HvJ EU 22 december 2022, C-115/21, ECLI:EU:C:2022:1021

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

22 december 2022 ( *1 )

„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Leden van het Europees Parlement – Wegvallen van de verkiesbaarheid als gevolg van een strafrechtelijke veroordeling – Aankondiging dat de zetel van een lid van het Europees Parlement vacant is geworden – Verzoek in een dringend geval om het initiatief te nemen om de immuniteit van een lid van het Europees Parlement te bevestigen – Beroep tot nietigverklaring – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak C‑115/21 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 25 februari 2021,

Oriol Junqueras i Vies, wonende te Sant Joan de Vilatorrada (Spanje), vertegenwoordigd door M. Marsal i Ferret en A. Van den Eynde Adroer, abogados,

rekwirant,

andere partij in de procedure:

Europees Parlement, vertegenwoordigd door N. Görlitz en J.‑C. Puffer als gemachtigden,

verweerder in eerste aanleg,

ondersteund door:

Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta als gemachtigde,

interveniënt in hogere voorziening,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, L. S. Rossi, J.‑C. Bonichot (rapporteur), S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juni 2022,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn hogere voorziening verzoekt Oriol Junqueras i Vies om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 15 december 2020, Junqueras i Vies/Parlement (T‑24/20, EU:T:2020:601; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht zijn beroep niet-ontvankelijk verklaarde dat strekte tot nietigverklaring van ten eerste de verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement in de plenaire vergadering van 13 januari 2020 dat de zetel van rekwirant als lid van het Europees Parlement vacant is (hierna: „verklaring van 13 januari 2020”), en ten tweede de vermeende afwijzing door deze voorzitter van het verzoek om „in een dringend geval […] het initiatief” te nemen om de immuniteit van rekwirant te bevestigen, dat Riba i Giner, lid van het Europees Parlement, op 20 december 2019 had ingediend op grond van artikel 8 van het Reglement van het Parlement (hierna: „afwijzing van het verzoek van 20 december 2019”).

Toepasselijke bepalingen

Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten

2 Hoofdstuk III van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, gehecht aan het VEU en het VWEU (hierna: „Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten”), welk hoofdstuk betrekking heeft op „leden van het Europees Parlement”, bevat onder meer artikel 9, waarin het volgende is bepaald: „Tijdens de zittingsduur van het […] Parlement genieten de leden: a) op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, b) op het grondgebied van elke andere lidstaat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook. De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het […] Parlement begeven of daarvan terugkeren. Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het […] Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.”

Verkiezingsakte

3 Artikel 6, lid 2, van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (PB 1976, L 278, blz. 1; hierna: „oorspronkelijke versie van de verkiezingsakte”), zoals gewijzigd bij besluit 2002/772/EG, Euratom van de Raad van 25 juni 2002 en van 23 september 2002 (PB 2002, L 283, blz. 1) (hierna: „verkiezingsakte”), bepaalt: „De leden van het […] Parlement genieten de voorrechten en immuniteiten die op hen van toepassing zijn uit hoofde van het [Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten]”.

4 Artikel 7 van de verkiezingsakte bepaalt: „1. De hoedanigheid van lid van het […] Parlement is onverenigbaar met die van: – lid van de regering van een lidstaat; – lid van de [Europese] Commissie; – rechter in, griffier van of advocaat-generaal bij het Hof van Justitie […] of […] het Gerecht […]; – lid van de directie van de Europese Centrale Bank; – lid van de [Europese] Rekenkamer […]; – [Europese] ombudsman […]; – lid van het [Europees] Economisch en Sociaal Comité […]; – lid van het Comité van de Regio’s; – lid van comités of lichamen die krachtens de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie zijn ingesteld met oog op het beheer van middelen der Gemeenschappen of ter vervulling van een duurzame taak van rechtstreeks administratief beheer; – lid van de raad van bewind, van de directie of beambte van de Europese Investeringsbank; – ambtenaar of ander personeelslid in actieve dienst van de instellingen [van de Europese Unie] of van de daaraan verbonden gespecialiseerde lichamen of van de Europese Centrale Bank. 2. Met ingang van de verkiezing van het […] Parlement in 2004 is de hoedanigheid van lid van het […] Parlement onverenigbaar met die van lid van een nationaal parlement. […] 3. Bovendien kan iedere lidstaat onder de in artikel 8 vastgestelde voorwaarden de incompatibiliteiten uitbreiden die op nationaal niveau van toepassing zijn. […]”

5 Artikel 8 van deze akte bepaalt het volgende: „Behoudens de bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen. Die nationale bepalingen, die eventueel rekening kunnen houden met de eigenheden van de lidstaten, mogen echter over het geheel genomen geen afbreuk doen aan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging.”

6 Artikel 12 van deze akte luidt als volgt: „Het […] Parlement onderzoekt de geloofsbrieven van de leden van het Parlement […]. Hiertoe neemt [het] nota van de officieel door de lidstaten bekendgemaakte uitslagen en beslist het over de bezwaren die eventueel kunnen worden ingebracht op grond van de bepalingen van deze akte met uitsluiting van de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst.”

7 Artikel 13 van deze akte bepaalt het volgende: „1. Een zetel wordt vacant wanneer het mandaat van een lid van het […] Parlement ten einde loopt ten gevolge van zijn aftreden, zijn overlijden, of het vervallen van zijn mandaat. 2. Behoudens de overige bepalingen van deze akte, schrijft elke lidstaat passende procedures voor om de zetels die vacant zijn geworden, voor de rest van de in artikel 5 bedoelde periode van vijf jaar te doen bezetten. 3. Wanneer de wetgeving van een lidstaat uitdrukkelijk voorschrijft dat het mandaat van een lid van het […] Parlement vervalt, loopt het mandaat van de betrokkene ten einde op grond van de bepalingen van die wetgeving. De bevoegde nationale autoriteiten brengen het […] Parlement daarvan op de hoogte. 4. Wanneer een zetel vacant is geworden door aftreden of overlijden, brengt de voorzitter van het […] Parlement de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat daarvan onverwijld op de hoogte.”

Reglement

8 Onder het opschrift „Onderzoek van de geloofsbrieven” is in artikel 3 van het Reglement van het Parlement (hierna: „reglement”) bepaald: „1. Na de algemene verkiezingen voor het […] Parlement verzoekt de voorzitter de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Parlement onverwijld de namen van de gekozen leden mede te delen zodat alle leden vanaf de opening van de eerste vergadering na de verkiezingen daadwerkelijk in het Parlement zitting kunnen nemen. […] 3. Op basis van een verslag van de bevoegde commissie gaat het Parlement onverwijld over tot onderzoek van de geloofsbrieven en beslist het over de geldigheid van het mandaat van elk der nieuwgekozen leden, alsmede over eventuele bezwaren, ingebracht op grond van de [verkiezingsakte], met uitsluiting van die welke krachtens deze akte uitsluitend vallen onder de nationale bepalingen waarnaar deze akte verwijst. […] 6. De bevoegde commissie ziet erop toe dat alle voor de verkiesbaarheid van een lid of voor de verkiesbaarheid of volgorde van de vervangers relevante gegevens onverwijld door de autoriteiten van de lidstaten of de Unie ter kennis van het Parlement worden gebracht en dat in geval van een benoeming daarbij melding wordt gemaakt van de datum waarop de benoeming van kracht wordt. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten aanzien van een lid een procedure openen op grond waarvan het mandaat van dit lid vervallen zou kunnen worden verklaard, verzoekt de voorzitter [van het Parlement] deze autoriteiten hem regelmatig op de hoogte te stellen van de voortgang van de procedure. Hij verwijst de zaak naar de bevoegde commissie, op voorstel waarvan het Parlement zich over de zaak kan uitspreken.”

9 Artikel 4 van het reglement heeft als opschrift „Duur van het parlementair mandaat”. De leden 2, 4 en 7, ervan luiden als volgt: „2. […] Indien de bevoegde commissie van oordeel is dat de ontslagneming strookt met de [verkiezingsakte], wordt de zetel vacant verklaard met ingang van de door het aftredende lid in het proces-verbaal vermelde datum en deelt de voorzitter dat mee aan het Parlement. Indien de bevoegde commissie van oordeel is dat de ontslagneming niet strookt met de [verkiezingsakte], stelt zij het Parlement voor om de zetel niet vacant te verklaren. […] 4. Wanneer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of van de Unie dan wel door het betrokken lid aan de voorzitter mededeling wordt gedaan van een benoeming of verkiezing in een functie die in de zin van artikel 7, leden 1 en 2, van de [verkiezingsakte] onverenigbaar is met de hoedanigheid van lid van het […] Parlement, deelt de voorzitter dat mee aan het Parlement, dat de zetel vacant verklaart vanaf de datum van de onverenigbaarheid. Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de voorzitter in kennis stellen van de beëindiging van het mandaat van een lid van het Europees Parlement wegens een in het recht van die lidstaat vastgestelde extra onverenigbaarheid in de zin van artikel 7, lid 3, van de [verkiezingsakte] dan wel wegens het vervallen van het mandaat overeenkomstig artikel 13, lid 3, van die akte, deelt de voorzitter het Parlement mee dat het mandaat van het betrokken lid is beëindigd op de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat meegedeelde datum. Wanneer die datum niet wordt meegedeeld, eindigt het mandaat op de datum waarop de lidstaat de kennisgeving uitbracht. […] 7. Wanneer de aanvaarding of de beëindiging van het mandaat op feitelijke onjuistheden of een wilsgebrek blijkt te zijn gebaseerd, kan het Parlement het desbetreffende mandaat ongeldig verklaren dan wel weigeren te constateren dat de zetel vacant is.”

10 Artikel 5 van het reglement heeft als opschrift „Voorrechten en immuniteiten” en bepaalt: „1. De leden genieten de voorrechten en immuniteiten bedoeld in [het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten]. 2. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden met betrekking tot voorrechten en immuniteiten zet het Parlement zich in voor de handhaving van zijn integriteit als democratische wetgevende vergadering en de waarborging van de onafhankelijkheid van zijn leden bij de uitvoering van hun taken. De parlementaire immuniteit is geen persoonlijk voorrecht van de leden, doch een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden. […]”

11 Artikel 7 van het reglement, met als opschrift „Verdediging van de voorrechten en van de immuniteit”, luidt: „1. Wanneer wordt gesteld dat de voorrechten en de immuniteit van een lid of een voormalig lid door de autoriteiten van een lidstaat zijn of dreigen te worden geschonden, kan overeenkomstig artikel 9, lid 1, worden verzocht om een besluit van het Parlement over de vraag of er een schending van deze voorrechten en immuniteiten heeft plaatsgevonden of waarschijnlijk zal plaatsvinden. 2. Een dergelijk verzoek om verdediging van de voorrechten en van de immuniteit kan met name worden ingediend wanneer wordt geoordeeld dat de omstandigheden zouden neerkomen op een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking van de bewegingsvrijheid van de leden op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst van het Parlement dan wel op een bestuursrechtelijke of andersoortige beperking van een mening die is geuit of een stem die is uitgebracht tijdens de uitoefening van hun taken, of dat de omstandigheden binnen het toepassingsgebied van artikel 9 van [het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten] zouden vallen. […] 5. Wanneer een besluit is genomen om de voorrechten en de immuniteit van een lid niet te verdedigen, kan het lid bij wijze van uitzondering een verzoek indienen om het besluit te heroverwegen door nieuw bewijsmateriaal in te dienen overeenkomstig artikel 9, lid 1. Het verzoek om heroverweging is niet ontvankelijk wanneer overeenkomstig artikel 263 [VWEU] tegen het besluit beroep is ingesteld of wanneer de voorzitter [van het Parlement] van oordeel is dat het ingediende nieuwe bewijsmateriaal onvoldoende onderbouwd is om een heroverweging te rechtvaardigen.”

12 Artikel 8 van het reglement heeft als opschrift „Dringende maatregelen van de voorzitter ter bevestiging van de immuniteit” en luidt als volgt: „1. Indien een lid wordt aangehouden of van zijn bewegingsvrijheid wordt beroofd en daarbij sprake is van een vermoedelijke schending van zijn voorrechten en immuniteiten, kan de voorzitter [van het Parlement] in dringende gevallen, na raadpleging van de voorzitter en rapporteur van de bevoegde commissie, het initiatief nemen om de voorrechten en immuniteiten van het betrokken lid te bevestigen. De voorzitter [van het Parlement] stelt de commissie en het Parlement van zijn initiatief in kennis. […]”

13 Artikel 9 van het reglement heeft als opschrift „Immuniteitsprocedures” en bepaalt: „1. Elk tot de voorzitter [van het Parlement] gericht verzoek door een daartoe bevoegde autoriteit van een lidstaat om de immuniteit van een lid op te heffen, of door een lid of een voormalig lid om de voorrechten en immuniteiten te verdedigen, wordt ter plenaire vergadering meegedeeld en verwezen naar de bevoegde commissie. 2. Met instemming van het betrokken lid of voormalig lid kan het verzoek worden gedaan door een ander lid, die het betrokken lid of voormalig lid in alle fasen van de procedure vertegenwoordigt. […] 3. De commissie behandelt de verzoeken om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteiten onverwijld en met inachtneming van de relatieve complexiteit ervan. 4. De commissie stelt een met redenen omkleed ontwerpbesluit op waarin wordt aanbevolen het verzoek om opheffing van de immuniteit of om verdediging van de voorrechten en immuniteit in te willigen dan wel af te wijzen. Amendementen daarop zijn niet ontvankelijk. Bij verwerping van een ontwerpbesluit wordt het tegengestelde besluit geacht te zijn aangenomen. 5. De commissie kan de betrokken autoriteit om informatie of opheldering verzoeken die zij nodig acht om zich een oordeel te vormen over de wenselijkheid van opheffing of verdediging van de immuniteit. 6. Het betrokken lid krijgt de gelegenheid te worden gehoord en kan alle documenten of andere schriftelijke bewijsstukken overleggen die dat lid relevant acht. […] De commissievoorzitter nodigt het betrokken lid uit om te worden gehoord op een nader aangegeven datum en tijdstip. Het betrokken lid kan afstand doen van zijn recht om te worden gehoord. […] 7. Indien het verzoek om opheffing of verdediging van de immuniteit op verscheidene punten van beschuldiging berust, kan elk van deze punten in een apart besluit worden behandeld. Het verslag van de commissie kan bij wijze van uitzondering het voorstel bevatten dat de opheffing of verdediging van de immuniteit uitsluitend betrekking heeft op de strafrechtelijke vervolging, zonder dat het lid, zolang geen definitieve beslissing is gewezen, kan worden aangehouden of gevangengenomen of tegen hem enige andere maatregel kan worden genomen die in de weg staat aan de uitoefening van zijn mandaat. 8. De commissie kan een met redenen omkleed advies uitbrengen over de bevoegdheid van de betrokken autoriteit en over de ontvankelijkheid van het verzoek, maar spreekt zich in geen geval uit over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven meningen of handelingen strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt. 9. Het ontwerpbesluit van de commissie wordt geplaatst op de agenda van de eerstvolgende vergadering na de datum waarop het werd ingediend. Amendementen op het ontwerpbesluit zijn niet ontvankelijk. […] Onverminderd artikel 173 [van dit reglement] mag het lid om wiens voorrechten of immuniteiten het gaat tijdens het debat het woord niet voeren. De in het verslag vervatte ontwerpbesluiten worden bij de eerstvolgende stemming na het debat in stemming gebracht. Na de behandeling door het Parlement vindt over elk van de in het verslag vervatte ontwerpbesluiten een aparte stemming plaats. Bij verwerping van een ontwerpbesluit wordt het tegengestelde besluit geacht te zijn aangenomen. 10. De voorzitter [van het Parlement] stelt het betrokken lid en de bevoegde autoriteit van de lidstaat die hierbij betrokken is onmiddellijk van het besluit van het Parlement in kennis met het verzoek om de voorzitter in kennis te stellen van alle ontwikkelingen en rechterlijke beslissingen in de betrokken procedure. Zodra de voorzitter [van het Parlement] deze informatie ontvangt, deelt hij deze aan het Parlement mee in de door hem meest geschikt geachte vorm, zo nodig na raadpleging van de bevoegde commissie. 11. De commissie behandelt de zaak en de ontvangen documenten met de grootste vertrouwelijkheid. De behandeling door de commissie van verzoeken in verband met de immuniteitsprocedures vindt altijd met gesloten deuren plaats. 12. Het Parlement onderzoekt alleen verzoeken om opheffing van de immuniteit van een lid die zijn ingediend door de gerechtelijke autoriteiten of door de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten. […] 14. Elk door een bevoegde autoriteit ingediend verzoek om informatie over de reikwijdte van de voorrechten of immuniteiten van de leden wordt behandeld overeenkomstig bovenstaande bepalingen.”

Voorgeschiedenis van het geding

14 De in de punten 15 tot en met 31 van de bestreden beschikking uiteengezette voorgeschiedenis van het geding kan als volgt worden samengevat.

15 Junqueras i Vies was vicepresident van de Gobierno autonómico de Cataluña (autonome regering van Catalonië, Spanje) toen Ley 19/2017 del Parlamento de Cataluña, reguladora del referéndum de autodeterminación (wet 19/2017 van het parlement van Catalonië betreffende regels voor het referendum over zelfbeschikking) van 6 september 2017 (DOGC nr. 7449A van 6 september 2017, blz. 1) en Ley 20/2017 del Parlamento de Cataluña, de transitoriedad jurídica y fundacional de la República (wet 20/2017 van het parlement van Catalonië inzake de juridische overgang naar en stichting van de Republiek Catalonië) van 8 september 2017 (DOGC nr. 7451A van 8 september 2017, blz. 1) werden vastgesteld, en toen op 1 oktober 2017 het referendum over zelfbeschikking werd gehouden waarin de eerste van deze twee wetten voorzag en waarvan de bepalingen intussen waren opgeschort door een beslissing van de Tribunal Constitucional (grondwettelijk hof, Spanje).

16 Nadat deze wetten waren vastgesteld en dit referendum was gehouden, hebben het Ministerio Fiscal (openbaar ministerie, Spanje), de Abogado del Estado (landsadvocaat, Spanje) en de Partido Político VOX (politieke partij VOX) strafvervolging ingesteld tegen een aantal personen, onder wie Junqueras i Vies, omdat zij van mening waren dat deze personen hadden deelgenomen aan een afscheidingsproces en schuldig waren aan de strafbare feiten rebellie (of oproer), insubordinatie en verduistering van overheidsmiddelen.

17 Junqueras i Vies is tijdens de onderzoeksfase van die vervolging in voorlopige hechtenis genomen, ter uitvoering van een beslissing die op 2 november 2017 werd genomen op grond van artikel 503 van de Ley de Enjuiciamiento Criminal (wetboek van strafvordering).

18 Tijdens de procesfase van die procedure heeft rekwirant zich kandidaat gesteld voor de verkiezingen voor het Europees Parlement van 26 mei 2019 en werd hij verkozen als lid van het Europees Parlement, zoals blijkt uit het besluit van 13 juni 2019 van de Junta Electoral Central (centrale kiescommissie) tot bekendmaking van de bij de verkiezingen van 26 mei 2019 voor het Parlement verkozen leden (BOE nr. 142 van 14 juni 2019, blz. 62477) dat werd vastgesteld overeenkomstig artikel 224, lid 1, van Ley orgánica 5/1985, del Régimen Electoral General (organieke wet 5/1985 houdende de algemene regeling voor de organisatie van verkiezingen) van 19 juni 1985 (BOE nr. 147 van 20 juni 1985, blz. 19110; hierna: „Spaanse kieswet”). In dit besluit heeft de Junta Electoral Central ook de zetels van het Koninkrijk Spanje in het Parlement toegewezen aan de gekozenen, onder wie rekwirant.

19 Bij beschikking van 14 juni 2019 heeft de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) het verzoek van rekwirant afgewezen tot verkrijging van buitengewoon gevangenisverlof teneinde onder politietoezicht ten overstaan van de Junta Electoral Central de eed of gelofte van trouw aan de Spaanse grondwet af te leggen, zoals artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet vereist.

20 Op 20 juni 2019 heeft de Junta Electoral Central vastgesteld dat rekwirant deze eed of gelofte niet had afgelegd, diens zetel in het Parlement overeenkomstig artikel 224, lid 2, van de Spaanse kieswet vacant verklaard en alle door hem uit hoofde van zijn ambt genoten voorrechten geschorst.

21 Rekwirant heeft bij de Tribunal Supremo beroep ingesteld tegen de in punt 19 van dit arrest genoemde beschikking en zich daarbij beroepen op de immuniteiten bedoeld in artikel 9 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten.

22 Op 1 juli 2019 heeft de Tribunal Supremo besloten de behandeling van dit beroep te schorsen en het Hof prejudiciële vragen te stellen in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115).

23 Op 2 juli 2019 opende de voorzitter van het Parlement in afwezigheid van Junqueras i Vies de eerste zitting van de zittingsperiode in de samenstelling van na de verkiezingen voor het Parlement van 26 mei 2019.

24 Op 4 juli 2019 heeft Riba i Giner, lid van het Europees Parlement, namens Junqueras i Vies de voorzitter van het Parlement verzocht om op grond van artikel 8 van het reglement dringende maatregelen te nemen teneinde de parlementaire immuniteit van rekwirant te waarborgen.

25 Op 22 augustus 2019 heeft de voorzitter van het Parlement dat verzoek afgewezen.

26 Bij arrest van 14 oktober 2019 heeft de Tribunal Supremo Junqueras i Vies een vrijheidsstraf van dertien jaar opgelegd en voor dertien jaar een volstrekte ontzegging van bepaalde rechten uitgesproken die leidde tot het definitieve verlies van al zijn ambten en openbare functies, met inbegrip van door verkiezing verkregen mandaten, en het hem onmogelijk maakte om nieuwe mandaten te verkrijgen of uit te oefenen.

27 Bij arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), heeft het Hof geantwoord op de in punt 22 hierboven genoemde prejudiciële vragen. Het Hof heeft voor recht verklaard dat een persoon wiens verkiezing in het Parlement officieel is bekendgemaakt terwijl hij in voorlopige hechtenis was geplaatst in het kader van een procedure wegens ernstige strafbare feiten, maar aan wie geen toestemming is verleend om te voldoen aan bepaalde vereisten die volgens het nationale recht na deze bekendmaking moeten plaatsvinden of om zich naar het Parlement te begeven teneinde deel te nemen aan de eerste zitting ervan, derhalve moet worden geacht immuniteit te genieten krachtens artikel 9, tweede alinea, van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten. Het Hof heeft aangegeven dat deze immuniteit impliceert dat de maatregel van voorlopige hechtenis wordt opgeheven om de betrokkene in staat te stellen zich naar het Parlement te begeven en daar de door het Unierecht voorgeschreven formaliteiten te vervullen. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat, indien het volgens de bevoegde nationale rechterlijke instantie niettemin nodig is deze voorlopige hechtenis te handhaven nadat de belanghebbende de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement heeft verkregen, zij het Parlement zo spoedig mogelijk om opheffing van de immuniteit moet verzoeken op grond van artikel 9, derde alinea, van voornoemd Protocol.

28 Op 20 december 2019 heeft Riba i Giner, lid van het Europees Parlement, zich namens rekwirant opnieuw tot de voorzitter van het Parlement gewend met het verzoek om op grond van artikel 8 van het reglement dringende maatregelen te nemen om de immuniteit van rekwirant te bevestigen (hierna: „verzoek van 20 december 2019”).

29 Bij besluit van 3 januari 2020 heeft de Junta Electoral Central rekwirant onverkiesbaar verklaard omdat hij bij het in punt 26 van het onderhavige arrest genoemde arrest van 14 oktober 2019 was veroordeeld tot een vrijheidsstraf. Rekwirant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Tribunal Supremo en verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging ervan.

30 Bij beschikking van 9 januari 2020 heeft de Tribunal Supremo uitspraak gedaan over de gevolgen van het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), voor de strafprocedure tegen rekwirant. De Tribunal Supremo heeft geoordeeld dat er geen reden was om het Parlement te verzoeken om opheffing van de parlementaire immuniteit van rekwirant, met name op grond dat op het moment dat rekwirant was verkozen de strafprocedure tegen hem was beëindigd en de beraadslaging was begonnen. Volgens de Tribunal Supremo kon rekwirant, aangezien hij de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement had verkregen op het moment dat de tegen hem ingestelde strafprocedure zich reeds in de procesfase bevond, zich niet op immuniteit beroepen om de voortzetting van deze procedure te verhinderen. In het dictum van haar beschikking heeft deze rechterlijke instantie in het bijzonder geoordeeld dat er geen reden was om toe te staan dat rekwirant zich naar de zetel van het Parlement zou begeven, noch om toe te staan dat hij in vrijheid zou worden gesteld, en evenmin om het arrest van 14 oktober 2019 nietig te verklaren of om het Parlement om opheffing van de immuniteit te verzoeken. De Tribunal Supremo heeft eveneens besloten zijn beschikking aan de Junta Electoral Central en het Parlement te doen toekomen. Dezelfde dag heeft deze rechterlijke instantie besloten om het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Junta Electoral Central van 3 januari 2020 volgens de gewone procedure te onderzoeken en heeft zij de door rekwirant ingediende verzoeken om uiterst dringende maatregelen afgewezen.

31 Op 10 en 13 januari 2020 heeft Riba i Giner, lid van het Europees Parlement, het namens Junqueras i Vies ingediende verzoek van 20 december 2019 aangevuld door de voorzitter van het Parlement met name te verzoeken om te weigeren diens zetel vacant te verklaren en door aanvullende documenten over te leggen.

32 Bij de verklaring van 13 januari 2020 heeft de voorzitter van het Parlement in voltallige zitting meegedeeld dat deze instelling ten eerste naar aanleiding van het arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies (C‑502/19, EU:C:2019:1115), akte zou nemen van de verkiezing van rekwirant in het Parlement met ingang van 2 juli 2019 en, ten tweede, naar aanleiding van het besluit van 3 januari 2020 van de Junta Electoral Central en de beschikking van de Tribunal Supremo van 9 januari 2020, er akte van zou nemen dat diens zetel met ingang van 3 januari 2020 vacant was.

Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking

33 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 januari 2020, heeft Junqueras i Vies verzocht om nietigverklaring van de verklaring van 13 januari 2020 en van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019.

34 Bij afzonderlijke akte van dezelfde dag heeft rekwirant op grond van de artikelen 278 en 279 VWEU bij dit verzoekschrift een verzoek in kort geding gevoegd dat om te beginnen ertoe strekte om de tenuitvoerlegging van de verklaring van 13 januari 2020 en van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019 op te schorten, voorts om de voorzitter van het Parlement te gelasten de nodige maatregelen te treffen om zijn voorrechten en immuniteiten te beschermen en te doen gelden alsook om volledige bescherming te bieden aan zijn grondrechten op het ten volle uitoefenen van zijn mandaat als lid van het Parlement, en ten slotte om het Koninkrijk Spanje te gelasten hem onmiddellijk vrij te laten zodat hij zich van zijn taken als lid van het Parlement kon kwijten.

35 Bij beschikking van 3 maart 2020, Junqueras i Vies/Parlement (T‑24/20 R, niet gepubliceerd, EU:T:2020:78), heeft de vicepresident van het Gerecht dit verzoek in kort geding afgewezen op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarde van fumus boni juris.

36 Bij beschikking van 8 oktober 2020, Junqueras i Vies/Parlement [C‑201/20 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2020:818], heeft de vicepresident van het Hof de door rekwirant tegen die beschikking van 3 maart 2020 ingestelde hogere voorziening afgewezen.

37 Op 15 december 2020 heeft het Gerecht de bestreden beschikking vastgesteld, waarbij het, onder toewijzing van de door het Parlement als verweer opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid, de vorderingen van Junqueras i Vies, strekkende tot nietigverklaring van de verklaring van 13 januari 2020 alsook van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019, heeft verworpen omdat die waren gericht tegen handelingen die niet vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU.

38 Wat meer bepaald de vordering tot nietigverklaring van de verklaring van 13 januari 2020 betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat deze was gericht tegen een louter informatieve handeling zonder rechtsgevolg voor de situatie van Junqueras i Vies, aangezien daarin overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte slechts akte werd genomen van het feit dat het mandaat van de betrokkene na zijn strafrechtelijke veroordeling was vervallen op grond van uitsluitend het nationale recht.

39 Wat de vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019 betreft, heeft het Gerecht geoordeeld dat deze, bij gebreke van een uitdrukkelijk afwijzend besluit, was gericht tegen een niet-bestaande handeling. Subsidiair heeft het Gerecht in elk geval geoordeeld dat de door artikel 8 van het reglement geboden mogelijkheid om in een dringend geval het initiatief te nemen om de immuniteit van een lid van het Europees Parlement te bevestigen, onder de discretionaire bevoegdheid van de voorzitter van het Parlement viel en die bevoegdheid uitsluit dat van de voorzitter kan worden geëist dat hij een dergelijk initiatief neemt, zodat de afwijzing van een dergelijk verzoek niet kan worden beschouwd als een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263 VWEU.

Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

40 Bij beschikking van de president van het Hof van 9 juni 2021 is het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie aan de zijde van het Parlement.

41 Bij beschikking van 28 september 2021 heeft de president van het Hof het door Carles Puigdemont i Casamajó en Antoni Comín i Oliveres ingediende verzoek tot interventie aan de zijde van Junqueras i Vies afgewezen.

42 Met zijn hogere voorziening verzoekt Junqueras i Vies het Hof: – de bestreden beschikking te vernietigen; – het bij het Gerecht ingestelde beroep ontvankelijk te verklaren; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over de middelen waarover het Gerecht nog geen uitspraak heeft gedaan, en – het Parlement te verwijzen in de kosten van de procedure met betrekking tot de in zaak T‑24/20 opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid en van de procedure in hogere voorziening.

43 Het Parlement verzoekt het Hof: – de hogere voorziening in haar geheel ongegrond te verklaren, en – rekwirant te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening.

Hogere voorziening

44 Junqueras i Vies voert ter ondersteuning van zijn hogere voorziening vier middelen aan. Met zijn eerste drie middelen betwist hij de gronden waarop het Gerecht zijn vordering tot nietigverklaring van de verklaring van 13 januari 2020 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met zijn vierde middel betwist hij de gronden waarop het Gerecht zijn vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

45 Het Parlement betoogt primair dat het eerste, het derde en het vierde middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn op grond dat zij niet voldoen aan de vereisten van artikel 256, lid 1, eerste alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsook artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, omdat daarin niet voldoende nauwkeurig is aangegeven tegen welke rechtsoverwegingen van de bestreden beschikking zij zijn gericht en met welke juridische argumenten rekwirant zijn vordering onderbouwt. Het Parlement betoogt dat het eerste middel van de hogere voorziening eveneens niet-ontvankelijk is omdat daarmee niet wordt beoogd om de uitlegging van artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte door het Gerecht te betwisten, maar om de door het Gerecht gegeven lezing van het besluit van de Junta Electoral Central van 3 januari 2020 ter discussie te stellen, hetgeen onder de beoordeling van de feiten of de uitlegging van het nationale recht valt en in het kader van de hogere voorziening niet door het Hof kan worden getoetst.

46 Rekwirant betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

47 Hoewel de schriftelijke stukken die Junqueras i Vies heeft opgesteld ter ondersteuning van het eerste, het derde en het vierde middel van de hogere voorziening soms verward lijken, moet worden vastgesteld dat in de hogere voorziening voldoende nauwkeurig wordt vastgesteld tegen welke rechtsoverwegingen van de bestreden beschikking zij is gericht om het Hof in staat te stellen uitspraak te doen over de juridische argumenten waarmee rekwirant deze rechtsoverwegingen ter discussie wil stellen.

48 Voorts moet met betrekking tot het eerste middel van de hogere voorziening worden vastgesteld dat rekwirant met zijn betoog niet de beoordeling van de feiten of de uitlegging van het nationale recht ter discussie stelt, maar de door het Gerecht gegeven uitlegging van de verkiezingsakte.

49 Hieruit volgt dat, anders dan het Parlement stelt, het eerste, het derde en het vierde middel van de hogere voorziening ontvankelijk zijn.

Eerste tot en met derde middel

Argumenten van partijen

50 De eerste drie middelen, die samen moeten worden onderzocht, zijn, zoals aangegeven in punt 44 van het onderhavige arrest, gericht tegen de rechtsoverwegingen van de bestreden beschikking waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de vorderingen van Junqueras i Vies tot nietigverklaring van de verklaring van 13 januari 2020 niet-ontvankelijk waren.

51 Met zijn eerste middel verwijt rekwirant het Gerecht meer in het bijzonder te hebben vastgesteld dat bij de beoordeling van zijn situatie moet worden uitgegaan van incompatibiliteit of verval van mandaat in de zin van artikel 7, lid 3, en artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte, terwijl die situatie moest worden gezien als een incompatibiliteit die naderhand is ontstaan en die onder geen van deze bepalingen valt. Met zijn tweede middel betoogt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 4, lid 7, van het reglement, waarin is bepaald in welke gevallen het Parlement kan weigeren te constateren dat de zetel van een van zijn leden vacant is. Tot slot betoogt Junqueras i Vies met zijn derde middel dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, noch uit de artikelen 8 en 12 van de verkiezingsakte, noch uit artikel 3, lid 3, van het reglement volgt dat het Parlement het besluit van een lidstaat, zoals dat in de onderhavige zaak aan de orde is, niet ter discussie kan stellen.

52 Het Parlement en het Koninkrijk Spanje zijn van mening dat deze middelen moeten worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

53 Opgemerkt moet worden dat volgens artikel 7, leden 1 en 2, van de verkiezingsakte de hoedanigheid van lid van het Parlement onverenigbaar is met de uitoefening van de in deze bepaling genoemde functies. Artikel 7, lid 3, van deze akte geeft de lidstaten de mogelijkheid om extra incompatibiliteiten vast te stellen door de op nationaal niveau toepasselijke incompatibiliteiten uit te breiden.

54 Artikel 13 van de verkiezingsakte regelt de gevallen waarin een zetel van een lid van het Parlement vacant wordt ten gevolge van het aftreden, het overlijden, of het vervallen van het mandaat van dit lid. Wanneer de wetgeving van een lidstaat uitdrukkelijk het verval van het mandaat voorschrijft, loopt dit mandaat volgens lid 3 van dit artikel ten einde op grond van die wetgeving en brengen de nationale autoriteiten het Parlement daarvan op de hoogte.

55 Artikel 4, lid 4, tweede alinea, van het reglement geeft aan dat wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten het Parlement in kennis stellen van de beëindiging van het mandaat van een lid van het Europees Parlement wegens een extra incompatibiliteit in de zin van artikel 7, lid 3, van de verkiezingsakte, dan wel wegens het vervallen van zijn mandaat op grond van artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte, de voorzitter van het Parlement het Parlement meedeelt dat het mandaat van de betrokkene is beëindigd op de door de nationale autoriteiten meegedeelde datum.

56 Wat om te beginnen de rechtsgrondslag van de verklaring van 13 januari 2020 betreft, blijkt uit de punten 57 tot en met 67 van de bestreden beschikking dat het Gerecht van oordeel was dat het mandaat van Junqueras i Vies als lid van het Europees Parlement was geëindigd doordat zijn mandaat was vervallen als gevolg van de toepassing van het nationale recht in het in artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte bedoelde geval. In de punten 57 en 58 van deze beschikking heeft het Gerecht weliswaar ook artikel 7, lid 3, van de verkiezingsakte genoemd, maar dat gebeurde uitsluitend omdat artikel 4, lid 4, tweede alinea, van het reglement aan het ontstaan van een extra onverenigbaarheid in de zin van deze bepaling en het verval van een mandaat in de zin van artikel 13, lid 3, van deze akte, dezelfde gevolgen verbindt.

57 Anders dan rekwirant stelt, heeft het Gerecht aldus geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot de rechtsgrondslag van de verklaring van 13 januari 2020. Los van de terminologie in het nationale recht, vormt het feit dat het mandaat van lid van het Europees Parlement wegens een strafrechtelijke veroordeling op grond van dat recht ten einde loopt immers wel degelijk een geval waarin het mandaat vervallen is in de zin van artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte (zie in die zin met betrekking tot de oorspronkelijke versie van de verkiezingsakte arrest van 7 juli 2005, Le Pen/Parlement,C‑208/03 P, EU:C:2005:429, punt 49) en geen onverenigbaarheid in de zin van artikel 7 van de verkiezingsakte, aangezien de beëindiging van dit mandaat niet voortvloeit uit het feit dat het verbod op de gelijktijdige uitoefening van bepaalde functies niet in acht is genomen.

58 In die omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten dat het inbreuk heeft gemaakt op het recht van rekwirant op effectieve rechterlijke bescherming of op zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte en hem willekeurig zijn mandaat heeft ontnomen door te oordelen dat de verklaring van 13 januari 2020 was gebaseerd op artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte.

59 Wat vervolgens de beoordelingsmarge van het Parlement betreft met betrekking tot de gevolgen die moeten worden verbonden aan het verval van een mandaat, als dat verval zijn oorsprong vindt in het nationale recht, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat het Parlement overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2, en artikel 13, lid 2, VEU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die door de Verdragen aan deze instelling zijn verleend.

60 Tevens moet worden verduidelijkt dat door het ontbreken van een eenvormige verkiezingsprocedure, volgens artikel 8 van de verkiezingsakte voor de procedure voor de verkiezing van de leden van het Parlement in elke lidstaat de nationale bepalingen gelden, behoudens de bepalingen van de verkiezingsakte.

61 Uit de bewoordingen van artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte en uit artikel 4, lid 4, tweede alinea, van het reglement blijkt dat wanneer de zetel van een lid van het Parlement vacant wordt door een uitdrukkelijk door nationaal recht bepaald verval van diens mandaat, het mandaat alleen op grond van dit recht ten einde loopt, waarbij de nationale autoriteiten het Parlement enkel op de hoogte brengen van het verlies door de betrokkene van zijn hoedanigheid van lid van het Europees Parlement.

62 In dat geval volgt uit de rechtspraak van het Hof die betrekking heeft op artikel 12, lid 2, van de oorspronkelijke versie van de verkiezingsakte, maar ook kan worden toegepast op artikel 13, lid 3, van die akte in de op het geding toepasselijke versie, dat het Parlement over geen enkele beoordelingsmarge beschikt om te verklaren dat de zetel op grond van het nationale recht vacant is geworden (zie in die zin arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement, C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275, punt 56), aangezien zijn rol enkel erin bestaat akte te nemen van het reeds door de nationale autoriteiten geconstateerde vacant worden van de zetel (zie in die zin arrest van 7 juli 2005, Le Pen/Parlement,C‑208/03 P, EU:C:2005:429, punt 50).

63 Het staat immers aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties, in voorkomend geval na het Hof een prejudiciële verwijzing te hebben voorgelegd krachtens artikel 267 VWEU, of aan het Hof als bij het Hof een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU aanhangig is gemaakt, om na te gaan of de nationaalrechtelijke procedure waardoor het mandaat van lid van het Parlement is komen te vervallen, verenigbaar is met het Unierecht [zie in die zin beschikking van de vicepresident van het Hof van 8 oktober 2020, Junqueras i Vies/Parlement, C‑201/20 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2020:818, punt 66].

64 Het feit dat artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte in de op het geding toepasselijke versie, anders dan de oorspronkelijke versie van de verkiezingsakte, geen gebruik meer maakt van de woorden „akte neemt”, doet niet af aan de voorgaande analyse, aangezien uit de bewoordingen van deze bepaling en uit die van artikel 4, lid 4, tweede alinea, van het reglement blijkt dat het Parlement, als het verval van een mandaat uitdrukkelijk in het nationale recht is voorgeschreven, door de nationale autoriteiten enkel ervan op de hoogte worden gebracht dat het mandaat overeenkomstig het nationale recht is beëindigd.

65 Het Parlement heeft daarentegen een actievere rol wanneer het mandaat ten einde loopt door het aftreden of overlijden van een van de leden ervan. In die gevallen moet deze instelling overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de verkiezingsakte het vacant worden van de zetel zelf constateren en de nationale autoriteiten daarvan op de hoogte brengen (zie in die zin arrest van 7 juli 2005, Le Pen/Parlement,C‑208/03 P, EU:C:2005:429, punt 50).

66 In deze context kan aan de mogelijkheid die het Parlement volgens artikel 4, lid 7, van het reglement heeft om in geval van feitelijke onjuistheden of een wilsgebrek te weigeren te constateren dat de zetel van een van zijn leden vacant is, hoe dan ook geen uitvoering worden gegeven in gevallen waarin het Parlement van meet af aan niet de bevoegdheid heeft om een dergelijk vacant worden vast te stellen. Zoals in punt 62 van het onderhavige arrest is uiteengezet, beschikt het Parlement echter niet over een dergelijke bevoegdheid wanneer het vacant worden van de zetel het gevolg is van het verval van een mandaat overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte.

67 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het reglement een interne-organisatiemaatregel is, waarbij het niet mogelijk is om zonder aan de normenhiërarchie voorbij te gaan, aan het Parlement bevoegdheden toe te kennen die niet uitdrukkelijk door een normatieve handeling, in casu de verkiezingsakte, zijn erkend (zie in die zin arrest van 30 april 2009, Italië en Donnici/Parlement, C‑393/07 en C‑9/08, EU:C:2009:275, punten 47 en 48).

68 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht hoe dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat deze instelling geen gebruik kon maken van de mogelijkheid van artikel 4, lid 7, van het reglement om te weigeren te constateren dat de zetel van Junqueras i Vies vacant was.

69 Zoals het Gerecht in punt 60 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld, vindt deze analyse steun in de bewoordingen van de artikelen 8 en 12 van de verkiezingsakte en van artikel 3, lid 3, van het reglement, waarin eraan wordt herinnerd dat de verkiezingsprocedure nog steeds door het nationale recht wordt beheerst en waarin wordt aangegeven dat het Parlement slechts bevoegd is om uitspraak te doen over geschillen betreffende de toepassing van de verkiezingsakte, met uitsluiting van die betreffende de toepassing van nationale bepalingen.

70 In dit verband moet worden benadrukt dat de term „verkiezingsprocedure” in artikel 8, lid 1, van de verkiezingsakte niet alleen duidt op de regels voor de stemming en de toekenning van de mandaten, maar, anders dan rekwirant stelt, ook op de regels inzake verkiesbaarheid van de leden van het Parlement. Hieruit volgt dat de onverkiesbaarheid die op grond van de Spaanse kieswet tot het verval van het mandaat van Junqueras i Vies heeft geleid, wel degelijk, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, valt onder de in het nationale recht geregelde „verkiezingsprocedure” in de zin van artikel 8, lid 1, van de verkiezingsakte waarbij de controle op de naleving ervan geen taak van het Parlement is.

71 Ten slotte moet de door rekwirant subsidiair opgeworpen exceptie van onwettigheid van artikel 13, lid 3, van de verkiezingsakte en artikel 4, lid 7, van het reglement niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze exceptie voor het eerst in hogere voorziening is opgeworpen (zie in die zin arrest van 4 maart 2020, Marine Harvest/Commissie,C‑10/18 P, EU:C:2020:149, punten 124‑126).

72 Uit een en ander volgt dat, aangezien de verklaring van 13 januari 2020 louter informatief van aard is en dus geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept die de belangen van rekwirant kunnen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vordering van Junqueras i Vies tot nietigverklaring van die verklaring gericht was tegen een handeling waartegen geen beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU kon worden ingesteld.

73 Hieruit volgt dat de eerste drie middelen van de hogere voorziening moeten worden verworpen.

Vierde middel

Argumenten van partijen

74 Met zijn vierde middel betwist Junqueras i Vies de gronden waarop het Gerecht zijn vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij verwijt het Gerecht dat het in de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een op basis van artikel 8 van het reglement genomen initiatief van de voorzitter van het Parlement niet bindend was voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en geen gevolgen had voor de rechtspositie van het betrokken lid van het Europees Parlement.

75 Het Parlement en het Koninkrijk Spanje zijn van mening dat dit middel moet worden afgewezen.

Beoordeling door het Hof

76 Uit de punten 103 tot en met 106 van de bestreden beschikking blijkt dat het Gerecht zich voor de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019 primair heeft gebaseerd op het feit dat bij gebreke van een uitdrukkelijk antwoord van de voorzitter van het Parlement op dit verzoek en bij gebreke van specifieke bepalingen of omstandigheden op grond waarvan kon worden vastgesteld dat er een stilzwijgend afwijzend besluit tot stand was gekomen, deze vordering was gericht tegen een niet-bestaande handeling. Slechts ten overvloede heeft het Gerecht in de punten 107 tot en met 137 van de bestreden beschikking gepreciseerd dat, gesteld al dat uit de verklaring van 13 januari 2020 het bestaan zou blijken van een stilzwijgend besluit tot afwijzing van het verzoek van 20 december 2019, de vordering van rekwirant tot nietigverklaring van dat besluit hoe dan ook eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat die vordering is gericht tegen een handeling waartegen geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. Anders dan het geval is bij een antwoord op een verzoek om verdediging van de voorrechten en immuniteiten dat is ingediend op grond van artikel 9 van het reglement, valt een initiatief tot bevestiging van de voorrechten en immuniteiten van een lid van het Europees Parlement op basis van artikel 8, lid 1, van dat reglement volgens het Gerecht immers onder een discretionaire bevoegdheid van de voorzitter van het Parlement en heeft het dus geen enkel bindend karakter voor de bevoegde nationale autoriteiten, noch enig rechtsgevolg voor de situatie van het betrokken lid van het Parlement.

77 Wat de primaire motivering van het Gerecht betreft, verwijst rekwirant enkel naar de chronologie van de feiten van vóór het verzoek van 20 december 2019, zonder uiteen te zetten waarom deze chronologie tot de vaststelling zou moeten leiden dat het stilzwijgen van de voorzitter van het Parlement over dit verzoek tot een stilzwijgend afwijzend besluit heeft geleid. Een dergelijk betoog moet in deze omstandigheden niet-ontvankelijk worden verklaard. Het is niet mogelijk om daarmee de gevolgtrekking van het Gerecht ter discussie te stellen dat het door rekwirant ingestelde beroep tot nietigverklaring van de afwijzing van het verzoek van 20 december 2019 tegen een niet-bestaande handeling was gericht.

78 In die omstandigheden is het betoog dat Junqueras i Vies voor het overige heeft ontwikkeld ter ondersteuning van het vierde middel van de hogere voorziening, dat is gericht tegen de overwegingen die het Gerecht ten overvloede in aanmerking heeft genomen in de punten 107 tot en met 137 van de bestreden beschikking, niet ter zake dienend.

79 Hieruit volgt dat het vierde middel van de hogere voorziening moet worden verworpen en de hogere voorziening moet worden afgewezen.

Kosten

80 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

81 Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd.

82 Aangezien rekwirant in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van het Parlement worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van het Parlement.

83 Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instanties die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Bijgevolg zal het Koninkrijk Spanje, als interveniënt in de onderhavige hogere voorziening, zijn eigen kosten dragen.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart:

1) De hogere voorziening wordt afgewezen.

2) Oriol Junqueras i Vies draagt behalve zijn eigen kosten tevens de kosten van het Parlement.

3) Het Koninkrijk Spanje draagt zijn eigen kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Spaans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in