HvJ EU 11 januari 2024, C-371/22, ECLI:EU:C:2024:21

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

11 januari 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor elektriciteit – Richtlijn 2009/72/EG – Artikel 3, leden 5 en 7 – Bescherming van de consument – Recht om van leverancier te veranderen – Niet-huishoudelijke afnemer – Elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs dat is gesloten met een kleine onderneming – Contractuele boete wegens voortijdige opzegging – Nationale regeling waarbij het bedrag van die boete wordt beperkt tot de ‚kosten en schadevergoedingen die voortvloeien uit de inhoud van het contract’”

In zaak C‑371/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 12 mei 2022, ingekomen bij het Hof op 8 juni 2022, in de procedure

G sp. z o.o.

tegen

W S.A.,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, Z. Csehi, M. Ilešič, I. Jarukaitis (rapporteur) en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

– de Griekse regering, vertegenwoordigd door K. Boskovits en C. Kokkosi als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Owsiany-Hornung en T. Scharf als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 september 2023,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G sp. z o.o. (hierna: „vennootschap G”), en W S.A., een elektriciteitsleverancier (hierna: „leverancier W”), over de betaling van een contractuele boete wegens voortijdige beëindiging door vennootschap G van het tussen deze partijen gesloten elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2009/72

3 De overwegingen 1, 3, 7, 8, 42, 51, 52, 54 en 57 van richtlijn 2009/72 luidden: „(1) De interne markt voor elektriciteit, die sinds 1999 geleidelijk is ingevoerd in het geheel van de Gemeenschap, heeft tot doel een echte keuzevrijheid te bieden aan alle consumenten in de Europese Unie, zowel particulieren als ondernemingen, nieuwe mogelijkheden voor economische groei te creëren en de grensoverschrijdende handel te bevorderen en zo efficiëntieverbeteringen, concurrerende tarieven en een betere dienstverlening te bewerkstelligen […]. […] (3) De vrijheden die de burgers van de Unie in het Verdrag worden gegarandeerd […] kunnen evenwel enkel verwezenlijkt worden in een volledig opengestelde markt waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun afnemers leveren. […] (7) In de mededeling van de [Europese] Commissie van 10 januari 2007‚Een energiebeleid voor Europa’ wordt het belang onderstreept van de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit en de totstandbrenging van gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle in de Gemeenschap gevestigde elektriciteitsbedrijven. […] (8) Om de mededinging en de levering van elektriciteit tegen de meest concurrerende prijs te verzekeren, moeten de lidstaten en de nationale regulerende instanties grensoverschrijdende toegang voor nieuwe leveranciers van elektriciteit afkomstig van diverse energiebronnen en voor nieuwe aanbieders van stroomproductie makkelijker maken. […] (42) […] [D]e volledige handel- en industriesector in de Gemeenschap, met inbegrip van het midden- en kleinbedrijf, alsmede alle burgers van de Unie, die de economische voordelen van de interne markt genieten, [moeten] ook kunnen profiteren van een hoge mate van consumentenbescherming […]. Deze afnemers moeten ook toegang hebben tot vrije keuze, eerlijke behandeling, belangenbehartiging en mechanismen voor geschillenbeslechting. […] (51) De consumentenbelangen zouden in deze richtlijn centraal moeten staan, en de kwaliteit van de dienstverlening zou een kerntaak van elektriciteitsbedrijven moeten zijn. Bestaande rechten van consumenten moeten worden versterkt en gewaarborgd, en dienen meer transparantie te omvatten. Consumentenbescherming zou moeten waarborgen dat alle consumenten in de ruimere context van de Gemeenschap profiteren van een concurrerende markt. Consumentrechten dienen te worden gehandhaafd door de lidstaten, of, indien een lidstaat hierin voorziet, door de regulerende instanties. (52) De consumenten moeten kunnen beschikken over duidelijke en begrijpelijke informatie over hun rechten ten aanzien van de energiesector. […] […] (54) Efficiënte en voor alle consumenten toegankelijke middelen van geschillenbeslechting zijn een garantie voor betere consumentenbescherming. […] […] (57) De bevordering van eerlijke concurrentie en gemakkelijke toegang voor verschillende leveranciers alsmede de schepping van capaciteit voor nieuwe stroomproductie zouden voor de lidstaten zaken van het grootste belang moeten zijn, willen de consumenten ten volle kunnen profiteren van de voordelen van een geliberaliseerde interne markt voor elektriciteit.”

4 Artikel 1 („Werkingssfeer”) van deze richtlijn bepaalde: „Bij deze richtlijn worden, met het oog op het verbeteren en integreren van concurrerende elektriciteitsmarkten in de Gemeenschap, gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de productie, de transmissie, de distributie en de levering van elektriciteit, alsook regels voor de bescherming van de consumenten. […]”

5 In artikel 2 van die richtlijn stond te lezen: „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder: […] 7. ‚afnemer’: een grootafnemer of een eindafnemer van elektriciteit; […] 9. ‚eindafnemer’: een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen gebruik; 10. ‚huishoudelijke afnemer’: een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten; 11. ‚niet-huishoudelijke afnemer’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit koopt die niet voor eigen huishoudelijk gebruik is bestemd; onder dit begrip vallen tevens producenten en grootafnemers; 12. ‚in aanmerking komende afnemer’: een afnemer die vrij is om elektriciteit te kopen bij de leverancier van zijn keuze, in de zin van artikel 33; […]”

6 De leden 3 tot en met 5 en 7 van artikel 3 van deze richtlijn, dat voorzien was van het opschrift „Openbaredienstverplichtingen en bescherming van de afnemer”, waren als volgt verwoord: „3. De lidstaten waarborgen dat alle huishoudelijke afnemers en, indien zij dat dienstig achten, kleine ondernemingen, namelijk ondernemingen die minder dan 50 personen in dienst hebben en met een jaaromzet of een financiële balans van ten hoogste 10 miljoen EUR, aanspraak kunnen maken op universele dienstverlening […]. […] 4. De lidstaten zorgen ervoor dat alle afnemers aanspraak hebben op elektriciteitsvoorziening door een leverancier, behoudens de toestemming van de leverancier, ongeacht de lidstaat waar de leverancier is geregistreerd, […]. 5. De lidstaten zorgen ervoor dat: a) wanneer een afnemer met inachtneming van de contractuele voorwaarden van leverancier wenst te veranderen, dit binnen een termijn van drie weken wordt geregeld door de betrokken beheerder(s), […] […] De lidstaten zorgen ervoor dat de rechten vermeld onder a) en b) gelden voor alle afnemers, zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd. […] 7. De lidstaten nemen passende maatregelen om eindafnemers te beschermen […]. Zij waarborgen een hoog niveau van consumentenbescherming, met name met betrekking tot de transparantie van contractvoorwaarden, algemene informatie en mechanismen voor geschillenbeslechting. De lidstaten zorgen ervoor dat een in aanmerking komende afnemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen. Wat ten minste de huishoudelijke afnemers betreft, omvatten deze maatregelen de in bijlage I beschreven maatregelen.”

7 Artikel 33 van richtlijn 2009/72, met als opschrift „Openstelling van de markt en wederkerigheid”, bepaalde in lid 1: „De lidstaten zien erop toe dat de in aanmerking komende afnemers zijn: […] c) vanaf 1 juli 2007: alle afnemers.”

8 Bijlage I bij die richtlijn, met als opschrift „Voorschriften inzake consumentenbescherming”, bepaalde in lid 1: „Onverminderd de communautaire voorschriften inzake consumentenbescherming […] houden de in artikel 3 bedoelde maatregelen in dat ervoor wordt gezorgd dat de afnemers: a) recht hebben op een contract met hun elektriciteitsleverancier waarin zijn opgenomen: […] – de duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van de diensten en van het contract, en of het toegestaan is het contract kosteloos op te zeggen; […] De contractuele voorwaarden zijn eerlijk en vooraf bekend. In ieder geval zou deze informatie voorafgaand aan de ondertekening of bevestiging van het contract moeten worden verstrekt. […] […] e) geen kosten in rekening worden gebracht indien zij van leverancier veranderen; […]”

9 Richtlijn 2009/72 is overeenkomstig artikel 72, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125) met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken bij en vervangen door laatstgenoemde richtlijn.

Richtlijn 2019/944

10 Artikel 4 van richtlijn 2019/944, met als opschrift „Vrije keuze van leverancier”, bepaalt: „De lidstaten zien erop toe dat de afnemers vrij zijn om elektriciteit te kopen bij de leverancier van hun keuze en dat alle afnemers vrij zijn om op hetzelfde moment over meer dan één elektriciteitsleveringscontract te beschikken, mits de vereiste aansluit- en meetpunten zijn aangelegd.”

11 Artikel 12 van deze richtlijn, met als opschrift „Het recht om over te stappen en regels inzake overstapgerelateerde vergoedingen”, bepaalt in lid 3: „[…] [D]e lidstaten [kunnen] leveranciers […] toestaan opzegvergoedingen in rekening te brengen aan afnemers die vrijwillig een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs vóór het einde van de looptijd opzeggen, voor zover zulke vergoedingen deel uitmaken van een contract dat de afnemer vrijwillig is aangegaan en zulke vergoedingen duidelijk aan de afnemer worden meegedeeld voordat het contract wordt aangegaan. Dergelijke vergoedingen zijn evenredig en mogen bovendien niet meer bedragen dan het rechtstreekse economische verlies dat de leverancier […] lijdt als gevolg van de afnemer die zijn contract opzegt, met inbegrip van de kosten voor gebundelde investeringen of diensten die de afnemer reeds heeft ontvangen als onderdeel van het contract. De bewijslast voor het rechtstreekse economische verlies ligt bij de leverancier […] en de toelaatbaarheid van opzegvergoedingen wordt gemonitord door de regulerende instantie of een andere bevoegde nationale instantie.”

Pools recht

12 De ustawa – Prawo energetyczne (energiewet) van 10 april 1997 (Dz. U. nr. 54, volgnr. 348), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „energiewet”) bepaalt in artikel 4j, lid 3 a: „Een eindafnemer kan een voor bepaalde tijd gesloten contract krachtens hetwelk een energiebedrijf hem aardgas of energie levert, opzeggen door middel van een aan dat bedrijf gerichte schriftelijke verklaring, zonder dat daarvoor andere kosten of schadeloosstellingen in rekening worden gebracht dan die welke uit de inhoud van het contract voortvloeien.”

13 Artikel 483, § 1, van de ustawa-Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U nr. 16, volgnr. 93), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „burgerlijk wetboek”), luidt: „In het contract kan worden bedongen dat het herstel van schade die voortvloeit uit de niet-nakoming of de onbehoorlijke nakoming van een niet-geldelijke verbintenis, moet geschieden door betaling van een bepaalde geldsom (contractuele boete).”

14 Artikel 484 van het burgerlijk wetboek luidt: „§ 1. Indien een verbintenis niet of niet naar behoren is nagekomen, is aan de schuldeiser een contractuele boete ten belope van het daarvoor vastgestelde bedrag verschuldigd, ongeacht de omvang van de geleden schade. Tenzij de partijen anders zijn overeengekomen, is een vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk indien zij het bedrag van de overeengekomen boete overschrijdt. § 2. Indien een wezenlijk deel van de verbintenis is nagekomen, kan de schuldenaar om matiging van de contractuele boete verzoeken. Hetzelfde geldt indien de contractuele boete kennelijk buitensporig is.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 Op 1 januari 2010 hebben vennootschap G, een kleine onderneming die minder dan 50 personen in dienst heeft, en leverancier W een algemeen contract gesloten (hierna: „algemeen contract”), waarbij die leverancier zich ertoe heeft verbonden elektriciteit te verkopen die bestemd was voor een agrotoerismebedrijf te K. (Polen).

16 Op 23 februari 2015 hebben die partijen een akkoord gesloten waarbij vennootschap G zich ertoe heeft verbonden om het algemene contract minstens tot en met 31 december 2016 voort te zetten. In dit akkoord zijn zij ook overeengekomen dat zij het recht zouden hebben om dat contract met inachtneming van een opzeggingstermijn op te zeggen, alsmede dat leverancier W, in geval van opzegging van het contract door vennootschap G vóór het verstrijken van de periode waarvoor het was gesloten, van de betrokken vennootschap betaling zou eisen van een bedrag dat overeenkwam met de prijs van de elektriciteit die deze vennootschap had toegezegd van hem af te nemen, maar die zij nog niet had betaald of verbruikt, waarbij die prijs in voormeld akkoord was vastgesteld.

17 Daarnaast heeft vennootschap G op 30 januari 2015 een energieleveringscontract voor hetzelfde agrotoerismebedrijf gesloten met Z S.A., een andere elektriciteitsleverancier. Op 25 februari 2015 heeft Z op grond van de haar in dat kader verleende volmacht leverancier W meegedeeld dat een nieuw contract was gesloten en hem, voor het geval hij niet met deze nieuwe situatie zou instemmen, in kennis gesteld van de opzegging van het algemene contract.

18 Op 9 maart 2016 heeft leverancier W ten aanzien van vennootschap G een debetnota ten belope van 63959,70 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 14161 EUR) uitgeschreven als contractuele boete die werd opgelegd wegens de voortijdige opzegging van het algemene contract ten gevolge van de voortijdige verandering van elektriciteitsleverancier. Aangezien deze vennootschap niet binnen de gestelde termijn had betaald, heeft die leverancier op 21 november 2016 bij de Sąd Rejonowy dla m. st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) een vordering ingesteld die ertoe strekte dat vennootschap G zou worden veroordeeld om hem dat bedrag, vermeerderd met rente, te betalen.

19 Bij vonnis van 7 februari 2020 heeft die rechter deze vordering toegewezen. Hij heeft met name geoordeeld dat leverancier W het recht had om betaling van de contractuele boete te vorderen, omdat zijn overeenkomst met vennootschap G vóór de overeengekomen termijn was opgezegd ten gevolge van de verandering van leverancier die had plaatsgevonden doordat een nieuw contract was gesloten met Z. Dienaangaande heeft de rechter ten eerste opgemerkt dat voor een vordering tot betaling van een contractuele boete volgens artikel 484, § 1, van het burgerlijk wetboek niet hoeft te worden bewezen dat er schade is opgetreden, en ten tweede dat het gevorderde bedrag correspondeerde met hetgeen was overeengekomen in het in punt 16 van dit arrest genoemde akkoord.

20 Vennootschap G heeft tegen dat vonnis bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, hoger beroep ingesteld en heeft daarbij onder meer aangevoerd dat de contractuele boete haar overeenkomstig artikel 3, lid 5, van richtlijn 2009/72 niet kon worden opgelegd. In dit verband heeft zij benadrukt dat leverancier W geen schade had geleden, maar enkel winst had gederfd. Die leverancier verweerde zich met het argument dat het bedrag van een contractuele boete volgens artikel 484, § 1, van het burgerlijk wetboek niet afhangt van de omvang van de geleden schade.

21 De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat richtlijn 2009/72 weliswaar ratione temporis van toepassing is op het bij hem aanhangige geding, maar dat artikel 4 en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2019/944 eerstgenoemde richtlijn hebben gepreciseerd en dat deze preciseringen volgens hem van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de in richtlijn 2009/72 neergelegde rechten van de afnemers.

22 Wat het hoofdgeding betreft, merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat het op grond van artikel 4j, lid 3a, van de energiewet toegestaan is dat een overeenkomst met een vaste looptijd wordt opgezegd zonder dat daar andere kosten of schadeloosstellingen voor in rekening worden gebracht dan die welke voortvloeien uit de inhoud van het contract. Deze wet bevat echter geen enkel criterium voor de berekening van dergelijke kosten en schadeloosstellingen, zelfs geen evenredigheidscriterium, en sluit de mogelijkheid om een forfaitaire schadeloosstelling te vorderen niet uit. Hij wijst er tevens op dat een rechter een contractuele boete in de zin van het burgerlijk wetboek enkel kan matigen op verzoek van de betrokken partij en dat de bewijslast van het buitensporige karakter van die boete op die partij rust.

23 Voorts merkt de verwijzende rechter op dat het volgens de rechtsleer weliswaar mogelijk is om kennelijk buitensporige opzeggingsvergoedingen nietig te verklaren in contractuele betrekkingen met consumenten, maar dat in het geval van een contractuele verhouding met een kleine onderneming niet kan worden onderzocht of de bedingen waarbij een dergelijke contractuele boete wordt opgelegd, abusief zijn.

24 Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat de energiewet geen enkele verwijzing naar de consumentenbescherming bevat en niet de mogelijkheid biedt om boeten ambtshalve te matigen als het gaat om niet-huishoudelijke afnemers, noch criteria voor de berekening ervan bevat. Om te beginnen moeten de lidstaten echter krachtens artikel 3, lid 5, van richtlijn 2009/72 ervoor zorgen dat het recht om van leverancier te veranderen geldt voor alle afnemers, zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd. Daarnaast wordt in artikel 3, lid 7, van deze richtlijn vermeld dat dit recht daadwerkelijk en gemakkelijk moet kunnen worden uitgeoefend, wat impliceert dat bij de uitoefening van dat recht een passende evenredigheid tussen het bedrag van de contractuele boete en de door de andere partij bij het contract gemaakte kosten moet worden geëerbiedigd. Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72, gelezen in samenhang met bijlage I bij deze richtlijn, weliswaar bepaalt dat voor een huishoudelijke afnemer een verandering van leverancier geen aanleiding geeft tot betaling, maar bevat de energiewet geen dergelijke specificatie.

25 Volgens de verwijzende rechter zou het feit dat het nationale recht toestaat dat contractuele boeten worden opgelegd, zonder dat het tevens criteria voor de berekening van het bedrag daarvan vaststelt, afbreuk kunnen doen aan de doelstelling van consumentenbescherming die de Uniewetgever met de vaststelling van artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72 en artikel 12, lid 3, van richtlijn 2019/944 heeft nagestreefd, alsmede aan de vrijheid van de afnemers om contracten op te zeggen, en zou dat feit de waarborgen van gelijke toegang voor elektriciteitsbedrijven van de Unie tot de afnemers kunnen vervalsen.

26 Gelet op een en ander vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72 in de weg staat aan de mogelijkheid om een afnemer een contractuele boete op te leggen wegens de opzegging door deze afnemer van een voor bepaalde tijd gesloten energieleveringscontract, in het geval waarin die afnemer van leverancier wil veranderen, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de geleden schade en zonder dat de toepasselijke wet nadere criteria voor de berekening van de vergoedingen en de matiging daarvan bevat.

27 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het mogelijk is om energieverbruikers contractueel een vergoeding in rekening te brengen wegens de opzegging van een energieleveringscontract vóór het einde van de looptijd ervan, in verband met een verandering van leverancier, wanneer deze vergoeding in feite overeenstemt met de kostprijs van de energie die niet is afgenomen, rekening houdend met de doelstelling te waarborgen dat een afnemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om gemakkelijk te veranderen van energieleverancier en dat de verandering van energieleverancier zonder discriminatie geschiedt, alsook met de noodzaak om het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Hij is van oordeel dat artikel 12, lid 3, van richtlijn 2019/944 in zoverre nuttige aanwijzingen geeft voor de uitlegging van artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72, met name omdat in eerstgenoemde bepaling wordt verwezen naar het door de leverancier geleden „rechtstreekse economische verlies” en naar evenredigheid.

28 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat alle financiële risico’s van het contract in kwestie middels een contractuele boete van het type take or pay worden afgewenteld op de afnemer. Die boete is volgens hem dus kennelijk buitensporig en kan de afnemer ertoe verplichten om de uitvoering van de overeenkomst voort te zetten, zelfs indien hij dat niet wenst. Bij dergelijke contracten kan het „rechtstreekse economische verlies” echter overeenkomen met de kosten die verbonden zijn aan de levering van energie aan de betrokken afnemer en aan de noodzaak om de gehele infrastructuur te onderhouden, met de uitgaven die verband houden met de reeds gesloten transmissie- of distributieovereenkomsten en met de lonen. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af hoe het begrip „passend deel van de uitgaven in verband met het rechtstreekse economische verlies” van een energieleverancier moet worden uitgelegd en of de nationale regeling krachtens richtlijn 2009/72 uitdrukkelijk moet bepalen hoe deze uitgaven dienen te worden berekend.

29 In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 3, leden 5 en 7, van [richtlijn 2009/72], waarin de verplichting is neergelegd om de rechten van de afnemer van energie (kleine onderneming) die van energieleverancier verandert, uit te oefenen met inachtneming van het beginsel dat een in aanmerking komende afnemer daadwerkelijk gemakkelijk van leverancier moet kunnen veranderen en dat een dergelijke verandering moet geschieden zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de mogelijkheid om een contractuele boete op te leggen aan een afnemer van energie die een voor bepaalde tijd gesloten energieleveringscontract opzegt omdat hij van energieleverancier wenst te veranderen, ongeacht de omvang van de geleden schade (artikel 483, § 1, en artikel 484, §§ 1 en 2, [van het burgerlijk wetboek]) en zonder dat [de energiewet] criteria voor de berekening van dergelijke vergoedingen of voor de matiging daarvan bevat? 2) Moet artikel 3, leden 5 en 7, van [richtlijn 2009/72], waarin de verplichting is neergelegd om de rechten van een afnemer van energie (kleine onderneming) die van energieleverancier verandert, uit te oefenen zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd en met inachtneming van het beginsel dat een in aanmerking komende afnemer daadwerkelijk gemakkelijk van leverancier moet kunnen veranderen, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging van contractuele bedingen die het in het geval van de voortijdige opzegging van een voor bepaalde tijd met een leverancier gesloten energieleveringscontract mogelijk maakt om aan afnemers (kleine ondernemingen) vergoedingen in rekening te brengen die overeenkomstig het beginsel take or pay in feite corresponderen met de kostprijs van de energie die niet is afgenomen gedurende de aanvankelijke looptijd van het contract in kwestie?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

30 Vooraf moet ten eerste worden opgemerkt dat de verwijzende rechter in de motivering van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing weliswaar refereert aan meerdere bepalingen van richtlijn 2019/944, maar dat deze richtlijn pas met ingang van 1 januari 2021 richtlijn 2009/72 heeft ingetrokken en vervangen. Gelet op de datum van de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten blijft richtlijn 2009/72 dus van toepassing op het hoofdgeding. In casu hoeft dan ook geen uitlegging te worden gegeven van richtlijn 2019/944, waarop de vragen van de verwijzende rechter bovendien formeel gesproken geen betrekking hebben. Daarnaast refereert de verwijzende rechter weliswaar in algemene zin aan de levering van energie, maar gaat het in het hoofdgeding enkel om de levering van elektriciteit. Richtlijn 2009/72 heeft overigens overeenkomstig artikel 1 ervan alleen betrekking op de interne markt voor elektriciteit.

31 Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een kleine onderneming bij voortijdige opzegging van een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs om van leverancier te veranderen, de in dat contract bedongen contractuele boete moet betalen, waarvan het bedrag kan overeenkomen met de totale kostprijs van de elektriciteit die zij had toegezegd af te nemen, zelfs indien deze elektriciteit niet is of zal worden verbruikt, terwijl deze regeling geen enkel criterium voor de berekening van een dergelijke boete of voor de eventuele matiging ervan bevat.

32 Voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

33 Wat in de eerste plaats de bewoordingen betreft van de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, moeten de lidstaten er krachtens artikel 3, lid 5, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2009/72 voor zorgen dat wanneer een afnemer met inachtneming van de contractuele voorwaarden van leverancier wenst te veranderen, de betrokken beheerder of beheerders dit binnen een termijn van drie weken regelen. In Artikel 3, lid 5, tweede alinea, van die richtlijn wordt daaraan toegevoegd dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de in de eerste alinea van dat lid 5 vermelde rechten gelden voor alle afnemers, zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd. Bij artikel 3, lid 7, wordt de lidstaten de verplichting opgelegd passende maatregelen te nemen om eindafnemers te beschermen, een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, met name met betrekking tot de transparantie van de contractvoorwaarden, en ervoor te zorgen dat de in aanmerking komende afnemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen. In laatstgenoemde bepaling wordt tevens gepreciseerd dat deze maatregelen, wat ten minste de huishoudelijke afnemers betreft, de in bijlage I bij richtlijn 2009/72 beschreven maatregelen moeten omvatten.

34 Voorts verwijst het begrip „eindafnemer” volgens artikel 2, punt 9, van deze richtlijn naar „een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen verbruik”, terwijl het begrip „in aanmerking komende afnemer” volgens punt 12 van dat artikel 2 ziet op „een afnemer die vrij is om elektriciteit te kopen bij een leverancier van zijn keuze in de zin van artikel 33 [van richtlijn 2009/72]”. Laatstbedoeld begrip strekt zich dus overeenkomstig artikel 33, lid 1, onder c), van deze richtlijn sinds 1 juli 2007 uit tot „alle afnemers”.

35 Tevens zij, in navolging van de advocaat-generaal in voetnoot 17 van zijn conclusie, opgemerkt dat richtlijn 2009/72 geen definitie van het in deze richtlijn gebezigde begrip „consument” bevat, maar dat uit overweging 1 van die richtlijn – waarin staat te lezen dat de interne markt voor elektriciteit tot doel heeft een echte keuzevrijheid te bieden „aan alle consumenten in de […] Unie, zowel particulieren als ondernemingen” – en uit overweging 42 ervan blijkt dat dit begrip, bij gebreke van een andersluidende aanwijzing in een bepaling van richtlijn 2009/72, in deze richtlijn een ruime betekenis heeft en zich dus in beginsel uitstrekt tot alle „eindafnemers”, dat wil zeggen zowel „huishoudelijke afnemers” als „niet-huishoudelijke afnemers”, waaronder kleine ondernemingen.

36 Uit het voorgaande volgt dat op grond van de bewoordingen van artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72 – gelezen in het licht van de in de punten 34 en 35 van dit arrest vermelde relevante definities – in wezen enkel vereist is dat een nationale regeling als die welke wordt beschreven in punt 31 van dit arrest, ten eerste waarborgt dat een eindafnemer desgewenst daadwerkelijk gemakkelijk van elektriciteitsleverancier kan veranderen met inachtneming van de voorwaarden van zijn elektriciteitsleveringscontract, ten tweede garandeert dat contractuele bedingen als die welke in dat punt 31 worden beschreven, transparant zijn, en ten derde een mechanisme voor de beslechting van mogelijke geschillen tussen consumenten en hun elektriciteitsleverancier bevat.

37 Dat een dergelijke nationale regeling toestaat dat in een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs is bepaald dat een contractuele boete verschuldigd is wanneer de afnemer dit contract voortijdig opzegt om van leverancier te veranderen, staat er – zelfs wanneer deze regeling de in punt 31 van dit arrest beschreven kenmerken vertoont – niet noodzakelijk aan in de weg dat de afnemer daadwerkelijk gemakkelijk van leverancier kan veranderen, mits die regeling voorschrijft dat een dergelijk contractueel beding in duidelijke bewoordingen is opgesteld – zodat de afnemer de draagwijdte ervan kan begrijpen vóór de ondertekening van het contract – en er vrijwillig met dat beding wordt ingestemd waardoor het voldoet aan de volgens die bewoordingen vereiste voorwaarde van transparantie, en mits die regeling bovendien de mogelijkheid biedt om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen in geval van een geschil.

38 Aan de andere kant kan erop worden gewezen dat in artikel 3, lid 5, van richtlijn 2009/72 wordt verduidelijkt dat de contractvoorwaarden moeten worden geëerbiedigd bij verandering van leverancier.

39 Zoals reeds is opgemerkt in punt 33 van dit arrest, wordt bovendien in de laatste volzin van artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 bepaald dat de lidstaten ten minste voor huishoudelijke afnemers de in bijlage I bij deze richtlijn vermelde maatregelen moeten vaststellen teneinde een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen. Zoals blijkt uit deze bijlage, gaat het onder meer om maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de afnemers overeenkomstig punt 1, onder a), van die bijlage recht hebben op een met hun elektriciteitsleverancier gesloten contract waaruit duidelijk blijkt of het toegestaan is het contract kosteloos op te zeggen, alsmede dat hun volgens punt 1, onder e), van diezelfde bijlage geen kosten in rekening worden gebracht wanneer zij van leverancier veranderen. Blijkens artikel 2, punt 10, van richtlijn 2009/72 ziet het begrip „huishoudelijke afnemer” evenwel op „een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten”, terwijl het begrip „niet-huishoudelijke afnemer” volgens punt 11 van dat artikel 2 betrekking heeft op „een natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit koopt die niet voor eigen huishoudelijk gebruik is bestemd[, waaronder] tevens producenten en grootafnemers [vallen]”.

40 Aangezien artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 uitdrukkelijk bepaalt dat de lidstaten met het oog op de toepassing van de in bijlage I bij deze richtlijn bedoelde maatregelen een onderscheid kunnen maken tussen enerzijds afnemers die voor eigen huishoudelijk gebruik elektriciteit kopen en anderzijds afnemers die elektriciteit voor een commerciële of professionele activiteit kopen, staat die bepaling geenszins in de weg aan een nationale regeling als die welke wordt beschreven in punt 31 van dit arrest, maar lijkt het er veeleer op te wijzen dat de lidstaten vrij zijn om te bepalen dat een kleine onderneming die voortijdig een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs opzegt om van leverancier te veranderen, de in die overeenkomst bedongen contractuele boete moet betalen.

41 Wat in de tweede plaats de context van artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72 betreft, zij om te beginnen opgemerkt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2009/72 de lidstaten de verplichting oplegt om niet-huishoudelijke eindafnemers de mogelijkheid te bieden kosteloos van leverancier te veranderen of om in soortgelijke maatregelen te voorzien, zelfs niet indien het om kleine ondernemingen gaat.

42 Vervolgens bepaalt artikel 3, lid 4, van richtlijn 2009/72 in wezen dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle afnemers aanspraak hebben op elektriciteitsvoorziening door een leverancier, behoudens de toestemming van de leverancier.

43 Ten slotte wordt in overweging 51 van richtlijn 2009/72 in herinnering gebracht dat de consumentenbelangen in deze richtlijn centraal staan en dat de bevoegde nationale autoriteiten erover moeten waken dat hun rechten worden geëerbiedigd, staat in overweging 52 van die richtlijn te lezen dat de consumenten over „duidelijke en begrijpelijke informatie over hun rechten ten aanzien van de energiesector” moeten kunnen beschikken, en wordt in overweging 54 van diezelfde richtlijn gepreciseerd dat de middelen van geschillenbeslechting die op grond van artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 moeten worden ingevoerd, „alle consumenten” ter beschikking moeten staan.

44 Derhalve moet worden vastgesteld dat uit deze context niet kan worden afgeleid dat de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, zich in beginsel verzetten tegen een nationale regeling als die welke in punt 31 van dit arrest wordt beschreven, wanneer de betrokken lidstaat er niet voor heeft gekozen de in bijlage I bij richtlijn 2009/72 vermelde maatregelen uit te breiden tot andere dan huishoudelijke afnemers. Uit die context volgt daarentegen in wezen dat een dergelijke nationale regeling moet waarborgen dat de afnemers het recht hebben om hun leverancier te kiezen, alsmede dat de consumenten duidelijk en begrijpelijk in kennis worden gesteld van hun rechten en dat zij hun rechten kunnen doen gelden in het kader van een geschillenbeslechtingsmechanisme.

45 Wat in de derde plaats de met richtlijn 2009/72 nagestreefde doelstellingen betreft, zij opgemerkt dat artikel 1 ervan bepaalt dat deze richtlijn ertoe strekt om met het oog op het verbeteren en integreren van concurrerende elektriciteitsmarkten in de Unie gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de productie, de transmissie, de distributie en de levering van elektriciteit, alsmede regels voor de bescherming van de consumenten. In dit verband blijkt uit de overwegingen 3, 7 en 8 van richtlijn 2009/72 dat deze er in wezen toe strekt om een volledig opengestelde en concurrerende interne markt voor elektriciteit tot stand te brengen waarop alle consumenten vrijelijk hun leveranciers kunnen kiezen en deze leveranciers vrijelijk aan hun afnemers kunnen leveren, om de mededinging op die markt te bevorderen teneinde de levering van elektriciteit tegen de meest concurrerende prijs te waarborgen, en om gelijke mededingingsvoorwaarden op die markt tot stand te brengen met het oog op de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit (zie in die zin arresten van 17 oktober 2019, Elektrorazpredelenie Yug, C‑31/18, EU:C:2019:868, punt 39, en 11 juni 2020, Prezident Slovenskej republiky, C‑378/19, EU:C:2020:462, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 In diezelfde zin staat in overweging 57 van richtlijn 2009/72 te lezen dat de bevordering van eerlijke concurrentie en gemakkelijke toegang voor verschillende leveranciers alsook de schepping van capaciteit voor nieuwe stroomproductie voor de lidstaten zaken van het grootste belang zouden moeten zijn, willen de consumenten ten volle kunnen profiteren van de voordelen van een geliberaliseerde interne markt voor elektriciteit.

47 In dit verband moet – in navolging van de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie – worden opgemerkt dat elektriciteitsleveringscontracten met een vaste looptijd en een vaste prijs de bescherming van de afnemers kunnen waarborgen door hun een lage en stabiele elektriciteitsprijs te garanderen, omdat de consumenten de zekerheid wordt geboden dat de door hen te dragen kosten gedurende de gehele looptijd van het contract niet zullen variëren. Mogelijkerwijs heeft de betrokken elektriciteitsleverancier evenwel specifieke uitgaven moeten doen om de verplichtingen na te komen die op hem rusten krachtens dergelijke contracten en kunnen die uitgaven voor hem extra kosten hebben meegebracht ten opzichte van een contract voor onbepaalde tijd en zonder vaste prijs, met name om zich te beschermen tegen de volatiliteit van de kosten op de groothandelsmarkt. De mogelijkheid om toe te staan dat de afnemer een contractuele boete wordt opgelegd wanneer hij dit soort contract met een vaste looptijd en een vaste prijs voortijdig opzegt, kan de leverancier dus in staat stellen om de bijzondere kosten te compenseren die voor hem uit dat soort contracten voortvloeien, waarbij tegelijkertijd wordt voorkomen dat hij het aan een dergelijk contract verbonden financiële risico moet afwentelen op al zijn afnemers, wat voor hen zou kunnen leiden tot een verhoging van de elektriciteitsprijzen, hetgeen uiteindelijk in strijd zou zijn met de doelstelling om de consumenten de laagst mogelijke prijzen te garanderen.

48 Er moet echter ook rekening worden gehouden met de algemene doelstelling van richtlijn 2009/72 om de interne markt voor elektriciteit te voltooien alsook met de meer specifieke doelstellingen, die worden genoemd in de overwegingen 51 en 57 van deze richtlijn, namelijk de consumenten te laten profiteren van een concurrerende en geliberaliseerde markt. De verwezenlijking van deze doelstellingen zou in gevaar worden gebracht indien een nationale regeling zou toestaan dat contractuele boeten worden opgelegd die niet in verhouding staan tot de kosten van het contract, maar niet volledig worden gecompenseerd wegens de voortijdige opzegging van het contract. Dergelijke boeten kunnen de betrokken afnemers immers kunstmatig ontmoedigen hun elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs voortijdig op te zeggen om van leverancier te veranderen en hen aldus beletten ten volle te profiteren van een concurrerende en geliberaliseerde interne markt voor elektriciteit.

49 Aangezien de prejudiciële vragen betrekking hebben op een nationale regeling die ten eerste bepaalt dat de kosten en schadevergoedingen die contractueel kunnen worden overeengekomen voor het geval dat een niet-huishoudelijke eindafnemer een dergelijk elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt, verschuldigd zijn ongeacht de omvang van de eventueel door de oorspronkelijke leverancier geleden schade, en die ten tweede geen enkel criterium bevat voor de berekening van die kosten of de eventuele matiging ervan door de administratieve of gerechtelijke instantie bij wie een geding daarover aanhangig wordt gemaakt, moet worden opgemerkt dat richtlijn 2009/72 geen enkele aanwijzing over deze kwesties bevat.

50 Volgens de rechtspraak van het Hof moeten de lidstaten hun bevoegdheden evenwel uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en mogen zij daarbij dus geen afbreuk doen aan het nuttig effect van richtlijn 2009/72 (zie naar analogie arresten van 30 juni 2005, Candolin e.a., C‑537/03, EU:C:2005:417, punten 25‑27, en 17 december 2015, Szemerey, C‑330/14, EU:C:2015:826, punt 42).

51 Gelet op wat in punt 48 van het onderhavige arrest is geconstateerd, zou dit laatste het geval zijn indien de aangezochte administratieve of rechterlijke instantie in het kader van het geschillenbeslechtingsmechanisme waarin de lidstaten krachtens richtlijn 2009/72 ten behoeve van elektriciteitsverbruikers moeten voorzien, het bedrag van een contractuele boete als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet kan beoordelen en in voorkomend geval de matiging of zelfs de kwijtschelding ervan niet kan opleggen indien zou blijken dat die geldboete – gelet op alle omstandigheden van het concrete geval – onevenredig is aan de kosten die zijn ontstaan op grond van een contract als in het hoofdgeding aan de orde is, maar die niet volledig zijn gecompenseerd wegens de voortijdige opzegging van dit contract, zodat die geldboete in de praktijk tot gevolg heeft dat het recht van de eindafnemer om daadwerkelijk gemakkelijk van leverancier te kunnen veranderen wordt uitgehold en dat afbreuk wordt gedaan aan de in de punten 45, 46 en 48 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van richtlijn 2009/72.

52 Hoewel de beoordeling of het bedrag van een dergelijke contractuele boete evenredig is, behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale instantie waarbij een eventueel geding aanhangig is gemaakt, moet – om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven – worden opgemerkt dat bij die beoordeling met name rekening kan worden gehouden met de aanvankelijke looptijd van het contract in kwestie, met de resterende looptijd op het tijdstip van de opzegging van dit contract, met de hoeveelheid elektriciteit die ter uitvoering van dat contract is gekocht maar die uiteindelijk niet door de afnemer zal worden verbruikt, en met de middelen waarvan een redelijk zorgvuldige leverancier zou hebben gebruikgemaakt om de eventuele economische verliezen te beperken die hij ten gevolge van die voortijdige opzegging zou hebben geleden.

53 In casu blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat de Republiek Polen het voordeel van de in bijlage I bij richtlijn 2009/72 genoemde maatregelen – die de lidstaten krachtens artikel 3, lid 7, van deze richtlijn moeten vaststellen ten gunste van huishoudelijke afnemers – heeft willen uitbreiden tot niet-huishoudelijke eindafnemers of tot kleine ondernemingen. Bovendien komt uit de verwijzingsbeslissing weliswaar naar voren dat de toepasselijke nationale regeling in wezen bepaalt dat het de partijen bij het contract vrijstaat om het bedrag van de contractuele boete vast te stellen die van toepassing is wanneer de wederpartij met de hoedanigheid van eindafnemer een elektriciteitsleveringscontract met vaste looptijd en vaste prijs voortijdig opzegt om van leverancier te veranderen, alsmede dat het overeengekomen bedrag verschuldigd is ongeacht de omvang van de geleden schade, maar blijkt uit de verwijzingsbeslissing tevens dat het krachtens artikel 484, § 2, van het burgerlijk wetboek mogelijk is om zich in geval van een geschil daarover tot een rechterlijke instantie te wenden en om te verzoeken die boete te matigen „[i]ndien een wezenlijk deel van de verbintenis is nagekomen” of indien deze boete „kennelijk buitensporig” is. Daarnaast blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier evenmin dat de naleving van de overige in punt 36 van dit arrest in herinnering gebrachte voorwaarden waaraan krachtens richtlijn 2009/72 moet zijn voldaan, door het Poolse recht wordt gewaarborgd. Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties en eindbeoordelingen, lijkt artikel 3, leden 5 en 7, van deze richtlijn zich er bijgevolg niet tegen te verzetten dat op een niet-huishoudelijke eindafnemer in de zin van die richtlijn een nationale regeling wordt toegepast als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.

54 Daaraan moet worden toegevoegd dat zelfs indien de verwijzende rechter in het kader van die verificaties zou constateren dat vennootschap G, die hij als „kleine onderneming” kwalificeert, niet voldoet aan de twee in artikel 3, lid 3, van richtlijn 2009/72 genoemde cumulatieve voorwaarden voor een dergelijke kwalificatie in het licht van deze richtlijn, dit geen invloed zou hebben op de relevantie van het antwoord dat wordt gegeven met het oog op de beslechting van het hoofdgeding. Zoals blijkt uit de overwegingen in punt 44 van dit arrest, geldt dit antwoord immers in beginsel voor alle niet-huishoudelijke eindverbruikers in de zin van die richtlijn en beantwoordt vennootschap G – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – niet aan laatstbedoelde kwalificatie.

55 Gelet op een en ander moet op de twee prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een kleine onderneming bij voortijdige opzegging van een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs om van leverancier te veranderen, de in dat contract bedongen contractuele boete moet betalen, waarvan het bedrag kan overeenkomen met de totale kostprijs van de elektriciteit die zij had toegezegd af te nemen, zelfs indien deze elektriciteit niet is of zal worden verbruikt, terwijl deze regeling geen criterium voor de berekening van een dergelijke boete of voor de eventuele matiging ervan bevat, mits deze regeling voorschrijft dat een dergelijk contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is en dat er vrijwillig met dat beding wordt ingestemd, en mits die regeling bovendien de mogelijkheid biedt om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen, in het kader waarvan de aangezochte autoriteit de evenredigheid van deze boete in het licht van alle concrete omstandigheden kan beoordelen en in voorkomend geval kan gelasten dat de boete wordt gematigd of kwijtgescholden.

Kosten

56 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, leden 5 en 7, van richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een kleine onderneming bij voortijdige opzegging van een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs om van leverancier te veranderen, de in dat contract bedongen contractuele boete moet betalen, waarvan het bedrag kan overeenkomen met de totale kostprijs van de elektriciteit die zij had toegezegd af te nemen, zelfs indien deze elektriciteit niet is of zal worden verbruikt, terwijl deze regeling geen criterium voor de berekening van een dergelijke boete of voor de eventuele matiging ervan bevat, mits deze regeling voorschrijft dat een dergelijk contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is en dat er vrijwillig met dat beding wordt ingestemd, en mits die regeling bovendien de mogelijkheid biedt om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen, in het kader waarvan de aangezochte autoriteit de evenredigheid van deze boete in het licht van alle concrete omstandigheden kan beoordelen en in voorkomend geval kan gelasten dat de boete wordt gematigd of kwijtgescholden.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Pools.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in