HvJ EU 20 maart 2025, C-116/24, ECLI:EU:C:2025:198
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
20 maart 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Nationaal programma voor plattelandsontwikkeling 2007‑2013 – Maatregel voor plattelandsontwikkeling – Dierenwelzijnsbetalingen – Rekenfouten – Verlaging van deze betalingen door de nationale autoriteiten zonder een definitief besluit van de Europese Commissie af te wachten – Gevolgen van het verstrijken van de termijn voor de wijziging van dat programma en de besluiten van de Commissie tot goedkeuring of wijziging ervan – Geen tegenstrijdigheid tussen een arrest van het Hof en een arrest van het Gerecht van de Europese Unie – Aansprakelijkheid van de betrokken lidstaat wegens schending van het Unierecht”
In zaak C‑116/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Pitești (rechter in tweede aanleg Pitești, Roemenië) bij beslissing van 28 november 2023, ingekomen bij het Hof op 12 februari 2024, in de procedure
Porcellino Grasso SRL
tegen
Ministerul Agriculturii și Dezvoltării Rurale,
Agenţia pentru Finanţarea Investițiilor Rurale,
Agenţia de Plăți și Intervenţie pentru Agricultură,
Agenţia de Plăți și Intervenţie pentru Agricultură – Centrul Județean Vâlcea,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kumin (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, president van de Eerste kamer, en I. Ziemele, rechter,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Porcellino Grasso SRL, vertegenwoordigd door C. S. Strătulă en O. Strătulă, avocaţi,
– Ministerul Agriculturii și Dezvoltării Rurale, vertegenwoordigd door F. I. Barbu en A. Popescu als gemachtigden,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane en A. Rotăreanu als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Radu Bouyon en M. Salyková als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 288, 291 en 297 VWEU, het Unierechtelijke beginsel dat een besluit van de Europese Commissie rechtsgevolgen sorteert totdat het nietig wordt verklaard, de artikelen 18 en 19 van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2005, L 277, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 74/2009 van de Raad van 19 januari 2009 (PB 2009, L 30, blz. 100) (hierna: „verordening nr. 1698/2005”), alsmede artikel 9, lid 3, van verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2006, L 368, blz. 15), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 335/2013 van de Commissie van 12 april 2013 (PB 2013, L 105, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1974/2006”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Porcellino Grasso SRL, enerzijds, en Ministerul Agriculturii și Dezvoltării Rurale (ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling, Roemenië), Agenția pentru Finanțarea Investițiilor Rurale (agentschap voor de financiering van plattelandsinvesteringen, Roemenië), Agenția de Plăți și Intervenție pentru Agricultură (agentschap voor betalingen en steunmaatregelen op landbouwgebied, Roemenië) en Agenția de Plăți și Intervenție pentru Agricultură – Centrul Județean Vâlcea (agentschap voor betalingen en steunmaatregelen in de landbouw – regionaal bureau Vâlcea, Roemenië) (hierna: „APIA Vâlcea”), anderzijds, over een verlaging van dierenwelzijnsbetalingen.
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 1698/2005
3 Artikel 18 („Opstelling en goedkeuring”) van verordening nr. 1698/2005, luidde als volgt: „1. Elk programma voor plattelandsontwikkeling wordt door de lidstaat opgesteld in nauw overleg met de in artikel 6 bedoelde partners. 2. Voor elk programma voor plattelandsontwikkeling dient de lidstaat bij de Commissie een voorstel in dat de in artikel 16 genoemde gegevens bevat. 3. De Commissie beoordeelt de voorgestelde programma’s in het licht van hun coherentie met de communautaire strategische richtsnoeren, met het nationaal strategisch plan en met deze verordening. Indien de Commissie van mening is dat een programma voor plattelandsontwikkeling niet coherent is met de communautaire strategische richtsnoeren, met het nationaal strategisch plan of met deze verordening, verzoekt zij de lidstaat het voorgestelde programma dienovereenkomstig te herzien. 4. Elk programma voor plattelandsontwikkeling wordt goedgekeurd volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure.”
4 Artikel 19 („Herziening”) van deze verordening bepaalde: „1. Na goedkeuring door het toezichtcomité, worden de programma’s voor plattelandsontwikkeling door de lidstaat opnieuw bezien en in voorkomend geval voor de resterende looptijd aangepast. De herzieningen houden rekening met de evaluatieresultaten en met de verslagen van de Commissie, in het bijzonder om de wijze waarop de communautaire prioriteiten in aanmerking worden genomen, te versterken of aan te passen. 2. De Commissie geeft volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure een beschikking over een verzoek tot herziening van een programma voor plattelandsontwikkeling nadat de lidstaat zo’n verzoek heeft ingediend. Volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure wordt bepaald welke wijzigingen er bij beschikking van de Commissie moeten worden goedgekeurd.”
5 Artikel 40 („Dierenwelzijnsbetalingen”) van die verordening was als volgt verwoord: „1. Dierenwelzijnsbetalingen als bedoeld in artikel 36, onder a), v), worden verleend aan landbouwers die op vrijwillige basis dierenwelzijnsverbintenissen aangaan. 2. Dierenwelzijnsbetalingen worden slechts verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de relevante dwingende normen als bedoeld in artikel 4 en bijlage III bij verordening (EG) nr. 1782/2003 [van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB 2003, L 270, blz. 1)] en van andere relevante dwingende eisen die in nationale wetgeving zijn vastgesteld en in het programma zijn vermeld. De verbintenissen worden in de regel aangegaan voor een periode van tussen de vijf en zeven jaar. Waar dat noodzakelijk en gerechtvaardigd is, wordt voor specifieke typen van verbintenissen volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure een langere periode vastgesteld. 3. De betalingen worden jaarlijks verleend en dekken de extra kosten en de gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de nakoming van de aangegane verbintenis; zo nodig kunnen zij ook transactiekosten dekken. De steun beperkt zich tot het in de bijlage I vastgestelde maximum.”
Verordening nr. 1974/2006
6 Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1974/2006 luidde als volgt: „De veranderingen van de programma’s voor plattelandsontwikkeling vallen uiteen in de volgende categorieën: a) herzieningen zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van verordening [nr. 1698/2005]; b) herzieningen die voortvloeien uit de toepassing van procedures voor coördinatie ten aanzien van de besteding van de financiële middelen zoals bedoeld in artikel 77, lid 3, van verordening [nr. 1698/2005]; b bis) herzieningen van het financieringsplan met betrekking tot de tenuitvoerlegging van artikel 70, lid 4 ter), van verordening [nr. 1698/2005]; c) andere, niet onder de punten a), b) en b bis) van het onderhavige lid vallende veranderingen.
7 Artikel 9, leden 1 tot en met 3, van deze verordening bepaalde: „1. De in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde veranderingen van programma’s door de lidstaten kunnen bestaan uit veranderingen van financiële uitsplitsingen over maatregelen binnen assen en uit niet-financiële veranderingen die betrekking hebben op de toevoeging van nieuwe maatregelen en soorten van concrete acties, de intrekking van bestaande maatregelen en soorten van concrete acties, de in artikel 5, lid 6, van verordening [nr. 1698/2005] bedoelde uitzonderingen of het verschaffen van informatie over en de beschrijving van bestaande maatregelen van het programma. 2. De lidstaten mogen ook in artikel 6, lid 1, onder c), bedoelde veranderingen aanbrengen door binnen een kalenderjaar tot 3 % van de totale Elfpo-bijdrage voor het programma voor de gehele programmeringsperiode over te dragen van en naar welke as dan ook. 3. De in de leden 1 en 2 bedoelde veranderingen van programma’s kunnen uiterlijk vóór 31 december 2015 worden aangebracht op voorwaarde dat de lidstaten die veranderingen uiterlijk op 31 augustus 2015 melden.”
Verordening nr. 1306/2013
8 Artikel 5 („Uitgaven uit het Elfpo”) van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549), is geformuleerd als volgt: „Het Elfpo wordt ten uitvoer gelegd op basis van een tussen de lidstaten en de [Europese] Unie gedeeld beheer. Het financiert de financiële bijdrage van de Unie aan programma’s voor plattelandsontwikkeling die worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig het recht van de Unie inzake steun voor plattelandsontwikkeling.”
9 Artikel 52 („Conformiteitsgoedkeuring”) van deze verordening bepaalt in lid 1: „De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast, waarin de aan financiering door de Unie te onttrekken bedragen worden vastgesteld, indien zij constateert dat de uitgaven die vallen binnen de reikwijdte van artikel 4, lid 1, en artikel 5 niet zijn gedaan in overeenstemming met het recht van de Unie en, voor het Elfpo, in overeenstemming met het toepasselijke recht van de Unie en [het] nationale recht bedoeld in artikel 85 van verordening (EU) nr. 1303/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320)]. […]”
10 Artikel 58 („Bescherming van de financiële belangen van de Unie”) van verordening nr. 1306/2013, bepaalt in lid 1: „De lidstaten stellen in het kader van het GLB alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen vast die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, in het bijzonder om: a) zich te vergewissen van de wettigheid en regelmatigheid van de door het [Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF)] en het Elfpo gefinancierde verrichtingen; b) voor een doeltreffende fraudepreventie te zorgen, met name op de gebieden met een hoger risiconiveau, die zorgt voor een afschrikkende werking en waarbij rekening wordt gehouden met de kosten en baten en met de evenredigheid van de maatregelen; c) onregelmatigheden en fraude te voorkomen, op te sporen en te corrigeren; d) overeenkomstig het recht van de Unie of, bij ontstentenis daarvan, nationaal recht, sancties op te leggen die doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn, en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig; e) onverschuldigd betaalde bedragen met rente terug te vorderen en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Na de vaststelling van beschikking C(2008) 3831 van de Commissie van 16 juli 2008 houdende goedkeuring van het plattelandsontwikkelingsprogramma van het Elfpo voor Roemenië voor de periode 2007‑2013 heeft Roemenië bepalingen vastgesteld met het oog op de verbetering van dierenwelzijn. Op verzoek van die lidstaat heeft de Commissie bij uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 van 25 mei 2012 in het nationaal programma voor plattelandsontwikkeling 2007‑2013 (hierna: „NPPO 2007‑2013”) een steunmaatregel opgenomen in de vorm van betalingen ter compensatie van de gederfde inkomsten en de extra kosten van landbouwers die vrijwillig de voorschriften ter verbetering van dierenwelzijn hebben toegepast (hierna: „maatregel 215”). Wat mestvarkens betreft, wordt door deze maatregel met name een jaarlijkse betaling van 4,90 EUR per „grootvee-eenheid” (GVE) in het vooruitzicht gesteld om het dierenwelzijn tijdens transport te verbeteren (hierna: „steun ter verbetering van transport”) en een jaarlijkse betaling van 16,80 EUR/GVE om de hinder met 30 % te verminderen ten opzichte van het wettelijk verplichte minimumniveau (hierna: „steun ter vermindering van hinder”).
12 Op 13 augustus 2012 heeft Porcellino Grasso bij APIA Vâlcea verschillende niet-terugvorderbare steunmaatregelen, waaronder steun ter verbetering van transport en ter vermindering van hinder aangevraagd, als tegenprestatie voor haar verbintenis om op haar bedrijven gedurende ten minste vijf jaar maatregelen voor het welzijn van mestvarkens in acht te nemen.
13 Op 14 augustus 2015 heeft zij bij APIA Vâlcea een aanvraag voor deze steun ingediend voor de periode van 16 juli 2015 tot en met 15 juli 2016, wat overeenkomt met het vierde jaar van haar verbintenis.
14 Op 8 maart 2016 heeft APIA Vâlcea aan Porcellino Grasso laten weten dat er, naar aanleiding van een audit uitgevoerd door vertegenwoordigers van de Europese Rekenkamer voor boekjaar 2015, fouten waren vastgesteld die hadden geleid tot buitensporige betalingen met betrekking tot de steun ter verbetering van transport en ter vermindering van hinder die in het kader van maatregel 215 was toegekend.
15 Vanwege deze fouten heeft APIA Vâlcea uitgelegd dat dit agentschap het aan Porcellino Grasso verschuldigde steunbedrag zou verlagen tot 1,43 EUR/GVE voor de steun ter verbetering van transport en tot 14,18 EUR/GVE voor de steun ter vermindering van hinder. Deze verlaging werd later definitief door de vaststelling van een besluit van het ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling.
16 Porcellino Grasso heeft bestuursrechtelijke beroepen ingesteld tegen de genomen betalingsbesluiten, die op de datum van indiening van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing nog steeds aanhangig waren.
17 Op 31 januari 2017 heeft Porcellino Grasso bij APIA Vâlcea onder meer een betalingsaanvraag ingediend voor steun ter verbetering van transport en ter vermindering van hinder voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, wat overeenkomt met het zesde jaar van haar verbintenis.
18 Bij besluit van 6 februari 2018 heeft APIA Vâlcea deze aanvraag goedgekeurd, maar daarbij de voor deze steunmaatregelen uit te voeren betalingen berekend op basis van de verlaagde bedragen zoals vermeld in punt 15 van dit arrest.
19 Porcellino Grasso heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat op 8 maart 2018 werd afgewezen.
20 Daarop heeft deze onderneming beroep ingesteld bij de Curte de Apel Pitești (rechter in tweede aanleg Pitești, Roemenië), de verwijzende rechter, strekkende tot met name nietigverklaring van genoemd besluit en van het besluit tot afwijzing van haar bezwaar, alsmede tot vergoeding van de schade voor een bedrag gelijk aan het verschil tussen het bedrag dat zij verschuldigd achtte en het bedrag dat daadwerkelijk aan haar is betaald.
21 De verwijzende rechter merkt allereerst op dat het Hof, bij arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), in wezen heeft geoordeeld dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een maatregel inzake niet-terugvorderbare financiële steun vanwege een door de Rekenkamer vastgestelde rekenfout handelingen vaststellen waarbij het bedrag van de door het NPPO 2007‑2013 (zoals goedgekeurd door de Commissie) toegekende financiële steun wordt verlaagd, zonder te wachten op de vaststelling door de Commissie van een besluit waarbij de bedragen die het gevolg zijn van deze rekenfout, van Uniefinanciering worden uitgesloten.
22 De verwijzende rechter sluit echter niet uit dat andere normen en beginselen van de Unie, waarop Porcellino Grasso zich beroept en die niet in dat arrest in aanmerking zijn genomen, zich verzetten tegen een verlaging door de Roemeense autoriteiten van het bedrag van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde financiële steun. Hij merkt namelijk op dat dit bedrag werd vastgesteld bij uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 tot wijziging van het NPPO 2007‑2013, en dat dit besluit niet is herroepen of nietig is verklaard en niet meer kon worden gewijzigd op de datum waarop de in punt 14 van het onderhavige arrest bedoelde rekenfouten werden vastgesteld.
23 De verwijzende rechter wijst er vervolgens op dat volgens de beweringen van Porcellino Grasso het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), in wezen betrekking heeft op feitelijke en juridische kwesties die identiek zijn aan die in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899). Het lijkt er echter op dat dit arrest van het Gerecht in tegenspraak is met dat tweede arrest, aangezien het Gerecht en het Hof tot een verschillende conclusie zijn gekomen, met name ten aanzien van het vertrouwensbeginsel. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of hij met voornoemd arrest van het Gerecht rekening mag houden bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding.
24 Ten slotte vraagt die rechter zich af of het beginsel van aansprakelijkheid van de lidstaten in geval van schending van het Unierecht de Roemeense Staat verplicht om een begunstigde zoals Porcellino Grasso de bedragen die verschuldigd zijn als steun ter verbetering van transport en ter vermindering van hinder, tot het oorspronkelijk bij uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 vastgestelde bedrag te betalen gedurende de volledige looptijd van de door deze begunstigde aangegane verbintenissen.
25 Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel Pitești de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Verzetten de artikelen 288, 291 en 297 VWEU, het Unierechtelijke beginsel dat een besluit van de […] Commissie rechtsgevolgen sorteert totdat het nietig wordt verklaard – zoals dit beginsel is bekrachtigd in de arresten van het Hof in de zaken C‑245/92 P (Chemie Linz/Commissie), C‑475/01 (Commissie/Griekenland), C‑362/14 (Schrems), C‑533/10 (CIVAD), 314/85 (Foto-Frost/Hauptzollamt Lübeck-Ost), C‑644/17 (Eurobolt), en C‑199/06 (CELF en Ministre de la Culture et de la Communication) –, artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006 en de artikelen 18 en 19 van verordening nr. 1698/2005 zich tegen de praktijk van de Roemeense nationale autoriteiten om interne handelingen vast te stellen in strijd met uitvoeringsbesluit [C(2012) 3529] tot wijziging van het nationale NPPO 2007‑2013, of om dit besluit buiten toepassing te laten, terwijl het is gewijzigd noch nietig is verklaard? 2) Kan de nationale rechter, gelet op de algemene verplichting van de lidstaten om het Unierecht na te leven, bij de beslechting van een hem voorliggende zaak rekening houden met de gevolgen en de motivering (overwegingen) van een arrest van het Gerecht van de Europese Unie ([arrest] van 18 januari 2023, in zaak T‑33/21) naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 263 VWEU, waarbij een uitvoeringsbesluit van de Commissie in een vergelijkbare zaak nietig is verklaard, indien de nationale rechter zich moet houden aan een uitleggingsarrest van het Hof krachtens artikel 267 VWEU (te weten het arrest van 17 november 2022 in zaak C‑443/21) dat echter geen beoordeling bevat van de geldigheid en de gevolgen van de betreffende uitvoeringsbesluiten van de […] Commissie [uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 final en uitvoeringsbesluit (EU) 2018/873 van 13 juni 2018 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2018, L 152, blz. 29)] maar slechts een beoordeling van de terugbetaling van financiering bij gebrek aan een besluit van de Commissie ter zake? 3) Vereist het beginsel van staatsaansprakelijkheid dat de Roemeense Staat in een situatie als die van de onderhavige zaak de steunbetalingen aan de begunstigden van maatregel 215 uitkeert ten belope van het bedrag dat is vastgesteld in uitvoeringsbesluit [C(2012) 3529], gedurende de gehele looptijd van hun verbintenissen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
26 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, gelet op de overwegingen van het Gerecht in zijn arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), een aantal normen en beginselen van Unierecht, waarmee het Hof geen rekening heeft gehouden in zijn arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), tot gevolg hebben dat het dictum van laatstgenoemd arrest ter discussie wordt gesteld, in die zin dat deze normen en beginselen aldus zouden moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een maatregel inzake niet-terugvorderbare financiële steun, als gevolg van door de Rekenkamer vastgestelde rekenfouten, handelingen vaststellen die een verlaging inhouden van het bedrag van de financiële steun die is toegekend in het kader van het NPPO 2007‑2013, zoals goedgekeurd en gewijzigd bij besluiten van de Commissie, wanneer dit programma op de datum waarop deze fouten zijn vastgesteld, niet meer kon worden herzien of gewijzigd.
Ontvankelijkheid
27 In de eerste plaats betoogt het ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling dat de eerste en de tweede vraag niet-ontvankelijk zijn, op grond dat de eerste vraag reeds door het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899) is verduidelijkt, en de tweede vraag niet valt binnen het voorwerp van de prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU.
28 In dit verband zij erop gewezen dat het Hof bevoegd is om de draagwijdte van een prejudicieel uitleggingsarrest te verduidelijken in het licht van bepalingen van Unierecht of rechtspraak die in dat arrest niet ter sprake zijn gekomen (zie in die zin arrest van 5 december 2017, M.A.S. en M.B., C‑42/17, EU:C:2017:936, punt 28).
29 Met zijn eerste en tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), in het licht van Unierechtelijke bepalingen en een arrest van het Gerecht die in het eerstgenoemde arrest niet zijn onderzocht. De prejudiciële vragen zijn dan ook ontvankelijk.
30 In de tweede plaats zij er in dit verband aan herinnerd dat het verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de uiteenzetting moet bevatten van de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich over de uitlegging of de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie vragen te stellen, alsook het verband tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling.
31 Hoewel de verwijzende rechter in zijn eerste vraag verwijst naar de artikelen 288, 291 en 297 VWEU en naar het Unierechtelijke beginsel dat een besluit van de Commissie rechtsgevolgen sorteert totdat het nietig wordt verklaard, moet worden vastgesteld dat hij in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing geenszins toelicht waarom hij zich vragen stelt over deze artikelen en dit beginsel. In het bijzonder legt hij niet uit waarom deze artikelen en dit beginsel volgens hem, met name gezien de inhoud, de context of het doel ervan, de in het dictum van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), gegeven uitlegging kunnen ontkrachten. De eerste vraag is dan ook niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking heeft op die artikelen en dat beginsel.
32 De eerste vraag is daarentegen wel ontvankelijk voor zover zij betrekking heeft op artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006 alsmede op de artikelen 18 en 19 van verordening nr. 1698/2005. De verwijzende rechter stelt namelijk in wezen, onder verwijzing naar de overwegingen van het Gerecht in het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), dat krachtens deze bepalingen het NPPO 2007‑2013 – zoals goedgekeurd bij beschikking C(2008) 3831 en gewijzigd bij uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 – niet meer kon worden herzien of gewijzigd op de datum waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rekenfouten door de Rekenkamer werden vastgesteld. Hij vraagt zich bijgevolg in essentie af of de Roemeense autoriteiten onder deze omstandigheden gerechtigd waren tot de in punt 15 van het onderhavige arrest bedoelde verlaging. Daarmee zet de verwijzende rechter voldoende duidelijk uiteen waarom hij zich vragen stelt over de uitlegging van die bepalingen.
33 Uit het voorgaande volgt dat de eerste vraag ontvankelijk is voor zover zij betrekking heeft op artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006 en op de artikelen 18 en 19 van verordening nr. 1698/2005, en dat de tweede vraag in haar geheel ontvankelijk is.
Ten gronde
34 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof tot taak heeft de nationale rechter een voor de oplossing van het bij hem aanhangige geding nuttig antwoord te geven. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vraag in voorkomend geval te herformuleren. Het Hof kan daartoe uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de normen en beginselen van het Unierecht putten die uitlegging behoeven gelet op het voorwerp van het hoofdgeding [arrest van 21 maart 2024, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Bydgoszczy (Mogelijke correctie in geval van een onjuist tarief), C‑606/22, EU:C:2024:255, punten 19 en 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
35 In casu is de eerste vraag in wezen gebaseerd op de premisse dat het NPPO 2007‑2013, zoals goedgekeurd bij beschikking C(2008) 3831 en gewijzigd bij uitvoeringsbesluit C(2012) 3529, niet meer kon worden herzien of gewijzigd op de datum waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rekenfouten door de Rekenkamer werden vastgesteld. In dit verband is artikel 18 van verordening nr. 1698/2005 niet relevant voor de beantwoording van deze vraag, aangezien het, in tegenstelling tot artikel 19 van die verordening en artikel 9 van verordening nr. 1974/2006, volgens het opschrift ervan niet ziet op de herziening of wijziging van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s van het Elfpo, maar op de „[o]pstelling en goedkeuring” ervan.
36 Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste en tweede vraag in wezen wenst te vernemen of, gelet op de overwegingen van het Gerecht in het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), artikel 19 van verordening nr. 1698/2005 en artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006 tot gevolg hebben dat het dictum van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), ter discussie wordt gesteld, in die zin dat die artikelen aldus zouden moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een maatregel inzake niet-terugvorderbare financiële steun, als gevolg van door de Rekenkamer vastgestelde rekenfouten, handelingen vaststellen die een verlaging inhouden van het bedrag van de financiële steun die is toegekend in het kader van het NPPO 2007‑2013, zoals goedgekeurd en gewijzigd bij besluiten van de Commissie, wanneer dit programma op de datum waarop deze fouten zijn vastgesteld, niet meer kon worden herzien of gewijzigd.
37 Zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, heeft het Gerecht in de punten 91 tot en met 95 en punt 100 van het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), geoordeeld dat op de datum waarop rekenfouten met betrekking tot steun in het kader van maatregel 215 – een andere dan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steun – werden vastgesteld, het NPPO 2007‑2013, zoals goedgekeurd bij beschikking C(2008) 3831 en gewijzigd bij uitvoeringsbesluit C(2012) 3529, niet meer kon worden herzien of gewijzigd op grond van artikel 19 van verordening nr. 1698/2005 en artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006. Die vaststellingen zijn ratione temporis van overeenkomstige toepassing op het hoofdgeding.
38 Het feit dat dit programma krachtens die bepalingen niet meer kon worden herzien of gewijzigd op de datum waarop deze rekenfouten werden vastgesteld, kan echter niet tot gevolg hebben dat het dictum van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), ter discussie wordt gesteld. Dit arrest is namelijk gewezen in een andere context dan die van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5).
39 In de punten 74, 86, 91, 92, 100, 102 en 113 van dat laatste arrest heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat, hoewel het bedrag van een steunmaatregel in het kader van maatregel 215 wegens een rekenfout onverenigbaar was met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005, de Commissie bij de Roemeense autoriteiten een gewettigd vertrouwen had gewekt dat de betaling van dit bedrag zou worden gedekt door Uniefinanciering. Het Gerecht stelde vast dat de Commissie, op het moment van de goedkeuring van deze steun en de bijbehorende berekeningsmethode, na specifieke onderhandelingen met de Roemeense autoriteiten, beschikte over alle informatie om deze fout te ontdekken en na te gaan of die steun met genoemde bepaling verenigbaar was. Hieruit leidde het Gerecht af dat dit bedrag uitsluitend kon worden gecorrigeerd door een wijziging van het NPPO 2007‑2013 en door een besluit tot goedkeuring van die wijziging, en niet – zoals de Commissie had gedaan – door een uitvoeringsbesluit waarbij het foutieve deel van de betrokken steun werd uitgesloten van financiering. Om deze redenen heeft het Gerecht dat uitvoeringsbesluit gedeeltelijk nietig verklaard.
40 In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), ging het met betrekking tot andere steun in het kader van maatregel 215 ook om bedragen die vanwege een rekenfout niet in overeenstemming waren met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005 en die door een uitvoeringsbesluit van de Commissie, namelijk uitvoeringsbesluit 2018/873, waren gecorrigeerd.
41 Uit het dossier van deze zaak blijkt echter dat er met betrekking tot de berekening van deze bedragen geen gewettigd vertrouwen was erkend in de verhouding tussen Roemenië en de Commissie. Hoewel Roemenië met zijn beroep in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 30 april 2019, Roemenië/Commissie (T‑530/18, EU:T:2019:269), had verzocht om nietigverklaring van dat uitvoeringsbesluit en had betoogd dat de door de Commissie goedgekeurde berekeningsmethoden met betrekking tot deze bedragen hadden moeten worden beschermd op grond van het vertrouwensbeginsel, heeft het Gerecht dit beroep bij die beschikking, die in hogere voorziening is bevestigd bij arrest van 10 september 2020, Roemenië/Commissie (C‑498/19 P, EU:C:2020:686), niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat was ingesteld.
42 Het Hof heeft dan ook in de punten 33 tot en met 36 van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), geoordeeld dat de betrokken bedragen, die niet in overeenstemming waren met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005 en niet als beschermd door een gewettigd vertrouwen in de verhouding tussen Roemenië en de Commissie waren erkend, moesten worden gecorrigeerd. Dit diende zowel door de Commissie te gebeuren, op grond van artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1306/2013, door het vaststellen van een uitvoeringsbesluit waarbij het foutieve deel van de betrokken steun werd uitgesloten van Uniefinanciering, als door de nationale autoriteiten, op grond van artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1306/2013. Bovendien waren deze autoriteiten niet verplicht te wachten totdat de Commissie een dergelijk uitvoeringsbesluit had vastgesteld.
43 In punt 44 van dat arrest verduidelijkt het Hof dat in de verhouding tussen de Roemeense autoriteiten en de landbouwers die de betrokken steun ontvangen, het vertrouwensbeginsel irrelevant is voor deze beoordeling. Het Hof oordeelde dat de Roemeense autoriteiten, aangezien deze bedragen waren vastgesteld op een manier die niet in overeenstemming is met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005, bij die landbouwers niet het gewettigd vertrouwen hadden kunnen wekken dat zij een behandeling konden genieten die in strijd was met het recht van de Unie.
44 In het hoofdgeding blijkt uit de toelichtingen van de verwijzende rechter dat de betrokken rekenfouten hebben geleid tot de vaststelling van bedragen die niet in overeenstemming zijn met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005, in verband met steunmaatregelen die eveneens onder maatregel 215 vallen, hoewel deze steunmaatregelen verschillen van de maatregelen die door het Hof en het Gerecht zijn onderzocht in hun respectieve arresten van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), en van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5). Bovendien vermeldt de verwijzende rechter niet dat de Commissie of andere instellingen, organen of instanties van de Unie zouden hebben erkend dat die bedragen beschermd waren door een gewettigd vertrouwen in de verhouding tussen Roemenië en de Commissie. Hieruit volgt dat de situatie in het hoofdgeding grotendeels overeenkomt met de situatie die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899).
45 Ten eerste stelt de verwijzende rechter evenwel, onder verwijzing naar de beweringen van Porcellino Grasso, dat de redenering van het Gerecht in het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), ook kan worden toegepast op het hoofdgeding, voor zover het vertrouwensbeginsel in de verhouding tussen Roemenië en de Commissie op die bedragen moet worden toegepast omdat de Commissie bij de goedkeuring van de wijziging van het NPPO 2007‑2013 beschikte over de gegevens die haar in staat stelden te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steunmaatregelen en de desbetreffende berekeningsmethoden in overeenstemming waren met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005. Aangezien deze bedragen op grond van dit beginsel bescherming genieten, kunnen zij overeenkomstig de overwegingen van het Gerecht in punt 39 van het onderhavige arrest slechts worden gecorrigeerd door een wijziging van het NPPO 2007‑2013 en door een besluit tot goedkeuring van die wijziging.
46 In dit verband moet worden opgemerkt dat het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), weliswaar, zoals in casu, betrekking heeft op een steunmaatregel in het kader van maatregel 215, maar dat deze steunmaatregelen verschilden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steunmaatregelen. Onder deze omstandigheden kon het Gerecht in dat arrest niet nagaan of de Commissie op het tijdstip van de goedkeuring van de wijziging van het NPPO 2007‑2013 over de nodige gegevens beschikte om te beoordelen of die steun en de desbetreffende berekeningsmethoden in overeenstemming waren met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005, zodat de redenering van het Gerecht niet mutatis mutandis kan worden toegepast op het hoofdgeding. Overigens zij opgemerkt dat de Roemeense regering in haar schriftelijke opmerkingen niet stelt dat zij zich in haar verhouding tot de Commissie op het vertrouwensbeginsel beroept wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steun betreft.
47 Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat, volgens de beweringen van Porcellino Grasso, de overwegingen die het Gerecht heeft uiteengezet in punt 113 van het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), in tegenspraak zouden zijn met de punten 42 en 44 van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899). Hij vraagt zich dan ook af of met deze overwegingen rekening moet worden gehouden.
48 Zoals duidelijk uit dat punt 113 naar voren komt, sluit de redenering van het Gerecht aan bij de redenering in de punten 75 tot en met 86 van het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5). Daarin werd geoordeeld dat de betrokken berekeningsmethoden en de op grond daarvan vastgestelde bedragen in de verhouding tussen Roemenië en de Commissie werden beschermd door het vertrouwensbeginsel. Dit was het gevolg van het feit dat deze methoden en bedragen het onderwerp waren geweest van „specifieke onderhandelingen met de Roemeense autoriteiten” en dat de Commissie in het kader van die onderhandelingen over alle elementen beschikte die haar in staat stelden hun verenigbaarheid met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005 te beoordelen.
49 Uit punt 42 van het onderhavige arrest volgt echter dat de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), betrekking had op steunbedragen die niet door het gewettigd vertrouwen werden beschermd in de betrekkingen tussen Roemenië en de Commissie. Aangezien dit arrest is gewezen in een totaal andere context dan die van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), zijn de overwegingen in punt 113 van het laatstgenoemde arrest niet relevant voor de uitlegging van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899).
50 Hieruit volgt dat de bedragen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steunmaatregelen, die zijn vastgesteld als gevolg van rekenfouten, niet kunnen worden beschouwd – op grond van het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), en bij gebrek aan enige aanwijzing van het tegendeel in het dossier waarover het Hof beschikt – als beschermd door een gewettigd vertrouwen in de betrekkingen tussen Roemenië en de Commissie. Derhalve komt de situatie in het hoofdgeding, gelet op de overwegingen in punt 44 van het onderhavige arrest, in grote lijnen overeen met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899).
51 Bijgevolg zijn, in een situatie waarin bedragen als gevolg van een rekenfout zijn vastgesteld op een manier die niet in overeenstemming is met het Unierecht en zonder beschermd te zijn door het gewettigd vertrouwen in de verhouding tussen de Commissie en de betrokken lidstaat, zowel de Commissie als die lidstaat, zoals blijkt uit de punten 33 en 34 van het arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C‑443/21, EU:C:2022:899), op grond van artikel 310, lid 5, VWEU, alsmede artikel 52, lid 1, en artikel 58, lid 1, van verordening nr. 1306/2013 verplicht om de door die rekenfout getroffen bedragen uit te sluiten van Uniefinanciering.
52 Een dergelijke uitsluiting impliceert geenszins dat het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma moet worden herzien of gewijzigd.
53 De correctie van een rekenfout die niet in overeenstemming is met het Unierecht, evenals de percentages en betalingen die daaruit voortvloeien, brengt immers geen herziening of wijziging van het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma met zich mee. Integendeel, zoals blijkt uit de in punt 51 van het onderhavige arrest vermelde bepalingen, betreft het louter herstel van de situatie die vanaf het begin had moeten voortvloeien uit dat programma indien de fout niet was gemaakt, zodat er geen nadeel wordt berokkend aan de Uniebegroting.
54 De omstandigheid dat het NPPO 2007‑2013 op grond van artikel 19 van verordening nr. 1698/2005 en artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006 niet meer kon worden herzien of gewijzigd op het moment dat de rekenfouten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, door de Rekenkamer werden vastgesteld, staat er bijgevolg niet aan in de weg dat zowel de Commissie als de nationale autoriteiten de nodige maatregelen nemen om in het kader van een conformiteitsgoedkeuring de door deze fouten getroffen bedragen en betalingen te corrigeren.
55 Gelet op een en ander moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 19 van verordening nr. 1698/2005 en artikel 9, lid 3, van verordening nr. 1974/2006 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een maatregel inzake niet-terugvorderbare financiële steun, als gevolg van door de Rekenkamer vastgestelde rekenfouten, handelingen vaststellen die een verlaging inhouden van het bedrag van de financiële steun die is toegekend in het kader van het NPPO 2007‑2013, zoals goedgekeurd en gewijzigd bij besluiten van de Commissie, wanneer dit programma op de datum waarop deze fouten zijn vastgesteld, niet meer kon worden herzien of gewijzigd. De overwegingen van het Gerecht in het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), zijn in dat verband irrelevant.
Derde vraag
56 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het beginsel van aansprakelijkheid van de lidstaten voor inbreuken op het Unierecht, de Roemeense Staat verplicht om aan de begunstigden van de steun ter verbetering van transport en ter vermindering van hinder, de in het kader van deze steunmaatregelen verschuldigde bedragen ten belope van de in uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 vastgestelde bedragen te betalen gedurende de gehele looptijd van hun verbintenissen.
57 Er zij aan herinnerd dat het een beginsel van Unierecht is, dat de lidstaten verplicht zijn tot vergoeding van de schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het Unierecht die hun kunnen worden toegerekend (arrest van 5 maart 1996, Brasserie du pêcheur en Factortame, C‑46/93 en C‑48/93, EU:C:1996:79, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 In casu blijkt uit de vaststellingen van de verwijzende rechter dat, als gevolg van de rekenfouten in het hoofdgeding, de in uitvoeringsbesluit C(2012) 3529 vastgestelde betalingen in het kader van de steun ter verbetering van transport en ter vermindering van hinder niet in overeenstemming waren met artikel 40, lid 3, van verordening nr. 1698/2005. Ook blijkt uit deze vaststellingen dat de Roemeense autoriteiten het nodige hebben gedaan om die betalingen te corrigeren teneinde deze in overeenstemming te brengen met die bepaling, en dat zij daarmee de aan hen toerekenbare schending van Unierecht hadden beëindigd.
59 In deze omstandigheden kan een begunstigde van steun, zoals Porcellino Grasso, zich niet beroepen op het beginsel van aansprakelijkheid van de lidstaten voor inbreuken op het Unierecht om het verschil te eisen tussen het bedrag van de betalingen dat hij aanvankelijk had moeten ontvangen en het gecorrigeerde bedrag van deze betalingen, zelfs al is dit laatste bedrag in overeenstemming met het Unierecht en heeft de begunstigde geen recht op dat verschil.
60 Ten eerste zou de betaling van het deel van de bedragen die zijn getroffen door rekenfouten aan een begunstigde van steun zoals Porcellino Grasso, immers neerkomen op een door het Unierecht verboden ongerechtvaardigde verrijking van die begunstigde, aangezien deze betaling die begunstigde zonder geldige rechtsgrondslag zou verrijken, en de Unie als gevolg van die verrijking zou verarmen (zie in die zin arresten van 10 april 2008, Marks & Spencer, C‑309/06, EU:C:2008:211, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 juli 2011, Agrana Zucker, C‑309/10, EU:C:2011:531, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Ten tweede moet, indien Porcellino Grasso in het kader van haar aansprakelijkheidsvordering bij de verwijzende rechter een beroep zou willen doen op het vertrouwensbeginsel in haar betrekkingen met de Roemeense autoriteiten, voor ogen worden gehouden dat dit beginsel – zoals aangegeven in punt 43 van het onderhavige arrest – voor een justitiabele geen grond kan opleveren om erop te vertrouwen dat hij een behandeling kan genieten die strijdig is met het recht van de Unie (arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms, C‑443/21, EU:C:2022:899, punt 41).
62 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat het beginsel van aansprakelijkheid van de lidstaten voor inbreuken op het Unierecht niet van toepassing is wanneer de betalingen inzake financiële steun die is verleend in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma van het Elfpo niet in overeenstemming met het Unierecht zijn vastgesteld en de begunstigden van die steun betalingen hebben ontvangen die zijn berekend op basis van gecorrigeerde, Unierechtconforme percentages.
Kosten
63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 19 van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 74/2009 van de Raad van 19 januari 2009, alsmede artikel 9, lid 3, van verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 335/2013 van de Commissie van 12 april 2013, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van een maatregel inzake niet-terugvorderbare financiële steun, als gevolg van door de Rekenkamer vastgestelde rekenfouten, handelingen vaststellen die een verlaging inhouden van het bedrag van de financiële steun die is toegekend in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) voor Roemenië voor de periode 2007‑2013, zoals goedgekeurd en gewijzigd bij besluiten van de Commissie, wanneer dit programma op de datum waarop deze fouten zijn vastgesteld, niet meer kon worden herzien of gewijzigd. De overwegingen van het Gerecht in het arrest van 18 januari 2023, Roemenië/Commissie (T‑33/21, EU:T:2023:5), zijn in dat verband irrelevant.
2) Het beginsel van aansprakelijkheid van de lidstaten voor inbreuken op het Unierecht is niet van toepassing wanneer de betalingen inzake financiële steun die is verleend in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma van het Elfpo niet in overeenstemming met het Unierecht zijn vastgesteld en de begunstigden van die steun betalingen hebben ontvangen die zijn berekend op basis van gecorrigeerde, Unierechtconforme percentages.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Roemeens.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 maart 2024, C-606/22, ECLI:EU:C:2024:255
- Gerecht EU 18 januari 2023, T-33/21, ECLI:EU:T:2023:5
- HvJ EU 17 november 2022, C-443/21, ECLI:EU:C:2022:899
- HvJ EU 5 december 2017, C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936
- HvJ EU 28 juli 2011, C-309/10, ECLI:EU:C:2011:531
- HvJ EU 10 april 2008, C-309/06, ECLI:EU:C:2008:211
- HvJ EU 5 maart 1996, C-46/93, ECLI:EU:C:1996:79