HvJ EU 26 september 2024, C-600/22, ECLI:EU:C:2024:803

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

26 september 2024 ( *1 )

„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Leden van het Europees Parlement – Officiële mededeling door de lidstaten van de namen van de gekozen leden – Bevoegdheden van het Parlement – Verzoek tot opheffing van de immuniteit – Handelingen waartegen geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld”

In zaak C‑600/22 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 16 september 2022,

Carles Puigdemont i Casamajó, wonende te Waterloo (België),

Antoni Comín i Oliveres, wonende te Waterloo,

vertegenwoordigd door P. Bekaert en S. Bekaert, advocaten, en G. Boye, abogado,

rekwiranten,

andere partijen in de procedure:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door N. Görlitz, T. Lukácsi en J.‑C. Puffer als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis als gemachtigde,

interveniërende partij in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei, J.‑C. Bonichot (rapporteur), S. Rodin en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorziening verzoeken Carles Puigdemont i Casamajó en Antoni Comín i Oliveres om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 juli 2022, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement (T‑388/19, EU:T:2022:421; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht de beroepen niet-ontvankelijk had verklaard waarmee zij hadden verzocht om nietigverklaring van de instructie van de voorzitter van het Europees Parlement van 29 mei 2019 om hen niet toe te laten tot het ontvangstprogramma voor nieuwe leden van het Europees Parlement en hun geen tijdelijke accreditatie te verlenen (hierna: „instructie van 29 mei 2019”), alsmede van de in de brief van 27 juni 2019 (hierna: „brief van 27 juni 2019”) vervatte weigering van de voorzitter van deze instelling om hun hoedanigheid van lid van het Europees Parlement te erkennen (hierna samen: „litigieuze handelingen”).

Toepasselijke bepalingen

Verkiezingsakte

2 Artikel 5 van de akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (PB 1976, L 278, blz. 5), als bijlage gevoegd bij besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (PB 1976, L 278, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni 2002 en van 23 september 2002 (PB 2002, L 283, blz. 1) (hierna: „verkiezingsakte”), bepaalt het volgende: „1. De periode van vijf jaar waarvoor de leden van het […] Parlement zijn gekozen begint bij de opening van de eerste zitting na iedere verkiezing. […] 2. Het mandaat van ieder lid van het […] Parlement begint en eindigt tegelijk met de in lid 1 bedoelde periode.”

3 Artikel 8 van de verkiezingsakte bepaalt: „Behoudens de bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen. Die nationale bepalingen, die eventueel rekening kunnen houden met de eigenheden van de lidstaten, mogen echter over het geheel genomen geen afbreuk doen aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging.”

4 Artikel 12 van deze akte bepaalt het volgende: „Het […] Parlement onderzoekt de geloofsbrieven van de leden van het […] Parlement. Hiertoe neemt het nota van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist [het] over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van deze akte met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst.”

5 Artikel 13 van deze akte luidt als volgt: „1. Een zetel wordt vacant wanneer het mandaat van een lid van het […] Parlement ten einde loopt ten gevolge van zijn aftreden, zijn overlijden, of het vervallen van zijn mandaat. 2. Behoudens de overige bepalingen van deze akte, schrijft elke lidstaat passende procedures voor om de zetels die vacant zijn geworden, voor de rest van de in artikel [5] bedoelde periode van vijf jaar te doen bezetten. 3. Wanneer de wetgeving van een lidstaat uitdrukkelijk voorschrijft dat het mandaat van een lid van het […] Parlement vervalt, loopt het mandaat van de betrokkene ten einde op grond van de bepalingen van die wetgeving. De bevoegde nationale autoriteiten brengen het […] Parlement daarvan op de hoogte.”

Reglement

6 Artikel 3 van het Reglement van het Parlement [negende zittingsperiode (2019‑2024)] (hierna: „reglement”), met het opschrift „Onderzoek van de geloofsbrieven”, is als volgt geformuleerd: „1. Na de algemene verkiezingen voor het […] Parlement verzoekt de voorzitter [van het Parlement] de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Parlement onverwijld de namen van de gekozen leden mee te delen zodat alle leden vanaf de opening van de eerste vergadering na de verkiezingen daadwerkelijk in het Parlement zitting kunnen nemen. Tegelijkertijd vestigt de voorzitter [van het Parlement] de aandacht van deze autoriteiten op de desbetreffende bepalingen van de [verkiezingsakte] en verzoekt hen de nodige maatregelen te treffen teneinde elke vorm van onverenigbaarheid met de hoedanigheid van lid van het […] Parlement te voorkomen. 2. De leden van wie de verkiezing aan het Parlement is meegedeeld, leggen, alvorens in het Parlement zitting te nemen, schriftelijk een verklaring af dat zij geen functie bekleden die onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het […] Parlement in de zin van artikel 7, lid 1 of lid 2, van de [verkiezingsakte]. Na de algemene verkiezingen wordt deze verklaring zo mogelijk niet later dan zes dagen voor de eerste vergadering [na] de verkiezingen van het Parlement afgelegd. Zolang de geloofsbrieven van de leden nog niet zijn onderzocht of over ingebrachte bezwaren nog niet is beslist, nemen de betrokkenen met volledige rechten zitting in het Parlement en zijn organen, mits zij de bovengenoemde schriftelijke verklaring hebben ondertekend. Wanneer aan de hand van uit publiek toegankelijke bronnen te verifiëren feiten wordt vastgesteld dat een lid een functie bekleedt die onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het […] Parlement in de zin van artikel 7, lid 1 of lid 2, van de [verkiezingsakte], constateert het Parlement op basis van de door zijn voorzitter verstrekte informatie dat de zetel vacant is. 3. Op basis van een verslag van de bevoegde commissie gaat het Parlement onverwijld over tot onderzoek van de geloofsbrieven en beslist het over de geldigheid van het mandaat van elk der nieuwgekozen leden, alsmede over eventuele bezwaren, ingebracht op grond van de [verkiezingsakte], met uitsluiting van die welke krachtens deze akte uitsluitend vallen onder de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst. Het verslag van de bevoegde commissie is gebaseerd op de officiële bekendmaking door elke lidstaat van de volledige verkiezingsuitslag, onder vermelding van de namen van de gekozen kandidaten en van die van hun eventuele vervangers in de uit de verkiezingsuitslag blijkende volgorde. Het mandaat van een lid kan slechts geldig worden verklaard als de door dit artikel alsmede bijlage I van het reglement vereiste schriftelijke verklaringen zijn opgesteld. […]”

7 Artikel 5 van dit reglement, met als opschrift „Voorrechten en immuniteiten”, bepaalt: „[…] 2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor de handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en de waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. De parlementaire immuniteit is geen persoonlijk voorrecht van de leden, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden. […]”

8 Artikel 7 van het reglement, met als opschrift „Verdediging van de voorrechten en van de immuniteit”, luidt: „1. Wanneer wordt gesteld dat de voorrechten en de immuniteit van een lid of een voormalig lid door de autoriteiten van een lidstaat zijn of dreigen te worden geschonden, kan overeenkomstig artikel 9, lid 1, worden verzocht om een besluit van het Parlement over de vraag of er een schending van deze voorrechten en immuniteiten heeft plaatsgevonden of waarschijnlijk zal plaatsvinden. 2. Een dergelijk verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit kan met name worden ingediend wanneer wordt geoordeeld dat de omstandigheden zouden neerkomen op een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking van de bewegingsvrijheid van de leden op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst van het Parlement dan wel op een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking van een mening die is geuit of een stem die is uitgebracht tijdens de uitoefening van hun taken, of dat de omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie zouden vallen. 3. Een verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van een lid is niet ontvankelijk wanneer reeds een verzoek om opheffing of verdediging van de immuniteit van dat lid in verband met dezelfde feiten is ontvangen, ongeacht of dat eerdere verzoek tot een beslissing heeft geleid. 4. Een verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit van een lid wordt niet verder behandeld wanneer een verzoek om opheffing van de immuniteit van dit lid in verband met dezelfde feiten wordt ontvangen. 5. Wanneer een besluit is genomen om de voorrechten en de immuniteit van een lid niet te verdedigen, kan het lid bij wijze van uitzondering een verzoek indienen om het besluit te heroverwegen door nieuw bewijsmateriaal in te dienen overeenkomstig artikel 9, lid 1. Het verzoek om heroverweging is niet ontvankelijk wanneer overeenkomstig artikel 263 [VWEU] tegen het besluit beroep is ingesteld of wanneer de voorzitter [van het Parlement] van oordeel is dat het ingediende nieuwe bewijsmateriaal onvoldoende onderbouwd is om een heroverweging te rechtvaardigen.”

9 Artikel 8 van het reglement, met het opschrift „Dringende maatregelen van de voorzitter [van het Parlement] ter bevestiging van de immuniteit”, bepaalt het volgende: „1. Indien een lid wordt aangehouden of van zijn bewegingsvrijheid wordt beroofd en daarbij sprake is van een vermoedelijke schending van zijn voorrechten en immuniteiten, kan de voorzitter [van het Parlement] in dringende gevallen, na raadpleging van de voorzitter en rapporteur van de bevoegde commissie, het initiatief nemen om de voorrechten en immuniteiten van het betrokken lid te bevestigen. De voorzitter [van het Parlement] stelt de commissie en het Parlement van zijn initiatief in kennis. 2. Indien de voorzitter [van het Parlement] gebruikmaakt van zijn bevoegdheden krachtens lid 1, neemt de commissie kennis van het initiatief van [die voorzitter] op de eerstvolgende vergadering. De commissie kan een aan het Parlement voor te leggen verslag opstellen indien zij dat noodzakelijk acht.”

10 Artikel 9 van het reglement, met het opschrift „Immuniteitsprocedures”, luidt als volgt: „1. Elk tot de voorzitter [van het Parlement] gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om de immuniteit van een lid op te heffen, of door een lid of een voormalig lid om de voorrechten en immuniteiten te verdedigen, wordt ter plenaire vergadering meegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie. 2. Met instemming van het betrokken lid of voormalig lid kan het verzoek worden gedaan door een ander lid, die het betrokken lid of voormalig lid in alle fasen van de procedure vertegenwoordigt. Het lid dat het betrokken lid of voormalig lid vertegenwoordigt, wordt niet betrokken bij de door de commissie genomen besluiten. 3. De commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteiten onverwijld en met inachtneming van de relatieve complexiteit ervan. 4. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteit in te willigen dan wel af te wijzen. Amendementen daarop zijn niet ontvankelijk. Bij verwerping van een ontwerpbesluit wordt het tegengestelde besluit geacht te zijn aangenomen. 5. De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij noodzakelijk acht om zich een oordeel te vormen over de vraag of de immuniteit moet worden opgeheven dan wel verdedigd. 6. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die dat lid relevant acht. Behalve bij de hoorzitting zelf is het betrokken lid niet aanwezig bij de debatten over het verzoek om opheffing of verdediging van zijn immuniteit. De commissievoorzitter nodigt het betrokken lid uit om te worden gehoord op een nader aangegeven datum en tijdstip. Het betrokken lid kan afstand doen van zijn recht om te worden gehoord. Verschijnt het betrokken lid niet op de hoorzitting conform de uitnodiging, dan wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht om te worden gehoord, tenzij hij onder opgave van redenen verzoekt te worden verschoond van verschijning op de hoorzitting op de voorgestelde datum en tijd. De commissievoorzitter beslist of een dergelijk verschoningsverzoek in het licht van de opgegeven redenen wordt ingewilligd. Het betrokken lid kan geen beroep instellen tegen deze beslissing. Indien de commissievoorzitter het verschoningsverzoek inwilligt, dan nodigt hij het betrokken lid uit om te worden gehoord op een nieuwe datum en een nieuw tijdstip. Gaat het betrokken lid niet in op de tweede uitnodiging om te worden gehoord, dan wordt de procedure voortgezet zonder dat het lid wordt gehoord. Er kunnen dan geen nieuwe verzoeken om verschoning of om te worden gehoord meer worden aanvaard. 7. Indien het verzoek om opheffing of verdediging van de immuniteit op verscheidene punten van beschuldiging berust, kan elk van deze punten in een apart besluit worden behandeld. Het verslag van de commissie kan bij wijze van uitzondering het voorstel bevatten dat de opheffing of verdediging van de immuniteit uitsluitend betrekking heeft op de strafrechtelijke vervolging, zonder dat het lid, zolang geen definitieve beslissing is gewezen, kan worden aangehouden of gevangengenomen of tegen hem enige andere maatregel kan worden genomen die in de weg staat aan de uitoefening van zijn mandaat. 8. De commissie kan een met redenen omkleed advies uitbrengen over de bevoegdheid van de betrokken autoriteit en over de ontvankelijkheid van het verzoek, maar spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven meningen of handelingen strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt. 9. Het ontwerpbesluit van de commissie wordt geplaatst op de agenda van de eerstvolgende vergadering na de datum waarop het werd ingediend. Amendementen op het ontwerpbesluit zijn niet ontvankelijk. Het debat heeft slechts betrekking op de argumenten vóór en tegen elk ontwerpbesluit tot opheffing of handhaving van de immuniteit dan wel tot verdediging van een voorrecht of de immuniteit. Onverminderd artikel 173 mag het lid om wiens voorrechten of immuniteiten het gaat tijdens het debat het woord niet voeren. De in het verslag vervatte ontwerpbesluiten worden bij de eerstvolgende stemming na het debat in stemming gebracht. Na de behandeling door het Parlement vindt over elk van de in het verslag vervatte ontwerpbesluiten een aparte stemming plaats. Bij verwerping van een ontwerpbesluit wordt het tegengestelde besluit geacht te zijn aangenomen. 10. De voorzitter [van het Parlement] stelt het betrokken lid en de bevoegde autoriteit van de lidstaat die hierbij betrokken is onmiddellijk van het besluit van het Parlement in kennis met het verzoek om de voorzitter in kennis te stellen van alle ontwikkelingen en rechterlijke beslissingen in de betrokken procedure. Zodra de voorzitter [van het Parlement] deze informatie ontvangt, deelt hij deze aan het Parlement mee in de door hem meest geschikt geachte vorm, zo nodig na raadpleging van de bevoegde commissie. 11. De commissie behandelt de zaak en de ontvangen documenten met de grootste vertrouwelijkheid. De behandeling door de commissie van verzoeken in verband met de immuniteitsprocedures vindt altijd met gesloten deuren plaats. 12. Het Parlement onderzoekt alleen verzoeken om opheffing van de immuniteit van een lid die zijn ingediend door de gerechtelijke autoriteiten of door de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten. 13. De commissie formuleert de beginselen voor de toepassing van dit artikel. 14. Elk door een bevoegde autoriteit ingediend verzoek om informatie over de reikwijdte van de voorrechten of immuniteiten van de leden wordt behandeld overeenkomstig bovenstaande bepalingen.”

11 Bijlage I bij het reglement („Gedragscode voor de leden van het […] Parlement inzake financiële belangen en belangenconflicten”) bepaalt in artikel 4, lid 1: „Omwille van de transparantie doen de leden van het […] Parlement onder hun persoonlijke verantwoordelijkheid voor het einde van de eerste vergaderperiode na de verkiezingen voor het […] Parlement (of, bij ambtsaanvaarding in de loop van de zittingsperiode, binnen 30 dagen na het begin van hun mandaat) aan de voorzitter opgave van hun financiële belangen, met gebruikmaking van het ingevolge artikel 9 door het bureau [van die instelling] vastgestelde formulier. Zij stellen de voorzitter [van het Parlement] op de hoogte van elke wijziging die voor hun opgave van belang is, voor het einde van de maand die volgt op de wijziging.”

Spaanse kieswet

12 Artikel 224 van Ley orgánica 5/1985 de Régimen Electoral General (organieke wet 5/1985 houdende de algemene regeling voor de organisatie van verkiezingen) van 19 juni 1985 (BOE nr. 147 van 20 juni 1985, blz. 19110; hierna: „Spaanse kieswet”) bepaalt het volgende: „1. De Junta Electoral Central (centrale kiescommissie, Spanje) gaat uiterlijk op de twintigste dag na de verkiezingen over tot het tellen van de stemmen op nationaal niveau, het toewijzen van de zetels aan de kandidaten en het bekendmaken van gekozen kandidaten. 2. Gekozen kandidaten leggen binnen vijf dagen na hun verkiezing de eed of belofte van trouw aan de Constitución española [Spaanse grondwet] af ten overstaan van de [centrale kiescommissie]. Na het verstrijken van deze termijn verklaart de [centrale kiescommissie] de zetels van leden van het Parlement die geen trouw aan de [Spaanse] grondwet hebben gezworen of beloofd vacant en schort zij alle voorrechten uit hoofde van hun mandaat op totdat die eed of belofte van trouw is afgelegd. […]”

Voorgeschiedenis van het geding

13 De voorgeschiedenis van het geding is door het Gerecht uiteengezet in de punten 13 tot en met 36 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van het onderhavige arrest als volgt worden samengevat.

14 Puigdemont i Casamajó was president van de Generalitat de Cataluña (regionale regering van Catalonië, Spanje) en Comín i Oliveres was lid van de Gobierno autonómico de Cataluña (autonome regering van Catalonië, Spanje) toen Ley 19/2017 del Parlamento de Cataluña, reguladora del referéndum de autodeterminación (wet 19/2017 van het parlement van Catalonië houdende regeling van het referendum over zelfbeschikking) van 6 september 2017 (DOGC nr. 7449A van 6 september 2017, blz. 1) en Ley 20/2017 del Parlamento de Cataluña, de transitoriedad jurídica y fundacional de la República (wet 20/2017 van het parlement van Catalonië inzake de juridische overgang naar en stichting van de Republiek Catalonië) van 8 september 2017 (DOGC nr. 7451A van 8 september 2017, blz. 1) werden vastgesteld en op 1 oktober 2017 het referendum over zelfbeschikking plaatsvond waarin was voorzien in eerstgenoemde wet, waarvan de bepalingen intussen bij een beslissing van de Tribunal Constitucional (grondwettelijk hof, Spanje) waren opgeschort.

15 Nadat deze wetten waren vastgesteld en dit referendum was gehouden hebben het Ministerio fiscal (openbaar ministerie, Spanje), de Abogado del Estado (landsadvocaat, Spanje) en de politieke partij VOX een strafprocedure ingeleid jegens met name rekwiranten, die werd verweten dat zij zich schuldig hadden gemaakt aan „opruiing” en „verduistering van overheidsgelden”.

16 Bij beschikking van 9 juli 2018 heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) verstek verleend omdat rekwiranten uit Spanje waren vertrokken, en die strafprocedure opgeschort totdat zij zouden zijn opgespoord.

17 Vervolgens zijn rekwiranten verkozen op de lijst van de door hen geleide coalitie Lliures per Europa (Junts) [Vrij voor Europa (Samen)] bij de verkiezingen voor het Parlement die op 26 mei 2019 in Spanje zijn gehouden. Deze lijst behaalde twee zetels in het Parlement.

18 Bij instructie van 29 mei 2019 heeft de voorzitter van het Parlement de secretaris-generaal van die instelling opgedragen om de in Spanje verkozen kandidaten de toegang tot de „welcome village” te weigeren en hun de aan nieuwe parlementsleden geboden bijstand (hierna: „speciaal ontvangstprogramma”) te ontzeggen en voorts hun accreditatie op te schorten totdat hun verkiezing overeenkomstig artikel 12 van de verkiezingsakte officieel zou worden bevestigd. Rekwiranten werd dus deelname aan het speciale ontvangstprogramma ontzegd, de toegang tot de „welcome village” geweigerd en de tijdelijke accreditatie en badge onthouden.

19 Op 13 juni 2019 heeft de centrale kiescommissie een besluit vastgesteld houdende „bekendmaking van de personen die bij de verkiezingen van 26 mei 2019 tot lid van het Europees Parlement zijn gekozen” (hierna: „bekendmaking van 13 juni 2019”), waarin was bepaald dat de centrale kiescommissie overeenkomstig artikel 224, lid 1, van de Spaanse kieswet en volgens de gegevens in de geconsolideerde afrekeningen die door elk van de provinciale kiescommissies waren toegezonden, de stemmen op nationaal niveau opnieuw had geteld, de zetels voor elk van de kandidaten had toegewezen en de namen van de gekozen kandidaten, waaronder rekwiranten, had bekendgemaakt. In de bekendmaking van 13 juni 2019 werd ook vermeld dat de gekozen kandidaten op 17 juni 2019 de eed van trouw aan de Spaanse grondwet zouden afleggen, zoals vereist door artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet.

20 Bij brief van 14 juni 2019 hebben rekwiranten de voorzitter van het Parlement verzocht om nota te nemen van de verkiezingsuitslag van 26 mei 2019, zoals deze was vermeld in de bekendmaking van 13 juni 2019, om de instructie van 29 mei 2019 in te trekken zodat zij toegang zouden krijgen tot de gebouwen van het Parlement en konden deelnemen aan het speciale ontvangstprogramma, en tot slot om hun toe te staan om met ingang van 2 juli 2019, de datum van opening van de eerste plenaire vergadering na de verkiezingen van 26 mei 2019, hun zetel in te nemen en de aan hun hoedanigheid van lid van het Parlement verbonden rechten te genieten.

21 Op 15 juni 2019 heeft de onderzoeksrechter van de Tribunal Supremo het verzoek afgewezen waarmee rekwiranten hadden verzocht om intrekking van de nationale aanhoudingsbevelen die de Spaanse strafrechter jegens hen had uitgevaardigd zodat zij konden worden berecht in het kader van de in punt 15 van het onderhavige arrest vermelde strafprocedure.

22 De centrale kiescommissie heeft het Parlement op 17 juni 2019 de lijst van de in Spanje gekozen leden doen toekomen (hierna: „mededeling van 17 juni 2019”). De namen van rekwiranten kwamen daarop niet voor.

23 Op 20 juni 2019 heeft de centrale kiescommissie niet toegestaan dat rekwiranten de door artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet voorgeschreven eed of belofte van trouw aan de grondwet aflegden door middel van een schriftelijke verklaring ten overstaan van een in België gevestigde notaris of door tussenkomst van volmachthouders die daartoe bij een in België opgestelde notariële akte zijn aangewezen, omdat die eed volgens die commissie persoonlijk moet worden afgelegd.

24 Op dezelfde dag heeft de centrale kiescommissie het Parlement erop gewezen dat rekwiranten de eed of belofte van trouw aan de Spaanse grondwet niet hadden afgelegd en dat zij overeenkomstig artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet de aan rekwiranten toegewezen zetels in het Parlement vacant had verklaard en alle voorrechten uit hoofde van hun mandaat tijdelijk had opgeschort totdat zij deze eed of belofte hadden afgelegd (hierna: „mededeling van 20 juni 2019”).

25 Bij brief van 20 juni 2019 hebben rekwiranten de voorzitter van het Parlement verzocht om krachtens artikel 8 van het reglement met spoed de nodige maatregelen te nemen ter bevestiging en, in het bijzonder, ter verdediging van hun voorrechten en immuniteiten, om te verklaren dat de jegens hen uitgevaardigde nationale aanhoudingsbevelen leidden tot schending van die voorrechten en immuniteiten, die zij genoten op grond van artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna: „protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten”), om te verklaren dat artikel 9, tweede alinea, van dat protocol de leden van het Europees Parlement beschermt tegen elke gerechtelijke beperking van hun bewegingsvrijheid die hen zou kunnen beletten de benodigde formaliteiten bij het begin van hun mandaat te vervullen en, ten slotte, om de bevoegde Spaanse autoriteiten onverwijld in kennis te stellen van zijn besluit.

26 Bij brief van 24 juni 2019 hebben rekwiranten in wezen alle verzoeken herhaald die zij eerder in hun brieven van 14 en 20 juni 2019 hadden geformuleerd en waarop zij geen reactie hadden ontvangen.

27 Bij brief van 27 juni 2019 heeft de voorzitter van het Parlement op de brieven van rekwiranten van 14, 20 en 24 juni 2019 in wezen geantwoord dat hij hen niet als toekomstige leden van het Parlement kon behandelen omdat hun namen niet voorkwamen op de lijst van verkozen kandidaten die de Spaanse autoriteiten officieel hadden meegedeeld.

28 Op 28 juni 2019 hebben rekwiranten het Gerecht, door middel van een onder T‑388/19 ingeschreven beroep, verzocht om nietigverklaring van de instructie van 29 mei 2019 en van de verschillende handelingen die volgens hen in de brief van 27 juni 2019 waren vervat, namelijk, ten eerste, de weigering van de voorzitter van het Parlement om nota te nemen van de verkiezingsuitslag van 26 mei 2019; ten tweede, het vacant verklaren door de voorzitter van het Parlement van de aan elk van rekwiranten toegewezen zetel; ten derde, de weigering van de voorzitter van het Parlement om hun toe te staan om in functie te treden, het mandaat van lid van het Parlement uit te oefenen en zitting te nemen in het Parlement vanaf de opening van de eerste zitting na de verkiezingen van 26 mei 2019, en ten vierde, de weigering van de voorzitter van het Parlement om krachtens artikel 8 van het reglement met spoed de nodige maatregelen te nemen ter bevestiging van hun voorrechten en immuniteiten.

29 Diezelfde dag hebben rekwiranten bij hun beroep een verzoek in kort geding ingediend, ingeschreven onder nummer T‑388/19 R, strekkende tot opschorting van de tenuitvoerlegging van, ten eerste, het besluit van de voorzitter van het Parlement om geen nota te nemen van de door het Koninkrijk Spanje officieel bekendgemaakte uitslag van de verkiezingen voor het Parlement van 26 mei 2019 en van het daaropvolgende besluit om nota te nemen van een andere en onvolledige lijst van verkozen leden, waarvan de Spaanse autoriteiten op 17 juni 2019 kennis hebben gegeven, ten tweede, het besluit van de voorzitter van het Parlement om aan te nemen dat door de mededeling van 20 juni 2019 de bekendmaking van rekwiranten als verkozen leden van het Parlement geen effect meer heeft, en ten derde, het besluit van het Parlement houdende weigering om overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het reglement rekwiranten het recht te waarborgen om vanaf de opening van de parlementaire zitting en tot de datum van uitspraak over de bezwaren bij het Parlement en de Spaanse rechterlijke instanties, met volledige rechten zitting te nemen in het Parlement en zijn organen. Zij verzochten tevens het Parlement te gelasten alle nodige maatregelen te nemen, waaronder de bevestiging van hun voorrechten en immuniteiten uit hoofde van artikel 9 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, om hen in staat te stellen vanaf de opening van de eerste zitting na de verkiezingen in het Parlement zitting te nemen.

30 Bij e-mail van 10 oktober 2019 heeft Riba i Giner, lid van het Parlement, namens rekwiranten, bij de op 3 juli 2019 gekozen voorzitter van het Parlement en de voorzitter en vicevoorzitter van de Commissie juridische zaken van deze instelling een verzoek ingediend van 38 leden van het Europees Parlement van verschillende nationaliteiten en politieke partijen, waaronder zijzelf, met name om het Parlement op grond van artikel 9 van het reglement te verzoeken de in artikel 9, eerste en tweede alinea, van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten bedoelde parlementaire immuniteit van rekwiranten te verdedigen.

31 Op 14 oktober 2019 heeft de onderzoeksrechter van de strafkamer van de Tribunal Supremo een nationaal aanhoudingsbevel, een Europees aanhoudingsbevel en een internationaal aanhoudingsbevel jegens Puigdemont i Casamajó uitgevaardigd zodat hij kon worden berecht in het kader van de in punt 15 hierboven vermelde strafprocedure. Dezelfde aanhoudingsbevelen zijn op 4 november 2019 uitgevaardigd tegen Comín i Oliveres. Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres zijn op 17 oktober respectievelijk 7 november 2019 in België in hechtenis genomen en op dezelfde data onder voorwaarden vrijgelaten.

32 Bij twee brieven van gelijke strekking van 10 december 2019, waarvan de ene tot Riba i Giner en de andere aan alle 38 in punt 30 van het onderhavige arrest genoemde parlementsleden was gericht, heeft de voorzitter van het Parlement aangegeven dat hij rekwiranten niet als leden van het Parlement kon beschouwen omdat de Spaanse autoriteiten geen officiële mededeling van hun verkiezing in de zin van de verkiezingsakte hadden gedaan.

33 In het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), heeft het Hof met name geoordeeld dat een persoon wiens verkiezing in het Parlement officieel is bekendgemaakt maar aan wie geen toestemming is verleend om te voldoen aan bepaalde vereisten die volgens het nationale recht na een dergelijke bekendmaking moeten plaatsvinden en evenmin om zich naar het Parlement te begeven teneinde daar deel te nemen aan de eerste zitting, geacht moet worden immuniteit te genieten krachtens artikel 9, tweede alinea, van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten.

34 Bij beschikking van 1 juli 2019, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement (T‑388/19 R, EU:T:2019:467), heeft de president van het Gerecht het in punt 29 van het onderhavige arrest vermelde verzoek in kort geding afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

35 Bij beschikking van 20 december 2019, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement, [C‑646/19 P(R), EU:C:2019:1149], heeft de vicepresident van het Hof de beschikking van de president van het Gerecht van 1 juli 2019 (T‑388/19 R, EU:T:2019:467) vernietigd, de zaak naar het Gerecht verwezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

36 Tijdens de plenaire zitting van 13 januari 2020 heeft het Parlement naar aanleiding van het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), nota genomen van de verkiezing van rekwiranten tot lid van het Parlement met ingang van 2 juli 2019 (hierna: „kennisneming van 13 januari 2020”).

37 Op 20 februari 2020 stelden rekwiranten beroep in tot nietigverklaring van de brief van 10 december 2019 van de voorzitter van het Parlement aan Riba i Giner. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T‑115/20.

38 Bij beschikking van 19 maart 2020, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement (T‑388/19 R-RENV, EU:T:2020:114), heeft de president van het Gerecht, na terugverwijzing van de zaak als gevolg van de beschikking van 20 december 2019, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement [C‑646/19 P(R), EU:C:2019:1149], geoordeeld dat er, gelet op de kennisneming van 13 januari 2020, niet meer hoefde te worden beslist op het verzoek in kort geding, en heeft hij de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

39 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het in punt 28 van het onderhavige arrest vermelde beroep in wezen verworpen op grond dat het was gericht tegen handelingen waartegen geen beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU kon worden ingesteld.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

40 Met hun hogere voorziening verzoeken rekwiranten het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht of, subsidiair, de litigieuze handelingen nietig te verklaren, en – het Parlement en het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten of, subsidiair, de beslissing omtrent de kosten aan te houden.

41 Het Parlement verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – rekwiranten te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening.

42 Het Koninkrijk Spanje verzoekt het Hof: – de hogere voorziening niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren, en – rekwiranten te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

43 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwiranten vier middelen aan. Met hun eerste middel betwisten zij de gronden waarop het Gerecht hun vordering tot nietigverklaring van de litigieuze handelingen niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond dat zij hun rechtspositie niet hadden gewijzigd. Met hun tweede middel verzoeken zij het Hof subsidiair om zijn rechtspraak in de zaak Italië en Donnici/Parlement (arrest van 30 april 2009, C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275) te herzien en, voor het geval het Hof dit niet zou doen, voeren zij een exceptie van onwettigheid van artikel 12 van de verkiezingswet aan. Met hun derde middel bekritiseren rekwiranten de redenen waarom het Gerecht heeft geoordeeld dat geen beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld tegen het feit dat de voorzitter van het Parlement heeft geweigerd om krachtens artikel 8 van het reglement met spoed de nodige maatregelen te nemen ter bevestiging van hun voorrechten en immuniteiten. Ten slotte verwijten zij het Gerecht met hun vierde middel te hebben geoordeeld dat hun betoog ter betwisting van de vermeende weigering van de voorzitter van het Parlement om het verzoek ter verdediging van hun voorrechten en immuniteiten door te zenden aan de bevoegde commissie van die instelling, was gericht tegen een niet-bestaande handeling, aangezien de betrokkenen geen dergelijk verzoek hadden ingediend op grond van de artikelen 7 en 9 van het reglement.

Ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

44 Het Koninkrijk Spanje betoogt primair dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is omdat zij in wezen niet voldoet aan de vereisten van artikel 256, lid 1, eerste alinea, VWEU en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. In de hogere voorziening is namelijk niet voldoende nauwkeurig en duidelijk aangegeven tegen welke rechtsoverwegingen van het bestreden arrest zij is gericht en welke juridische argumenten aan de vorderingen van rekwiranten ten grondslag liggen. Deze lidstaat stelt tevens dat de hogere voorziening slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten herhaalt, zodat rekwiranten het Hof in werkelijkheid verzoeken om het bij het Gerecht ingediende verzoek opnieuw te onderzoeken, waartoe het Hof in hogere voorziening niet bevoegd is.

45 In hun betoog in antwoord op de verschillende door rekwiranten aangevoerde middelen betogen het Parlement en het Koninkrijk Spanje eveneens dat deze middelen grotendeels niet-ontvankelijk zijn.

Beoordeling door het Hof

46 Hoewel de stukken van rekwiranten ten dele lijken op een verzoek om heroverweging van het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift en in meerdere opzichten verwarrend en overbodig lijken, moet echter worden vastgesteld dat in de hogere voorziening in haar geheel alsook in de voornaamste argumenten die ter ondersteuning van elk van de middelen in hogere voorziening worden aangevoerd, wordt verwezen naar de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest waartegen de hogere voorziening is gericht, en een uiteenzetting wordt gegeven van de juridische argumenten waarmee rekwiranten deze rechtsoverwegingen ter discussie willen stellen die voldoende nauwkeurig is om het Hof in staat te stellen uitspraak te doen.

47 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat, anders dan het Koninkrijk Spanje betoogt, de hogere voorziening in haar geheel niet in strijd is met de vereisten van artikel 256, lid 1, eerste alinea, VWEU en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Dit is evenmin het geval met de argumenten die ter ondersteuning van elk van de middelen in hogere voorziening worden aangevoerd.

48 Hieruit volgt dat de door het Parlement en het Koninkrijk Spanje opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid moeten worden afgewezen.

Ten gronde

Eerste middel

– Argumenten van partijen

49 Met hun eerste middel stellen rekwiranten in wezen dat het Gerecht in zijn arrest blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen in het licht van artikel 263 VWEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), een onjuiste juridische kwalificatie en verschillende onjuiste opvattingen door te oordelen dat tegen de litigieuze handelingen geen beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld op grond dat zij hun rechtspositie niet hadden gewijzigd.

50 Wat in de eerste plaats de brief van 27 juni 2019 betreft, verwijten rekwiranten het Gerecht in hoofdzaak dat het heeft geoordeeld dat de voorzitter van het Parlement gehouden was kennis te nemen van de mededelingen van 17 en 20 juni 2019 – waarin het standpunt van de Spaanse autoriteiten tot uitdrukking kwam dat zij niet tot de gekozen leden behoorden omdat zij de eed van trouw aan de Spaanse grondwet als bedoeld in artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet niet hadden afgelegd – en niet van de uitslag van 13 juni 2019, die de bij de verkiezingen van 26 mei 2019 uitgebrachte stemmen weerspiegelde. In dit verband is in het bestreden arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste opvatting van de feiten voor zover het berust op de gedachte dat de mededelingen van 17 en 20 juni 2019 de uitslag van de verkiezingen van 26 mei 2019 weerspiegelden.

51 Rekwiranten betogen dat zij op grond van artikel 5, lid 1, van de verkiezingsakte hoe dan ook vanaf de op 2 juli 2019 geopende zitting voorlopig mochten zetelen met de andere leden van het Parlement, ook al waren hun geloofsbrieven nog niet onderzocht. Deze uitlegging is bevestigd door de latere vaststelling van de akte van 13 januari 2020.

52 Volgens hen heeft het Gerecht in het bestreden arrest ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van artikel 223 VWEU alsook van een onjuiste opvatting van de feiten door te oordelen dat de vaststelling van de voorwaarden of vereisten waaraan leden van het Parlement voorafgaand aan de infunctietreding moeten voldoen, onder een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid viel, terwijl het gaat om een exclusieve bevoegdheid van de Unie. Zoals blijkt uit het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), en de beschikking van 20 december 2019, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement [C‑646/19 P(R), EU:C:2019:1149], is het Spaanse recht in strijd met het Unierecht doordat het naast de in dat recht gestelde vereisten aanvullende vereisten invoert die niet vallen onder de nationale verkiezingsprocedure, die volgens hen eindigt met de bekendmaking van de resultaten. Rekwiranten zijn van mening dat het volgens artikel 12 van de verkiezingsakte aan het Parlement stond om dit punt te beschouwen als een bezwaar in verband met verkiezingen dat op basis van die akte bij het Parlement was ingediend. Het Gerecht heeft in het bestreden arrest tevens op een aantal punten nagelaten om uitspraak te doen en blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, alsook artikel 47 van het Handvest geschonden door het argument dat het Koninkrijk Spanje niet bevoegd was om als vereiste te stellen dat een eed van trouw aan de Spaanse grondwet werd afgelegd, als bedoeld in artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet, als niet ter zake dienend af te wijzen.

53 Rekwiranten zijn voorts van mening dat het Gerecht de motivering van de brief van 27 juni 2019 op onrechtmatige wijze heeft vervangen en de bewoordingen ervan onjuist heeft opgevat door in verschillende punten van het bestreden arrest op te merken dat deze brief niet was gebaseerd op de vaststelling dat rekwiranten niet de hoedanigheid van lid van het Parlement hadden verkregen, maar enkel op de vaststelling dat zij niet voldeden aan de formele voorwaarden voor de uitoefening van hun mandaat.

54 Bovendien betogen rekwiranten dat het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste opvatting, tegenstrijdige motivering en schending van de artikelen 8 en 12 van de verkiezingsakte, artikel 39, lid 2, van het Handvest en het arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement (C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275), voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat het Parlement geen nota kon nemen van de op 13 juni 2019 bekendgemaakte uitslagen, terwijl die bekendmaking niet was betwist en de enige juridisch bindende handeling was waarmee het rekening moest houden, met uitsluiting van de mededelingen van 17 en 20 juni 2019, die deze instelling niet bonden. De omstandigheid dat het Koninkrijk Spanje zijn verplichting tot loyale samenwerking niet is nagekomen door het Parlement niet in kennis te stellen van de op 13 juni 2019 officieel bekendgemaakte uitslagen, ontsloeg deze instelling niet van de verplichting om daarvan nota te nemen.

55 Gesteld dat een kennisgeving van de resultaten aan het Parlement noodzakelijk was, hetgeen rekwiranten betwisten, menen zij dat, anders dan uit de motivering van het bestreden arrest blijkt, de bekendmaking van 13 juni 2019 hoe dan ook voldoende was om het Parlement te verplichten er nota van te nemen dat zij tot lid van het Parlement waren verkozen.

56 Rekwiranten betogen voorts dat de motivering van het bestreden arrest erop neerkomt dat het Parlement nota moet nemen van om het even welke handeling van de nationale autoriteiten, zelfs die welke deze autoriteiten op onbevoegde wijze hebben vastgesteld, hetgeen in strijd is met het arrest van 9 maart 1978, Simmenthal (106/77, EU:C:1978:49). Zij zijn van mening dat deze motivering ook voorbijgaat aan het feit dat het Unierecht, met name artikel 223, lid 2, en artikel 232 VWEU, de lidstaten niet toestaat het mandaat van een lid van het Parlement op te schorten – zelfs niet tijdelijk – en aldus het aantal leden en derhalve de samenstelling van het Parlement te wijzigen. In dit verband voeren zij aan dat de zaak die heeft geleid tot het arrest van 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie (C‑97/91, EU:C:1992:491), verschilt van de onderhavige zaak.

57 Hoewel rekwiranten erop wijzen dat dit punt betrekking heeft op de grond van de zaak en niet op de naleving van de in artikel 263 VWEU gestelde voorwaarden voor ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, voeren zij tevens aan dat het besluit van de voorzitter van het Parlement om hen te beletten in die instelling zitting te nemen, jegens hen heeft geleid tot een „bijzonder ernstige en ongekende” schending van artikel 39, lid 2, van het Handvest en van artikel 1, lid 3, van de verkiezingsakte – betreffende hun verkiesbaarheid – in strijd met de standpunten van het Comité voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties en van de Europese commissie voor democratie door recht, ook „Commissie van Venetië” genoemd.

58 Ten slotte heeft het Gerecht in het bestreden arrest ook blijk gegeven van een onjuiste opvatting of op zijn minst de strekking van de bij die rechterlijke instantie ingediende schrifturen onjuist opgevat door te oordelen dat vaststond dat rekwiranten artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet niet hadden nageleefd, terwijl dienaangaande een beroep aanhangig was bij de Tribunal Constitucional.

59 Wat in de tweede plaats de instructie van 29 mei 2019 betreft, betogen rekwiranten dat deze handeling, die hen rechtstreeks en individueel raakte, onlosmakelijk verbonden was met de brief van 27 juni 2019 en dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat of deze althans heeft verdraaid, en het bestreden arrest tegenstrijdig heeft gemotiveerd door te oordelen dat de gevolgen van die instructie op 17 juni 2019 waren geëindigd. De motivering van dit arrest geeft eveneens blijk van kennelijk onjuiste rechtsopvattingen voor zover daarin wordt verklaard dat de instructie van 29 mei 2019 niet de oorzaak was van de onmogelijkheid voor rekwiranten om in functie te treden.

60 Het Parlement en het Koninkrijk Spanje zijn van mening dat het betoog van rekwiranten ter ondersteuning van hun eerste middel moet worden afgewezen.

– Beoordeling door het Hof

61 Wat in de eerste plaats de brief van 27 juni 2019 betreft, zij eraan herinnerd dat het Parlement op grond van artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 13, lid 2, VEU handelt binnen de grenzen van de bij de Verdragen verleende bevoegdheden.

62 Met betrekking tot de verkiezing van de leden van het Parlement zij opgemerkt dat door het ontbreken van een eenvormige verkiezingsprocedure, volgens artikel 8 van de verkiezingsakte voor die verkiezing in elke lidstaat de nationale bepalingen gelden, behoudens de bepalingen van die akte (arrest van 22 december 2022, Junqueras i Vies/Parlement, C‑115/21 P, EU:C:2022:1021, punt 60).

63 Artikel 12 van deze akte bepaalt, dat het Parlement „nota neemt van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van deze akte, met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst”.

64 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, sluit de uitdrukking „nota nemen” in de context van de verkiezingsakte elke beoordelingsvrijheid van het Parlement bij de benoeming van de gekozen leden uit, aangezien de nationale autoriteiten daartoe overeenkomstig de door het nationale recht geregelde procedure bij uitsluiting bevoegd zijn (zie in die zin arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement, C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Uit de bewoordingen van artikel 12 van de verkiezingsakte blijkt dat het in deze context enkel aan het Parlement staat om uitspraak te doen over de op basis van de verkiezingsakte opgeworpen bezwaren. Deze instelling is daarentegen niet bevoegd om na te gaan of de nationale verkiezingsprocedure of de bekendmaking van de resultaten door de nationale autoriteiten regelmatig en in overeenstemming met het Unierecht zijn (zie in die zin arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement, C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275, punten 55‑57, 60, 67 en 68). Dit geldt ook in gevallen waarin de verkiezingsakte zelf naar het nationale recht verwijst.

66 De toepassing van de in de verkiezingsakte geregelde verdeling van bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten wordt met name gewaarborgd door artikel 3 van het reglement, dat in lid 1 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Parlement de namen van de gekozen leden meedelen. Alleen de leden wier namen voorkomen op de door de nationale autoriteiten meegedeelde lijst, worden vervolgens onderworpen aan de formaliteiten van artikel 3, leden 2 en 3, waaronder het onderzoek van hun geloofsbrieven.

67 De omstandigheid dat de door de nationale autoriteiten aan het Parlement meegedeelde lijst niet overeenstemt met de officieel door een lidstaat bekendgemaakte uitslagen, in strijd met artikel 12 van de verkiezingsakte, of, meer in het algemeen, dat die lijst fouten of omissies bevat, betekent niet dat deze instelling zich niet hoeft te houden aan de lijst van namen van de gekozen leden die haar officieel door de nationale autoriteiten is meegedeeld.

68 Los van het feit dat het controleren van de juistheid van de door de lidstaten meegedeelde lijst van gekozen leden een taak is die het Parlement in de praktijk onmogelijk tot een goed einde kan brengen, zou dit er immers op neerkomen dat die instelling wordt toegestaan om na te gaan of de nationale verkiezingsprocedure, en dus de uitslag van de door die procedure geregelde verkiezingen, in overeenstemming is met het Unierecht, hetgeen in strijd zou zijn met de in de verkiezingsakte neergelegde bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten.

69 In het door het Unierecht ingevoerde volledige stelsel van rechtsmiddelen staat een dergelijke toetsing uitsluitend aan de nationale rechter, in voorkomend geval na een prejudiciële verwijzing naar het Hof krachtens artikel 267 VWEU, of aan het Hof dat uitspraak moet doen over een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU [zie in die zin naar analogie beschikking van de vicepresident van het Hof van 8 oktober 2020, Junqueras i Vies/Parlement, C‑201/20 P(R), EU:C:2020:818, punt 66].

70 Het betoog van rekwiranten betreffende de brief van 27 juni 2019 moet in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.

71 In het bestreden arrest heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat de brief van 27 juni 2019 de rechtspositie van rekwiranten niet had gewijzigd en dus niet vatbaar was voor een beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU, aangezien de voorzitter van het Parlement, zoals het Gerecht met name in de punten 104, 114 en 117 tot en met 119 van dat arrest heeft geoordeeld, enkel – zoals hij verplicht was – nota had genomen van de hem door de Spaanse autoriteiten op 17 en 20 juni 2019 meegedeelde lijst van gekozen leden, die voor hem een reeds bestaande situatie vormde.

72 Het Gerecht heeft in de punten 130 en 131 van het bestreden arrest gepreciseerd dat, gesteld al dat de in artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet bedoelde voorwaarde om de eed van trouw aan de Spaanse grondwet af te leggen in strijd is met het Unierecht omdat die voorwaarde geen deel uitmaakt van de onder de bevoegdheid van de lidstaten vallende nationale verkiezingsprocedure, het niet aan het Parlement en bijgevolg niet aan het Gerecht staat om in het kader van het bij het Gerecht aanhangige beroep uitspraak te doen op dit punt, aangezien een dergelijke betwisting door de nationale rechter moet worden beslecht, in voorkomend geval na prejudiciële verwijzing naar het Hof, of rechtstreeks door het Hof in het kader van een beroep wegens niet-nakoming op grond van artikel 258 VWEU.

73 Het Gerecht heeft in de punten 142 tot en met 144 van het bestreden arrest tevens geoordeeld dat het betoog van rekwiranten dat de benodigde formaliteiten om zitting te nemen in het Parlement uitsluitend ten overstaan van deze instelling moesten worden vervuld, geen steun vond in het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115).

74 In hun hogere voorziening verwijten rekwiranten het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, op bepaalde punten heeft nagelaten uitspraak te doen en meerdere punten onjuist heeft opgevat, door te oordelen dat het Parlement verplicht was om nota te nemen van de door de Spaanse autoriteiten aan die instelling officieel meegedeelde lijst van gekozen leden.

75 Uit de overwegingen in de punten 60 tot en met 68 van het onderhavige arrest volgt echter dat het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de artikelen 8 en 12 van de verkiezingsakte, zonder artikel 39, lid 2, van het Handvest te schenden en zonder de inhoud van de mededelingen van 17 en 20 juni 2019 of van de brief van 27 juni 2019 onjuist te hebben opgevat, heeft geoordeeld dat de voorzitter van het Parlement niet kon voorbijgaan aan de door de Spaanse autoriteiten officieel meegedeelde lijst van gekozen leden – ten aanzien waarvan hij niet bevoegd was om de juistheid ervan te controleren – omdat hij anders de bij de verkiezingsakte ingevoerde bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten zou schenden.

76 Artikel 5, lid 1, van de verkiezingsakte, dat preciseert dat de periode van vijf jaar waarvoor de leden van het Parlement zijn gekozen, begint bij de opening van de eerste zitting die na elke verkiezing wordt gehouden, doet niet af aan deze conclusie, aangezien deze bepaling enkel de grenzen in de tijd van het mandaat van de leden van het Parlement omschrijft en niet de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten op verkiezingsgebied regelt.

77 Aan die conclusie wordt evenmin afgedaan door het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115). In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, werd het Hof namelijk door de Tribunal Supremo om een prejudiciële beslissing verzocht over de – afzonderlijke – vraag op welk tijdstip een in het Parlement gekozen persoon de hoedanigheid van lid van die instelling verkrijgt om te bepalen op welke datum hij de in artikel 9, tweede alinea, van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten neergelegde immuniteit geniet die aan die hoedanigheid is verbonden. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de hoedanigheid van lid van het Parlement was verkregen vanaf de officiële bekendmaking van de verkiezingsuitslagen, die volgens de vaststellingen van het Hof op 13 juni 2019 had plaatsgevonden voor de verkiezingen die op 26 mei 2019 in Spanje zijn gehouden. Het Hof heeft daarentegen geen standpunt ingenomen over de gevolgen die het Parlement moet verbinden aan de mededeling door de nationale autoriteiten van de lijst van gekozen leden, en met name over de vraag of deze instelling al dan niet gebonden was aan een dergelijke mededeling, waarover de verwijzende rechter geen vragen heeft gesteld.

78 Het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), biedt in werkelijkheid helemaal geen steun aan de stellingen van rekwiranten, maar bevestigt integendeel de analyse van het Gerecht, aangezien het Hof in punt 69 van dat arrest heeft opgemerkt dat het Parlement over geen enkele bevoegdheid beschikt om de regelmatigheid van de officiële bekendmaking van de verkiezingsuitslagen ter discussie te stellen of om erop toe te zien of deze in overeenstemming zijn met het Unierecht, hetgeen, zoals blijkt uit punt 64 van het onderhavige arrest, doet vermoeden dat het Parlement verplicht is om nota te nemen van de officiële mededelingen van de resultaten die de nationale autoriteiten aan die instelling hebben toegezonden, zoals in casu de mededeling van 17 juni 2019.

79 Het Gerecht is dus niet voorbijgegaan aan het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), door in punt 130 van het bestreden arrest te oordelen dat het Parlement nota moest nemen van de door de nationale autoriteiten officieel meegedeelde lijst van gekozen kandidaten, aangezien deze instelling niet bevoegd was om enige controle uit te oefenen op de inhoud van die lijst.

80 Bovendien kan het Gerecht evenmin worden verweten dat het is voorbijgegaan aan de beschikking van 20 december 2019, Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres/Parlement [C‑646/19 P(R), EU:C:2019:1149], waarin de vicepresident van het Hof, alvorens te beslissen, heeft geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat de onder de bevoegdheid van de lidstaten vallende nationale verkiezingsprocedure moet worden geacht te zijn geëindigd met de bekendmaking van de uitslag, met uitsluiting van elke daaropvolgende formaliteit. Zoals het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, heeft de omstandigheid dat het Koninkrijk Spanje zijn bevoegdheid heeft overschreden door de in artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet neergelegde verplichting op te leggen om de eed van trouw aan de Spaanse grondwet af te leggen, gesteld al dat dit zo is, namelijk geen invloed op de verplichting van de voorzitter van het Parlement om nota te nemen van de uitslagen van de verkiezingen die hem door de nationale autoriteiten officieel zijn meegedeeld.

81 In dit verband blijkt uit het bestreden arrest dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over de vraag of het Koninkrijk Spanje op grond van artikel 223, lid 2, VWEU en artikel 8 van de verkiezingsakte bevoegd was om het vereiste van artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet op te leggen, dan wel of dit vereiste in strijd was met het Unierecht. Na – zonder onjuiste opvatting – in punt 117 van het bestreden arrest te hebben opgemerkt dat rekwiranten niet de eed van trouw aan de Spaanse grondwet als bedoeld in dat artikel 224, lid 2, hadden afgelegd, heeft het Gerecht in punt 131 van dat arrest – zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting of na te laten uitspraak te doen – juist geoordeeld dat net zomin als het Parlement de rechtmatigheid van de door de Spaanse autoriteiten op 17 juni 2019 officieel meegedeelde lijst van gekozen kandidaten niet ter discussie kon stellen, het Gerecht zelf onbevoegd was om dergelijke kwesties te beslechten. Het Gerecht heeft daaruit in punt 135 van dat arrest terecht afgeleid dat het betoog van rekwiranten inzake de onbevoegdheid van de Spaanse autoriteiten om de in artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet neergelegde verplichting op te leggen, als niet ter zake dienend moest worden afgewezen.

82 Gelet op het voorgaande is het betoog dat rekwiranten aanvoeren tegen de overwegingen ten overvloede van het Gerecht in de punten 132 tot en met 134 van het bestreden arrest, waarin het heeft geoordeeld dat het Parlement niet exclusief bevoegd was om de voorwaarden en vereisten vast te stellen waaraan leden van het Parlement moeten voldoen alvorens zij hun functie opnemen, niet ter zake dienend.

83 De omstandigheid dat het Parlement na de brief van 27 juni 2019 de handeling van 13 januari 2020 heeft vastgesteld, waarbij het rekwiranten heeft toegestaan om zitting te nemen zonder vooraf hun geloofsbrieven te onderzoeken, en aldus de consequenties heeft getrokken die het meende te moeten verbinden aan het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), kan hoe dan ook de juridische aard van de brief van 27 juni 2019 niet wijzigen, zoals het Gerecht in de punten 121 en 122 van het bestreden arrest heeft geoordeeld.

84 Voorts moet worden gepreciseerd dat, anders dan rekwiranten stellen, bovenstaande analyse er niet op neerkomt dat het de lidstaten wordt toegestaan zich te onttrekken aan de in de verkiezingsakte vastgelegde bevoegdheidsverdeling of artikel 223, lid 2, en artikel 232 VWEU te schenden, aangezien de eventuele niet-naleving van deze bepalingen voor de nationale rechterlijke instanties kan worden betwist, in voorkomend geval na een prejudiciële verwijzing naar het Hof, of rechtstreeks voor het Hof op grond van artikel 258 VWEU.

85 Wat in de tweede plaats de instructie van 29 mei 2019 betreft, heeft het Gerecht, na de inhoud ervan te hebben beschreven en geanalyseerd, in de punten 184 en 185 van het bestreden arrest geoordeeld dat die instructie niet tot gevolg had gehad dat rekwiranten werd belet de formaliteiten te verrichten die leden voorafgaand aan hun in infunctietreding dienden te verrichten, te weten de verklaring inzake incompatibiliteiten en de verklaring inzake financiële belangen, en dat zij dus niet ten grondslag lagen aan de onmogelijkheid om zitting te nemen in het Parlement vanaf de opening, op 2 juli 2019, van de eerste zitting na de verkiezingen. In de punten 186 en 187 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat deze instructie de rechtspositie van rekwiranten niet had gewijzigd en dat hun vorderingen tot nietigverklaring van die beschikking derhalve niet-ontvankelijk moesten worden verklaard.

86 Om tot deze conclusie te komen heeft het Gerecht in de punten 179 tot en met 182 van het bestreden arrest ten eerste geoordeeld dat deze instructie, waarbij de voorzitter van het Parlement enkel aangaf dat de toegang tot de „welcome village” moest worden bevroren of opgeschort en dat, in afwachting van de mededeling van de definitieve resultaten door de Spaanse autoriteiten, aan de Spaanse leden geen tijdelijke accreditatie moest worden verleend, neerkwam op een maatregel van interne organisatie met een voorlopig karakter, aangezien de gevolgen ervan op de datum van die mededeling waren geëindigd. Ten tweede heeft het Gerecht opgemerkt dat uit het voorlopige karakter ervan volgde dat deze instructie van 29 mei 2019 de mogelijkheid onverlet liet voor rekwiranten om later in aanmerking te komen voor een definitieve accreditatie. Ten derde heeft het Gerecht eraan herinnerd dat het feit dat rekwiranten niet op de door de Spaanse autoriteiten meegedeelde officiële lijst van uitslagen voorkwamen, eraan in de weg stond dat zij zitting konden nemen, en niet het feit dat zij hun verklaringen inzake incompatibiliteiten en financiële belangen niet hadden afgelegd, aangezien deze verklaringen volgens het reglement na de opening van de eerste parlementaire zitting na de verkiezingen konden worden afgelegd.

87 Anders dan rekwiranten stellen, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat het Gerecht de feiten in het bestreden arrest onjuist heeft opgevat of verdraaid door de instructie van 29 mei 2019 te beschouwen als een handeling die losstaat van de brief van 27 juni 2019, en door te oordelen dat de gevolgen van deze instructie waren geëindigd op de datum van de officiële mededeling van de resultaten door de Spaanse autoriteiten, te weten 17 juni 2019. Het argument inzake schending van de rechten van de verdediging als gevolg van de gestelde onjuiste opvattingen moet dus eveneens worden afgewezen.

88 Met betrekking tot de eventuele tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, de overwegingen in punt 181 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat het feit dat rekwiranten hun verklaringen inzake incompatibiliteiten en financiële belangen niet hadden afgelegd, hen niet kon beletten om vanaf de opening van de eerste zitting van het Parlement na de verkiezingen zitting te nemen, en anderzijds de overwegingen in punt 183 van dat arrest, waarin het Gerecht heeft aangegeven dat rekwiranten niet stelden dat de instructie van 29 mei 2019 hen had belet dergelijke verklaringen af te leggen, moet worden vastgesteld dat dit punt 183, zoals blijkt uit het gebruik van de woorden „bovendien”, ten overvloede is gegeven ten opzichte van de in de punten 179 tot en met 182 van dat arrest vermelde overwegingen waarin geen blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of onjuiste opvatting. Bijgevolg is het specifiek tegen dat punt 183 gerichte betoog van rekwiranten niet ter zake dienend.

89 Ten slotte heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 184 tot en met 187 van het bestreden arrest door uit de overwegingen in met name de punten 179 tot en met 182 van dat arrest af te leiden dat de instructie van 29 mei 2019 niet ten grondslag lag aan de onmogelijkheid voor rekwiranten om zitting te nemen in het Parlement en dat zij hun rechtspositie niet had gewijzigd, zodat de door rekwiranten tegen die instructie ingediende vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

90 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het eerste middel worden afgewezen.

Tweede middel

– Argumenten van partijen

91 Met hun tweede middel, dat zij subsidiair aanvoeren, verwijten rekwiranten het Gerecht dat het de in artikel 12 van de verkiezingsakte neergelegde bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en het Parlement onjuist heeft uitgelegd. Aldus verzoeken zij het Hof om terug te komen op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement (C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275). Zij zijn met name van mening dat het Parlement hoe dan ook bevoegd was om uitspraak te doen over een op artikel 3, lid 1, van het reglement gebaseerd bezwaar inzake verkiezingen, omdat het anders het doeltreffendheidsbeginsel zou schenden, en dat het Gerecht in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zonder voorbehoud te oordelen dat de verkiezingsakte de bevoegdheid van het Parlement om uitspraak te doen over op het nationale recht gebaseerde bezwaren uitsloot, ook wanneer in de verkiezingsakte naar dat recht wordt verwezen. Zij voegen hieraan toe dat de Unierechter in staat moet zijn om alle handelingen te toetsen die een lid van het Europees Parlement zijn rechten ontnemen.

92 Uiterst subsidiair betogen rekwiranten dat artikel 12 van de verkiezingsakte of enige andere bepaling van die akte, van het Statuut van de leden van het Europees Parlement of van het Unierecht waaruit volgt dat deze instelling gebonden is aan de mededelingen van de lidstaten op verkiezingsgebied, zelfs wanneer zij hun bevoegdheid overschrijden, in strijd is met het primaire recht, met name de artikelen 10 en 14 VEU en artikel 39, lid 2, van het Handvest.

93 Het Parlement en het Koninkrijk Spanje betogen in wezen dat het Hof, gelet op het antwoord op het eerste middel, het tweede middel niet hoeft te onderzoeken voor zover daarmee de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement (C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275), ter discussie wordt gesteld.

94 Het Parlement is voorts van mening dat de door rekwiranten opgeworpen exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij voor het eerst in hogere voorziening is opgeworpen of, subsidiair, hoe dan ook ongegrond moet worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

95 Met hun tweede middel betogen rekwiranten dat het Gerecht de verdeling van de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten op verkiezingsgebied, en meer in het bijzonder artikel 12 van de verkiezingsakte, onjuist heeft uitgelegd door in het bestreden arrest de rechtspraak toe te passen die voortvloeit uit het arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement (C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275). Uit de overwegingen in antwoord op het eerste middel van de hogere voorziening, met name die in de punten 59 tot en met 67 van het onderhavige arrest, blijkt dat dit betoog moet worden afgewezen.

96 Wat de door rekwiranten subsidiair opgeworpen exceptie van onwettigheid betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het Hof in hogere voorziening enkel bevoegd is om de beoordeling door het Gerecht van de voor hem bepleite middelen en argumenten te onderzoeken. Indien een partij een middel dat zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, zou zij immers bij het Hof, waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is, een geschil aanhangig mogen maken met een ruimere strekking dan het bij het Gerecht aanhangige geschil (zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Euranimi/Commissie, C‑95/23 P, EU:C:2024:177, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Afgezien van het feit dat de door rekwiranten in het kader van het tweede middel opgeworpen exceptie van onwettigheid niet vergezeld gaat van preciseringen aan de hand waarvan de gegrondheid ervan kan worden beoordeeld, blijkt in casu uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze exceptie van onwettigheid voor het eerst in het kader van de onderhavige hogere voorziening is opgeworpen. Deze exceptie moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

98 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

Derde en vierde middel

– Argumenten van partijen

99 Met hun derde middel verwijten rekwiranten het Gerecht in wezen dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bestreden arrest ontoereikend heeft gemotiveerd door te oordelen dat de weigering van de voorzitter van het Parlement om krachtens artikel 8 van het reglement met spoed de nodige maatregelen te nemen, geen handeling was waartegen kon worden opgekomen op grond van artikel 263 VWEU. Zij zijn van mening dat het Gerecht in casu ten onrechte heeft geoordeeld dat een dergelijke weigering geen verband hield met de weigering om hen als lid van het Parlement te erkennen. Volgens rekwiranten heeft het Gerecht, door te oordelen zoals het heeft gedaan, de uit artikel 5, lid 2, van het reglement voortvloeiende bijstandsplicht van het Parlement jegens zijn leden geschonden. Zij wijzen er tevens op dat indien het bestreden arrest aldus moet worden uitgelegd dat het Gerecht zou hebben geoordeeld dat de bestreden weigering een niet-bestaande handeling was, het bestreden arrest blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste opvatting van de feiten.

100 Met hun vierde middel betogen rekwiranten in wezen dat het Gerecht in het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van de feiten door te oordelen dat zij geen verzoek om verdediging van hun immuniteit op grond van de artikelen 7 en 9 van het reglement hadden ingediend. Zij zijn tevens van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en voorbij is gegaan aan de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 21 oktober 2008, Marra (C‑200/07 en C‑201/07, EU:C:2008:579), door te oordelen dat de weigering om een dergelijk verzoek mee te delen in voltallige zitting geen rechtsgevolgen teweegbracht die op grond van artikel 263 VWEU konden worden aangevochten.

101 Het Parlement en het Koninkrijk Spanje betogen in wezen dat het derde middel niet-ontvankelijk en, zo niet, ongegrond moet worden verklaard. Zij betogen dat het vierde middel als niet ter zake dienend moet worden afgewezen of, bij gebreke daarvan, eveneens ongegrond moet worden verklaard.

– Beoordeling door het Hof

102 Het derde en het vierde middel stellen gemeenschappelijke vragen aan de orde over de onderlinge samenhang en de inhoud van de in respectievelijk de artikelen 7 en 9 en artikel 8 van het reglement neergelegde mechanismen ter verdediging van de voorrechten en immuniteiten. Zij moeten dus samen worden behandeld.

103 In de punten 155 tot en met 158 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het feit dat de voorzitter van deze instelling heeft geweigerd om krachtens artikel 8 van het reglement met spoed de nodige maatregelen te nemen ter bevestiging van de voorrechten en immuniteiten van Puigdemont i Casamajó en Comín i Oliveres, niet het gevolg was van de eventuele weigering van die voorzitter om hun hoedanigheid van lid van het Parlement te erkennen, maar van het feit dat hij geen gebruik had gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om al dan dergelijke maatregelen te nemen. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat tegen de niet-uitoefening van een dergelijke bevoegdheid geen beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU kon worden ingesteld. Voorts heeft het Gerecht in ten overvloede geformuleerde overwegingen gepreciseerd dat, gesteld al dat het verzuim van de voorzitter van het Parlement om dergelijke maatregelen te nemen het gevolg was van diens vermeende weigering om hen als lid van het Parlement te erkennen, een dergelijke weigering hoe dan ook geen dwingende gevolgen zou hebben gehad voor de Spaanse autoriteiten.

104 In de punten 160 tot en met 167 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vervolgens het betoog afgewezen waarmee rekwiranten, gelet op artikel 9, lid 1, van het reglement, opkwamen tegen de weigering van de voorzitter van het Parlement om hun verzoek om verdediging van hun voorrechten en immuniteiten aan de bevoegde commissie mee te delen op grond dat zij een dergelijk verzoek niet hadden ingediend krachtens de artikelen 7 en 9 van dat reglement. Volgens het Gerecht was dit betoog namelijk gericht tegen een niet-bestaande handeling.

105 Artikel 7 van het reglement regelt de verdediging van de voorrechten en immuniteiten van de leden van het Parlement. In lid 1 van dat artikel wordt met name bepaald dat, wanneer wordt gesteld dat de voorrechten en de immuniteit van een lid of een voormalig lid door de autoriteiten van een lidstaat zijn of dreigen te worden geschonden, overeenkomstig artikel 9, lid 1, kan worden verzocht om een besluit van het Parlement over de vraag of er een schending van deze voorrechten en immuniteiten heeft plaatsgevonden of waarschijnlijk zal plaatsvinden. De bewoordingen van artikel 7, lid 5, van deze verordening impliceren dat tegen het besluit om een dergelijk verzoek niet in te willigen, op grond van artikel 263 VWEU beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.

106 Artikel 9, leden 1 en 2, van het reglement betreffende procedures inzake immuniteit preciseert dat het in artikel 7, lid 1, van dat reglement bedoelde verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten bij het Parlement kan worden ingediend door een lid of voormalig lid, of door een ander lid dat gemachtigd is het betrokken lid of voormalig lid te vertegenwoordigen. In artikel 9, leden 3 tot en met 14, van het reglement wordt de procedure die op dergelijke verzoeken van toepassing is nader omschreven. Deze omvat met name een fase van onderzoek door de bevoegde commissie van het Parlement, de mogelijkheid voor het betrokken lid of voormalig lid om te worden gehoord en elk bewijs te leveren dat hij relevant acht, het onderzoek door het Parlement van ontwerpbesluiten van de commissie en de mededeling van de genomen maatregel aan het betrokken lid of voormalige lid en aan de betrokken lidstaat.

107 Artikel 8 van het reglement regelt de dringende maatregelen van de voorzitter van het Parlement ter bevestiging van de immuniteit van een lid. Dit artikel bepaalt dat wanneer een lid wordt aangehouden of van zijn bewegingsvrijheid wordt beroofd en daarbij sprake is van een vermoedelijke schending van zijn voorrechten en immuniteiten, de voorzitter van het Parlement, na raadpleging van de voorzitter en de rapporteur van de bevoegde commissie, in dringende gevallen maatregelen kan nemen om de voorrechten en immuniteiten van de betrokkene te bevestigen. Indien de voorzitter van het Parlement gebruikmaakt van deze bevoegdheid, deelt hij die maatregelen mee aan de bevoegde commissie, die daarvan kennisneemt op de eerstvolgende vergadering, en stelt hij het Parlement van de maatregelen in kennis.

108 Uit deze bepalingen volgt dat het reglement van het Parlement voorziet in twee verschillende mechanismen ter verdediging van de voorrechten en immuniteiten van de leden van het Parlement. Het ene mechanisme, dat is geregeld in de artikelen 7 en 9 van het reglement, wordt ingeleid op verzoek aan de voorzitter van het Parlement en behandeld volgens de procedureregels van artikel 9, die met name bedoeld zijn om de rechten van het betrokken lid of voormalig lid te waarborgen. Zij leidt tot een besluit van het Parlement, waarvan artikel 7, lid 5, van het reglement bepaalt dat daartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld op grond van artikel 263 VWEU. Het andere mechanisme, dat is geregeld in artikel 8 van dat reglement, valt daarentegen onder het individuele initiatief van de voorzitter van het Parlement, die alleen beslist, en is niet onderworpen aan procedurevereisten. De voorzitter van het Parlement dient enkel de bevoegde commissie van het Parlement en die instelling zelf vervolgens van zijn initiatief in kennis te stellen.

109 Anders dan de artikelen 7 en 9 van het reglement, verleent artikel 8 van dit reglement de voorzitter van het Parlement dus de eigen bevoegdheid om in dringende gevallen maatregelen te nemen om de voorrechten en immuniteiten van een lid te bevestigen, wanneer aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan. Uit de opzet van artikel 8, gelezen in het licht van de overige bepalingen van het reglement, blijkt eveneens dat de voorzitter van het Parlement niet verplicht is om dergelijke maatregelen te nemen, maar in dit verband over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, die uitsluit dat de leden van het Parlement het recht hebben om van hem te eisen dat hij een bepaald standpunt inneemt (zie naar analogie arrest van 9 december 2014, Schönberger/Parlement, C‑261/13 P, EU:C:2014:2423, punt 24).

110 Hieruit volgt dat, zoals het Gerecht in de punten 155 tot en met 157 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, op voldoende gemotiveerde wijze en zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van artikel 5, lid 2, van het reglement, het feit dat de voorzitter van het Parlement geen gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 8 van dat reglement verleende bevoegdheid – wat niet het gevolg is van de vermeende weigering van die voorzitter om de hoedanigheid van lid van het Parlement van rekwiranten te erkennen, maar van de uitoefening van de ruime beoordelingsvrijheid waarover die voorzitter beschikt –, geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU vormt.

111 Het betoog van rekwiranten tegen de overwegingen die het Gerecht in punt 158 van het bestreden arrest ten overvloede heeft aangevoerd, moet als niet ter zake dienend worden afgewezen.

112 Voorts blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het Gerecht het bestreden arrest niet onjuist heeft opgevat door in de punten 163 en 164 ervan te oordelen dat het verzoek van rekwiranten tot verdediging van hun voorrechten en immuniteiten was gebaseerd op artikel 8, lid 1, van het reglement en niet op de artikelen 7 en 9 daarvan, die daarin niet waren vermeld.

113 Het Gerecht heeft in de punten 165 en 166 van dat arrest eveneens terecht geoordeeld dat de betwisting door rekwiranten van de vermeende weigering van de voorzitter van het Parlement om hun verzoek aan de bevoegde commissie van deze instelling mee te delen, was gericht tegen een materieel niet bestaande handeling, aangezien er geen verzoek was ingediend krachtens de artikelen 7 en 9 van het reglement. Een dergelijke voorafgaande mededeling ter onderzoek door de bevoegde commissie heeft namelijk enkel betrekking op de verzoeken om verdediging van de voorrechten en immuniteiten die zijn ingediend op grond van de artikelen 7 en 9 van het reglement, die, zoals in de punten 107 en 108 van het onderhavige arrest is geoordeeld, een mechanisme instellen dat verschilt van dat van artikel 8 van het reglement.

114 Voorts moet worden gepreciseerd dat het argument dat het Gerecht, door te oordelen zoals het heeft gedaan, is voorbijgegaan aan het arrest van 21 oktober 2008, Marra (C‑200/07 en C‑201/07, EU:C:2008:579), niet kan slagen, aangezien dat arrest betrekking heeft op de – afzonderlijke – vraag naar de gevolgen die een nationale rechter bij wie een vordering tegen een lid van het Parlement aanhangig is gemaakt, moet verbinden aan het feit dat de betrokkene bij het Parlement een verzoek om verdediging van voorrechten en immuniteiten heeft ingediend. Hieruit kunnen hoe dan ook geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de aard van het verzuim om een dringend initiatief als bedoeld in artikel 8 van het reglement te nemen.

115 Uit een en ander volgt dat het derde en het vierde middel van de hogere voorziening moeten worden afgewezen, zodat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.

Kosten

116 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

117 Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

118 Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van het Parlement worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Parlement, met inbegrip van die betreffende de procedure in kort geding in zaak C‑600/22 P-R.

119 Overeenkomstig artikel 184, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof beslissen dat wanneer zij niet zelf de hogere voorziening heeft ingesteld, een partij die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en aan de schriftelijke of mondelinge behandeling van de hogere voorziening heeft deelgenomen, haar eigen kosten zal dragen. In casu dient te worden beslist dat het Koninkrijk Spanje, dat in eerste aanleg heeft geïntervenieerd en heeft deelgenomen aan de schriftelijke behandeling in het kader van de onderhavige hogere voorziening, zijn eigen kosten zal dragen, met inbegrip van die betreffende de procedure in kort geding in zaak C‑600/22 P-R.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Carles Puigdemont i Casamajó en Antoni Comín i Oliveres worden verwezen in hun eigen kosten en in die van het Europees Parlement.

3) Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken