HvJ EU 30 oktober 2025, C-321/24, ECLI:EU:C:2025:836
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
30 oktober 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van kapitaal – Artikel 63, lid 1, VWEU – Erfopvolging – Verplichting om een beroep te doen op een notaris voor het opstellen van de verklaring van erfrecht in een andere lidstaat dan die waar de nalatenschap is geopend – In de wetgeving van die lidstaat vastgestelde regeling volgens welke de emolumenten van de notaris worden berekend op basis van het totale brutovermogen van de nalatenschap – Parallelle uitoefening door de lidstaten van hun fiscale bevoegdheid – Geen beperking van het vrije verkeer van kapitaal”
In zaak C‑321/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) bij beslissing van 4 april 2024, ingekomen bij het Hof op 30 april 2024, in de procedure
BC
tegen
SCP Attal et Associés,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur) en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– SCP Attal et Associés, vertegenwoordigd door T. Ronzeau, avocat,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Fodda, M. Guiresse en T. Lechevallier als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Ferrand, M. Mataija en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BC en SCP Attal et Associés over een certificaat van verificatie van de kosten van laatstgenoemde.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3 Artikel 10 van de op 20 januari 1959 te Brussel ondertekende overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele aanslag en tot regeling van sommige andere vraagstukken inzake belastingen op de erfenissen en registratierechten (hierna: „Frans-Belgische overeenkomst”) bepaalt het volgende: „Niettegenstaande het bepaalde in de voorgaande artikelen: a) Elke staat behoudt het recht om de belasting op goederen die aan zijn belasting zijn voorbehouden, te berekenen volgens het gemiddelde tarief dat van toepassing zou zijn indien rekening zou worden gehouden met alle goederen die hij naar nationaal recht zou mogen belasten; b) De staat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn woonplaats had, kan overeenkomstig zijn nationale wetgeving ook belasting heffen over de in de artikelen 4 tot en met 7 genoemde goederen die zich in de andere staat bevinden. In dat geval verrekent hij met zijn belasting, voor zover deze over die goederen wordt geheven, het bedrag van de belasting die in de andere staat over dezelfde goederen is geheven.”
Frans recht
4 Artikel 750 ter van de Code général des impôts (algemeen belastingwetboek), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „algemeen belastingwetboek”), bepaalt: „Aan de successierechten zijn onderworpen: 1° roerende en onroerende goederen gelegen in Frankrijk of buiten Frankrijk, en met name openbare middelen, interesten, goederen of rechten waaruit een trust als omschreven in artikel 792‑0 bis bestaat en die aldaar zijn gekapitaliseerd, schuldvorderingen en in het algemeen alle Franse of buitenlandse effecten van welke aard ook, wanneer de schenker of erflater zijn fiscale woonplaats in Frankrijk heeft in de zin van artikel 4 B; 2° in Frankrijk gelegen roerende en onroerende goederen, ongeacht of deze direct of indirect in eigendom zijn, en met name de Franse openbare middelen, interesten, goederen of rechten waaruit een trust in de zin van artikel 792‑0 bis bestaat en die aldaar zijn gekapitaliseerd, vorderingen en Franse effecten, wanneer de schenker of de erflater zijn fiscale woonplaats niet in Frankrijk heeft in de zin van voornoemd artikel. [...] 3° roerende en onroerende goederen die in Frankrijk of buiten Frankrijk zijn gelegen, en met name openbare middelen, interesten, goederen of rechten waaruit een trust in de zin van artikel 792‑0 bis bestaat en die aldaar zijn gekapitaliseerd, schuldvorderingen en in het algemeen alle Franse of buitenlandse effecten van welke aard ook, ontvangen door de erfgenaam, de begiftigde, de legataris of de begunstigde van een trust als omschreven in hetzelfde artikel 792‑0 bis die zijn fiscale woonplaats in Frankrijk heeft in de zin van artikel 4 B. [...]”
5 Artikel 800 van het algemene belastingwetboek luidt als volgt: „I. – Erfgenamen, legatarissen of begiftigden, of hun voogden of curatoren zijn verplicht een gedetailleerde verklaring over te leggen. [...]”
6 De diensten die met name door een notaris worden verricht en aan een gereglementeerd tarief zijn onderworpen, zijn vermeld in tabel 5 van het artikel dat als bijlage 4‑7 is toegevoegd aan artikel R444‑3 1° van de code de commerce (handelswetboek). Regel 8 van deze tabel heeft betrekking op de „verklaring van erfrecht”.
7 Het tarief voor deze verklaring is vastgesteld in artikel A444‑63 van de code de commerce, dat bepaalt dat het door de notaris geïnde bedrag wordt berekend naar rato van het totale brutovermogen van de nalatenschap volgens een schaal die is gebaseerd op vier basisschijven.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8 BC, die de Franse nationaliteit heeft en in Frankrijk woont, is na het overlijden van haar zus, die de Franse nationaliteit had en in België woonde, de enige erfgenaam van zowel in Frankrijk als in België gelegen roerende en onroerende goederen.
9 De nalatenschap is geopend door een in België gevestigde notaris. Overeenkomstig het Belgische recht heeft deze notaris, naast de akte van erfopvolging, een verklaring van erfrecht opgesteld die alle in Frankrijk en België gelegen goederen omvatte. Als tegenprestatie voor deze verklaring heeft BC hem een vergoeding betaald die was berekend op basis van het aldus vastgestelde brutovermogen van de nalatenschap.
10 Aangezien BC verplicht was om gebruik te maken van de diensten van een in Frankrijk gevestigde notaris om de verklaring van erfrecht te kunnen indienen waarin artikel 800 van het algemene belastingwetboek voor de berekening van de belastingen op de nalatenschap voorziet, heeft zij daartoe Attal et Associés als notaris aangesteld. Als tegenprestatie voor de opstelling van deze verklaring waarin zowel de in Frankrijk als in het buitenland gelegen goederen moeten worden opgenomen, heeft BC aan Attal et Associés een voorschot betaald dat was berekend op basis van de raming van de waarde van de totale bruto-activa van de nalatenschap.
11 Vervolgens heeft BC in Frankrijk uitsluitend over de in Frankrijk gelegen roerende en onroerende goederen berekende successiebelastingen betaald. Daarnaast heeft zij ook in België successierechten betaald, berekend over alle in Frankrijk en België gelegen onroerende en roerende goederen, maar overeenkomstig artikel 10, onder b), van de Frans-Belgische overeenkomst verminderd met de belastingen die zij in Frankrijk had betaald. Aldus is BC niet onderworpen aan een dubbele belasting over de goederen van de nalatenschap.
12 Attal et Associés heeft zich tot de griffier van de tribunal judiciaire de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) gewend om een certificaat van verificatie van de kosten te verkrijgen, teneinde met name het bedrag vast te stellen dat haar verschuldigd was als bezoldiging voor het opstellen van de verklaring van erfrecht.
13 BC heeft het door deze griffier opgestelde certificaat van verificatie van de proceskosten aangevochten bij de tribunal judiciaire de Paris, de verwijzende rechter. Zij verzoekt de verwijzende rechter een nieuw certificaat op te stellen waarin het uit hoofde van de verklaring van erfrecht aan Attal et Associés verschuldigde bedrag enkel wordt berekend op basis van het in Frankrijk gelegen gedeelte van de bruto-activa en niet op basis van het volledige aangegeven bruto-actief, alsmede te gelasten dat het verschil met het door haar reeds betaalde voorschot aan haar wordt terugbetaald.
14 Van oordeel dat de nalatenschap van BC kapitaalbewegingen van persoonlijke aard met zich meebrengt waarbij twee lidstaten betrokken zijn, in casu de Franse Republiek en het Koninkrijk België, en gelet op het feit dat BC naar Frans recht verplicht was om gebruik te maken van de diensten van een in Frankrijk gevestigde notaris om in laatstgenoemde lidstaat de verklaring van erfrecht in te dienen, vraagt de verwijzende rechter zich af of de omstandigheid dat krachtens dit recht de kosten van deze notaris, net als die van de Belgische notaris, moeten worden berekend op basis van het volledige brutovermogen van de nalatenschap, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het kapitaalverkeer vormt, aangezien de waarde van de door BC ontvangen nalatenschap daardoor wordt verminderd.
15 Indien dat het geval is, vraagt de verwijzende rechter zich tevens af of in een dergelijke situatie sommige van de afwijkingen waarin artikel 65, lid 1, onder a) en b), VWEU voorziet, van toepassing zijn.
16 Tegen deze achtergrond heeft de tribunal judiciaire de Paris de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 63, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een dubbele bezoldiging van de notarissen van twee lidstaten van de Europese Unie die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap die goederen in beide lidstaten omvat en waarvan de berekening in beide gevallen op het volledige bruto-actief van de nalatenschap is gebaseerd, zonder dat rekening wordt gehouden met de aan de andere notaris betaalde bezoldiging, en dit terwijl de medewerking van de notaris wettelijk vereist is? 2) Moet artikel 63, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bezoldiging van de notaris, wiens interventie in een nalatenschap met goederen in twee lidstaten van de Europese Unie bij wet is opgelegd, wordt berekend op basis van het volledige bruto-actief van de nalatenschap en niet enkel op basis van het in zijn lidstaat gelegen bruto-actief? 3) Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder a), VWEU aldus worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van de twee notarissen die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap, die in beide gevallen wordt berekend op basis van het volledige in de twee lidstaten gelegen bruto-actief van de nalatenschap, een ‚ter zake dienende bepaling van hun belastingwetgeving’ kan vormen die een uitzondering vormt op het in de eerste van deze bepalingen neergelegde verbod van beperking van het kapitaalverkeer, zelfs wanneer het optreden van de notaris wettelijk vereist is? 4) Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65, lid 1, onder b), VWEU aldus worden uitgelegd dat de dubbele bezoldiging van de twee notarissen die belast zijn met de afwikkeling van eenzelfde nalatenschap, die in beide gevallen wordt berekend op basis van het volledige in de twee lidstaten gelegen bruto-actief van de nalatenschap, een maatregel kan vormen die noodzakelijk is om belastingovertredingen tegen te gaan, dan wel een procedure voor de kennisgeving van kapitaalbewegingen ter informatie van de overheid of voor statistische doeleinden, die een uitzondering vormt op het in de eerste van deze bepalingen neergelegde verbod van beperking van het kapitaalverkeer, rekening houdend met het feit dat de interventie van de notaris wettelijk vereist is?”
Procedure bij het Hof
17 Op 24 oktober 2024 heeft het Hof de verwijzende rechter verzocht om inlichtingen over het rechtskader van het hoofdgeding. Op 20 december 2024 heeft de verwijzende rechter op dat verzoek geantwoord.
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
18 De Franse regering is van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. De verwijzende rechter heeft in dat verzoek in strijd met artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof immers niet de nationale bepalingen uiteengezet die voorzien in de verplichting om een beroep te doen op een notaris voor het opstellen van een verklaring van erfrecht, aangezien geen van de door de verwijzende rechter in dat verzoek genoemde bepalingen een erfgenaam als BC verplicht om een beroep te doen op de diensten van een notaris om een dergelijke verklaring op te stellen. Aangezien de prejudiciële vragen zijn gebaseerd op deze vermeende verplichting, die volgens de Franse regering in een situatie als die van het hoofdgeding niet voortvloeit uit het nationale recht, is deze regering in wezen van mening dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht niet objectief noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding, maar van algemene of hypothetische aard is.
19 In dit verband zij eraan herinnerd dat het uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Derhalve geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C‑36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 6 maart 2025, Anikovi, C‑395/23, EU:C:2025:142, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 Volgens vaste rechtspraak, die naar voren komt in artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering, vereist de noodzaak om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen met name dat deze de wettelijke context omschrijft waarbinnen de gestelde vragen moeten worden geplaatst (arresten van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C‑320/90–C‑322/90, EU:C:1993:26, punt 6, en 6 maart 2025, Anikovi, C‑395/23, EU:C:2025:142, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 In casu zet de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing uiteen dat een erfgenaam als BC krachtens het nationale recht en gelet op de omstandigheden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nalatenschap een beroep moet doen op de diensten van een in Frankrijk gevestigde notaris om in die lidstaat de verklaring van erfrecht te kunnen indienen. In antwoord op het in punt 17 van het onderhavige arrest vermelde verzoek om inlichtingen van het Hof heeft die rechter aangegeven dat deze verplichting in het Franse recht weliswaar niet is vastgesteld in een specifieke tekst, maar in een dergelijke situatie niettemin geldt.
22 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing voldoet aan het krachtens artikel 94, onder b), van het Reglement voor de procesvoering geldende vereiste dat het regelgevingskader waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst, dient te worden omschreven.
23 Aangezien de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om inlichtingen van het Hof de juistheid heeft bevestigd van de premisse waarop de prejudiciële vragen zijn gebaseerd, te weten dat een persoon in de situatie van BC voor het opmaken van de verklaring van erfrecht een beroep moet doen op een notaris in Frankrijk, blijkt bovendien niet dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of dat het opgeworpen probleem hypothetisch is in de zin van de in punt 19 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
24 Zo de Franse regering het nationale recht in verband met de verplichting om een beroep te doen op een notaris anders opvat dan de verwijzende rechter, zij er bovendien aan herinnerd dat het niet aan het Hof staat om zich in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uit te spreken over de uitlegging van het nationale recht en te beoordelen of de verwijzende rechter dit recht correct uitlegt, aangezien in het kader van deze procedure, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, elke waardering van de feiten en van het nationale recht tot de uitsluitende bevoegdheid van de nationale rechter behoort (arrest van 11 januari 2024, Nárokuj, C‑755/22, EU:C:2024:10, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
26 Met zijn eerste en tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen of artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend.
27 In dit verband moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat ofschoon de directe belastingen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, deze laatste niettemin verplicht zijn die bevoegdheid uit te oefenen in overeenstemming met het Unierecht en met name met de door het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden [arrest van 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28 Artikel 63, lid 1, VWEU verbiedt op algemene wijze beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling alsmede tussen lidstaten en derde landen.
29 Zoals uit de rechtspraak blijkt, vallen successies, die hierin bestaan dat een of meerdere personen de nalatenschap van een overledene verkrijgen, dat wil zeggen in de overdracht aan de erfgenamen van de eigendom van de verschillende goederen, rechten en elementen waaruit het betrokken vermogen bestaat, onder de bepalingen van het VWEU betreffende het kapitaalverkeer, in het bijzonder artikel 63 VWEU, tenzij alle constituerende delen ervan binnen één lidstaat gelegen zijn [zie in die zin arresten van 23 februari 2006, Van Hilten-Van der Heijden, C‑513/03, EU:C:2006:131, punt 41; 21 december 2021, Finanzamt V (Erfopvolging – Beperkte belastingplicht en aftrek van legitieme porties), C‑394/20, EU:C:2021:1044, punt 29, en 12 oktober 2023, BA (Nalatenschappen – Beleid voor sociale huisvesting in de Unie), C‑670/21, EU:C:2023:763, punt 38].
30 In casu wordt in de verwijzingsbeslissing vermeld dat in het hoofdgeding de Franse regeling betreffende de notariskosten ter zake van de verklaring van erfrecht wordt toegepast in een situatie waarin een persoon die op het tijdstip van zijn overlijden in België woont, in deze twee lidstaten gelegen goederen via zijn erfenis laat toekomen aan een in Frankrijk wonende persoon en welke goederen in elk van deze lidstaten aan successierechten worden onderworpen. In die omstandigheden kan een dergelijke situatie niet als een zuiver interne situatie worden beschouwd (zie naar analogie arrest van 17 januari 2008, Jäger, C‑256/06, EU:C:2008:20, punt 26).
31 Aan het grensoverschrijdende karakter van deze situatie wordt niet afgedaan door het feit dat de kosten van de notaris die in Frankrijk de in het nationale recht vastgestelde verklaring van erfrecht moet opstellen, op zich geen deel uitmaken van het vermogen waarop de nalatenschap betrekking heeft en geen aanleiding geven tot een grensoverschrijdend kapitaalverkeer aangezien deze notaris onafhankelijk en los van de in België gevestigde notaris wordt vergoed.
32 Uit artikel 750 ter juncto artikel 800 van het algemene belastingwetboek blijkt immers dat de door de notaris in Frankrijk in een situatie als die in het hoofdgeding opgestelde verklaring van erfrecht betrekking heeft op zowel in Frankrijk als in het buitenland gelegen roerende en onroerende goederen, zodat de notariskosten overeenkomstig de nationale regeling moeten worden berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap. Bovendien bepaalt artikel 10, onder a), van de Frans-Belgische overeenkomst dat in het geval van een grensoverschrijdende nalatenschap die in Frankrijk en België gelegen goederen omvat, elke betrokken staat het recht behoudt om de belasting op de goederen die voor zijn belastingheffing zijn voorbehouden te berekenen aan de hand van het gemiddelde tarief dat van toepassing zou zijn indien rekening zou worden gehouden met alle goederen die deze staat naar nationaal recht zou kunnen belasten.
33 Het optreden van de notaris in Frankrijk bij het opstellen van een verklaring van erfrecht vormt dus een noodzakelijke stap om de Franse belastingdienst in staat te stellen de successierechten te berekenen, zodat de wijze van berekening van de kosten van deze notaris en het feit dat een erfgenaam als BC notariskosten betaalt in elk van de lidstaten waar zich de goederen bevinden waarop de nalatenschap betrekking heeft, onlosmakelijk verbonden zijn met deze nalatenschap en met het grensoverschrijdende karakter ervan.
34 Ten overvloede zij opgemerkt dat verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107) in deze context niet relevant is, aangezien zij volgens artikel 1, lid 1, ervan niet van toepassing is op fiscale zaken.
35 Bijgevolg valt een situatie als die in het hoofdgeding onder het kapitaalverkeer in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU.
36 In die omstandigheden moet worden onderzocht of een nationale regeling zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, een beperking van het kapitaalverkeer vormt in de zin van artikel 63, lid 1, VWEU en, indien dat het geval is, of een dergelijke beperking is gerechtvaardigd.
37 In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip „beperking” in de zin van deze bepaling overheidsmaatregelen omvat die discriminerend zijn doordat zij, al dan niet rechtstreeks, een verschil in behandeling tussen het nationale kapitaalverkeer en het grensoverschrijdende kapitaalverkeer invoeren dat niet overeenstemt met een objectief verschil in situaties en derhalve natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten of derde landen ervan kunnen weerhouden grensoverschrijdend kapitaalverkeer te verrichten (arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 45).
38 Het Hof heeft op het gebied van de erfbelasting immers geoordeeld dat een nationale regeling die een dergelijk verschil in behandeling invoert en ertoe leidt dat nalatenschappen waarbij niet-ingezetenen betrokken zijn of die in een andere lidstaat gelegen goederen bevatten, zwaarder worden belast dan nalatenschappen waarbij alleen ingezetenen zijn betrokken of waarbij alleen in de lidstaat van heffing gelegen goederen zijn betrokken, en die bijgevolg tot een waardevermindering van de nalatenschap leidt, een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Feilen, C‑123/15, EU:C:2016:496, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Uit de rechtspraak volgt dat zelfs een nationale regeling die zonder onderscheid van toepassing is op nationale en grensoverschrijdende situaties, een beperking van het vrije verkeer van kapitaal kan vormen wanneer zij in feite tot gevolg heeft dat grensoverschrijdende situaties worden benadeeld (zie in die zin arrest van 30 april 2025, Finanzamt für Großbetriebe, C‑602/23, EU:C:2025:290, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Er zij evenwel ook aan herinnerd dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie de nadelen die uit de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheden door de verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, voor zover die uitoefening niet discriminerend is, geen beperkingen van de verkeersvrijheden vormen. Zo heeft het Hof met name gepreciseerd dat artikel 63 VWEU geen betrekking heeft op maatregelen die uitsluitend tot gevolg hebben dat er voor de kapitaalverrichting in kwestie extra kosten ontstaan en die het kapitaalverkeer tussen lidstaten en dat binnen één lidstaat gelijkelijk raken (zie naar analogie arresten 8 september 2005, Mobistar en Belgacom Mobile, C‑544/03 en C‑545/03, EU:C:2005:518, punt 31, en 22 september 2022, Admiral Gaming Network e.a., C‑475/20–C‑482/20, EU:C:2022:714, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 In casu voert de Franse regeling inzake notariskosten voor verklaringen van erfrecht geen verschil in behandeling in tussen zuiver interne en grensoverschrijdende situaties, aangezien deze kosten in alle gevallen worden berekend op basis van het volledige brutovermogen van de nalatenschap, ongeacht de plaats waar de betrokken goederen zich bevinden.
42 Bovendien maken de notariskosten, zoals in punt 31 van het onderhavige arrest is uiteengezet, als zodanig geen deel uit van het vermogen van de nalatenschap, maar vormen zij de vergoeding die in beginsel juist en billijk wordt geacht voor de dienst die de notaris verricht met het oog op het opstellen van een verklaring van erfrecht met betrekking tot het totale bruto-actief van de nalatenschap.
43 Het is juist dat een erfgenaam als BC in het geval van een grensoverschrijdende nalatenschap die goederen omvat die zich zowel in Frankrijk als in België bevinden, zwaarder kan worden belast dan wat het geval zou zijn geweest bij een zuiver interne nalatenschap, omdat hij ook de kosten van een in België gevestigde notaris moet betalen voor het opstellen van een dergelijke verklaring in deze laatste lidstaat.
44 Daarbij zij er echter aan herinnerd dat, zoals in punt 32 van het onderhavige arrest is aangegeven, de kosten van de notaris van wiens diensten de betrokken erfgenaam in Frankrijk gebruik moet maken, op basis van het totale brutovermogen van de nalatenschap worden berekend omdat dit vermogen volgens het Franse belastingrecht in de door deze notaris opgestelde verklaring van erfrecht moet worden vermeld teneinde de belastingdienst in staat te stellen de successierechten over de nalatenschap te berekenen, en dit krachtens artikel 10, onder a), van de Frans-Belgische overeenkomst.
45 Bijgevolg moeten de kosten die een erfgenaam als BC aan een in Frankrijk gevestigde notaris moet betalen bovenop de kosten die hij aan de in België gevestigde notaris dient te betalen, overeenkomstig de in punt 40 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak worden beschouwd als nadelen in de vorm van extra kosten die voortvloeien uit de parallelle uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de Franse Republiek en het Koninkrijk België. Zoals uit de punten 41 en 42 van het onderhavige arrest blijkt, is die bevoegdheidsuitoefening immers niet discriminerend en beïnvloeden deze extra kosten het kapitaalverkeer tussen deze twee lidstaten op dezelfde wijze als het kapitaalverkeer binnen de Franse Republiek.
46 In die omstandigheden kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling niet worden geacht een door artikel 63, lid 1, VWEU verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer in te voeren.
47 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 63, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend.
Derde en vierde vraag
48 Gezien het antwoord op de eerste en de tweede vraag hoeven de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 63, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan de bezoldiging van een notaris op wiens diensten een erfgenaam in bepaalde omstandigheden een beroep moet doen om de in het nationale recht vastgestelde erfrechtverklaring te laten opstellen, wordt berekend over het volledige brutovermogen van de nalatenschap dat alle in die lidstaat en in een andere lidstaat gelegen goederen omvat, en niet alleen over uitsluitend de bruto-activa bestaande uit de goederen die zich in de eerste lidstaat bevinden, zonder dat rekening wordt gehouden met het honorarium dat de erfgenaam heeft betaald als bezoldiging voor de door een notaris in de tweede lidstaat opgestelde erfrechtverklaring, dat eveneens over het volledige brutovermogen van de nalatenschap wordt berekend.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 30 april 2025, C-602/23, ECLI:EU:C:2025:290
- HvJ EU 6 maart 2025, C-395/23, ECLI:EU:C:2025:142
- HvJ EU 11 januari 2024, C-755/22, ECLI:EU:C:2024:10
- HvJ EU 12 oktober 2023, C-670/21, ECLI:EU:C:2023:763
- HvJ EU 22 september 2022, C-475/20, ECLI:EU:C:2022:714
- HvJ EU 21 december 2021, C-394/20, ECLI:EU:C:2021:1044
- HvJ EU 30 juni 2016, C-123/15, ECLI:EU:C:2016:496
- HvJ EU 17 januari 2008, C-256/06, ECLI:EU:C:2008:20
- HvJ EU 23 februari 2006, C-513/03, ECLI:EU:C:2006:131
- HvJ EU 8 september 2005, C-544/03, ECLI:EU:C:2005:518
- HvJ EU 13 juli 2000, C-36/99, ECLI:EU:C:2000:405