uniforme naleving van de voorschriften van de preventiewet.

24 Op 23 augustus 2021 begon Laimz interactieve kansspeldiensten aan te bieden aan een voormalige cliënt van Optibet (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde cliënt”).

25 Op 31 januari 2022 heeft Laimz ten aanzien van deze cliënt verscherpte onderzoeksmaatregelen genomen door hem om aanvullende informatie te verzoeken. Daarbij baseerde zij zich op zijn spelgewoonten, de bedragen van zijn weddenschappen en de gegevens die Optibet over hem had verstrekt toen hij daar cliënt was. Daarnaast heeft Laimz een besluit toegepast dat het hoger leidinggevend personeel van Optibet op 27 maart 2020 had genomen met betrekking tot de voortzetting van de cliëntenrelatie.

26 In februari en maart 2022 heeft de inspectiedienst een controle verricht bij Laimz. In het verslag dat na afloop van deze controle is opgesteld, werd erop gewezen dat Laimz in 2020, 2021 en 2022 geen zakelijke relaties heeft vastgesteld met naaste geassocieerden van PPP’s. Tevens werd opgemerkt dat Laimz, nadat op 26 augustus 2021 de drempel van 2000 EUR was bereikt, geen onderzoek had verricht naar de in het hoofdgeding aan de orde zijnde cliënt. Zo had zij hem niet verzocht om informatie over de bron en de hoogte van zijn inkomen, noch over zijn budget voor kansspelen. Ook had Laimz niet vastgesteld of de cliënt een naaste geassocieerde van een PPP was, noch deze informatie geverifieerd in openbaar beschikbare databanken om bijkomende risicofactoren in kaart te brengen.

27 Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de inspectiedienst Laimz een geldboete van 52263,90 EUR opgelegd, hetgeen overeenkwam met 5 % van de netto-omzet in 2020. Deze sanctie werd opgelegd op grond van het feit dat Laimz het systeem van interne controle van cliënten niet correct had toegepast en geen cliëntenonderzoek had verricht. Deze dienst was van mening dat die onderneming een autonome en onafhankelijke beoordeling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde cliënt had moeten uitvoeren, en zich niet had moeten baseren op een beoordeling door een andere onderneming, namelijk Optibet. De inspectiedienst heeft tevens in herinnering gebracht dat deze cliënt werd beschouwd als een naaste geassocieerde van een PPP, aangezien hij samen met die PPP de functie van lid van het uitvoerend orgaan van een vereniging vervulde.

28 Op 18 juli 2022 heeft Laimz beroep ingesteld tegen dat besluit bij de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dat beroep heeft Laimz aangevoerd dat zij gerechtigd was om de informatie die zij krachtens de in punt 23 van het onderhavige arrest genoemde overeenkomst van 2 maart 2020 van Optibet had verkregen, evenals de besluiten van het hoger leidinggevend personeel van Optibet, te gebruiken en toe te passen op haar eigen zakelijke relatie met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde cliënt.

29 Voorts heeft Laimz de inspectiedienst verweten dat hij zijn conclusie dat deze cliënt een naaste geassocieerde van een PPP was, uitsluitend had gebaseerd op het feit dat beiden lid waren van dezelfde vereniging, zonder een individuele en omstandige beoordeling te verrichten.

30 De inspectiedienst heeft daartegen aangevoerd dat de preventiewet niet voorziet in het delen van cliëntgegevens met een andere onderneming op een wijze die de ontvanger van die gegevens zou vrijstellen van de naleving van zijn eigen wettelijke verplichtingen. Tevens heeft deze dienst erop gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde cliënt zijn zakelijke relatie met Optibet had beëindigd op het moment dat hij een zakelijke relatie met Laimz aanging, waardoor Laimz geen gebruik meer kon maken van de door Optibet verkregen informatie.

31 In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich af wat de draagwijdte is van het begrip „personen bekend als naaste geassocieerden” van een PPP in artikel 3, punt 11, van richtlijn 2015/849 wanneer een persoon en een PPP beiden lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging. Voorts is deze rechter van mening dat moet worden verduidelijkt of ondernemingen van dezelfde groep informatie mogen delen met het oog op het nakomen van hun verplichtingen inzake cliëntonderzoek, en of artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 3, punten 12 en 15, van die richtlijn, toestaat dat informatie afkomstig van een andere onderneming binnen die groep wordt gebruikt en dat besluiten van het hoger leidinggevend personeel van die andere onderneming kunnen worden toegepast in meerdere ondernemingen binnen diezelfde groep. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of de meldingsplichtige entiteit verplicht is om cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen op bestaande cliënten in gevallen waarin er geen wijziging van relevante elementen in hun situatie kan worden vastgesteld, in tegenstelling tot de omstandigheden die aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2022, Rodl & Partner (C‑562/20, EU:C:2022:883).

32 In die omstandigheden heeft de administratīvā rajona tiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849 aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon kan worden geacht een naaste geassocieerde van een [PPP] te zijn op de enkele grond dat de betrokkenen lid zijn van dezelfde vereniging, zonder enige andere omstandigheid in aanmerking te nemen? 2) Moet [artikel 3, punt 9,] van richtlijn 2015/849 aldus worden uitgelegd dat, om te bepalen of een persoon een [PPP] is, moet worden nagegaan of deze persoon een van de in deze bepaling opgesomde functies bekleedt en bovendien moet worden onderzocht en vastgesteld of het een functie op hoog niveau betreft en niet een functie op middelbaar of lager niveau? 3) Moet artikel 45, lid 1, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 45, lid 8, ervan, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten de in artikel 2, lid 1, van richtlijn 2015/849 bedoelde meldingsplichtige entiteiten die worden beschouwd als ondernemingen van dezelfde groep moeten toestaan om onderling informatie te delen, onder meer door overeenkomsten te sluiten over het delen van informatie en door te waarborgen dat informatie onderling circuleert en wordt toegepast, teneinde de doelstellingen van richtlijn 2015/849 te verwezenlijken? 4) Staat artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 3, punten 12 en 15, ervan, ook toe dat dergelijke informatie of besluiten die door het hoger leidinggevend personeel van een van de ondernemingen binnen een groep zijn vastgesteld, worden gebruikt en toegepast in verschillende tot die groep behorende ondernemingen? 5) Moet artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, ervan, aldus worden uitgelegd dat meldingsplichtige entiteiten geen cliëntenonderzoeksmaatregelen hoeven toe te passen op bestaande zakelijke cliënten indien noch de in de nationale wetgeving vastgestelde termijn voor het toepassen van nieuwe cliëntenonderzoeksmaatregelen noch die welke is opgelegd door de procedures inzake het systeem van interne controle is verstreken, en de meldingsplichtige entiteit niet op de hoogte is van nieuwe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de risicobeoordeling die met betrekking tot de cliënt in kwestie is uitgevoerd? 6) Moet de in artikel 11, onder d), van richtlijn 2015/849 aan meldingsplichtige entiteiten opgelegde verplichting om cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen wanneer er bij het ophalen van een prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, transacties ten bedrage van 2000 EUR of meer worden verricht, ongeacht of de transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan, aldus worden uitgelegd dat dergelijke maatregelen moeten worden toegepast telkens wanneer het totaalbedrag van de transactie 2000 EUR bereikt, ongeacht het tijdsbestek waarin het in die bepaling vastgestelde bedrag van 2000 EUR opnieuw wordt bereikt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

33 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon kan worden geacht een naaste geassocieerde van een PPP te zijn op de enkele grond dat beiden lid zijn van dezelfde vereniging.

34 Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2015/849, zoals naar voren komt uit de titel en artikel 1, leden 1 en 2, ervan, tot doel heeft het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering te voorkomen (arrest van 5 december 2024, MISTRAL TRANS, C‑3/24, EU:C:2024:999, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Meer bepaald hebben de bepalingen van richtlijn 2015/849 die preventief zijn, tot doel om, volgens een op risico gebaseerde benadering, een geheel van preventieve en afschrikkende maatregelen vast te stellen waarmee het witwassen van geld en terrorismefinanciering doeltreffend kunnen worden bestreden, om – zoals blijkt uit overweging 1 van deze richtlijn – te voorkomen dat illegale geldstromen de integriteit, de stabiliteit en de reputatie van de financiële sector kunnen aantasten en een gevaar kunnen betekenen voor de interne markt van de Unie en voor internationale ontwikkeling (arrest van 5 december 2024, MISTRAL TRANS, C‑3/24, EU:C:2024:999, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Uit de artikelen 6 tot en met 8 van richtlijn 2015/849 komt naar voren dat de op risico gebaseerde benadering uitgaat van een beoordeling van dat risico, die in het systeem van die richtlijn op drie niveaus wordt verricht, namelijk eerst op het niveau van de Unie door de Commissie, vervolgens op het niveau van elke lidstaat en tot slot op het niveau van de meldingsplichtige entiteiten. Zoals blijkt uit overweging 30 van die richtlijn, is deze risicobeoordeling met name afhankelijk van de voorwaarde dat deze entiteiten passende cliëntenonderzoeksmaatregelen nemen ten aanzien van de betrokken cliënt. Volgens de rechtspraak van het Hof is het zonder deze beoordeling immers noch voor de betrokken lidstaat noch, in voorkomend geval, voor deze entiteiten mogelijk om geval per geval te beslissen welke maatregelen moeten worden toegepast (arrest van 17 november 2022, Rodl & Partner, C‑562/20, EU:C:2022:883, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 In dit verband stelt artikel 20 van richtlijn 2015/849 de verplichtingen vast die meldingsplichtige entiteiten moeten naleven bij transacties of zakelijke relaties met PPP’s, bovenop de in artikel 13, lid 1, van deze richtlijn bedoelde en door hen toe te passen cliëntenonderzoeksmaatregelen. Meer in het bijzonder verplicht deze bepaling de meldingsplichtige entiteiten om de cliënt te identificeren en zijn identiteit te verifiëren, de uiteindelijk begunstigde te identificeren, de voorgenomen zakelijke relatie te beoordelen en informatie in te winnen over het doel en de aard ervan, en die zakelijke relatie doorlopend te monitoren. Artikel 20 verplicht de lidstaten om met name van meldingsplichtige entiteiten te verlangen dat zij beschikken over passende risicobeheersystemen, inclusief op risico gebaseerde procedures, om te bepalen of de cliënt, of de uiteindelijk begunstigde van de cliënt, als PPP kan worden beschouwd. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat in de overwegingen 31 en 32 van die richtlijn wordt verduidelijkt dat sommige situaties een groter witwasrisico of risico van terrorismefinanciering vertegenwoordigen, in het bijzonder in het geval van relaties met personen die een prominente publieke functie bekleden of bekleed hebben.

38 Bovendien moeten de meldingsplichtige entiteiten, krachtens artikel 23 van richtlijn 2015/849, deze risicobeheersystemen uitbreiden tot de identificatie van familieleden van PPP’s en „personen bekend als naaste geassocieerden” van PPP’s.

39 In dit verband definieert artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849 het begrip „personen bekend als naaste geassocieerden” als „natuurlijke personen van wie bekend is dat deze met een [PPP] de gezamenlijke uiteindelijk begunstigden zijn van juridische entiteiten of juridische constructies” of „met een [PPP] andere nauwe zakelijke relaties heeft”.

40 Voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arrest van 9 januari 2025, Österreichische Datenschutzbehörde (Buitensporige verzoeken), C‑416/23, EU:C:2025:3, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849 betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verwijzende rechter meer in het bijzonder vragen stelt over de bewoordingen „nauwe zakelijke relaties”, aangezien een cliënt en een PPP beiden lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging.

42 Dienaangaande kan erop worden gewezen dat artikel 3, punt 13, van richtlijn 2015/849 het begrip „zakelijke relatie”, wanneer het gaat om een meldingsplichtige entiteit, definieert als „een zakelijke, professionele of commerciële relatie die verband houdt met de professionele activiteiten van een meldingsplichtige entiteit en waarvan op het tijdstip dat het contact wordt gelegd wordt aangenomen dat zij enige tijd zal duren”. Verder bepaalt deze richtlijn weliswaar niet hoe moet worden beoordeeld of een relatie nauw is, maar deze verduidelijking wijst erop dat de loutere vaststelling van een zakelijke relatie niet volstaat en dat moet worden vastgesteld dat deze relatie tevens van bijzonder belang is.

43 Wanneer een persoon en een PPP lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging, hebben zij in principe een professionele relatie, zodat niet kan worden uitgesloten dat deze functies een „nauwe zakelijke relatie” vormen tussen die persoon en die PPP in de zin van artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849, noch dat deze functies het op een andere wijze aangaan van een dergelijke relatie mogelijk maken. Bovendien kan in een dergelijke situatie evenmin worden uitgesloten dat die persoon, samen met een PPP, wordt beschouwd als de uiteindelijk begunstigde van juridische entiteiten of juridische constructies in de zin van die bepaling. Dergelijke vaststellingen mogen echter niet uitsluitend zijn gebaseerd op de omstandigheid dat deze twee personen lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging, maar moeten steunen op een analyse van de omstandigheden van het geval.

44 Derhalve kan uit de bewoordingen van artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849 worden afgeleid dat een situatie als in het hoofdgeding, waarin een persoon en de PPP lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging, niet a priori uitsluit dat deze persoon wordt beschouwd als een naaste geassocieerde van die PPP in de zin van die bepaling.

45 Deze tekstuele analyse vindt steun in de context van deze bepaling en in de doelstellingen van richtlijn 2015/849.

46 Zoals in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, bepaalt artikel 23 van richtlijn 2015/849 immers met name dat de in artikel 20 van deze richtlijn bedoelde maatregelen van toepassing zijn op personen bekend als naaste geassocieerden van PPP’s, maar ook op de familieleden van PPP’s. Hieruit blijkt dat de Uniewetgever de bedoeling had om het toepassingsgebied van richtlijn 2015/849 te verruimen tot zo veel mogelijk mensen in de omgeving van PPP’s.

47 Er zij evenwel ook aan herinnerd dat volgens overweging 1 van richtlijn 2015/849, naast de verdere uitbouw van de strafrechtelijke benadering op het niveau van de Unie, doelgerichte en evenwichtige preventie van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering onontbeerlijk is en extra resultaten kan opleveren.

48 Krachtens artikel 8, lid 3, van deze richtlijn – waarin is bepaald dat de gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures waarover de meldingsplichtige entiteiten beschikken om het witwasrisico en risico van terrorismefinanciering te beperken en effectief te beheren, evenredig moeten zijn met de aard en omvang van de meldingsplichtige entiteiten – dienen de procedures die zijn gebaseerd op de in artikel 20 van die richtlijn genoemde risicofactoren evenredig te zijn met de aard en omvang van de meldingsplichtige entiteiten, hetgeen deze entiteiten een zekere beoordelingsmarge verleent om procedures vast te stellen die zijn afgestemd op de uit hun activiteiten voortvloeiende risico’s. Ofschoon een op risico’s gebaseerde benadering dus een zekere flexibiliteit toelaat, is zij echter – zoals in overweging 22 van die richtlijn staat te lezen – niet een al te vrijblijvende optie voor de lidstaten en meldingsplichtige autoriteiten, en gaat zij gepaard met het gebruik van empirisch onderbouwde besluitvorming.

49 Bovendien blijkt uit overweging 33 van richtlijn 2015/849 dat de voorschriften betreffende PPP’s preventief en niet strafrechtelijk van aard zijn en niet dienen te worden opgevat als zouden PPP’s per definitie in criminele activiteiten verwikkeld zijn. Een zakelijke relatie met een persoon afwijzen, louter op grond van de vaststelling dat hij of zij een PPP is, druist volgens deze overweging in tegen de letter en de geest van deze richtlijn en van de FATF-aanbevelingen.

50 Dientengevolge moeten de meldingsplichtige entiteiten, bij de toepassing van een op risico gebaseerde benadering en bij de beoordeling van de vraag of een persoon een nauwe zakelijke relatie heeft met een PPP, niet alleen rekening houden met de aard van de relatie tussen de betrokken cliënt en de PPP om te bepalen of er een risico bestaat dat deze relatie wordt gebruikt voor het witwassen van geld en voor de financiering van terrorisme en van nucleaire proliferatie, maar ook met de nagestreefde doelstellingen. Elk geval dient daarom individueel te worden beoordeeld om te voldoen aan de vereisten van richtlijn 2015/849.

51 De tegenovergestelde uitlegging zou tot gevolg hebben dat de aanvullende verplichtingen van richtlijn 2015/849 van toepassing zouden worden op een zeer groot aantal gevallen, waarbij hun evenredigheid in het licht van de doelstellingen van deze richtlijn – te weten het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel van de Unie voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van genoemde richtlijn – in het gedrang zou komen. Bovendien zou een dergelijke uitlegging praktische problemen opleveren met betrekking tot de toegang tot de gegevens van de betrokkenen.

52 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon niet kan worden geacht een naaste geassocieerde van een PPP te zijn op de enkele grond dat beiden lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging, maar dat deze situatie niettemin een relevante omstandigheid is waarmee bij die beoordeling rekening moet worden gehouden.

Tweede vraag

53 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, punt 9, van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een natuurlijke persoon een PPP is, het volstaat vast te stellen dat deze persoon een van de in dat artikel 3, punt 9, onder a) tot en met h), genoemde functies bekleedt, of dat tevens op basis van een feitelijke beoordeling moet worden nagegaan of het gaat om een functie op hoog niveau en niet om een functie op middelbaar of lager niveau.

54 In dat verband zij eraan herinnerd dat het Hof bij herhaling heeft benadrukt dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen en dat de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding [arrest van 7 november 2024, Adusbef (Morandi-brug), C‑683/22, EU:C:2024:936, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55 Zoals uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU naar voren komt, moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak [arrest van 7 november 2024, Adusbef (Morandi-brug), C‑683/22, EU:C:2024:936, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

56 In casu verstrekt de verwijzende rechter geen informatie over de precieze aard van de functie die de persoon, van wie in het hoofdgeding wordt vermoed dat hij een PPP is, in zijn beroepsleven uitoefent. Bovendien beschouwt de inspectiedienst de in het hoofdgeding aan de orde zijnde cliënt als een naaste geassocieerde van die PPP, en niet als een PPP zelf.

57 Ten slotte blijkt geenszins uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de status van PPP van de persoon van wie deze cliënt mogelijk een naaste geassocieerde is, door partijen in het hoofdgeding wordt betwist. De betwisting die Laimz aanvoert betreft de door de inspectiedienst gegeven uitlegging van het begrip „personen bekend als naaste geassocieerden”, waarop de eerste vraag betrekking heeft.

58 Derhalve moet de tweede vraag, overeenkomstig de in de punten 54 en 55 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Derde vraag

59 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep in de zin van artikel 3, punt 15, van deze richtlijn, moeten toestaan om onderling informatie te delen, onder meer door overeenkomsten over het delen van informatie te sluiten en door de onderlinge informatiestroom te waarborgen, teneinde de doelstellingen van richtlijn 2015/849 te verwezenlijken.

60 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 45, lid 1, van deze richtlijn de lidstaten verplicht om van meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van een groep te verlangen dat zij op groepsniveau geldende gedragslijnen en procedures toepassen, daaronder begrepen gedragslijnen inzake gegevensbescherming en gedragslijnen en procedures voor het delen van informatie binnen de groep ter bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering. Volgens diezelfde bepaling worden die gedragslijnen en procedures op effectieve wijze ten uitvoer gelegd door de bijkantoren en meerderheidsdochters in de lidstaten en in derde landen. Hieraan moet worden toegevoegd dat deze bepaling aldus de in overweging 35 van die richtlijn genoemde doelstelling nastreeft, namelijk vermijden dat cliëntidentificatieprocedures worden overgedaan.

61 Artikel 45, lid 8, van diezelfde richtlijn voegt daaraan toe dat de lidstaten „[ervoor] zorgen [...] dat het delen van informatie binnen de groep toegestaan is”, en verduidelijkt dat informatie over aan de FIE gemelde vermoedens dat geldmiddelen opbrengsten van criminele activiteiten zijn of met terrorismefinanciering verband houden, wordt gedeeld binnen de groep, tenzij de FIE andersluidende instructies geeft.

62 In casu staat vast dat Laimz en Optibet meldingsplichtige entiteiten zijn, aangezien zij aanbieders van kansspeldiensten in de zin van artikel 2, lid 1, punt 3, onder f), van richtlijn 2015/849 zijn. Voorts maken Laimz en Optibet – waarvan Laimz informatie heeft verkregen – deel uit van een groep in de zin van artikel 3, punt 15, van deze richtlijn. Bijgevolg valt de relatie tussen deze twee ondernemingen, met inbegrip van de samenwerking ter naleving van de vereisten van deze richtlijn, binnen het toepassingsgebied van artikel 45, leden 1 en 8, van die richtlijn.

63 Aangezien de bewoordingen van dit artikel 45, leden 1 en 8, ondubbelzinnig zijn, volgt hieruit dan ook dat de lidstaten meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep, moeten toestaan om informatie te delen teneinde de doelstellingen van richtlijn 2015/849 te bereiken. Deze bepaling vereist evenwel niet dat voor een dergelijke uitwisseling overeenkomsten over het delen van informatie worden gesloten om te waarborgen dat deze informatie binnen de groep circuleert en toegankelijk is.

64 Zoals ook de Commissie opmerkt, moet er echter rekening mee worden gehouden dat het nastreven van de doelstellingen van richtlijn 2015/849 in beginsel een individuele benadering vereist bij de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering. Wanneer dus blijkt dat de binnen de groep gedeelde informatie niet volstaat om de meldingsplichtige entiteit in staat te stellen een cliëntenonderzoek uit te voeren, met name omdat de door haar aangeboden individuele diensten en producten verschillen van die welke door een andere entiteit van dezelfde groep worden aangeboden, moet de betrokken meldingsplichtige entiteit een individueel onderzoek verrichten. Zelfs indien de betrokken diensten en producten identiek zijn en er voldoende informatie is, moet erop worden gewezen dat artikel 45, leden 1 en 8, van deze richtlijn niet bepaalt welke maatregelen de meldingsplichtige entiteiten op basis van de binnen de groep verstrekte informatie moeten nemen, en de meldingsplichtige entiteiten derhalve niet van de naleving van de in die richtlijn neergelegde verplichtingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering vrijstelt. Deze uitlegging wordt ondersteund door artikel 13, leden 2 en 4, van richtlijn 2015/849, waarin is verduidelijkt dat die entiteiten op basis van de risicogevoeligheid van die cliënten bepalen hoe verstrekkend de cliëntenonderzoeksmaatregelen zijn.

65 Bijgevolg moet ook worden opgemerkt dat artikel 45 van richtlijn 2015/849 niet aldus kan worden uitgelegd dat een meldingsplichtige entiteit automatisch gebruik mag maken van de informatie betreffende het cliëntenonderzoek, zonder dat de meldingsplichtige entiteit zelf een beoordeling van de risicogevoeligheid en van de vast te stellen cliëntenonderzoeksmaatregelen heeft verricht. Gelet op de krachtens deze richtlijn op een meldingsplichtige entiteit rustende verplichtingen inzake cliëntonderzoek, is het evenwel van belang dat de meldingsplichtige entiteit, wanneer zij informatie ontvangt die op het eerste gezicht kan rechtvaardigen dat er cliëntenonderzoeksmaatregelen worden genomen, zo spoedig mogelijk de vereiste controles verricht.

66 Derhalve moet op de derde vraag geantwoord worden dat artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten de in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep in de zin van artikel 3, punt 15, van deze richtlijn, moeten toestaan om onderling informatie te delen. Een dergelijke uitwisseling van informatie ontslaat de betrokken meldingsplichtige entiteit echter niet van haar verantwoordelijkheid om haar cliëntenonderzoeksverplichtingen na te komen.

Vierde vraag

67 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 3, punten 12 en 15, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het een onderneming die deel uitmaakt van een groep toestaat een besluit dat werd genomen door een persoon die behoort tot het hoger leidinggevend personeel van een andere onderneming van dezelfde groep en dat betrekking heeft op onderzoeksmaatregelen ten aanzien van een cliënt van deze laatste onderneming, automatisch toe te passen, zonder zelf een beoordeling van de risicogevoeligheid en van de vast te stellen cliëntenonderzoeksmaatregelen te verrichten.

68 Vooraf zij opgemerkt dat artikel 45, lid 1, van die richtlijn niet specificeert welke aard van informatie mag worden uitgewisseld en vervolgens door de ontvangende meldingsplichtige entiteit mag worden gebruikt. Gelet op het toepassingsgebied van de Uniewetgeving in kwestie en op de verwijzing naar de doelstellingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering, kan het slechts gaan om informatie die relevant is voor de naleving van de verplichtingen die bij diezelfde richtlijn aan meldingsplichtige entiteiten zijn opgelegd.

69 In casu komt uit de verwijzingsbeslissing naar voren dat het betreffende besluit is genomen door een onderneming die deel uitmaakt van een groep, in het kader van haar verplichting inzake cliëntonderzoek ten aanzien van een bepaalde cliënt van de onderneming. Dit besluit lijkt derhalve binnen het toepassingsgebied van artikel 45, lid 1, van die richtlijn te kunnen vallen.

70 Met betrekking tot de vraag of dit besluit door een andere onderneming van deze groep mag worden gebruikt, moet in herinnering worden gebracht dat – zoals blijkt uit het antwoord op de derde vraag – het delen van informatie tussen de meldingsplichtige entiteiten van een groep weliswaar de naleving van de vereisten van richtlijn 2015/849 inzake de bestrijding van het witwassen van geld en terrorismefinanciering vergemakkelijkt, maar dat artikel 45, leden 1 en 8, van deze richtlijn niet elke meldingsplichtige entiteit ontslaat van haar individuele verantwoordelijkheid om aan deze vereisten te voldoen. Een dergelijke uitlegging moet evenzeer gelden wanneer de verstrekte informatie betrekking heeft op een besluit dat is genomen door een persoon die behoort tot het hoger leidinggevend personeel van een andere onderneming binnen dezelfde groep, ten aanzien van een cliënt van die onderneming. Deze uitlegging vindt steun in artikel 8, lid 5, van die richtlijn, waarin is bepaald dat de lidstaten verlangen dat de meldingsplichtige entiteiten van hun hoger leidinggevend personeel goedkeuring verkrijgen voor de gedragslijnen, controlemaatregelen en procedures die zij invoeren.

71 Op de vierde vraag dient derhalve te worden geantwoord dat artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 3, punten 12 en 15, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich er tegen verzet dat een meldingsplichtige entiteit die deel uitmaakt van een groep, automatisch een besluit toepast dat is genomen door een persoon die behoort tot het hoger leidinggevend personeel van een andere onderneming van dezelfde groep, in het kader van haar verplichtingen inzake cliëntonderzoek en met betrekking tot de toe te passen cliëntenonderzoeksmaatregelen ten aanzien van een cliënt van die andere onderneming, zonder dat zij zelf een beoordeling maakt van de risicogevoeligheid en van de vast te stellen cliëntenonderzoeksmaatregelen.

Vijfde vraag

72 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een meldingsplichtige entiteit geen cliëntenonderzoeksmaatregelen hoeft toe te passen voor bestaande cliënten, indien noch de in de nationale wetgeving vastgestelde termijn voor nieuwe toezichtsmaatregelen, noch de termijn die voortvloeit uit de procedures inzake het systeem van interne controle is verstreken en de betrokken meldingsplichtige entiteit niet op de hoogte is van andere nieuwe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de risicobeoordeling met betrekking tot de cliënt in kwestie.

73 In dit verband komt uit de bewoordingen van artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849 naar voren dat de meldingsplichtige entiteiten op basis van een risicobenadering niet alleen onderzoeksmaatregelen moeten toepassen ten aanzien van hun nieuwe cliënten, maar ook, te gepasten tijde, ten aanzien van hun bestaande cliënten. Deze bepaling preciseert dat een van deze mogelijke gepaste tijdstippen het tijdstip is waarop de relevante omstandigheden van de betrokken cliënt veranderen. Bovendien beperkt diezelfde bepaling deze verplichting voor de meldingsplichtige entiteiten niet tot uitsluitend de cliënten aan wie een hoog risiconiveau is toegewezen (arrest van 17 november 2022, Rodl & Partner, C‑562/20, EU:C:2022:883, punt 83).

74 Tevens moeten de meldingsplichtige entiteiten volgens artikel 8, lid 2, van richtlijn 2015/849 met name de beoordelingen van de risico’s van witwaspraktijken en terrorismefinanciering waaraan zij blootstaan, actueel houden (arrest van 17 november 2022, Rodl & Partner, C‑562/20, EU:C:2022:883, punt 84).

75 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de meldingsplichtige entiteiten verplicht zijn om op basis van een actueel gehouden risicobeoordeling ten aanzien van een bestaande cliënt te gepasten tijde – bijvoorbeeld wanneer de relevante omstandigheden van deze cliënt veranderen –, in voorkomend geval verscherpte, cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen (arrest van 17 november 2022, Rodl & Partner, C‑562/20, EU:C:2022:883, punt 91).

76 Daarnaast moet erop worden gewezen dat artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849 de verwezenlijking van het doel van deze richtlijn waarborgt, namelijk het voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering. Derhalve moeten, door cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen op bestaande cliënten, nieuwe of andere risico’s die verbonden zijn aan de cliënt en aan de zakelijke relatie in kwestie, worden verminderd. Indien de meldingsplichtige entiteit niet op de hoogte is dat de relevante omstandigheden van de betrokken cliënt zijn gewijzigd, en de termijnen voor de toepassing van nieuwe cliëntenonderzoeksmaatregelen niet zijn verstreken, is er dus geen verplichting of reden om dergelijke maatregelen toe te passen. Dit is niet het geval wanneer dergelijke wijzigingen niet zijn vastgesteld wegens tekortkomingen bij de in artikel 13, lid 1, onder d), van richtlijn 2015/849 bedoelde doorlopende monitoring, waartoe de meldingsplichtige onderneming verplicht is.

77 Uit het voorgaande volgt dat op de vijfde vraag moet geantwoord worden dat artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat een meldingsplichtige entiteit geen cliëntenonderzoeksmaatregelen hoeft toe te passen ten aanzien van bestaande cliënten, indien noch de in de nationale wetgeving vastgestelde termijn voor nieuwe toezichtsmaatregelen, noch de termijn die voortvloeit uit de procedures inzake het systeem van interne controle is verstreken en de betrokken meldingsplichtige entiteit niet op de hoogte is van andere nieuwe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de risicobeoordeling met betrekking tot de cliënt in kwestie, mits het feit dat er geen nieuwe omstandigheden zijn vastgesteld niet te wijten is aan tekortkomingen bij de in artikel 13, lid 1, onder d), van richtlijn 2015/849 bedoelde doorlopende monitoring, waartoe de meldingsplichtige entiteit verplicht is.

Zesde vraag

78 Met zijn zesde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 11, onder d), van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat het meldingsplichtige entiteiten die aanbieders van kansspeldiensten zijn, verplicht om cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen wanneer er bij het ophalen van een prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, transacties ten bedrage van 2000 EUR of meer worden verricht, ongeacht of deze transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan, telkens wanneer de betrokken transactie een bedrag van 2000 EUR bereikt.

79 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 11, onder a), van richtlijn 2015/849 bepaalt dat cliëntenonderzoeksmaatregelen moeten worden toegepast wanneer een zakelijke relatie wordt aangegaan, met dien verstande dat wordt aangenomen dat een zakelijke relatie in de zin van deze richtlijn overeenkomstig artikel 3, punt 13, ervan „enige tijd zal duren”.

80 Artikel 11, onder d), van richtlijn 2015/849 heeft betrekking op het bijzondere geval van aanbieders van kansspeldiensten, en verplicht deze aanbieders cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen wanneer zij bij het ophalen van een prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, transacties ten bedrage van 2000 EUR of meer verrichten, ongeacht of deze transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan.

81 De bewoordingen van deze bepaling stellen de toepassing van deze verplichting dus niet afhankelijk van de voorwaarde dat de betrokken transactie in een bepaalde periode heeft plaatsgevonden ten opzichte van een eerdere transactie die tevens aan die voorwaarden voldeed.

82 Bovendien moet die bepaling worden gelezen in het licht van overweging 21 van richtlijn 2015/849, waarin wordt verduidelijkt dat het gebruik van de diensten van de kansspelsector om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen, zorgwekkend is en dat deze richtlijn, om de risico’s in verband met deze sector te beperken, dient te voorzien in de verplichting voor aanbieders van kansspeldiensten waaraan een hoger risico is verbonden, cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen voor afzonderlijke transacties van 2000 EUR of meer.

83 Hieruit volgt dat artikel 11, onder d), van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat het meldingsplichtige entiteiten die aanbieders van kansspeldiensten zijn, verplicht om cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen wanneer er bij het ophalen van een prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, transacties ten bedrage van 2000 EUR of meer worden verricht, ongeacht of de transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan, telkens wanneer het bedrag van de betrokken transactie 2000 EUR bereikt.

84 Gelet op het voorgaande dient op de zesde vraag te worden geantwoord dat artikel 11, onder d), van richtlijn 2015/849 aldus moet worden uitgelegd dat het meldingsplichtige entiteiten verplicht om cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen telkens wanneer er bij het ophalen van een prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, de betrokken transactie 2000 EUR of meer bedraagt, ongeacht of deze transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan.

Kosten

85 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1) Artikel 3, punt 11, onder a), van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018, moet aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon niet kan worden geacht een naaste geassocieerde van een PPP te zijn op de enkele grond dat beiden lid zijn van het uitvoerend orgaan van dezelfde vereniging, maar dat deze situatie niettemin een relevante omstandigheid is waarmee bij die beoordeling rekening moet worden gehouden.

2) Artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten de in artikel 2, lid 1, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd, bedoelde meldingsplichtige entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep in de zin van artikel 3, punt 15, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd, moeten toestaan om onderling informatie te delen. Een dergelijke uitwisseling van informatie ontslaat de betrokken meldingsplichtige entiteit echter niet van haar verantwoordelijkheid om haar cliëntenonderzoeksverplichtingen na te komen.

3) Artikel 45, leden 1 en 8, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, gelezen in samenhang met artikel 3, punten 12 en 15, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling zich er tegen verzet dat een meldingsplichtige entiteit die deel uitmaakt van een groep, automatisch een besluit toepast dat is genomen door een persoon die behoort tot het hoger leidinggevend personeel van een andere onderneming van dezelfde groep, in het kader van haar verplichtingen inzake cliëntonderzoek en met betrekking tot de toe te passen cliëntenonderzoeksmaatregelen ten aanzien van een cliënt van die andere onderneming, zonder dat zij zelf een beoordeling maakt van de risicogevoeligheid en van de vast te stellen cliëntenonderzoeksmaatregelen.

4) Artikel 14, lid 5, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 2, van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd dat een meldingsplichtige entiteit geen cliëntenonderzoeksmaatregelen hoeft toe te passen ten aanzien van bestaande cliënten, indien noch de in de nationale wetgeving vastgestelde termijn voor nieuwe toezichtsmaatregelen, noch de termijn die voortvloeit uit de procedures inzake het systeem van interne controle is verstreken en de betrokken meldingsplichtige entiteit niet op de hoogte is van andere nieuwe omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de risicobeoordeling met betrekking tot de cliënt in kwestie, mits het feit dat er geen nieuwe omstandigheden zijn vastgesteld niet te wijten is aan tekortkomingen bij de in artikel 13, lid 1, onder d), van richtlijn 2015/849 bedoelde doorlopende monitoring, waartoe de meldingsplichtige entiteit verplicht is.

5) Artikel 11, onder d), van richtlijn 2015/849, zoals gewijzigd bij richtlijn 2018/843, moet aldus worden uitgelegd dat het meldingsplichtige entiteiten verplicht om cliëntenonderzoeksmaatregelen toe te passen telkens wanneer er bij het ophalen van een prijs, het aangaan van een weddenschap, of beide, de betrokken transactie 2000 EUR of meer bedraagt, ongeacht of deze transactie in één verrichting plaatsvindt dan wel in verscheidene verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Lets.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken