HvJ EU 24 oktober 2024, C-240/22, ECLI:EU:C:2024:915

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

24 oktober 2024 ( *1 )

Inhoud

Voorgeschiedenis van het geding en inhoud van de litigieuze beschikking

Eerste procedure bij het Gerecht en bij het Hof

Procedure bij het Gerecht na terugverwijzing en bestreden arrest

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

Hogere voorziening

Eerste middel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld en heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan het vermogen van de betwiste kortingen om de mededinging uit te sluiten

Eerste onderdeel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Tweede onderdeel: het Gerecht heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Tweede middel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie

Argumenten van partijen

Beoordeling door het Hof

Derde middel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs, schending van de rechten van verdediging van de Commissie, en onjuiste opvatting van de bewijzen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell

Eerste onderdeel: onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Tweede onderdeel: onjuiste toepassing van de gehanteerde bewijsstandaard

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Derde onderdeel: onjuiste opvatting van bewijs bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell en schending van de rechten van verdediging van de Commissie

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Vierde middel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP

Eerste onderdeel: verscheidene onjuiste rechtsopvattingen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Tweede onderdeel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP

– Argumenten van partijen

– Beoordeling door het Hof

Vijfde middel: onjuiste uitlegging van de toepassing van het AEC-criterium en van artikel 102 VWEU, onjuiste opvatting van het bewijs en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo

Argumenten van partijen

Beoordeling door het Hof

Zesde middel: onjuiste beoordeling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten

Argumenten van partijen

Beoordeling door het Hof

Kosten

„Hogere voorziening – Mededinging – Misbruik van machtspositie – Markt van microprocessoren – Beschikking houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst – Getrouwheidskorting – Kwalificatie als misbruik – Strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als de onderneming met een machtspositie uit te sluiten”

In zaak C‑240/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 5 april 2022,

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre, M. Kellerbauer, N. Khan en C. Sjödin, vervolgens door F. Castillo de la Torre, M. Kellerbauer en N. Khan, en ten slotte door F. Castillo de la Torre en M. Kellerbauer als gemachtigden,

rekwirante,

ondersteund door:

Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden,

interveniënte in hogere voorziening,

andere partijen in de procedure:

Intel Corporation Inc., gevestigd te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten), aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Beard, KC, J. Williams, barrister, en A. Parr, solicitor, vervolgens door D. Beard, KC, J. Williams, barrister, en B. Meyring, Rechtsanwalt,

verzoekster in eerste aanleg,

Association for Competitive Technology Inc., gevestigd te Washington, DC (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door J.‑F. Bellis en K. Van Hove, advocaten,

Union fédérale des consommateurs – Que choisir (UFC – Que choisir),

interveniënten in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, waarnemend rechter van de Vijfde kamer, D. Gratsias (rapporteur) en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 januari 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 26 januari 2022, Intel Corporation/Commissie (T‑286/09 RENV, EU:T:2022:19; hierna: „bestreden arrest”), voor zover daarbij, ten eerste, artikel 1, onder a) tot en met e), en artikel 2 van beschikking C(2009) 3726 definitief van de Commissie van 13 mei 2009 inzake een procedure op grond van artikel [102 VWEU] en artikel 54 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/C‑3/37.990 – Intel) (hierna: „litigieuze beschikking”) en, ten tweede, artikel 3 van deze beschikking, voor zover het betrekking heeft op artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking, nietig worden verklaard.

Voorgeschiedenis van het geding en inhoud van de litigieuze beschikking

2 De voorgeschiedenis van het geding en de inhoud van de litigieuze beschikking zijn beschreven in de punten 1 tot en met 35 van het bestreden arrest. Ten behoeve van de onderhavige procedure kan zij als volgt worden samengevat.

3 Intel Corporation Inc. (hierna: „Intel”) is een vennootschap naar Amerikaans recht die zich bezighoudt met het ontwerpen, ontwikkelen, produceren en op de markt brengen van microprocessoren (Central Processing Units; hierna: „CPU’s”), „chipsets” en andere halfgeleidercomponenten, alsook van platformoplossingen voor gegevensverwerking en communicatieapparatuur.

4 Na een op 18 oktober 2000 door Advanced Micro Devices, Inc. (hierna: „AMD”) ingediende klacht, die op 26 november 2003 is gecompleteerd, heeft de Commissie krachtens verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), een onderzoek naar Intel ingesteld.

5 Op 26 juli 2007 heeft de Commissie Intel een mededeling van punten van bezwaar ter kennis gebracht over haar handelwijze ten aanzien van vijf grote computerfabrikanten (Original Equipment Manufacturers; hierna: „OEM’s”), namelijk Dell, Hewlett-Packard Company (HP), Acer Inc., NEC Corp. en International Business Machines Corp. (IBM).

6 Op 17 juli 2008 heeft de Commissie Intel een aanvullende mededeling van punten van bezwaar ter kennis gebracht over haar handelwijze ten aanzien van Media-Saturn-Holding GmbH (hierna: „MSH”), een Europese detailhandelaar in consumentenelektronica en de grootste detailhandelaar in Europa wat desktopcomputers betreft. Deze mededeling van punten van bezwaar had tevens betrekking op de handelwijze van Intel ten aanzien van Lenovo Group Ltd (hierna: „Lenovo”) en bevatte voorts nieuw bewijs omtrent de gedragingen van Intel ten aanzien van sommige van de OEM’s waarop de mededeling van punten van bezwaar van 26 juli 2007 betrekking had, dat de Commissie na deze datum had verkregen.

7 Op 13 mei 2009 heeft de Commissie de litigieuze beschikking gegeven. Een samenvatting ervan is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2009, C 227, blz. 13).

8 Volgens de litigieuze beschikking heeft Intel zich van oktober 2002 tot december 2007 schuldig gemaakt aan één enkele voortgezette inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) door een strategie toe te passen die erop was gericht een concurrent, te weten AMD, van de markt van CPU’s met de x86-architectuur (hierna: „x86-CPU’s”) uit te sluiten.

9 De producten waarop de litigieuze beschikking betrekking heeft, zijn CPU’s, onderdelen van elke computer die essentieel zijn voor zowel de algemene prestaties als de totale kosten van het systeem. Zij worden vaak beschouwd als het „brein” van de computer. Voor de fabricage van CPU’s zijn dan ook technologisch geavanceerde, kostbare faciliteiten nodig.

10 CPU’s voor computers kunnen in twee categorieën worden ingedeeld, te weten x86-CPU’s en CPU’s die op een andere architectuur zijn gebaseerd. De x86-architectuur is een door Intel voor haar CPU’s ontworpen norm die geschikt is voor zowel het Windows- als het Linux-besturingssysteem. Windows is grotendeels met de x86-instructieset verbonden. Vóór 2000 waren diverse fabrikanten van x86-CPU’s op de markt actief. De meeste daarvan zijn echter van de markt verdwenen. Intel en AMD zijn sindsdien nagenoeg de enige bedrijven die nog x86-CPU’s vervaardigen.

11 De geografische markt is als wereldomspannend gedefinieerd.

12 Gezien ten eerste het marktaandeel van Intel van ten minste 70 % tussen 1997 en 2007 en ten tweede de aanzienlijke barrières voor toegang tot en expansie op die markt – ten gevolge van de verzonken investeringen in onderzoek en ontwikkeling, intellectuele eigendom en productiefaciliteiten die voor de fabricage van x86-CPU’s nodig zijn – is de Commissie tot de slotsom gekomen dat Intel in ieder geval in de periode van oktober 2002 tot en met december 2007 een machtspositie op de genoemde markt heeft ingenomen.

13 De Commissie heeft Intel twee soorten ongeoorloofde gedragingen verweten. In de eerste plaats heeft Intel kortingen verleend aan vier OEM’s, te weten Dell, Lenovo, HP en NEC, op voorwaarde dat zij al hun of vrijwel al hun x86-CPU’s bij Intel inkochten, alsook betalingen aan MSH verricht, op voorwaarde dat zij uitsluitend met door Intel vervaardigde x86-CPU’s uitgeruste computers verkocht (hierna samen: „betwiste kortingen”). Deze kortingen waren getrouwheidskortingen. Het mechanisme van de voorwaardelijke betalingen aan MSH was overigens vergelijkbaar met dat van deze kortingen.

14 In de litigieuze beschikking heeft de Commissie een economische analyse verricht van de mogelijkheid om met behulp van de betwiste kortingen een concurrent uit te sluiten die even efficiënt was als Intel, maar geen machtspositie innam (criterium van de as efficient competitor; hierna: „AEC-criterium” of „AEC-analyse”). Met deze analyse kan worden bepaald tegen welke prijs een even efficiënte concurrent als Intel zijn CPU’s had moeten aanbieden om een OEM te „compenseren” voor het derven van een dergelijke door Intel verleende korting. Een soortgelijke analyse is uitgevoerd voor de betalingen van Intel aan MSH.

15 Op basis van het door haar verzamelde bewijs is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de betwiste kortingen de getrouwheid van zogenoemde „strategisch belangrijke” OEM’s en van MSH hebben verzekerd. Een bijkomend effect van deze kortingen was dat het vermogen van concurrenten van Intel om op de prestaties van hun x86-CPU’s te concurreren, aanzienlijk werd beperkt. De mededingingsverstorende gedragingen van Intel hebben bijgevolg geleid tot minder keuzevrijheid voor de consument en een geringere prikkel tot innovatie.

16 In de tweede plaats verwijt de Commissie Intel onverbloemde concurrentiebeperkingen (naked restrictions), die erin bestaan dat Intel drie OEM’s, te weten HP, Acer en Lenovo, heeft vergoed opdat zij de lancering van producten met door AMD vervaardigde x86-CPU’s uitstelden of annuleerden en/of restricties hanteerden ten aanzien van de distributie van deze producten. De Commissie is tot de slotsom gekomen dat deze handelwijze, die geen normale mededinging op basis van verdienste vormde, tevens de mededinging rechtstreeks schade heeft toegebracht.

17 In de litigieuze beschikking komt de Commissie tot de conclusie dat elk van de aan Intel verweten gedragingen ten aanzien van bovengenoemde OEM’s en ten aanzien van MSH misbruik in de zin van artikel 102 VWEU oplevert, en dat de afzonderlijke misbruiken bovendien een algemene strategie vormden die erop was gericht om AMD, Intels enige concurrent van betekenis, van de markt van x86-CPU’s uit te sluiten. Deze misbruiken vormen derhalve tezamen één enkele inbreuk op artikel 102 VWEU.

18 Op grond van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 (PB 2006, C 210, blz. 2), heeft de Commissie Intel een geldboete van 1,06 miljard EUR opgelegd.

19 Het in punt 35 van het bestreden arrest weergegeven dispositief van de litigieuze beschikking luidt: „Artikel 1 Intel […] heeft zich van oktober 2002 tot december 2007 schuldig gemaakt aan één enkele voortgezette inbreuk op artikel [102 VWEU] en artikel 54 van de EER-Overeenkomst door een strategie toe te passen die erop was gericht de markt van x86-CPU’s voor concurrenten af te schermen. Daartoe heeft Intel: a) in het tijdvak van december 2002 tot december 2005 kortingen verleend aan Dell waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat Dell al haar x86-CPU’s van Intel betrok; b) in het tijdvak van november 2002 tot mei 2005 kortingen verleend aan HP waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat HP ten minste 95 % van de x86-CPU’s voor haar zakelijke desktopcomputers van Intel betrok; c) in het tijdvak van oktober 2002 tot november 2005 kortingen verleend aan NEC waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat NEC ten minste 80 % van de x86-CPU’s voor haar client-pc’s van Intel betrok; d) in het tijdvak van januari 2007 tot december 2007 kortingen verleend aan Lenovo waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat Lenovo alle x86-CPU’s voor haar laptopcomputers van Intel betrok; e) in het tijdvak van oktober 2002 tot december 2007 betalingen verricht aan [MSH] waarvan de hoogte was gebonden aan de voorwaarde dat [MSH] uitsluitend met x86-CPU’s van Intel uitgeruste computers verkocht; f) in het tijdvak van november 2002 tot mei 2005 betalingen verricht aan HP onder de voorwaarde dat HP: i) zich voor haar met x86-CPU’s van AMD uitgeruste zakelijke desktopcomputers op kleine en middelgrote ondernemingen en op afnemers binnen de overheid, het onderwijs en de medische wereld in plaats van op grote zakelijke afnemers richtte; ii) haar distributiepartners verbood voorraden aan te houden van haar met x86-CPU’s van AMD uitgeruste zakelijke desktopcomputers, zodat deze computers door afnemers uitsluitend konden worden betrokken door de producten bij HP te bestellen (hetzij rechtstreeks, hetzij via distributiepartners van HP die optraden als handelsagent); iii) de lancering van haar met een x86-CPU van AMD uitgeruste zakelijke desktopcomputer in de regio [Europa, Midden-Oosten en Afrika] met zes maanden uitstelde; g) in het tijdvak van september 2003 tot januari 2004 betalingen verricht aan Acer onder de voorwaarde dat Acer de lancering van een met een x86-CPU van AMD uitgeruste laptopcomputer uitstelde; h) in het tijdvak van juni 2006 tot december 2006 betalingen verricht aan Lenovo onder de voorwaarde dat Lenovo de lancering van haar met x86-CPU’s van AMD uitgeruste laptopcomputers uitstelde en, uiteindelijk, annuleerde. Artikel 2 Vanwege de in artikel 1 genoemde inbreuk wordt Intel […] een geldboete van 1060000000 EUR opgelegd. Artikel 3 Intel […] dient onverwijld een einde te maken aan de in artikel 1 beschreven inbreuk, voor zover zij dit nog niet heeft gedaan. Intel […] dient zich te onthouden van de in artikel 1 beschreven handelingen of gedragingen en van elke handeling of gedraging die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg heeft. […]”

Eerste procedure bij het Gerecht en bij het Hof

20 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 juli 2009, heeft Intel beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking ingesteld. Ter ondersteuning van haar beroep heeft zij negen middelen aangevoerd.

21 Association for Competitive Technology Inc. (hierna: „ACT”) en Union fédérale des consommateurs – Que choisir (UFC – que choisir) werden toegelaten tot interventie in de procedure aan de zijde van respectievelijk Intel en de Commissie.

22 Bij arrest van 12 juni 2014, Intel/Commissie (T‑286/09, EU:T:2014:547; hierna: „oorspronkelijk arrest”) heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen. De verwerping van dit beroep was met name gebaseerd op twee premissen met betrekking tot de rol van het AEC-criterium, dat de Commissie heeft gebruikt om de gevolgen van de betwiste kortingen te analyseren. Volgens de eerste premisse was voor de vaststelling van de onrechtmatigheid van deze kortingen geen onderzoek van de omstandigheden van de zaak vereist, zodat de Commissie niet verplicht was per geval aan te tonen dat die kortingen tot marktuitsluiting konden leiden. Zelfs al zou een beoordeling van de concrete omstandigheden nodig zijn om de potentiële mededingingsverstorende effecten van de getrouwheidskortingen aan te tonen, zou het volgens de tweede premisse daarentegen niet nodig zijn deze aan de hand van de toepassing van het AEC-criterium aan te tonen. In het kader van een subsidiair uitgevoerd onderzoek heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie rechtens genoegzaam en op basis van een analyse van de concrete omstandigheden had aangetoond dat de betwiste kortingen de mededinging konden beperken. Hieruit volgt dat het Gerecht niet verplicht was te onderzoeken of de Commissie het AEC-criterium naar behoren en foutloos had gehanteerd, en dat evenmin hoefde te worden nagegaan of de door Intel voor dat criterium voorgestelde alternatieve berekeningen juist waren.

23 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 26 augustus 2014 heeft Intel hogere voorziening tegen het oorspronkelijke arrest ingesteld. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening heeft Intel zes middelen aangevoerd.

24 Bij arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie (C‑413/14 P, EU:C:2017:632; hierna: „arrest in hogere voorziening”), zoals gerectificeerd, heeft het Hof het oorspronkelijke arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerecht.

25 Na afwijzing van het vijfde en het vierde middel van de hogere voorziening, waarmee respectievelijk werd aangevoerd dat het Gerecht de criteria voor de bevoegdheid van de Commissie ten aanzien van de door Intel met Lenovo gesloten overeenkomsten en procedurele onregelmatigheden onjuist had toegepast, heeft het Hof het eerste middel onderzocht en aanvaard. Met dat middel werd betoogd dat het Gerecht blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het de betwiste kortingen niet had onderzocht in het licht van alle omstandigheden van de zaak.

26 In dat verband heeft het Hof in de punten 133 en 134 van het arrest in hogere voorziening benadrukt dat artikel 102 VWEU geenszins tot doel heeft om een onderneming te beletten om door eigen verdienste een machtspositie op een markt te verwerven. Deze bepaling heeft evenmin tot doel om ervoor te zorgen dat minder efficiënte concurrenten dan de onderneming met een machtspositie op de markt aanwezig blijven. Niet elk uitsluitingseffect tast dus noodzakelijkerwijs de mededinging aan. Op verdienste gebaseerde mededinging kan er per definitie toe leiden dat minder efficiënte concurrenten dan de onderneming met een machtspositie, die dus op het punt van de prijs, de keuze, de kwaliteit of de innovatie voor de consument minder interessant zijn, van de markt verdwijnen of daarop een marginale plaats krijgen.

27 In de punten 135 tot en met 137 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof niettemin in herinnering gebracht dat, aangezien op een onderneming met een machtspositie een bijzondere verantwoordelijkheid rust om door haar gedrag geen afbreuk te doen aan de daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt, zij haar even efficiënte concurrenten niet kan uitsluiten en haar machtspositie niet kan versterken met behulp van andere middelen dan die welke berusten op een mededinging op basis van verdienste, zoals een systeem van kortingen dat is gebonden aan de voorwaarde dat de afnemer zich voor zijn behoeften goeddeels of uitsluitend bevoorraadt bij de onderneming die een machtspositie inneemt.

28 In de punten 138 en 139 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof verduidelijkt dat wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure – onder overlegging van bewijs – betoogt dat haar gedrag dat erin bestond getrouwheidskortingen toe te passen de mededinging niet kon beperken en met name de verweten uitsluitingseffecten niet kon teweegbrengen, de Commissie er niet alleen toe gehouden is de omvang van de machtspositie van de onderneming op de relevante markt, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur en hoogte van die kortingen alsook de voorwaarden en de modaliteiten voor het verlenen ervan te onderzoeken, maar ook moet beoordelen of er sprake is van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als de onderneming met een machtspositie uit te sluiten.

29 Het Hof heeft dan ook in de punten 143 en 144 van het arrest in hogere voorziening vastgesteld dat het AEC-criterium van wezenlijk belang was geweest bij de beoordeling door de Commissie van de mogelijkheid dat de betwiste kortingen even efficiënte concurrenten als Intel zouden uitsluiten, zodat het Gerecht gehouden was om alle argumenten van Intel met betrekking tot dat criterium te onderzoeken.

30 Zoals is uiteengezet in de punten 145 en 146 van het arrest in hogere voorziening, heeft het Gerecht evenwel in het oorspronkelijke arrest geoordeeld dat het niet nodig was te onderzoeken of de Commissie het AEC-criterium naar behoren en foutloos had gehanteerd, en dat evenmin hoefde te worden nagegaan of de door Intel voorgestelde alternatieve berekeningen juist waren. Bijgevolg heeft het Gerecht in het kader van zijn onderzoek ten overvloede van de omstandigheden van de zaak in hetzelfde arrest het door de Commissie toegepaste AEC-criterium als irrelevant aangemerkt en derhalve niet geantwoord op de kritiek van Intel op dat criterium.

31 Dientengevolge heeft het Hof in punt 147 van het arrest in hogere voorziening geoordeeld dat het oorspronkelijke arrest moest worden vernietigd, aangezien het Gerecht bij zijn analyse van de mogelijkheid dat de betwiste kortingen de mededinging beperken ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het betoog van Intel waarmee zij opkwam tegen vermeende fouten van de Commissie in verband met het AEC-criterium.

32 In de punten 149 en 150 van het arrest in hogere voorziening heeft het Hof dan ook geoordeeld dat het Gerecht, waarnaar de zaak diende te worden terugverwezen, in het licht van de door Intel aangevoerde argumenten moest onderzoeken of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken.

Procedure bij het Gerecht na terugverwijzing en bestreden arrest

33 Op 14, 15 en 16 november 2017 hebben respectievelijk ACT, Intel en de Commissie krachtens artikel 217, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hun schriftelijke opmerkingen ingediend over de uit het arrest in hogere voorziening te trekken conclusies voor de beslechting van het geding (hierna: „hoofdopmerkingen over de terugverwijzing”).

34 Op 20 februari 2018 heeft ACT en op 5 maart 2018 hebben Intel en de Commissie aanvullende schriftelijke opmerkingen ingediend krachtens artikel 217, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: „aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing”).

35 In haar hoofdopmerkingen over de terugverwijzing heeft Intel, ondersteund door ACT, met name haar verzoek tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking herhaald. In haar opmerkingen heeft de Commissie het Gerecht verzocht het beroep te verwerpen.

36 Om te beginnen heeft het Gerecht zich in de punten 74 tot en met 102 van het bestreden arrest uitgesproken over het voorwerp van het geding na terugverwijzing, en in de punten 103 tot en met 111 van dat arrest over de ontvankelijkheid van de hoofd- en aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing van Intel en ACT.

37 Wat betreft het voorwerp van het bij hem aanhangige geding na terugverwijzing, is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat dit voorwerp in wezen betrekking had op de analyse van de vraag of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken in het licht van, ten eerste, de in de punten 133 en volgende van het arrest in hogere voorziening vermelde verduidelijkingen met betrekking tot de beginselen die zijn geformuleerd in het arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie (85/76, EU:C:1979:36), en ten tweede, de hoofd- en aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing met betrekking tot de uit deze verduidelijkingen te trekken conclusies.

38 In dit verband heeft het Gerecht uit het oorspronkelijke arrest de bevindingen overgenomen die betrekking hebben op de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid daarvan in het licht van artikel 102 VWEU, evenals de beoordelingen met betrekking tot de kwalificatie van de betwiste kortingen als „exclusiviteitskortingen”. Het Gerecht was evenwel overeenkomstig de door het arrest in hogere voorziening beslechte rechtspunten van oordeel dat de kwalificatie van de betwiste kortingen als „exclusiviteitskortingen” niet impliceerde dat er geen AEC-analyse nodig was om te beoordelen of die kortingen de mededinging konden beperken, noch dat die analyse volstond om deze kortingen als misbruik in de zin van artikel 102 VWEU aan te merken.

39 Wat betreft de ontvankelijkheid van de hoofd- en aanvullende opmerkingen over de terugverwijzing van Intel en ACT, heeft het Gerecht benadrukt dat artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering zich er niet tegen verzet dat Intel die opmerkingen hoofdzakelijk wijdt aan een herhaling of zelfs een uitwerking van de argumenten betreffende het AEC-criterium in het verzoekschrift. Volgens het Gerecht vormt het arrest in hogere voorziening als zodanig evenwel geen nieuw gegeven dat de wijziging of uitbreiding van Intels grieven tegen de litigieuze beschikking rechtvaardigt.

40 Vervolgens heeft het Gerecht, na te hebben herinnerd aan de methode die het Hof heeft vastgesteld om te beoordelen of een systeem van kortingen de mededinging kan beperken en aan de beginselen die voortvloeien uit het arrest in hogere voorziening, de gegrondheid van de argumenten van Intel en ACT beoordeeld.

41 In dit verband heeft het Gerecht eerst het argument onderzocht dat de litigieuze beschikking op een onjuiste juridische analyse is gebaseerd. Dienaangaande heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie in de litigieuze beschikking blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat zij op goede gronden kon vaststellen dat de betwiste kortingen in strijd waren met artikel 102 VWEU omdat zij naar hun aard misbruik vormden, zonder daarbij noodzakelijkerwijs rekening te hoeven houden met het eventuele mededingingsbeperkende effect van deze kortingen. Door aan te voeren dat het AEC-criterium „van wezenlijk belang” was geweest bij de beoordeling door de Commissie van de mogelijkheid dat de betwiste kortingen even efficiënte concurrenten als Intel zouden uitsluiten, heeft het Gerecht zich echter verplicht geacht om als tweede stap alle argumenten van Intel dat de toepassing van het AEC-criterium talrijke onjuistheden bevatte, te onderzoeken.

42 Het deel van het bestreden arrest dat op deze argumenten betrekking heeft, bestaat uit vier onderdelen. De overwegingen in de punten 150 en 151 van het bestreden arrest betreffen de omvang van de toetsing door het Gerecht.

43 De overwegingen in de punten 152 tot en met 159 van dat arrest zijn gewijd aan algemene overwegingen betreffende de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking. Deze punten van het bestreden arrest luiden als volgt: „152 Het vertrekpunt van de toepassing van het AEC-criterium, zoals omschreven in de [overwegingen] 1003 en volgende van de [litigieuze] beschikking en door de Commissie in de onderhavige zaak gehanteerd, is dat Intel, met name gelet op de aard van haar product, haar reputatie en haar profiel, een onvermijdelijke handelspartner was en dat de OEM’s steeds ten minste een deel van hun behoefte aan CPU’s bij Intel zouden hebben gekocht, ongeacht de kwaliteit van het aanbod van de alternatieve leverancier. Bijgevolg waren de afnemers slechts voor een deel van de markt bereid en in staat om hun bevoorradingsbehoeften naar deze alternatieve leverancier te verschuiven (hierna: ‚betwistbaar aandeel’). Die hoedanigheid van onvermijdelijke handelspartner bracht voor Intel de mogelijkheid met zich mee om het onbetwistbare aandeel te gebruiken als hefboom om de prijs voor het betwistbare aandeel te verlagen. 153 Zoals het Gerecht in punt 141 van het oorspronkelijke arrest heeft opgemerkt, gaat het in de [litigieuze] beschikking gehanteerde AEC-criterium uit van het beginsel dat een even efficiënte concurrent [als Intel] die zich wil verzekeren van het betwistbare aandeel van de vraag waarin tot op dat moment werd voorzien door een onderneming met een machtspositie, de afnemer compensatie moet bieden voor de exclusiviteitskorting die hij zou verliezen indien hij een geringer dan het in de voorwaarde van exclusiviteit of quasi-exclusiviteit vastgestelde deel afneemt. Aan de hand van het AEC-criterium wordt bepaald of een concurrent die even efficiënt is als de onderneming met een machtspositie en die dezelfde kosten als die onderneming maakt, zijn kosten in dat geval nog steeds kan dekken. 154 Het AEC-criterium, zoals toegepast in casu, bepaalt de prijs waarvoor een even efficiënte concurrent als Intel zijn x86-CPU’s had moeten aanbieden om een OEM te compenseren voor het verlies van een door Intel verleende exclusiviteitsbetaling. Deze prijs wordt in het AEC-criterium ‚effectieve prijs’ of ‚EP’ genoemd. 155 In beginsel omvat het gedeelte van de totale kortingen waarvoor een even efficiënte concurrent [als Intel] compensatie moet aanbieden, enkel het bedrag van de kortingen dat aan de voorwaarde van exclusieve bevoorrading is onderworpen, met uitsluiting van kwantumkortingen (hierna: ‚voorwaardelijk [aandeel]’ van de kortingen). Zoals met name uit [overweging] 1460 van de [litigieuze] beschikking blijkt, verwijst het AEC-criterium in casu, om enkel het voorwaardelijke deel van een betaling in aanmerking te nemen, naar de gemiddelde verkoopprijs […], te weten de catalogusprijs na aftrek van de voorwaardelijke kortingen. 156 Hoe kleiner het betwistbare aandeel en bijgevolg hoe kleiner de hoeveelheid producten waarmee de alternatieve leverancier de concurrentie kan aangaan, hoe groter de waarschijnlijkheid dat de exclusiviteitsbetaling een even efficiënte concurrent [als de onderneming met een machtspositie] kan uitsluiten. Indien het verlies aan betalingen die door Intel aan haar afnemer worden verricht moet worden verdeeld over een geringe hoeveelheid producten die in het betwistbare aandeel door de alternatieve leverancier worden aangeboden, leidt dit namelijk tot een aanzienlijke verlaging van de effectieve prijs. Het is dus waarschijnlijker dat deze effectieve prijs onder het haalbare niveau van de kosten van Intel ligt. 157 De effectieve prijs moet worden vergeleken met het niveau van de haalbare kosten van Intel. Het in de [litigieuze] beschikking vastgestelde haalbare niveau van kosten van Intel is dat van de gemiddelde vermijdbare kosten […]. 158 Zoals met name uit [overweging] 1006 van de [litigieuze] beschikking blijkt, kan worden geconcludeerd dat een systeem van exclusiviteitsbetalingen de toegang tot de markt voor even efficiënte concurrenten [als Intel] kan beletten wanneer de effectieve prijs lager is dan de [gemiddelde vermijdbare kosten] van Intel. In dat geval gaat het om een negatief resultaat van de toepassing van het AEC-criterium. Indien daarentegen de effectieve prijs hoger is dan de [gemiddelde vermijdbare kosten], wordt een even efficiënte concurrent [als Intel] geacht zijn kosten te kunnen dekken en dus in staat te zijn om tot de markt toe te treden. In dat geval leidt de toepassing van het AEC-criterium tot een positief resultaat. 159 In het licht van deze algemene overwegingen moet de gegrondheid worden onderzocht van [Intels] argumenten dat de [toepassing van het AEC-criterium] talrijke onjuistheden bevat.”

44 Uit met name de punten 175, 258, 260, 283, 285, 286, 297 tot en met 299 en 334 van het bestreden arrest blijkt dat het – positieve of negatieve – resultaat van het AEC-criterium, zoals gedefinieerd in punt 158 van dat arrest, volgens de door de Commissie gehanteerde methode uiteindelijk wordt bepaald aan de hand van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel, waarbij laatstgenoemd aandeel het deel is van de behoeften van de afnemer dat een even efficiënte concurrent als Intel moet verkrijgen om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt. Indien het betwistbare aandeel groter is dan het vereiste aandeel, is het resultaat van het AEC-criterium voor Intel positief, terwijl de omgekeerde omstandigheid tot een negatief resultaat leidt en dus tot gevolg heeft dat de betwiste kortingen een concurrent die even efficiënt is als deze onderneming kunnen uitsluiten.

45 De overwegingen in de punten 160 tot en met 166 van het bestreden arrest hebben betrekking op de bewijslast en het vereiste bewijsniveau.

46 In de overwegingen in de punten 167 tot en met 482 van dat arrest heeft het Gerecht de gegrondheid onderzocht van Intels argumenten dat de litigieuze beschikking met betrekking tot het AEC-criterium talrijke onjuistheden bevat.

47 Deze overwegingen bestaan uit vijf delen, die elk betrekking hebben op de argumenten die Intel betreffende de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking heeft aangevoerd voor de vier betrokken OEM’s, te weten Dell, HP, NEC en Lenovo enerzijds en MSH anderzijds.

48 De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van Dell is uiteengezet in de punten 202 tot en met 282 van het bestreden arrest. Na deze analyse heeft het Gerecht in de eerste plaats in punt 283 van dat arrest geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat haar veronderstelling dat het betwistbare aandeel van Dell in de betrokken periode 7,1 % bedroeg, gegrond was. Aangezien deze hypothese als basis had gediend om – door middel van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel – aan te tonen dat de door Intel aan Dell verleende kortingen een uitsluitingseffect konden hebben, is die mogelijkheid volgens het Gerecht niet rechtens genoegzaam uit deze vergelijking gebleken.

49 In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 284 van het bestreden arrest geoordeeld dat, ten eerste, de factoren die volgens de Commissie het vermeende uitsluitingseffect van de betwiste kortingen konden versterken, en die er in wezen in bestonden dat elk verlies van Intels kortingen zou leiden tot een verhoging van de door Intel aan de met Dell concurrerende OEM’s verleende kortingen en dat bij de raming van het betwistbare aandeel geen rekening werd gehouden met het feit dat Dell van Intel ook andere producten dan x86-CPU’s – te weten chipsets – kocht, in de litigieuze beschikking onvoldoende waren geanalyseerd. Ten tweede toont een door de Commissie in deze beschikking toegepaste alternatieve berekeningsmethode niet aan dat de betwiste kortingen tijdens de gehele relevante periode een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben.

50 In punt 285 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de Commissie, volgens overweging 1281 van de litigieuze beschikking, haar conclusies betreffende de mogelijkheid dat de aan Dell verleende betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, heeft getrokken uit de vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel, de versterkingsfactoren, en de genoemde alternatieve berekeningsmethode.

51 Derhalve heeft het Gerecht in punt 286 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie op basis van de vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel alsmede van de versterkingsfactoren niet kon aantonen dat de aan Dell verleende betwiste kortingen een dergelijk uitsluitingseffect konden hebben. Bovendien kan het derde door de Commissie in aanmerking genomen element – een alternatieve berekeningsmethode die volgens de bewoordingen van overweging 1281 van de litigieuze beschikking de eerste twee elementen moet bevestigen – volgens het Gerecht op zich de conclusies van de Commissie niet staven, temeer daar uit dit element niet blijkt dat de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect tijdens de gehele relevante periode konden hebben.

52 Derhalve heeft het Gerecht in punt 287 van het bestreden arrest ingestemd met de grief van Intel dat de Commissie niet rechtens genoegzaam de gegrondheid had aangetoond van de conclusie in overweging 1281 van de litigieuze beschikking dat de betwiste kortingen van Intel in de periode tussen december 2002 en december 2005 mogelijk of waarschijnlijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, omdat zelfs een even efficiënte concurrent als Intel zou zijn belet om in Dells bevoorradingsbehoefte aan x86-CPU’s te voorzien.

53 De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van HP is uiteengezet in de punten 288 tot en met 335 van het bestreden arrest. Na een reeks elementen met betrekking tot de aankoopvolumen, het bedrag van de kortingen en de gemiddelde verkoopprijs van x86-CPU’s te hebben onderzocht, heeft het Gerecht in punt 319 van dat arrest vastgesteld dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt had gesteld dat zij op basis van haar berekening van het vereiste aandeel conclusies kon trekken met betrekking tot het mededingingsverstorende uitsluitingseffect van de kortingen die Intel voor de gehele periode tussen november 2002 en mei 2005 aan HP had verleend. In het bijzonder had de Commissie het bestaan van dat effect voor de periode van november 2002 tot september 2003 niet aangetoond.

54 Bovendien heeft het Gerecht in punt 320 van het bestreden arrest geoordeeld dat de omstandigheid dat de Commissie in overweging 1389 van de litigieuze beschikking een alternatieve berekening heeft gemaakt van het vereiste aandeel onder verwijzing naar de cijfers in overweging 1338 van die beschikking, deze fout niet kan rechtzetten, aangezien deze alternatieve berekening evenmin de gehele periode tussen november 2002 en mei 2005 dekt.

55 Overigens heeft het Gerecht in de punten 328 tot en met 331 van het bestreden arrest met betrekking tot de versterkingsfactor bestaande in de verschuiving van de aanvankelijk door Intel aan HP verleende kortingen naar een van de concurrenten van deze laatste, vastgesteld dat de Commissie had moeten verduidelijken welke van de bij het AEC-criterium in aanmerking genomen elementen zouden zijn beïnvloed en op welke wijze. Bijgevolg was de litigieuze beschikking gebrekkig gemotiveerd.

56 Derhalve heeft het Gerecht in punt 335 van het bestreden arrest geconcludeerd dat de Commissie niet rechtens genoegzaam de gegrondheid had aangetoond van de conclusie in overweging 1406 van de litigieuze beschikking dat de door Intel aan HP verleende kortingen in de periode van november 2002 tot mei 2005 mogelijk of waarschijnlijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, aangezien zij voor de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003 niet heeft aangetoond dat er sprake was van een dergelijk uitsluitingseffect.

57 De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van NEC is uiteengezet in de punten 336 tot en met 411 van het bestreden arrest. In punt 411 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie twee beoordelingsfouten had gemaakt, namelijk door uit te gaan van een overdreven waarde voor het voorwaardelijke deel van de kortingen en door de resultaten waartoe zij kwam voor het vierde kwartaal van 2002 te extrapoleren naar de gehele inbreukmakende periode. Het Gerecht heeft uit deze vaststellingen afgeleid dat de basisparameters van de toepassing van het AEC-criterium door de Commissie onjuist waren. Bijgevolg had de Commissie niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de conclusie in overweging 1456 van de litigieuze beschikking dat de door Intel aan NEC verrichte betalingen mogelijk of waarschijnlijk een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten, gegrond was.

58 De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van Lenovo is uiteengezet in de punten 412 tot en met 457 van het bestreden arrest. In punt 439 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de berekeningen van de Commissie ter vaststelling van het voorwaardelijke aandeel van de kortingen en dus van het vereiste aandeel dat een even efficiënte concurrent als Intel moest bereiken om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt, waren gebaseerd op een veronderstelling die in strijd was met de in de overwegingen 1003 en 1004 van de litigieuze beschikking uiteengezette grondslagen van de toepassing van het AEC-criterium. Een van die grondslagen is onder meer het beginsel dat de hypothetische concurrent even efficiënt is als Intel, met name vanuit het oogpunt van de kosten voor de uitbreiding van een distributieplatform of een garantie. Volgens het Gerecht heeft de Commissie in haar analyse van het bedrag van de betwiste kortingen die Intel aan Lenovo had verleend in de vorm van twee voordelen in natura, namelijk de uitbreiding van Intels standaardgarantie van een jaar alsmede het voorstel voor een beter gebruik van een distributieplatform in China, in feite een redenering ontwikkeld ten opzichte van een minder efficiënte concurrent, die evenwel niet de relevante marktdeelnemer is om te beoordelen of de betwiste kortingen tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect kunnen leiden.

59 Na in de punten 440 tot en met 456 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat de argumenten van de Commissie niet aan deze overweging konden afdoen, heeft het Gerecht in punt 457 van dat arrest geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat de conclusie in overweging 1507 van de litigieuze beschikking dat de door Intel verleende betwiste kortingen in 2007 mogelijk of waarschijnlijk een dergelijk uitsluitingseffect konden hebben ten nadele van een even efficiënte concurrent als Intel, gegrond was.

60 De analyse van het Gerecht met betrekking tot de situatie van MSH is uiteengezet in de punten 458 tot en met 481 van het bestreden arrest. In de punten 466 tot en met 480 van dat arrest heeft het Gerecht zich geconcentreerd op de methode van de „dubbele voorwaardelijke korting”. Deze methode berust op de gedachte dat een even efficiënte concurrent als Intel, om computers van een bepaald merk aan MSH te kunnen verkopen, zich er niet alleen van zou moeten vergewissen dat MSH bereid was om computers te kopen die met CPU’s van die concurrent zijn uitgerust, maar ook en vooral dat OEM’s bereid waren deze computers te vervaardigen. Deze concurrent had dus twee betalingen moeten verrichten: een eerste om ervoor te zorgen dat het betwistbare aandeel van de OEM zou worden verkregen, en een tweede om ervoor te zorgen dat het betwistbare aandeel van MSH zou worden verkregen. Bijgevolg hadden de praktijken van Intel op verschillende niveaus van de toeleveringsketen een cumulatief effect kunnen hebben. Zonder het principe van deze redenering ter discussie te stellen, heeft het Gerecht vastgesteld dat de uitvoering ervan, die was gebaseerd op het vermoeden dat elke OEM die leverancier was van MSH een voorwaardelijke korting genoot die gelijk was aan de totale betwiste korting die in het vierde kwartaal van 2002 aan NEC was verleend, twee gebreken vertoonde die elk de resultaten van de toepassing van het AEC-criterium betreffende MSH kunnen ontkrachten. Ten eerste heeft de Commissie niet gesteld of aangetoond dat Intel aan een van de andere OEM’s waarbij MSH haar aankopen deed, namelijk Fujitsu, Acer, HP, Compaq, Toshiba en Medion, voorwaardelijke kortingen heeft verleend in het segment van computers voor particulieren, onder voorwaarden die vergelijkbaar waren met de betwiste kortingen voor de bij NEC gekochte computers. Ten tweede heeft de Commissie hoe dan ook niet aangetoond dat de betwiste kortingen die aan NEC zijn verleend voor het vierde kwartaal van 2002, gesteld dat zij representatief waren voor alle OEM’s, over een periode van tien jaar stabiel waren geweest.

61 Derhalve heeft het Gerecht in punt 482 van het bestreden arrest geoordeeld dat Intels argument dat door de Commissie fouten zijn begaan bij de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking ten aanzien van Dell, HP, NEC, Lenovo en MSH, moest worden aanvaard.

62 Vervolgens is het Gerecht in de punten 483 tot en met 521 van het bestreden arrest ingegaan op de argumenten van Intel en ACT dat de Commissie de marktdekking van de betwiste kortingen alsmede de duur en de hoogte van die kortingen – als in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria – niet naar behoren had onderzocht.

63 Wat betreft de marktdekking van de betwiste kortingen, heeft het Gerecht in punt 485 van het bestreden arrest afdeling 4.2.4 van de litigieuze beschikking, dat de overwegingen 1577 tot en met 1596 van deze beschikking bevat, als relevant aangemerkt inzake het strategisch belang van de OEM’s die de betwiste kortingen hebben ontvangen. Volgens het Gerecht heeft de Commissie in overweging 1577 van die beschikking in wezen benadrukt dat sommige OEM’s – in casu Dell en HP – wegens hun marktaandeel, hun sterke aanwezigheid in het meest winstgevende segment van de betrokken markt en hun macht om een nieuwe processor op de markt te legitimeren, strategisch belangrijker waren dan andere om de fabrikanten van x86-CPU’s toegang tot die markt te verschaffen. Volgens het Gerecht was ook overweging 1597 van die beschikking relevant, waarin is gesteld dat de OEM’s waarop de gedraging van Intel zich richtte een aanzienlijk marktaandeel hadden en strategisch belangrijker waren dan de andere, hetgeen een grotere weerslag had op de markt in haar geheel dan de weerslag van enkel hun gezamenlijke marktaandeel. De Commissie heeft daaruit geconcludeerd dat de marktdekking van de betwiste kortingen als aanzienlijk moest worden beschouwd.

64 In punt 493 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat afdeling 4.2.4 van de litigieuze beschikking relevant kon zijn in het kader van het onderzoek van de marktdekking van de betwiste kortingen, aangezien daarin bepaalde factoren worden besproken die a priori relevant zijn voor het onderzoek naar de vraag of een kortingssysteem een uitsluitingseffect kan hebben. In punt 494 van dat arrest heeft het Gerecht evenwel opgemerkt dat afdeling 4.2.4 alsmede overweging 1597 van de litigieuze beschikking waar de Commissie zich op heeft gebaseerd om te stellen dat de marktdekking was onderzocht, niet aldus kunnen worden uitgelegd dat zij, in de omstandigheden van de onderhavige zaak, op zichzelf een toereikend onderzoek vormen van de marktdekking van de betwiste kortingen in de zin van punt 139 van het arrest in hogere voorziening.

65 Dienaangaande heeft het Gerecht er in punt 495 van het bestreden arrest op gewezen dat de Commissie – gesteld al dat zij zich op goede gronden kon baseren op de marktaandelen van bepaalde OEM’s in plaats van te onderzoeken wat de marktdekking was van de betwiste kortingen – in de overwegingen 1578 tot en met 1580 van de litigieuze beschikking enkel rekening heeft gehouden met de marktaandelen van Dell en HP, terwijl de andere OEM’s die bij die kortingen betrokken zijn, zijn uitgesloten. Bovendien hadden de aldus door de Commissie in aanmerking genomen marktaandelen slechts betrekking op de periode van het eerste trimester van 2003 tot en met het laatste trimester van 2005, dus slechts een deel van de periode van oktober 2002 tot en met december 2007 waarop die beschikking betrekking heeft, en wordt bijgevolg tevens voorbijgegaan aan de periode 2006‑2007, waarin Lenovo en MSH betrokken waren. Tot slot houden de cijfers betreffende de marktaandelen waarvan de Commissie is uitgegaan rekening met de wereldwijde marktaandelen van Dell en HP in alle segmenten, ondanks het feit dat de aan HP verleende betwiste kortingen enkel betrekking hebben op zakelijke desktopcomputers, zoals is aangegeven in artikel 1, onder b), van de litigieuze beschikking.

66 Derhalve heeft het Gerecht in de punten 499 en 500 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie – anders dan zij overeenkomstig punt 139 van het arrest in hogere voorziening had moeten doen – heeft nagelaten te bepalen wat de marktdekking van de betwiste kortingen was, en daaruit afgeleid dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking niet naar behoren had onderzocht.

67 Wat betreft de duur van de betwiste kortingen heeft het Gerecht in de punten 508 tot en met 515 van het bestreden arrest twee groepen overwegingen van de litigieuze beschikking aangewezen waarin de Commissie elementen in verband met deze duur had onderzocht. Het betreft ten eerste de overwegingen 1013 tot en met 1035 van de litigieuze beschikking en ten tweede de overwegingen 201, 202, 965 tot en met 968 en 1227 ervan.

68 In dit verband heeft het Gerecht ten eerste geoordeeld dat de overwegingen 1013 tot en met 1035 van de litigieuze beschikking enkel tot doel hadden om de tijdshorizon – in casu één jaar – te bepalen waarbinnen de OEM’s hun keuzen maakten wat hun behoeften aan x86-CPU’s betreft, als hypothese waarop de berekening van het betwistbare aandeel van de door Intel aan elk van de betrokken OEM’s verleende betwiste kortingen werd gebaseerd.

69 Volgens het Gerecht heeft de Commissie dus een dergelijke temporele factor gebruikt ter bepaling van de berekeningsmethode van het betwistbare aandeel van een OEM, dat vervolgens moest worden vergeleken met andere factoren in de toepassing van het AEC-criterium om te beoordelen of de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben. Een dergelijk onderzoek vormt volgens het Gerecht dus geen analyse van de duur van die kortingen als factor die op zich kan aantonen dat zij een dergelijk uitsluitingseffect kunnen hebben.

70 Ten tweede is het juist dat de Commissie in de overwegingen 201, 202, 965 tot en met 968 en 1227 van de litigieuze beschikking de duur en de vorm van de door de OEM’s bij Intel aangegane verbintenissen die recht gaven op kortingen heeft onderzocht als factoren die de toetreding van een nieuwe concurrent tot de markt konden bevorderen of belemmeren, met name gelet op de temporele draagwijdte van die verbintenissen of op het vermogen van Intel om haar kortingen binnen korte tijd te betalen of aan te passen.

71 Hoewel de aspecten van de temporele factor haar relevant leken, heeft de Commissie deze volgens het Gerecht evenwel slechts incidenteel en in beperkte mate onderzocht. Zij heeft die aspecten niet voor alle OEM’s onderzocht als factor die relevant is om vast te stellen of de betwiste kortingen tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden leiden.

72 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 516 tot en met 518 van het bestreden arrest het argument van de Commissie afgewezen dat – ook al zou uit de toepassing van het AEC-criterium niet blijken dat de betwiste kortingen een uitsluitingseffect konden hebben – rekening moet worden gehouden met de totale periode waarin Intel exclusiviteitskortingen en -betalingen voor OEM’s heeft gehanteerd, en dat, aangezien de kortingen voor Lenovo gedurende een jaar, en voor de andere OEM’s en voor MSH gedurende meerdere jaren zijn toegepast, moet worden geconcludeerd dat een concurrent van Intel op de markt van x86-CPU’s een daling van de winstgevendheid en een veel beperktere winst op die verkopen dan Intel had moeten aanvaarden. Volgens de Commissie bleken deze overwegingen uit de punten 93 en 195 van het oorspronkelijke arrest en waren zij dus definitief.

73 In dit verband heeft het Gerecht om te beginnen opgemerkt dat het Hof het oorspronkelijke arrest in zijn geheel had vernietigd, zodat het Gerecht na de terugverwijzing de argumenten van partijen betreffende de duur van de kortingen opnieuw diende te onderzoeken, zonder gebonden te zijn aan de punten 93 en 195 van het oorspronkelijke arrest.

74 Vervolgens heeft het Gerecht geoordeeld dat – gelet op alle in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria die moeten worden onderzocht ingeval de betrokken onderneming met bewijs betoogt dat haar gedragingen de mededinging niet konden beperken – de loutere verwijzing naar de duur van de door Intel aan de OEM’s en MSH verleende betwiste kortingen op zich niet volstaat om, ondanks de conclusies die uit de toepassing van het AEC-criterium kunnen worden getrokken, definitieve conclusies over de aldus teweeggebrachte mededingingsverstorende uitsluitingseffecten te schragen.

75 Om dezelfde redenen heeft het Gerecht in punt 519 van het bestreden arrest het argument van de Commissie afgewezen dat de duur van de betwiste kortingen niet los kon worden gezien van het tijdsschema (timing) ervan, omdat die kortingen nodig waren geweest om het hoofd te bieden aan het onvermogen van Intel om tijdig een technisch antwoord te geven op de door AMD verhandelde 64 bits-x86-CPU’s.

76 Op basis van deze overwegingen heeft het Gerecht in punt 520 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie een fout had gemaakt door in de litigieuze beschikking de duur van de kortingen niet te onderzoeken als factor aan de hand waarvan kon worden vastgesteld of de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben.

77 Zodoende heeft het Gerecht in punt 521 van het bestreden arrest vastgesteld dat Intel op goede gronden kon stellen dat de analyse van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria die in de litigieuze beschikking was verricht, op meerdere punten onjuist was, omdat de Commissie in die beschikking het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.

78 In de slotoverwegingen van het bestreden arrest heeft het Gerecht de overwegingen die ten grondslag liggen aan het dictum van dat arrest samengevat.

79 Dienaangaande herinnert het Gerecht er in punt 523 van het bestreden arrest aan dat Intel tijdens de administratieve procedure, onder overlegging van bewijs, had aangevoerd dat de betwiste kortingen de haar verweten uitsluitingseffecten niet konden teweegbrengen. In de overwegingen 1002 tot en met 1573 van de litigieuze beschikking heeft de Commissie het AEC-criterium toegepast en, gelet op de resultaten daarvan, in de overwegingen 1574 en 1575 van die beschikking geconcludeerd dat de betwiste kortingen en betalingen van Intel mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende uitsluitingseffecten hadden, aangezien zelfs een even efficiënte concurrent als Intel zou zijn belemmerd om in de bevoorradingsbehoefte aan x86-CPU’s van Dell, HP, NEC en Lenovo te voorzien of om door middel van door MSH verkochte computers de door haar geproduceerde x86-CPU’s te verkopen.

80 In punt 524 van het bestreden arrest heeft het Gerecht benadrukt dat uit de beoordelingen met betrekking tot de onderzochte middelen en argumenten evenwel volgde dat, ten eerste, bij de toepassing van het AEC-criterium in de litigieuze beschikking fouten zijn gemaakt en, ten tweede, wat de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria betreft, de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van de kortingen niet correct had geanalyseerd.

81 Wat met name de aan HP verleende kortingen betreft, heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest in herinnering geroepen dat de Commissie haar conclusie dat de aan HP verleende betwiste kortingen in de periode van november 2002 tot mei 2005 mogelijk of waarschijnlijk een mededingingsverstorend uitsluitingseffect hadden, niet rechtens genoegzaam had aangetoond, aangezien zij voor de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003 niet had aangetoond dat er sprake was van een dergelijk effect. Gesteld al dat daaruit moest worden afgeleid dat de toepassing van het AEC-criterium voor een deel van de periode van november 2002 tot mei 2005 als een bewijs zou kunnen worden beschouwd, dan nog kon dit volgens het Gerecht niet rechtens genoegzaam het mededingingsverstorend uitsluitingseffect van deze kortingen aantonen, aangezien de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.

82 Het Gerecht heeft in de punten 526 en 527 van het bestreden arrest dan ook geoordeeld dat de Commissie niet had kunnen aantonen dat de betwiste kortingen en de betalingen van Intel mogelijk of waarschijnlijk mededingingsverstorende uitsluitingseffecten hadden en dus een schending van artikel 102 VWEU vormden, zodat de motivering van de litigieuze beschikking niet kon dienen als grondslag voor artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking.

83 Derhalve heeft het Gerecht, ten eerste, artikel 1, onder a) tot en met e), alsook artikel 2 van de litigieuze beschikking nietig verklaard en, ten tweede, artikel 3 van deze beschikking nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op artikel 1, onder a) tot en met e) van die beschikking. Aangezien het Gerecht de bevindingen in het oorspronkelijke arrest die betrekking hebben op de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid ervan in het licht van artikel 102 VWEU had overgenomen, heeft het Gerecht het beroep evenwel verworpen voor het overige.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

84 Bij beschikking van de president van het Hof van 5 augustus 2022 is de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.

85 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, behalve punt 3 van het dictum, waarin het Gerecht het bij hem ingestelde beroep heeft verworpen voor het overige; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

86 Intel en ACT verzoeken het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten van haar interventie.

87 De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen, behalve punt 3 van het dictum; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en – de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

Hogere voorziening

88 Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de Commissie zes middelen aan: – het eerste middel betreft schending van het beginsel ne ultra petita, gepaard gaande met de onjuiste uitlegging en toepassing van de criteria die het Hof in het arrest in hogere voorziening heeft vastgesteld met betrekking tot de mogelijkheid dat de betwiste kortingen de mededinging uitsluiten; – het tweede middel heeft betrekking op schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van het AEC-criterium; – het derde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het vereiste bewijs, schending van de rechten van de verdediging, en een onjuiste opvatting van de bewijzen bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell; – met het vierde middel wordt aangevoerd dat er sprake is van verscheidene onjuiste rechtsopvattingen en van schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van HP; – het vijfde middel is ontleend aan een onjuiste uitlegging van het door de Commissie toegepaste AEC-criterium en van artikel 102 VWEU, een onjuiste opvatting van het bewijs en schending van de rechten van verdediging van de Commissie bij het onderzoek van het AEC-criterium ten aanzien van Lenovo, en – het zesde middel betreft de onjuiste beoordeling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten.

89 Alvorens te antwoorden op elk van de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen wijst Intel erop, hierbij ondersteund door ACT, dat deze middelen geen doel treffen omdat de Commissie de analyse van het Gerecht in de punten 144 tot en met 149 van het bestreden arrest niet ter discussie heeft gesteld. Volgens deze analyse vormt de kwalificatie van de betwiste kortingen als misbruik naar hun aard en ongeacht of zij de mededinging kunnen beperken, een onjuiste toepassing van het recht. De Commissie heeft volgens Intel aldus erkend dat de toepassing van het AEC-criterium geen deel uitmaakte van de redenering die ten grondslag lag aan het dispositief van de litigieuze beschikking. Derhalve volstaat de vaststelling van deze fout op zich als motivering van het dictum van het bestreden arrest en is elke vermeende onjuiste beoordeling van het Gerecht na die vaststelling irrelevant.

90 Dit argument kan niet worden aanvaard. Zoals het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest in wezen heeft opgemerkt, volstond de fout door de betwiste kortingen naar hun aard als schending van artikel 102 VWEU te kwalificeren niet om de litigieuze beschikking nietig te verklaren, aangezien de toepassing van het AEC-criterium door de Commissie een belangrijke rol had gespeeld bij de beoordeling of deze kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten. Derhalve berust de nietigverklaring van deze beschikking door het Gerecht – zoals overigens blijkt uit punt 524 van het bestreden arrest – op de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fouten, op het feit dat de marktdekking van de betwiste kortingen niet is onderzocht, en op de onjuiste analyse van de duur van deze kortingen door de Commissie. Hieruit volgt dat de ter ondersteuning van de onderhavige hogere voorziening aangevoerde middelen kunnen afdoen aan de beoordeling van het Gerecht die ten grondslag ligt aan het dictum van het bestreden arrest en – onder voorbehoud van de gegrondheid ervan – kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. Bijgevolg moet Intels bezwaar dat deze middelen geen doel treffen worden afgewezen, en moeten zij dus worden onderzocht.

Eerste middel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld en heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan het vermogen van de betwiste kortingen om de mededinging uit te sluiten

91 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen, die respectievelijk inhouden dat het Gerecht ultra petita heeft geoordeeld en, subsidiair, dat het Gerecht de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten, onjuist heeft uitgelegd en toegepast.

Eerste onderdeel: het Gerecht heeft ultra petita geoordeeld

– Argumenten van partijen

92 De Commissie voert aan dat Intel in haar verzoekschrift in eerste aanleg niet had betoogd dat het onderzoek – in de litigieuze beschikking – van de criteria betreffende de marktdekking en de duur van de betwiste kortingen onvoldoende ruim was. Intel heeft dit enkel in de hoofdopmerkingen over de terugverwijzing aangevoerd.

93 Ten eerste verwijst dit verzoekschrift namelijk nergens naar de punten van de litigieuze beschikking die betrekking hebben op het strategisch belang van de OEM’s die de betwiste kortingen hebben gekregen. In het kader van haar hogere voorziening tegen het oorspronkelijke arrest heeft Intel enkel de beoordeling door het Gerecht van de omvang van de marktdekking van deze kortingen betwist. Het door Intel in dat verzoekschrift aangevoerde argument had betrekking op het beweerdelijk zeer beperkte deel van de markt dat daadwerkelijk werd getroffen door het mededingingsverstorende uitsluitingseffect van deze kortingen, en niet op de vraag of de Commissie de marktdekking van die kortingen naar behoren had geanalyseerd.

94 Ten tweede heeft Intel, op vergelijkbare wijze, niet de omvang van de door de Commissie verrichte analyse van de duur van de betwiste kortingen betwist, maar enkel vraagtekens gesteld bij de geldigheid van de benadering van de Commissie die erin bestond overeenkomsten van korte duur met de OEM’s en MSH te cumuleren, hetgeen een vervolgvraag is. Ter ondersteuning van haar hogere voorziening tegen het oorspronkelijke arrest heeft Intel zich er dus toe beperkt de cumulatie van deze overeenkomsten ter discussie te stellen, die het Gerecht had overgenomen om aan te tonen dat de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten. Anders dan het Gerecht in punt 506 van het bestreden arrest vermeldt, houden de grieven inzake de duur van de betwiste kortingen geen verband met de grieven in de punten 102 en 111 tot en met 114 van het verzoekschrift.

95 Intel, ondersteund door ACT, betwist dat dit onderdeel van het eerste middel gegrond is.

– Beoordeling door het Hof

96 Uit de regels inzake het procesverloop bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie, en met name uit artikel 21 van het Statuut van het Hof alsook uit artikel 76 en artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, volgt dat de partijen in beginsel het geding bepalen en afbakenen en dat de Unierechter niet ultra petita mag beslissen (arrest van 13 juli 2023, Commissie/CK Telecoms UK Investments,C‑376/20 P, EU:C:2023:561, punt 324), aangezien de door hem uitgesproken nietigverklaring niet verder kan gaan dan hetgeen de verzoekende partij heeft gevorderd (zie in die zin arrest van 14 november 2017, British Airways/Commissie,C‑122/16 P, EU:C:2017:861, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Zoals in punt 83 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft het Gerecht in de onderhavige zaak ten eerste artikel 1, onder a) tot en met e), alsook artikel 2 van de litigieuze beschikking nietig verklaard en, ten tweede, artikel 3 van deze beschikking nietig verklaard voor zover het betrekking heeft op de in artikel 1, onder a) tot en met e), van die beschikking beschreven handelingen. Daarnaast heeft het Gerecht krachtens punt 3 van het dictum van het bestreden arrest het beroep verworpen voor het overige, met name wat betreft de onverbloemde concurrentiebeperkingen en de onrechtmatigheid ervan in het licht van artikel 102 VWEU.

98 In dit verband zij opgemerkt dat Intel in punt 674 van het verzoekschrift met name heeft verzocht om nietigverklaring van de litigieuze beschikking in haar geheel, zodat de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring minder ver gaat dan de door Intel gevorderde nietigverklaring. Hieruit volgt dat de grief waarmee de Commissie het Gerecht formeel verwijt ultra petita te hebben beslist, niet kan slagen.

99 De Commissie verwijt het Gerecht ook in de punten 485 tot en met 500 van het bestreden arrest de rechtmatigheid van de beoordeling die zij in de litigieuze beschikking had verricht inzake de marktdekking van de betwiste kortingen, te hebben getoetst aan een middel dat Intel voor het eerst in haar hoofdopmerkingen over de terugverwijzing heeft opgeworpen. Daarmee heeft het Gerecht het kader van het geding zoals bepaald en afgebakend in het verzoekschrift en, in voorkomend geval in repliek, overschreden en aldus artikel 84 van zijn Reglement voor de procesvoering geschonden.

100 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

101 Hieruit volgt, zoals het Gerecht in punt 106 van het bestreden arrest terecht heeft benadrukt, dat de partijen na een terugverwijzingsarrest van het Hof in beginsel geen middelen kunnen voordragen die niet zijn aangevoerd in de procedure die heeft geleid tot het door het Hof vernietigde arrest van het Gerecht (arrest van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punt 71). Alleen een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend opgeworpen middel en daarmee nauw verband houdt, moet ontvankelijk worden verklaard (arrest van 11 maart 2020, Commissie/Gmina Miasto Gdynia en Port Lotniczy Gdynia Kosakowo, C‑56/18 P, EU:C:2020:192, punt 66).

102 In casu heeft Intel, na in punt 12 van het verzoekschrift te hebben gesteld dat de Commissie in strijd met artikel 102 VWEU had nagelaten te beoordelen of de betwiste kortingen de mededinging konden beperken in het licht van alle omstandigheden van de zaak, in de punten 115 tot en met 117 van het verzoekschrift uiteengezet dat de Commissie rekening had moeten houden met het onbeduidend deel van de markt van x86-CPU’s waarop deze kortingen betrekking hadden, namelijk tussen 0,3 % en 2 % per jaar. In deze punten van het verzoekschrift heeft Intel tevens kritiek geuit op de benadering van de Commissie om de mededingingsverstorende uitsluitingseffecten van deze kortingen afzonderlijk per marktsegment te beoordelen, terwijl AMD kon concurreren in segmenten waarop de betwiste kortingen geen betrekking hadden, en heeft zij benadrukt dat de Commissie niet had vastgesteld dat aan verschillende andere vooraanstaande OEM’s kortingen waren verleend. Intel heeft deze grieven verder uitgewerkt in de punten 12, 37, 38, 52, 155, 185, 208 en 257 van de repliek, waarbij de laatste vier punten betrekking hebben op de betwiste kortingen die respectievelijk aan HP, Lenovo, NEC en MSH zijn verleend. Ter staving van haar berekeningen heeft Intel herhaaldelijk verwezen naar het rapport van professor Salop en doctor Hayes van 22 juli 2009 (hierna: „rapport Salop-Hayes”).

103 Hieruit volgt dat Intel met deze grieven voor het Gerecht in wezen heeft aangevoerd dat de marktdekking van de betwiste kortingen zo gering was dat elke vorm van mededingingsverstorende uitsluiting onmogelijk was. Door in de punten 492 tot en met 500 van het bestreden arrest de rechtmatigheid te onderzoeken van de beoordeling die de Commissie dienaangaande in de litigieuze beschikking heeft verricht, heeft het Gerecht het kader van het geding zoals dat door Intel in haar beroep in eerste aanleg was bepaald en afgebakend, dus niet overschreden.

104 De Commissie betoogt tevens dat het onderzoek – in het bestreden arrest – van de in de litigieuze beschikking verrichte analyse van de duur van de betwiste kortingen geen verband houdt met een in het verzoekschrift aangevoerd middel, maar enkel met een nieuw middel dat is aangevoerd in de hoofd- en aanvullende opmerkingen van Intel over de terugverwijzing, en dat derhalve niet-ontvankelijk is.

105 In dit verband heeft Intel in de punten 101 en 102 van het verzoekschrift gewezen op het belang van de duur van een praktijk bij de beoordeling van de vraag of die praktijk de mededinging kan beperken. Dienaangaande heeft Intel in de punten 111 en 112 van het verzoekschrift, die betrekking hebben op de mogelijkheid dat de betwiste kortingen de mededinging uitsluiten, benadrukt dat de betwiste kortingen slechts voor perioden van enkele maanden werden verleend en dat de OEM’s sommige van de overeenkomsten waarin die kortingen waren voorzien konden beëindigen mits een termijn van dertig dagen in acht werd genomen, zodat een dergelijk uitsluitingseffect niet kon worden vermoed. Intel heeft dit argument herhaald in punt 39 van de repliek.

106 Hieruit volgt dat Intel met deze grieven in wezen heeft aangevoerd dat de duur van de betwiste kortingen van dien aard was dat niet kon worden verondersteld dat zij een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 506 van het bestreden arrest, waarin de door de Commissie in dit verband opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid is afgewezen, terecht geoordeeld dat de door Intel in haar hoofd- en aanvullende opmerkingen aangevoerde argumenten met betrekking tot de duur van de betwiste kortingen duidelijk aansloten bij de argumenten in haar verzoekschrift en dus ontvankelijk waren.

107 Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden afgewezen.

Tweede onderdeel: het Gerecht heeft een onjuiste uitlegging en toepassing gegeven aan de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten

– Argumenten van partijen

108 Subsidiair voert de Commissie aan dat het Gerecht zijn onderzoek betreffende de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria heeft beperkt tot de vraag of het volstond de marktdekking van de betwiste kortingen en van de duur daarvan te analyseren, zonder rekening te houden met een van de andere relevante criteria om te beoordelen of deze kortingen de mededinging konden uitsluiten. Deze benadering druist in tegen het vereiste dat alle relevante omstandigheden van de zaak globaal worden beoordeeld.

109 In dit verband zijn de door het Hof in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria weliswaar niet uitputtend, maar zij maken deel uit van de relevante omstandigheden om te beoordelen of een kortingssysteem de mededinging kan uitsluiten. De betrokken criteria zijn dus niet cumulatief, in die zin dat de Commissie niet elk criterium afzonderlijk hoeft te onderzoeken of aan elk criterium hetzelfde gewicht hoeft toe te kennen. Hieruit volgt dat de mogelijkheid dat een kortingssysteem de mededinging uitsluit, niet kan worden ontkracht op basis van één of twee afzonderlijk onderzochte omstandigheden. In de punten 519 tot en met 521 en 525 tot en met 527 van het bestreden arrest heeft het Gerecht evenwel geoordeeld dat het feit dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren heeft onderzocht en de duur van de betwiste kortingen niet correct heeft geanalyseerd, volstond om de litigieuze beschikking nietig te verklaren. Uit het bestreden arrest blijkt namelijk niet duidelijk in welke mate het Gerecht zijn beoordeling heeft gebaseerd op de fouten die in de toepassing van het AEC-criterium zijn vastgesteld. Daarnaast heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest geoordeeld dat de mogelijkheid van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect niet kan worden geacht te zijn aangetoond wanneer de Commissie het criterium betreffende de marktdekking en het criterium betreffende de duur van de kortingen niet naar behoren onderzoekt.

110 Het Gerecht lijkt dus een formalistische zienswijze te hebben gevolgd, volgens welke de Commissie alle in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vastgestelde criteria had moeten onderzoeken en aan elk daarvan hetzelfde gewicht had moeten toekennen, los van het relatieve belang van elk criterium in de specifieke context van de bij hem aanhangige zaak of van een globale beoordeling van alle relevante omstandigheden waaruit blijkt dat de betwiste kortingen de mededinging kunnen uitsluiten.

111 Volgens de Commissie kon het Gerecht echter niet tot een conclusie komen over de beoordeling of de gelaakte gedragingen tot een beperking van de mededinging konden leiden, zonder daarbij volgende elementen te onderzoeken: i) de omvang van de machtspositie van Intel op de relevante markt, ii) de voorwaarden en de nadere bepalingen voor het verlenen van de betwiste kortingen en hun invloed op de beslissingen van de OEM’s en van MSH in verband met hun bevoorradingsbehoeften, iii) de hoogte van deze kortingen, iv) het tijdsschema, en v) het bestaan van een mededingingsverstorende strategie.

112 Wat meer bepaald de eerste twee in het vorige punt vermelde criteria betreft, heeft Intel niet betwist dat de voorwaarde van exclusieve bevoorrading, waarvan de betwiste kortingen afhankelijk waren, de beslissingen van de OEM’s en van MSH in verband met hun bevoorradingsbronnen heeft beïnvloed. Gelet op het duopolie dat kenmerkend is voor de markt van x86-CPU’s, houdt het bestaan van een strategie die erop gericht is AMD uit te sluiten op soortgelijke wijze een gevaar in dat elke mededinging op die markt wordt uitgeschakeld. Het Gerecht heeft echter geen rekening gehouden met het bestaan van een dergelijke strategie, niet alleen als een relevant criterium op zichzelf, maar ook in het kader van de toepassing van het AEC-criterium. Bovendien is volgens de Commissie het tijdsschema van de betwiste kortingen van bijzonder belang, aangezien daaruit blijkt dat de toepassing van deze kortingen een oplossing bood voor het onvermogen van Intel om tijdig een technisch antwoord te geven op de door AMD verhandelde 64 bits-x86-CPU’s.

113 Bijgevolg heeft het Gerecht de litigieuze beschikking nietig verklaard op de enkele grond dat de Commissie twee van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening geformuleerde criteria onvoldoende had onderzocht. Deze omstandigheid volstaat evenwel niet om een handeling die is gebaseerd op een geheel van complexe beoordelingen nietig te verklaren indien andere elementen van die beoordelingen, die niet zijn betwist of die zijn bekrachtigd, volstaan om de in die handeling getrokken conclusie te staven. Het Gerecht had dus moeten nagaan of, ondanks de leemten die waren vastgesteld in de omvang van het onderzoek van de twee betrokken criteria in de litigieuze beschikking, in die beschikking een analyse was gemaakt van de andere criteria die de vaststelling rechtvaardigden dat de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten.

114 De Bondsrepubliek Duitsland betoogt dat het Gerecht eerst had moeten onderzoeken of Intel tijdens de administratieve procedure precieze argumenten had aangevoerd betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, die het vermoeden konden weerleggen dat die kortingen de mededinging konden uitsluiten. Alleen in dat geval zou de Commissie, op grond van het recht om te worden gehoord, verplicht zijn geweest om in de litigieuze beschikking op deze twee criteria in te gaan. Bovendien had het Gerecht moeten onderzoeken of een andere analyse of weging van deze twee criteria door de Commissie tot de conclusie zou hebben geleid dat er geen sprake kon zijn van mededingingsverstorende uitsluiting. Het Gerecht had het belang van deze criteria dus moeten meten in het licht van het bestaan van een algemene strategie die Intel ten uitvoer zou hebben gelegd om AMD, haar enige concurrent op de markt van x86-CPU’s, uit te sluiten. Het bestaan van een intentie om concurrenten uit te sluiten kan elke mogelijke twijfel over de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan wegnemen.

115 Intel en ACT stellen dat het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond is.

– Beoordeling door het Hof

116 Er zij aan herinnerd dat een partij die krachtens artikel 40 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is toegelaten tot interventie in een bij het Hof aanhangig geding, het voorwerp van dat geding, zoals dat is omschreven in de conclusies en de middelen van de hoofdpartijen, niet mag wijzigen. Derhalve zijn enkel de argumenten van een interveniënt die passen binnen het door die conclusies en die middelen vastgestelde kader ontvankelijk, en kan de interveniërende partij geen nieuwe middelen aanvoeren die verschillen van die welke rekwirante heeft aangevoerd (zie in die zin arrest van 10 november 2016, DTS Distribuidora de Televisión Digital/Commissie, C‑449/14 P, EU:C:2016:848, punten 114 en 121).

117 De grief van de Bondsrepubliek Duitsland dat het Gerecht eerst had moeten onderzoeken of Intel tijdens de administratieve procedure precieze argumenten had aangevoerd betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze grief houdt immers geen verband met enig middel dat de Commissie ter ondersteuning van de hogere voorziening heeft aangevoerd. Bovendien weerspreekt deze grief in feite de stelling van de Commissie in het tweede middel dat Intel tijdens de administratieve procedure een zeer groot aantal bewijzen heeft overgelegd met betrekking tot het vermogen van de betwiste kortingen om de verweten mededingingsverstorende uitsluitingseffecten teweeg te brengen, hetgeen volgens de punten 138 en 139 van het arrest in hogere voorziening betekent dat de Commissie onder meer de marktdekking en de duur van de betwiste kortingen moest onderzoeken.

118 Met betrekking tot de grieven waarop de Commissie zich baseert in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel, moet worden opgemerkt dat de Commissie in haar hogere voorziening stelt dat dit onderdeel berust op de premisse dat het Gerecht de litigieuze beschikking nietig heeft verklaard louter op basis van het feit dat zij het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd. De Commissie wijst er ook op dat het Hof, indien het van oordeel is dat deze premisse onjuist is, de andere middelen van de hogere voorziening moet onderzoeken.

119 Om die premisse te rechtvaardigen baseert de Commissie zich op punt 525 van het bestreden arrest, waarvan de inhoud in punt 81 van het onderhavige arrest is weergegeven.

120 De Commissie leidt uit dit punt 525, dat meer bepaald betrekking heeft op de betwiste kortingen die Intel aan HP heeft verleend, af dat het Gerecht – niettegenstaande de uitdrukkelijke verwijzing in punt 524 van het bestreden arrest naar drie redenen die ten grondslag lagen aan de nietigverklaring van de litigieuze beschikking, namelijk ten eerste, de fouten bij de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van de OEM’s en MSH, ten tweede, het gebrekkige onderzoek van de marktdekking van de betwiste kortingen en, ten derde, de onjuiste analyse van de duur van de kortingen – deze nietigverklaring in feite uitsluitend heeft gebaseerd op de beoordelingen die betrekking hebben op de laatste twee redenen. Volgens de Commissie heeft het Gerecht met deze benadering op abstracte en formalistische wijze beoordeeld of het door haar verrichte onderzoek van deze twee criteria toereikend was, zonder rekening te houden met het relatieve belang van elk van die criteria en zonder andere in de litigieuze beschikking onderzochte omstandigheden in aanmerking te nemen.

121 In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht – na in de punten 145 en 147 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat het recht in de in de litigieuze beschikking gekozen benadering onjuist was toepast, volgens welke benadering de betwiste kortingen naar hun aard misbruik vormden, ongeacht of zij de mededinging konden beperken door de uitsluiting van een even efficiënte concurrent, zodat het AEC-criterium niet hoefde te worden toegepast om die mogelijkheid tot uitsluiting te beoordelen – in punt 149 van dit arrest heeft vastgesteld dat de Commissie toch een AEC-analyse had verricht die van wezenlijk belang was geweest bij de beoordeling van die mogelijkheid tot uitsluiting, zodat Intels argumenten met betrekking tot die analyse nog moesten worden onderzocht. Overeenkomstig deze beoordeling heeft het Gerecht in de punten 150 tot en met 482 van dat arrest Intels argumenten onderzocht dat de litigieuze beschikking nietig moest worden verklaard op grond dat bij de toepassing van het AEC-criterium ten aanzien van Dell, HP, NEC, Lenovo en MSH verschillende fouten waren gemaakt (zie punten 42‑61 van het onderhavige arrest).

122 Pas na in punt 482 van het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat een groot deel van deze argumenten moest worden aanvaard, heeft het Gerecht in de punten 483 tot en met 520 van dat arrest de argumenten van Intel en ACT onderzocht dat de Commissie de marktdekking van de betwiste kortingen alsmede de duur en de hoogte van die kortingen, als in punt 139 van het arrest in hogere voorziening genoemde criteria, niet naar behoren had onderzocht (zie punten 62 tot en met 77 van het onderhavige arrest).

123 Na dit onderzoek heeft het Gerecht in punt 521 van het bestreden arrest vastgesteld dat Intel op goede gronden kon stellen dat de analyse van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening vermelde criteria die in de litigieuze beschikking was verricht, op meerdere punten onjuist was, omdat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.

124 In de punten 523 en 524 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dus uiteengezet dat de Commissie op basis van de toepassing van het AEC-criterium in de overwegingen 1002 tot en met 1575 van de litigieuze beschikking weliswaar had geconcludeerd dat de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel konden uitsluiten en zodoende de mededinging konden beperken, maar dat dit niet wegnam dat, ten eerste, bij de toepassing van het AEC-criterium fouten waren gemaakt, ten tweede, de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en, ten derde, zij de duur van die kortingen niet correct had geanalyseerd.

125 In dit kader heeft het Gerecht in punt 525 van het bestreden arrest in herinnering gebracht dat de bij de toepassing van het AEC-criterium vastgestelde fout, met name wat betreft de betwiste kortingen die aan HP zijn verleend, betrekking had op de periode van 1 november 2002 tot en met 30 september 2003, terwijl de inbreukperiode betreffende deze OEM liep van november 2002 tot mei 2005. Gelet op het feit dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen niet naar behoren had onderzocht en de duur van de betwiste kortingen niet correct had geanalyseerd, was het Gerecht evenwel van oordeel dat het eventuele mededingingsverstorende uitsluitingseffect van de ten aanzien van HP toegepaste praktijk niet rechtens genoegzaam kon worden aangetoond voor de gehele inbreukperiode, ook al moest worden geoordeeld dat de toepassing van het AEC-criterium voor een deel van die periode als een bewijs zou kunnen worden beschouwd.

126 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie blijk geeft van een onjuiste lezing van punt 525 van het bestreden arrest.

127 Ten eerste kan punt 525, voor zover het alleen betrekking heeft op de aan HP verleende kortingen, namelijk niet afdoen aan het feit dat – zoals blijkt uit punt 524 van het bestreden arrest – het vermogen van de betwiste kortingen om een even efficiënte concurrent als Intel uit te sluiten van de markt die wordt gevormd door Dell, Lenovo, NEC en MSH, is gebaseerd op het onderzoek van meerdere criteria, namelijk de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking en de duur van deze kortingen. Ten tweede en voor zover die mogelijkheid enkel moet worden beoordeeld in het licht van de betwiste kortingen die aan HP zijn verleend, blijkt uit punt 525 van dat arrest dat de marktdekking van die kortingen en de duur ervan van nog fundamenteler belang zijn om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk vermogen en dus van een inbreuk voor de gehele inbreukperiode. De Commissie betoogt evenwel niet dat de litigieuze beschikking een analyse bevat die, louter op grond van de kortingen die aan HP zijn verleend en voor de periode van oktober 2003 tot mei 2005, kan aantonen dat er sprake is van een mededingingsverstorend uitsluitingseffect Overigens blijkt uit de punten 483 tot en met 521 van dat arrest niet dat de litigieuze beschikking een dergelijke analyse bevat.

128 Hieruit volgt dat punt 525 van het bestreden arrest – los van zijn context – niet aldus kan worden begrepen dat dit impliceert dat de analyse die het Gerecht in de punten 150 tot en met 482 van dat arrest van de toepassing van het AEC-criterium heeft verricht, buiten beschouwing wordt gelaten, ook al wordt in punt 524 van dat arrest uitdrukkelijk aangegeven dat die analyse, evenals de beoordelingen met betrekking tot de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van die kortingen, ten grondslag ligt aan de nietigverklaring van de litigieuze beschikking. De premisse in punt 118 van het onderhavige arrest, waarop de Commissie het tweede onderdeel van het eerste middel baseert, is dus onjuist.

129 De onjuistheid van deze premisse impliceert eveneens dat de Commissie het Gerecht niet op goede gronden kan verwijten de litigieuze beschikking nietig te hebben verklaard op louter formele gronden, volgens welke de Commissie elk van de in punt 139 van het arrest in hogere voorziening genoemde criteria afzonderlijk en even gedetailleerd had moeten onderzoeken, los van het relatieve gewicht van elk criterium in het licht van de omstandigheden van de zaak.

130 Zoals blijkt uit de punten 137 tot en met 139 van het arrest in hogere voorziening, maken de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan deel uit van de elementen die de Commissie moet beoordelen om vast te stellen dat de beschuldigde onderneming misbruik heeft gemaakt van een machtspositie, waarbij het feit dat deze onderneming tijdens de administratieve procedure – onder overlegging van bewijs – betoogt dat haar gedragingen niet tot een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden leiden, voor de Commissie de bijzondere verplichting meebrengt om te beoordelen of er sprake kan zijn van een strategie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten uit te sluiten.

131 In dit kader heeft het Gerecht ten eerste, zoals blijkt uit de punten 485, 493 tot en met 495, 509 en 510 van het bestreden arrest en anders dan de Commissie het Gerecht verwijt, getracht te bepalen welke overwegingen van de litigieuze beschikking relevant konden zijn voor de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan.

132 Ten tweede blijkt uit de punten 493 tot en met 500 en 506 tot en met 520 van het bestreden arrest dat het Gerecht een reeks leemten in de relevante overwegingen van de litigieuze beschikking heeft geïdentificeerd, op grond waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie het criterium betreffende de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van die kortingen niet naar behoren had onderzocht als factoren aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben. De Commissie komt in het kader van de onderhavige hogere voorziening echter niet op tegen deze beoordelingen van het Gerecht.

133 Overigens kan evenmin worden ingestemd met de door de Bondsrepubliek Duitsland gedeelde grief van de Commissie dat het Gerecht de litigieuze beschikking niet nietig kon verklaren zonder een onderzoek naar de omvang van de machtspositie van Intel op de relevante markt, de voorwaarden en de nadere bepalingen voor het verlenen van de betwiste kortingen en voor de betalingen in kwestie alsook de invloed ervan op de beslissingen van de OEM’s en MSH in verband met hun bevoorradingsbehoeften, de hoogte van die kortingen, het tijdsschema ervan en de vraag of er sprake was van een mededingingsverstorende strategie.

134 In dit verband en in de eerste plaats berust ook deze grief, als integrerend deel van het tweede onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening, op de onjuiste premisse dat de nietigverklaring van de litigieuze beschikking louter is gebaseerd op de beoordelingen van het Gerecht met betrekking tot de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur van die kortingen.

135 In de tweede plaats is volgens het bestreden arrest de enige analyse in de litigieuze beschikking die ertoe strekt aan te tonen dat de betwiste kortingen misbruik opleveren, ongeacht of zij een even efficiënte concurrent als Intel kunnen uitsluiten, de analyse die blijkt uit met name de in de punten 133 tot en met 144 van het bestreden arrest onderzochte overwegingen 920 tot en met 926, 950, 972, 981, 989, 1000 en 1001 van die beschikking. Zoals het Gerecht in de punten 145 tot en met 147 van dat arrest heeft opgemerkt, blijkt uit de punten 137 tot en met 139 en 141 van het arrest in hogere voorziening dat het recht in deze analyse onjuist is toegepast.

136 Voor zover de Commissie zich baseert op de machtspositie van Intel, het voorwaardelijke karakter van de kortingen en het bestaan van een strategie die erop gericht is een concurrent van Intel uit te sluiten, los van de vraag of deze concurrent even efficiënt is als Intel, berusten de aldus ter ondersteuning van deze grief aangevoerde argumenten impliciet maar noodzakelijkerwijs op de opvatting dat de betwiste kortingen per definitie misbruik opleveren.

137 Voor zover de Commissie zich beroept op de hoogte van de betwiste kortingen, de factoren die de uitsluitingseffecten versterken en het strategische karakter van de OEM’s die deze kortingen ontvangen, moet worden opgemerkt dat het Gerecht – anders dan de Commissie stelt – deze elementen heeft onderzocht bij zijn beoordelingen van de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan.

138 In feite verwijt de Commissie het Gerecht dus niet te hebben onderzocht of de verschillende hoofdstukken van de litigieuze beschikking elementen bevatten waarmee een redenering kon worden opgezet om aan te tonen dat de betwiste kortingen een mededingingsverstorend uitsluitingseffect konden hebben, ondanks hetgeen het Gerecht had vastgesteld inzake de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, terwijl de Commissie deze vaststellingen niet betwist in het kader van de onderhavige hogere voorziening. Los van het feit dat de criteria waarop de Commissie zich baseert als zodanig niet lijken te volstaan om een inbreuk op artikel 102 VWEU vast te stellen, kon het Gerecht een dergelijk onderzoek evenwel niet verrichten, aangezien het – zoals het in wezen in punt 150 van het bestreden arrest in herinnering heeft gebracht – de bestanddelen van de door de Commissie vastgestelde inbreuk niet kan wijzigen door zijn eigen motivering in de plaats te stellen van degene die de handeling, waarvan het de rechtmatigheid krachtens artikel 263 VWEU toetst, heeft verricht (zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie, C‑697/19 P, EU:C:2022:478, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

139 Hieruit volgt dat het Gerecht, door in de punten 150 tot en met 527 van het bestreden arrest de fouten aan te geven waardoor naar zijn oordeel de motivering van de litigieuze beschikking onrechtmatig werd wat betreft de toepassing van het AEC-criterium, de marktdekking van de betwiste kortingen en de duur ervan, zodat deze gronden overeenkomstig zijn analyse niet geschikt waren om schending van artikel 102 VWEU vast te stellen en dus als grondslag voor artikel 1, onder a) tot en met e), van deze beschikking te dienen, niet is voorbijgegaan aan de criteria betreffende de vraag of de betwiste kortingen de mededinging konden uitsluiten.

140 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen, zodat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Tweede middel: schending van de rechten van verdediging van de Commissie

Argumenten van partijen

141 Volgens de Commissie kan zij, aangezien de door Intel verleende betwiste kortingen worden vermoed misbruik op te leveren, niet worden verplicht om de litigieuze beschikking aldus te motiveren dat zij niet alleen reageert op het grote aantal bewijzen dat Intel tijdens de administratieve procedure heeft overgelegd, maar ook op argumenten die Intel tijdens deze procedure niet heeft aangevoerd. Tijdens de procedure voor het Gerecht heeft Intel aanvullende argumenten met betrekking tot de toepassing van het AEC-criterium aangevoerd in de vorm van economische deskundigenverslagen. Ondanks het feit dat het Gerecht rekening heeft gehouden met dit grote aantal nieuwe bewijzen, heeft het in de punten 235, 236, 252, 253, 316, 317, 443 en 444 van het bestreden arrest geweigerd rekening te houden met de weerlegging van deze elementen door de Commissie, op grond dat een dergelijk onderzoek ertoe zou leiden dat het zijn eigen motivering in de plaats zou stellen van die welke in de litigieuze beschikking is uiteengezet. Deze weerlegging was echter niet bedoeld om een leemte in de motivering van deze beschikking te vullen, maar om te reageren op de nieuwe economische analysen die door Intel voor het eerst in de loop van het geding zijn verstrekt. Door de argumenten van de Commissie in aanmerking te nemen zou het Gerecht zijn eigen beoordeling dus niet in de plaats hebben gesteld van de analysen in de litigieuze beschikking.

142 Derhalve heeft het Gerecht de rechten van verdediging van de Commissie geschonden met betrekking tot, ten eerste, de berekening van het betwistbare aandeel van Dell, ten tweede, het mogelijke uitsluitingseffect van de tussen november 2002 en september 2003 aan HP verleende betwiste kortingen en, ten derde, de waarde van de aan Lenovo toegekende voordelen in natura.

143 Intel betwist de gegrondheid van het tweede middel.

Beoordeling door het Hof

144 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit de punten 137 tot en met 139 van het arrest in hogere voorziening, wanneer de Commissie slechts verplicht is om na te gaan of er eventueel sprake is van een strategie van de onderneming met een machtspositie die erop gericht is minstens even efficiënte concurrenten als zijzelf uit te sluiten wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure – onder overlegging van bewijs – betoogt dat haar gedragingen de mededinging niet konden beperken en met name de verweten uitsluitingseffecten niet konden teweegbrengen.

145 Hieruit volgt dat het Gerecht, wanneer de Commissie door toepassing van het AEC-criterium heeft aangetoond dat de gedragingen van de beschuldigde onderneming wel die effecten konden hebben en daarbij rekening heeft gehouden met de door die onderneming verstrekte gegevens, niet op basis van gegevens die deze onderneming daartoe voor het eerst voor het Gerecht heeft aangevoerd tot de slotsom kan komen dat deze toepassing ongeldig is, wanneer deze elementen de Commissie niet bekend waren en tijdens de administratieve procedure hadden kunnen worden overgelegd.

146 Verder wordt het positieve dan wel negatieve resultaat van de toepassing van het AEC-criterium, in de zin van punt 158 van het bestreden arrest, volgens de methode van de Commissie om te beoordelen of de betwiste kortingen een even efficiënte concurrent als Intel kunnen uitsluiten, uiteindelijk bepaald aan de hand van een vergelijking tussen het betwistbare aandeel en het vereiste aandeel. Laatstgenoemd aandeel is het deel van de behoeften van de afnemer dat een even efficiënte concurrent als Intel moet verkrijgen om zonder verliezen te kunnen toetreden tot de markt. Indien het betwistbare aandeel groter is dan het vereiste aandeel, is het resultaat van de toepassing van het AEC-criterium voor Intel positief, terwijl de omgekeerde omstandigheid tot een negatief resultaat leidt en dus tot de vaststelling dat de betwiste kortingen een concurrent die even efficiënt is als deze onderneming kunnen uitsluiten.

147 Wat in de eerste plaats de situatie van Dell betreft, heeft het Gerecht in de punten 204 tot en met 206, 215 en 220 van het bestreden arrest een overzicht gegeven van de bewijzen die Intel had aangevoerd ter betwisting van de berekening van het betwistbare aandeel van 7,1 % waarvan de Commissie in de litigieuze beschikking ten aanzien van deze onderneming was uitgegaan.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken