HvJ EU 30 april 2026, C-748/24, ECLI:EU:C:2026:358
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
30 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/343 – Artikelen 3 en 4 – Vermoeden van onschuld – Artikel 48, lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Beschikking houdende beëindiging van de vervolging – Rechterlijke beslissing waarbij geen uitspraak is gedaan over de schuld – Vernietiging en terugverwijzing naar een lagere rechter – Vaststellingen van de hogere rechter omtrent de vraag of de bestanddelen van een strafbaar feit vervuld zijn – Verplichting van de lagere rechter om de beoordelingen van de hogere rechter over te nemen – Passende maatregelen in het geval van schending van het vermoeden van onschuld”
In zaak C‑748/24 [Kotaňák] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Mestský súd Bratislava I (rechter in eerste aanleg Bratislava I, Slowakije) bij beslissing van 25 april 2024, ingekomen bij het Hof op 29 oktober 2024, in de strafprocedure tegen
AC,
in tegenwoordigheid van:
Okresná prokuratúra Bratislava III,
LZ,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), kamerpresident, O. Spineanu-Matei, S. Rodin, N. Fenger en A. Kornezov, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– AC, vertegenwoordigd door M. Mandzák, P. Pechanec en M. Pohovej, advokáti,
– de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door haar gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lindenthal en M. Wasmeier als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 2026,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 4 en 6 van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1), artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en de beginselen van doeltreffendheid en voorrang van het Unierecht.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die tegen AC wordt gevoerd wegens laster.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2016/343
3 De overwegingen 16 en 48 van richtlijn 2016/343 luiden: „(16) Het vermoeden van onschuld zou worden geschonden wanneer in openbare verklaringen van overheidsinstanties of in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld een verdachte of beklaagde als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. Dergelijke verklaringen en rechterlijke beslissingen mogen niet de mening weergeven dat deze persoon schuldig is. Dit mag geen afbreuk doen aan handelingen van de vervolgende instantie die erop gericht zijn te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is, zoals de tenlastelegging, noch aan rechterlijke beslissingen op grond waarvan voorwaardelijke straffen in werking treden, op voorwaarde dat de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd. Dit mag evenmin afbreuk doen aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die worden genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties en die zijn gebaseerd op een verdenking of op belastende bewijzen, zoals beslissingen inzake voorlopige hechtenis, op voorwaarde dat in dergelijke beslissingen de verdachte of de beklaagde niet als schuldig wordt aangeduid. Alvorens een voorlopige beslissing van procedurele aard te nemen moet de bevoegde instantie wellicht eerst nagaan of er voldoende belastende bewijzen jegens de verdachte of beklaagde zijn die de betrokken beslissing rechtvaardigen, en in de beslissing kan daarnaar worden verwezen. […] (48) Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften, moeten de lidstaten de in deze richtlijn vastgestelde rechten kunnen uitbreiden om een hoger beschermingsniveau te bieden. Het door de lidstaten geboden beschermingsniveau mag nooit lager zijn dan de normen die zijn opgenomen in het Handvest of het [op 4 november 1950 te Rome ondertekend Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)], zoals uitgelegd door het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”
4 Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt: „Deze richtlijn is van toepassing op natuurlijke personen die verdachten of beklaagden zijn in strafprocedures. Zij is van toepassing op elk stadium van strafprocedures, vanaf het moment waarop iemand ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit of een vermeend strafbaar feit te hebben begaan, tot de beslissing inzake de uiteindelijke vaststelling of de betrokkene het strafbaar feit heeft begaan onherroepelijk is geworden.”
5 Artikel 3 van die richtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan.”
6 Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift „Publieke verwijzingen naar schuld”, bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een verdachte of beklaagde in openbare verklaringen van overheidsinstanties en in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, niet als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. Dit doet geen afbreuk aan handelingen van de vervolgende instanties die erop zijn gericht te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is, noch aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die zijn genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties, en die zijn gebaseerd op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal. 2. De lidstaten zorgen, overeenkomstig deze richtlijn en met name artikel 10, ervoor dat passende maatregelen ter beschikking staan in het geval van een schending van de in lid 1 van dit artikel vastgelegde verplichting om verdachten of beklaagden niet als schuldig aan te duiden.”
7 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343 luidt: „De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen.”
8 Artikel 10, lid 1, van deze richtlijn bepaalt het volgende: „De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken wanneer hun rechten uit hoofde van deze richtlijn zijn geschonden.”
Slowaaks recht
9 § 373, leden 1 en 2, van de Trestný zakon (wetboek van strafrecht), die het strafbare feit van laster omschrijft, luidt als volgt: „(1) Eenieder die over een andere persoon valse informatie verspreidt die de reputatie van deze persoon onder medeburgers in aanzienlijke mate kan schaden, hem in zijn werk of werkzaamheden kan benadelen, zijn familierelaties kan aantasten of hem op een andere wijze ernstige schade kan toebrengen, wordt gestraft met een gevangenisstraf van maximaal twee jaren. (2) Degene die het strafbaar feit pleegt, kan worden gestraft met een gevangenisstraf van een tot vijf jaren indien hij het in lid 1 bedoelde feit pleegt: […] c) in het openbaar”.
10 § 327, lid 1, van de Trestný poriadok (wetboek van strafvordering) bepaalt: „De rechterlijke instantie waarnaar de zaak voor hernieuwde behandeling en afdoening is verwezen, is gebonden aan het juridische standpunt dat de rechter in tweede aanleg in zijn uitspraak heeft vervat en is gehouden de handelingen te verrichten en de bewijzen te verzamelen die door de rechter in tweede aanleg zijn bevolen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Op 18 november 2020 heeft de Okresná prokuratúra Bratislava III (openbaar aanklager Bratislava III, Slowakije) bij de Okresný súd Bratislava III (rechter in eerste aanleg Bratislava III, Slowakije) een tenlastelegging ingediend tegen AC wegens laster, in de zin van § 373, lid 1 en lid 2, onder c), van het wetboek van strafrecht. Hij wordt ervan beschuldigd dit misdrijf te hebben gepleegd door meerdere video’s met daarin een reeks onjuiste beweringen online te zetten.
12 Bij beschikking van 8 november 2021 heeft de Okresný súd Bratislava III de vervolging beëindigd op grond dat het in de tenlastelegging bedoelde gedrag geen strafbaar feit vormde.
13 De Okresná prokuratúra Bratislava III heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 8 februari 2022 heeft de Krajský súd v Bratislave (rechter in tweede aanleg Bratislava, Slowakije) de beschikking van de rechter in eerste aanleg vernietigd en de zaak naar die rechter terugverwezen voor een nieuwe uitspraak na een herbeoordeling van al het bewijsmateriaal.
14 In de motivering van zijn beschikking heeft het Krajský súd v Bratislave met name geoordeeld dat „[g]elet op de inhoud ervan, […] de onware informatie van louter intieme aard die de beklaagde door middel van zijn geposte video met een groot aantal volgers heeft gedeeld, ernstige schade [kan] toebrengen aan de relaties van het slachtoffer met haar partners, familie en vrienden, en de betrouwbaarheid van het slachtoffer in twijfel [kan] trekken”.
15 Bij beschikking van 3 oktober 2022 heeft de Okresný súd Bratislava III de vervolging van AC opnieuw beëindigd.
16 De Okresná prokuratúra Bratislava III heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 18 april 2023 heeft de Krajský súd v Bratislave de beschikking van de rechter in eerste aanleg van 3 oktober 2022 vernietigd en de zaak terugverwezen naar die rechter voor een nieuwe uitspraak.
17 In de motivering van zijn beschikking heeft de Krajský súd v Bratislave de beoordelingen uit zijn beschikking van 8 februari 2022 herhaald en met name de volgende aanwijzingen toegevoegd: „Uit de bewijsmiddelen die in het vooronderzoek zijn onderzocht en waarop zich ook [de rechter in eerste aanleg] heeft gebaseerd, volgt duidelijk dat de beklaagde leugens verspreidt over het slachtoffer en haar aanvalt, waardoor zij in contacten met haar familie en de mensen uit haar omgeving in zeer onaangename situaties terecht is gekomen. De intieme relatie tussen het slachtoffer en SB is door de beklaagde verzonnen, en hetgeen beklaagde in zijn uitlatingen aangeeft heeft nooit plaatsgevonden […]. Met betrekking tot de vraag welk deel van de gepubliceerde informatie onwaar zou zijn, gaat het hierbij ongetwijfeld om de informatie waarvan de juistheid op basis van de onderzochte bewijsmiddelen in het vooronderzoek is geverifieerd, namelijk die betreffende de intieme relatie tussen het slachtoffer en getuige SB, alsook de seksuele praktijken die beklaagde duidelijk in zijn video heeft omschreven.”
18 Na een reorganisatie van het Slowaakse rechterlijke stelsel is de bevoegdheid om kennis te nemen van het hoofdgeding op 1 juni 2023 overgedragen aan de Mestský súd Bratislava I (rechter in eerste aanleg Bratislava I, Slowakije), de verwijzende rechter.
19 Voor die rechter voert AC aan dat bepaalde beoordelingen van de rechter in tweede aanleg het vermoeden van onschuld schenden, aangezien zij geen ruimte laten voor twijfel over zijn schuld, terwijl die rechter niet hoefde te oordelen of de tegen AC ingebrachte beschuldigingen gegrond waren. Hij is dan ook van mening dat de verwijzende rechter de beoordelingen van de rechter in tweede aanleg terzijde moet schuiven.
20 De verwijzende rechter wijst erop dat hij volgens de Slowaakse procedureregels gebonden is aan de beoordelingen van de rechter in tweede aanleg. Hij is echter van oordeel dat die beoordelingen het vermoeden van onschuld van AC en zijn rechten van de verdediging schenden.
21 In dit verband koestert deze rechter met name twijfels over de evenredigheid van die beoordelingen, aangezien de hogere rechter zich krachtens de Slowaakse regelgeving had kunnen beperken tot de vaststelling dat de beslissing in eerste aanleg onjuist was en de rechter in eerste aanleg had kunnen opdragen om bewijsmateriaal te verzamelen. Bovendien vraagt de verwijzende rechter zich af of het relevant is dat de hogere rechter in zijn uitspraak uitsluitend rekening heeft gehouden met het bewijsmateriaal dat gedurende de fase van het vooronderzoek is verkregen, zonder dat de beklaagde daarover een standpunt heeft kunnen innemen.
22 Voorts vraagt de verwijzende rechter zich af welke passende maatregelen, in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343, in voorkomend geval moeten worden genomen om een schending van het vermoeden van onschuld te verhelpen. Meer bepaald stelt hij zich de vraag of het noodzakelijk is om de juridisch bindende beoordelingen van de hogere rechter naast zich neer te leggen, of zelfs om te besluiten om de rechters van die rechterlijke instantie te wraken.
23 In die omstandigheden heeft de Mestský súd Bratislava I de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Staan het recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld krachtens artikel 48, lid 1, van het Handvest […], gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn [2016/343], alsmede het evenredigheidsbeginsel en de rechten van de verdediging krachtens artikel 48, lid 2, van het Handvest […] eraan in de weg dat een hogere rechter in een beroep dat door de openbaar aanklager is ingesteld tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg tot beëindiging van de vervolging, in de motivering van zijn beslissing, nog voordat er over de zaak ten gronde is beslist en zonder dat de bewijsmiddelen in de zaak ter terechtzitting zijn onderzocht, de volgende conclusies feitelijk en rechtens formuleert: ‚Gelet op de inhoud ervan, kan de onware informatie van louter intieme aard die de beklaagde door middel van zijn geposte video met een groot aantal volgers heeft gedeeld, ernstige schade toebrengen aan de relaties van het slachtoffer met haar partners, familie en vrienden, en de betrouwbaarheid van het slachtoffer in twijfel trekken […]. Uit de bewijsmiddelen die in het vooronderzoek zijn verzameld en waarop ook [de rechter in eerste aanleg] zich heeft gebaseerd, volgt duidelijk dat de beklaagde leugens verspreidt over het slachtoffer en haar aanvalt, waardoor zij in contacten met haar familie en de mensen uit haar omgeving in zeer onaangename situaties terecht is gekomen. De intieme relatie tussen het slachtoffer en SB is door de beklaagde verzonnen, en hetgeen beklaagde in zijn uitlatingen aangeeft heeft nooit plaatsgevonden […]. Met betrekking tot de vraag welk deel van de gepubliceerde informatie onwaar zou zijn, gaat het hierbij ongetwijfeld om de informatie waarvan de juistheid op basis van de onderzochte bewijsmiddelen in het vooronderzoek is geverifieerd, namelijk die betreffende de intieme relatie tussen het slachtoffer en getuige SB, alsook de seksuele praktijken die beklaagde duidelijk in zijn video heeft omschreven.’ 2) Wordt de beantwoording van de eerste vraag beïnvloed door de omstandigheid dat de hogere rechterlijke instantie niet door de nationale wetgeving of praktijk werd verplicht om in de motivering van haar vernietigingsbeslissing de feitelijke en juridische omstandigheden te beoordelen, en dat deze motivering had kunnen zijn beperkt tot de vaststelling dat de beslissing van de lagere rechter gebrekkig was omdat de rechter in eerste aanleg de bewijsmiddelen ter terechtzitting had moeten onderzoeken en op basis van de resultaten van dat onderzoek uitspraak had moeten doen? 3) Wordt de beantwoording van de eerste vraag beïnvloed door de omstandigheid dat de hogere rechterlijke instantie bij de beoordeling van de klacht van de openbaar aanklager uitspraak heeft gedaan op basis van uitsluitend de bewijsmiddelen die in het vooronderzoek waren verzameld en nog niet eens door de rechter in eerste aanleg waren onderzocht? 4) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: zijn de volgende handelingen en beslissingen passende maatregelen om de eerbiediging van het vermoeden van onschuld te waarborgen in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn [2016/343]: – een handeling van de nationale rechter in eerste aanleg waarbij hij op grond van het beginsel van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht de juridische en feitelijke conclusies die de hogere rechterlijke instantie in de motivering van haar beslissing heeft vervat naast zich neerlegt voor zover deze in strijd zijn met het Unierecht, hoewel deze conclusies volgens de nationale wetgeving in beginsel rechtens bindend zouden zijn, en de zaak op basis van het onderzoek ter terechtzitting zelf afdoet; of – een handeling van de rechter in eerste aanleg waarbij hij op grond van het beginsel van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht de juridische en feitelijke conclusies die de hogere rechterlijke instantie in de motivering van haar beslissing heeft vervat naast zich neerlegt voor zover deze in strijd zijn met het Unierecht, hoewel deze conclusies volgens de nationale wetgeving in beginsel rechtens bindend zouden zijn, en de zaak nogmaals afdoet met dezelfde beslissing tot beëindiging van de procedure als die welke al eens door de hogere rechterlijke instantie is vernietigd; of – de wraking van de rechters van de hogere rechterlijke instantie wegens het ontbreken van onpartijdigheid door schending van het vermoeden van onschuld, op grond van een door beklaagde opgeworpen vermoeden van partijdigheid?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
24 De Slowaakse regering betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing.
25 Om te beginnen betoogt deze regering dat de verwijzende rechter niet de redenen heeft aangegeven waarom hij heeft beslist om dit verzoek te formuleren, zodat het Hof niet over voldoende informatie beschikt over het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst.
26 Voorts stelt die regering dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht niet nodig is om het hoofdgeding af te doen. De procedure in het hoofdgeding is namelijk geen beroep dat gericht is op de vaststelling van passende maatregelen in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343. In dat verband kan een eventuele vaststelling dat de motivering van de beslissing van de rechter in tweede aanleg het vermoeden van onschuld schendt geen gevolgen hebben voor de geldigheid van die beslissing. De beoordelingen in die beslissing zouden de verwijzende rechter overigens niet beletten om – na het bewijsmateriaal op tegenspraak te hebben onderzocht – uitspraak te doen over de schuld of onschuld van de beklaagde. Bovendien is de verwijzende rechter niet bevoegd om de wraking van rechters van de rechterlijke instantie in tweede aanleg uit te spreken.
27 In herinnering dient te worden gebracht dat het vaste rechtspraak is dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om gelet op de bijzonderheden van het geval zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht om daarop te antwoorden (zie arresten van 21 april 1988, Pardini, 338/85, EU:C:1988:194, punt 8, en 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 61).
28 Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, dat het vraagstuk van hypothetische aard is, of dat het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie arresten van 13 juli 2000, Idéal tourisme, C‑36/99, EU:C:2000:405, punt 20, en 24 juli 2023, Lin, C‑107/23 PPU, EU:C:2023:606, punt 62).
29 Wat dat betreft moet in de eerste plaats met betrekking tot het betoog dat de verwijzingsbeslissing onvolledig is, worden benadrukt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, waaraan thans uiting wordt gegeven in artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering, de nationale rechter – wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen – een omschrijving dient te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of ten minste de feiten dient uiteen te zetten waarop die vragen zijn gebaseerd. Het is voorts volgens artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering onontbeerlijk dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing de redenen worden uiteengezet die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht om zich vragen te stellen over de uitlegging of de geldigheid van sommige bepalingen van het recht van de Unie, alsook dat het verband wordt aangegeven tussen die bepalingen en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wettelijke regeling [zie arrest van 26 januari 1993, Telemarsicabruzzo e.a., C‑320/90–C‑322/90, EU:C:1993:26, punt 6; beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C‑116/00, EU:C:2000:350, punt 16, en arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 48].
30 In casu moet worden vastgesteld dat de verwijzingsbeslissing het feitelijke en juridische nationale kader uiteenzet waarin de voorgelegde vragen worden geplaatst. Bovendien vermeldt deze beslissing, zoals blijkt uit de punten 20 tot en met 22 van het onderhavige arrest, de redenen die de verwijzende rechter ertoe hebben gebracht zich vragen te stellen over de uitlegging van een aantal bepalingen van het Unierecht.
31 Hieruit volgt dat die beslissing voldoet aan de vereisten van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering en dat zij dus voldoende gegevens bevat om het Hof in staat te stellen de gestelde vragen te beantwoorden.
32 Wat in de tweede plaats het betoog betreft dat een antwoord van het Hof op de gestelde vragen niet noodzakelijk is om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding, moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter heeft gepreciseerd dat hij zich op grond van de Slowaakse regelgeving bij het onderzoek van het hoofdgeding moet houden aan de beoordelingen van de rechter in tweede aanleg.
33 In deze context strekken de gestelde vragen ertoe de verwijzende rechter in staat te stellen om te bepalen of die beoordelingen verenigbaar zijn met het uit richtlijn 2016/343 en artikel 48, lid 1, van het Handvest voortvloeiende vereiste van eerbiediging van het vermoeden van onschuld, en, indien deze beoordelingen en dit vereiste niet met elkaar verenigbaar zijn, daaruit de consequenties te trekken.
34 Derhalve blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht in het algemeen op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
35 Wat daarentegen meer in het bijzonder het derde onderdeel van de vierde vraag betreft, kan uit de verwijzingsbeslissing niet worden opgemaakt dat de Mestský súd Bratislava I, die een rechter in eerste aanleg is, bevoegd is om uitspraak te doen over een eventuele wraking van de rechters van een rechterlijke instantie in tweede aanleg of dat hij op enigerlei wijze gevolgen kan verbinden aan een eventuele uit het Unierecht voortvloeiende verplichting om dergelijke rechters te wraken.
36 Bijgevolg blijkt duidelijk dat een uitlegging van de Unieregels die ertoe strekt te beoordelen of zij een dergelijke verplichting opleggen, geen enkel verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding.
37 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de vierde vraag niet-ontvankelijk is aangezien zij betrekking heeft op de wraking van de rechters van een rechterlijke instantie in tweede aanleg, en dat de gestelde vragen voor het overige ontvankelijk zijn.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
38 Met zijn eerste drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met artikel 48 van het Handvest inzake het vermoeden van onschuld, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een strafrechter die uitspraak doet op een hoger beroep tegen een beslissing tot beëindiging van de strafvervolging omdat er geen strafbaar feit is gepleegd, een gedetailleerd standpunt inneemt over het belastend bewijsmateriaal door in feite en in rechte te beoordelen of de bestanddelen van het betrokken strafbare feit zijn vervuld, hoewel hij daartoe krachtens de nationale regelgeving niet verplicht is om tot een beslissing te komen, en deze beoordeling uitsluitend is gebaseerd op het bewijsmateriaal dat tijdens het vooronderzoek is verzameld, zonder dat de beklaagde daarover zijn standpunt heeft kunnen uiten.
39 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat een verdachte of beklaagde in openbare verklaringen van overheidsinstanties en in andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, niet als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat dit geen afbreuk doet aan handelingen van de vervolgende instanties die erop zijn gericht te bewijzen dat de verdachte of beklaagde schuldig is, noch aan voorlopige beslissingen van procedurele aard, die zijn genomen door rechterlijke of andere bevoegde instanties en die zijn gebaseerd op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal.
40 Uit artikel 6, lid 1, van deze richtlijn volgt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat dit geen afbreuk doet aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen.
41 Ter vaststelling van de draagwijdte van deze bepalingen met betrekking tot het onderzoek dat een strafrechter kan verrichten in een situatie als bedoeld in de eerste drie vragen, zij er om te beginnen aan herinnerd dat richtlijn 2016/343 slechts voorziet in een minimale harmonisatie van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om bij de terechtzitting aanwezig te zijn (zie in die zin arrest van 19 september 2018, Milev, C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punten 45 en 46).
42 In het kader van deze minimale harmonisatie maakt deze richtlijn een onderscheid tussen rechterlijke beslissingen die betrekking hebben op de vaststelling van schuld, die noodzakelijkerwijs aan het einde van de strafprocedure worden genomen, en andere procedurele handelingen, zoals handelingen van vervolgende instanties en voorlopige beslissingen van procedurele aard (zie in die zin arrest van 28 november 2019, Spetsializirana prokuratura, C‑653/19 PPU, EU:C:2019:1024, punt 32).
43 In casu hebben de eerste drie vragen betrekking op een voorbereidende fase van de strafprocedure, waarin een rechter in tweede aanleg zich moet uitspreken over de rechtmatigheid van een beslissing in eerste aanleg waarbij wordt bepaald of een tenlastelegging een toereikende grondslag vormt voor een proces.
44 Een dergelijke beslissing van de rechter in tweede aanleg moet, gelet op het voorwerp ervan, worden aangemerkt als een andere rechterlijke beslissing dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld in de zin van artikel 4, lid 1, van die richtlijn.
45 Deze richtlijn bevat evenwel geen regels die de materiële en procedurele voorwaarden voor de vaststelling van een dergelijke beslissing preciseren.
46 In het bijzonder bepaalt zij noch welk soort elementen aanwezig moet zijn om die beslissing te kunnen vaststellen, noch de wijze waarop de bewijzen met het oog op die vaststelling eventueel kunnen worden beoordeeld.
47 In dit verband moet met name worden opgemerkt dat artikel 6 van richtlijn 2016/343 weliswaar bepaalde regels bevat inzake de verdeling van de bewijslast in strafprocedures, maar dat deze regels betrekking hebben op de vaststelling van schuld van verdachten en beklaagden, en derhalve niet tot doel hebben de bewijsvoering bij de vaststelling van een voorlopige beslissing als die in het hoofdgeding te regelen (zie in die zin arrest van 28 november 2019, Spetsializirana prokuratura, C‑653/19 PPU, EU:C:2019:1024, punt 33).
48 Aangezien de materiële en procedurele voorwaarden voor de vaststelling van een beslissing als aan de orde in het hoofdgeding uitsluitend door het nationale recht worden bepaald (zie in die zin arrest van 28 november 2019, Spetsializirana prokuratura, C‑653/19 PPU, EU:C:2019:1024, punt 38), kunnen de algemene procedureregels die gelden voor de voorbereidende fase van de strafprocedure die tot de vaststelling van een dergelijke beslissing leidt bovendien niet worden geacht het Unierecht ten uitvoer te brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest. Bijgevolg is artikel 48, lid 2, van het Handvest, dat voorziet in de eerbiediging van de rechten van de verdediging, niet van toepassing op deze voorbereidende fase van de strafprocedure.
49 Gelet op de omschrijving van de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 in artikel 2 ervan en op de algemeenheid van het beginsel dat tot uitdrukking komt in artikel 3 ervan, moet daarentegen worden geoordeeld dat laatstgenoemd artikel, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan, zonder bijzondere beperking van toepassing is in alle fasen van de strafprocedure tegen natuurlijke personen, met inbegrip van de voorbereidende fase van de strafprocedure zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
50 Evenzo blijkt uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343, op grond waarvan het verboden is dat een verdachte of beklaagde als schuldig wordt aangeduid zolang zijn schuld niet in rechte is komen vast te staan, dat deze bepaling met name van toepassing is op andere rechterlijke beslissingen dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld.
51 Wat betreft de draagwijdte van artikel 3 en artikel 4, lid 1, van deze richtlijn in een procedure als die in het hoofdgeding, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepalingen, gelezen in samenhang met overweging 16 ervan, zich niet verzetten tegen de vaststelling van voorlopige beslissingen van procedurele aard die zijn gebaseerd op verdenkingen of belastend bewijsmateriaal, op voorwaarde dat de verdachte of beklaagde in die beslissingen niet als schuldig wordt aangeduid (zie in die zin arrest van 19 september 2018, Milev, C‑310/18 PPU, EU:C:2018:732, punten 44 en 48).
52 Uit het voorgaande volgt om te beginnen dat richtlijn 2016/343 er niet aan in de weg staat dat een strafrechter met het oog op de vaststelling van een voorlopige beslissing van procedurele aard het belastend bewijsmateriaal beoordeelt teneinde na te gaan of in een bepaalde zaak kan worden overwogen dat de bestanddelen van een strafbaar feit vervuld zijn.
53 Vervolgens sluit deze richtlijn evenmin uit dat een dergelijke voorlopige beslissing wordt genomen zonder dat alle bewijs is verzameld en zonder dat de beklaagde zich daarover heeft kunnen uitspreken.
54 Tot slot, zoals de advocaat-generaal in punt 80 van zijn conclusie heeft benadrukt, staat geen enkele bepaling van die richtlijn eraan in de weg dat een dergelijke voorlopige beslissing op een gedetailleerde motivering berust.
55 Deze motivering moet evenwel overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 worden geformuleerd met inachtneming van de verplichting om de verdachte of beklaagde niet als schuldig aan te duiden.
56 Hoewel artikel 4, lid 1, de lidstaten een beoordelingsmarge laat bij de vaststelling van de voor de toepassing van deze bepaling nodige maatregelen, neemt dit niet weg dat, zoals blijkt uit overweging 48 van die richtlijn, het door de lidstaten geboden beschermingsniveau nooit lager mag zijn dan het niveau van de normen van het Handvest en het EVRM, met name die betreffende het vermoeden van onschuld [arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 40].
57 In dit verband moet worden opgemerkt dat het vermoeden van onschuld is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest, dat overeenstemt met artikel 6, lid 2, EVRM, zoals blijkt uit de toelichtingen bij het Handvest. Derhalve dient, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, bij de uitlegging van artikel 48, lid 1, ervan rekening te worden gehouden met artikel 6, lid 2, EVRM als minimumbeschermingsniveau [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58 In die omstandigheden moet voor de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met artikel 48, lid 1, van het Handvest, worden uitgegaan van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 6, lid 2, EVRM [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 42].
59 Uit die rechtspraak volgt dat het beginsel van het vermoeden van onschuld wordt geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat dat de betrokkene het betrokken strafbare feit heeft gepleegd, terwijl hij nog niet definitief is veroordeeld [zie in die zin EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, § 63, en arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 43].
60 In dit verband moet een onderscheid worden gemaakt tussen dergelijke beslissingen of verklaringen waarin het gevoel wordt weerspiegeld dat de betrokkene schuldig is – die het vermoeden van onschuld schenden – en verklaringen die zich beperken tot het beschrijven van een staat van verdenking (EHRM, 28 november 2002, Marziano tegen Italië, CE:ECHR:2002:1128JUD004531399, § 31, en 15 oktober 2013, Gutsanovi tegen Bulgarije, CE:ECHR:2013:1015JUD003452910, § 192). Een dergelijke schending van dit vermoeden kan zich evenwel ook voordoen zonder dat formeel schuld is vastgesteld, aangezien een motivering die doet vermoeden dat een magistraat de betrokkene als schuldig beschouwt, volstaat om dit vermoeden te schenden (EHRM, 19 september 2006, Matijasevic tegen Servië, CE:ECHR:2006:0919JUD002303704, § 45, en 9 maart 2023, Rigolio tegen Italië, CE:ECHR:2023:0309JUD002014809, § 94).
61 Om te beoordelen of er sprake is van een dergelijke schending van het vermoeden van onschuld moet rekening worden gehouden met zowel de door de gerechtelijke autoriteiten gebruikte bewoordingen als de specifieke omstandigheden waarin zij worden geformuleerd, evenals met de aard en de context van de betrokken procedure [zie in die zin EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, § 63, en arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 43].
62 Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft benadrukt, heeft het EHRM aldus kunnen oordelen dat een schending van het vermoeden van onschuld kon worden uitgesloten gezien de context van het „ongelukkige” gebruik van bewoordingen die erop leken te wijzen dat de schuld van de betrokkene vaststond (zie in die zin EHRM, 10 oktober 2000, Daktaras tegen Litouwen, CE:ECHR:2000:1010JUD004209598, §§ 44 en 45).
63 Het EHRM heeft echter ook verduidelijkt dat rekening moet worden gehouden met de procedure in het kader waarvan een verklaring wordt afgelegd, en dat verklaringen van rechters grondiger moeten worden onderzocht (zie in die zin EHRM, 21 september 2006, Pandy tegen België, CE:ECHR:2006:0921JUD001358302, §§ 43 en 45).
64 Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat, teneinde te verifiëren of het vermoeden van onschuld is geëerbiedigd, een rechterlijke beslissing en de motivering ervan steeds in hun geheel moeten worden onderzocht, omdat een uitdrukkelijke verwijzing in sommige passages van een rechterlijke beslissing naar het ontbreken van schuld van een persoon nutteloos zou zijn indien andere passages van die beslissing kunnen worden opgevat als een voortijdige uitdrukking van zijn schuld [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 46].
65 Voorts kunnen bepaalde vaststellingen met betrekking tot de deelname van een persoon aan een strafbaar feit of de vervulling van de bestanddelen van een dergelijk strafbaar feit worden gedaan zonder afbreuk te doen aan het vermoeden van onschuld, wanneer die vaststellingen noodzakelijk zijn voor de beslissing die de betrokken rechter moet nemen, en mits duidelijk wordt aangegeven dat de schuld van die persoon niet in rechte is komen vast te staan [zie in die zin EHRM,27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, §§ 64 en 65, en 9 maart 2023, Rigolio tegen Italië, CE:ECHR:2023:0309JUD002014809, §§ 97, 125 en 126, en arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 45].
66 Hoewel het uiteindelijk aan de verwijzende rechter is die moet uitmaken of artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met artikel 48, lid 1, van het Handvest, in de loop van de procedure voor de rechter in tweede aanleg in acht is genomen, kan het Hof in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde gerechtelijke samenwerking op basis van het dossier waarover het beschikt, deze rechter niettemin de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die voor hem van nut kunnen zijn bij de beoordeling van de gevolgen van deze bepalingen (zie in die zin arrest van 19 december 2024, Vivacom Bulgaria, C‑369/23, EU:C:2024:1043, punt 41).
67 In dit verband moet worden benadrukt dat uit het voorgaande volgt dat de verwijzende rechter, om uitspraak te kunnen doen over de eerbiediging van het vermoeden van onschuld, zowel de keuze van de door de rechter in tweede aanleg gebruikte bewoordingen als de bijzondere omstandigheden waarin deze zijn gebruikt, alsmede de aard en de context van het hoofdgeding in aanmerking zal moeten nemen teneinde te bepalen of de betwiste beoordelingen van deze rechter de indruk wekken dat AC schuldig is aan het hem verweten strafbare feit.
68 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het gebruik van bewoordingen die erop wijzen dat de rechter in tweede aanleg ervan overtuigd is dat alle bestanddelen van het betrokken strafbare feit vervuld zijn – indien dat gebruik door verwijzende rechter wordt vastgesteld – een duidelijke aanwijzing zou vormen dat deze rechter in tweede aanleg het gevoel heeft geuit dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan dit strafbare feit.
69 In dit verband lijkt de keuze van bewoordingen die de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft vermeld, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, erop te wijzen dat de rechter in tweede aanleg verder is gegaan dan het uiten van verdenkingen jegens de beklaagde.
70 Wat in de tweede plaats de bijzondere omstandigheden betreft waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bewoordingen zijn gebruikt alsook de aard en de context van het hoofdgeding, moet ten eerste worden benadrukt dat de Krajský súd v Bratislave – de rechter in tweede aanleg – een rechterlijke instantie is en de motivering van haar beslissing, zoals blijkt uit punt 63 van het onderhavige arrest, dan ook grondiger moet worden onderzocht.
71 Ten tweede moet de verwijzende rechter, zoals in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, rekening houden met het feit dat de beslissing van de rechter in tweede aanleg betrekking heeft op een voorbereidende fase van de strafprocedure, waarin in tweede aanleg uitspraak moet worden gedaan over de rechtmatigheid van een beslissing in eerste aanleg waarbij wordt bepaald of een tenlastelegging een toereikende grondslag vormt voor een proces.
72 In dit verband blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de rechter in tweede aanleg in het dictum van zijn beslissing enkel heeft gelast de zaak terug te verwijzen naar de rechter in eerste aanleg met het oog op een nieuwe beoordeling van het bewijsmateriaal en een nieuwe beslissing. Dit element kan relevant zijn om de strekking van de in de motivering van die beslissing gebruikte bewoordingen te kunnen bepalen, met name indien mocht worden geoordeeld dat deze bewoordingen in zekere mate dubbelzinnig zijn.
73 De formulering van het dictum van die beslissing volstaat op zich evenwel niet om elke schending van het vermoeden van onschuld uit te sluiten.
74 Zoals in punt 64 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet namelijk om te beginnen rekening worden gehouden met de motivering van de betrokken beslissing in haar geheel, zonder dat alleen kan worden uitgegaan van het feit dat bepaalde passages in deze beslissing impliceren dat de schuld van de beklaagde niet is bewezen.
75 Zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou voorts de opvatting dat het feit dat een beslissing is genomen in een voorbereidende fase van een strafprocedure die niet tot doel heeft uitspraak te doen over de schuld van de beklaagde, volstaat om elke schending van het vermoeden van onschuld uit te sluiten, rechtstreeks in strijd zijn met het beginsel dat dit vermoeden van toepassing is op de gehele strafprocedure. Bovendien zou een dergelijke benadering artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343 grotendeels zinloos maken.
76 Ten derde moet worden benadrukt dat, voor zover de verwijzende rechter heeft aangegeven dat volgens de nationale regelgeving niet hoeft te zijn vastgesteld dat de bestanddelen van het betrokken strafbare feit zijn vervuld om een beslissing zoals die in het hoofdgeding te kunnen nemen, een dergelijke vaststelling niet als noodzakelijk kan worden aangemerkt om de rechter in tweede aanleg in staat te stellen uitspraak te doen.
77 Hieruit volgt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie niet kan worden vergeleken met de situaties waarop de in punt 65 van dit arrest genoemde rechtspraak betrekking heeft.
78 Ten vierde moet, zoals de Slowaakse regering en de Commissie benadrukken, bij de uitlegging van de door de rechter in tweede aanleg gekozen bewoordingen rekening worden gehouden met het feit dat die rechter, die krachtens de nationale regelgeving verplicht is zijn beslissingen met redenen te omkleden, tweemaal beschikkingen van de rechter in eerste aanleg tot beëindiging van de vervolging heeft vernietigd, zodat hij het noodzakelijk kon achten zijn standpunt krachtiger en vollediger tot uitdrukking te brengen.
79 Deze omstandigheid kan evenwel hoe dan ook niet rechtvaardigen dat bewoordingen worden gebruikt die de indruk wekken dat de beklaagde schuldig is aan het hem verweten strafbare feit, aangezien het – zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie heeft benadrukt – in een voorbereidende fase van de strafprocedure volkomen toegestaan is om formuleringen te gebruiken die, met inachtneming van het vermoeden van onschuld, voldoende overtuigend zijn om de verwijzing van de beklaagde naar een rechter te rechtvaardigen.
80 Gelet op een en ander moet op de eerste drie vragen worden geantwoord dat artikel 3, artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met artikel 48 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een strafrechter die uitspraak doet op een hoger beroep tegen een beslissing tot beëindiging van de strafvervolging omdat er geen sprake is van een strafbaar feit, een gedetailleerd standpunt inneemt over het belastend bewijsmateriaal door in feite en in rechte te beoordelen of de bestanddelen van het betrokken strafbare feit zijn vervuld, hoewel hij daartoe krachtens de nationale regelgeving niet verplicht is om tot een beslissing te komen, en deze beoordeling uitsluitend is gebaseerd op het bewijsmateriaal dat tijdens het vooronderzoek is verzameld, zonder dat de beklaagde daarover zijn standpunt heeft kunnen uiten, mits die beoordeling niet het gevoel weerspiegelt dat die persoon schuldig is aan dat strafbare feit.
Vierde vraag
81 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van voorrang van het Unierecht, aldus moet worden uitgelegd dat een rechter in eerste aanleg verplicht is om de beoordelingen van een rechter in tweede aanleg die een beschikking tot beëindiging van de vervolging heeft vernietigd en de terugverwijzing van de zaak naar die rechter in eerste aanleg heeft gelast, terzijde te schuiven wanneer deze beoordelingen onverenigbaar zijn met het vermoeden van onschuld, zelfs indien de nationale regelgeving die rechter in eerste aanleg verplicht om zich aan die beoordelingen te houden en om geen gevolg te geven aan de door die rechter in tweede aanleg gelaste procedurele maatregelen.
82 Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343 bepaalt dat de lidstaten, overeenkomstig deze richtlijn en met name artikel 10, ervan, ervoor zorgen dat passende maatregelen ter beschikking staan in het geval van een schending van de in artikel 4, lid 1, van die richtlijn vastgelegde verplichting om verdachten of beklaagden niet als schuldig aan te duiden.
83 Artikel 10 verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat verdachten en beklaagden over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in het geval van schending van de in deze richtlijn vastgestelde rechten.
84 Hoewel artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343 vereist dat „passende maatregelen” ter beschikking staan, moet niettemin worden vastgesteld dat die bepaling de aard van die maatregelen niet specificeert. Bij gebreke van harmonisatie op dit punt staat het op grond van het beginsel van procedurele autonomie aan de lidstaten om deze vast te stellen. Deze maatregelen moeten evenwel voldoen aan de tweeledige voorwaarde dat zij niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door het Unierecht aan de consument verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie naar analogie arrest van 24 juni 2025, GR REAL, C‑351/23, EU:C:2025:474, punt 56).
85 In casu geeft de verwijzende rechter geen enkele aanwijzing over de maatregelen die krachtens de Slowaakse regelgeving kunnen worden genomen in het geval van schending van het vermoeden van onschuld.
86 Bovendien heeft de Slowaakse regering weliswaar verwezen naar enkele maatregelen die in dit verband in de nationale regeling ter beschikking staan, maar er moet worden vastgesteld dat deze maatregelen – zonder dat een standpunt hoeft te worden ingenomen over de geschiktheid van dergelijke maatregelen om te voldoen aan de vereisten van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2016/343 of over de eerbiediging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid – hoe dan ook niet tot doel of tot gevolg hebben dat de draagwijdte van de beoordelingen die een rechter in tweede aanleg in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding heeft verricht, ten aanzien van een rechter in eerste aanleg wordt beperkt.
87 Zoals de advocaat-generaal in punt 99 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan een rechter in eerste aanleg die zich bevindt in een situatie als die in het hoofdgeding, los van de passende maatregelen die een lidstaat moet vaststellen om overeenkomstig artikel 4, lid 2, een schending van het vermoeden van onschuld te verhelpen, verplicht zijn maatregelen te nemen om de eerbiediging van het vermoeden van onschuld te waarborgen.
88 Een dergelijke rechter moet namelijk, in het algemeen, artikel 3 van richtlijn 2016/343 eerbiedigen, dat bepaalt dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan.
89 Een rechter in eerste aanleg kan bij de vaststelling van een voorlopige beslissing van procedurele aard niet zonder artikel 3 te schenden een beoordeling van een rechter in tweede aanleg overnemen waarbij de beklaagde als schuldig wordt beschouwd voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, aangezien die rechter in eerste aanleg er in een dergelijk geval voortijdig toe zou worden gebracht om zelf deze persoon als schuldig te beschouwen.
90 Aangezien artikel 3 voldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om rechtstreekse werking te hebben, staat het krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht aan de verwijzende rechter om in voorkomend geval een nationale regeling die in de weg zou staan aan de toepassing ervan in de bij hem aanhangige zaak, buiten toepassing te laten [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91 In dit verband moet bovendien in herinnering worden gebracht dat het Unierecht zich ertegen verzet dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen in een zaak die naar haar is terugverwezen door een in hoger beroep aangezochte hogere rechterlijke instantie, naar nationaal procesrecht gebonden is aan het rechtsoordeel van die hogere rechterlijke instantie indien zij, gelet op de uitlegging die zij bij het Hof heeft gevraagd, meent dat bedoeld rechtsoordeel in strijd is met het Unierecht [zie in die zin arresten van 5 oktober 2010, Elchinov, C‑173/09, EU:C:2010:581, punt 30, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 75].
92 Hieruit volgt dat indien de verwijzende rechter van oordeel is dat, gelet op het antwoord op de eerste drie vragen, bepaalde beoordelingen van de rechter in tweede aanleg onverenigbaar zijn met het vermoeden van onschuld dat is neergelegd in artikel 3 en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met artikel 48, lid 1, van het Handvest, hij verplicht is om in zijn uitspraak in het hoofdgeding die beoordelingen buiten beschouwing te laten. Een nationale regel die hem verplicht zich aan die beoordelingen te houden, kan daaraan niet in de weg staan.
93 Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat een rechter die zich bevindt in een situatie als die in het hoofdgeding de beslissing van de rechter in tweede aanleg in haar geheel buiten toepassing zou moeten laten.
94 De omstandigheid dat bepaalde beoordelingen van een rechter in tweede aanleg het vermoeden van onschuld schenden impliceert namelijk niet noodzakelijkerwijs dat de beslissing waarin die beoordelingen zijn opgenomen in haar geheel onverenigbaar is met dat vermoeden.
95 In het bijzonder kan niet worden geoordeeld dat procedurele maatregelen die door een rechter in tweede aanleg zijn gelast in een beslissing die deels op dergelijke beoordelingen is gebaseerd, op zich als in strijd met dat vermoeden moeten worden aangemerkt.
96 In een situatie als die in het hoofdgeding bevat de maatregel die erin bestaat een zaak terug te verwijzen naar een rechter in eerste aanleg na de vernietiging van een beslissing tot beëindiging van de vervolging door die rechter opdat hij die zaak opnieuw onderzoekt, als zodanig dus geen standpuntbepaling over de schuld van de betrokkene.
97 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de uit artikel 3 van richtlijn 2016/343 voortvloeiende verplichting om beoordelingen die onverenigbaar zijn met het vermoeden van onschuld terzijde te schuiven, eraan in de weg staat dat een rechter in eerste aanleg overeenkomstig een nationale regeling verplicht is om gevolg te geven aan de door een rechter in tweede aanleg gelaste procedurele maatregelen, ook wanneer de beslissing van die rechter gedeeltelijk op dergelijke beoordelingen is gebaseerd.
98 Dientengevolge moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 3 van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met het beginsel van voorrang van het Unierecht, aldus moet worden uitgelegd dat een rechter in eerste aanleg de beoordelingen van een rechter in tweede aanleg, die een beschikking tot beëindiging van de vervolging heeft vernietigd en de terugverwijzing van de zaak naar die rechter in eerste aanleg heeft gelast, terzijde moet schuiven wanneer deze beoordelingen onverenigbaar zijn met het vermoeden van onschuld, zelfs indien de nationale regelgeving die rechter in eerste aanleg verplicht om zich aan die beoordelingen te houden. Artikel 3 staat er evenwel niet aan in de weg dat die rechter in eerste aanleg verplicht is gevolg te geven aan de procedurele maatregelen die door die rechter in tweede aanleg zijn gelast.
Kosten
99 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 3, artikel 4, lid 1, en artikel 6, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, gelezen in samenhang met artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een strafrechter die uitspraak doet op een hoger beroep tegen een beslissing tot beëindiging van de strafvervolging omdat er geen sprake is van een strafbaar feit, een gedetailleerd standpunt inneemt over het belastend bewijsmateriaal door in feite en in rechte te beoordelen of de bestanddelen van het betrokken strafbare feit zijn vervuld, hoewel hij daartoe krachtens de nationale regelgeving niet verplicht is om tot een beslissing te komen, en deze beoordeling uitsluitend is gebaseerd op het bewijsmateriaal dat tijdens het vooronderzoek is verzameld, zonder dat de beklaagde daarover zijn standpunt heeft kunnen uiten, mits die beoordeling niet het gevoel weerspiegelt dat die persoon schuldig is aan dat strafbare feit.
2) Artikel 3 van richtlijn 2016/343, gelezen in samenhang met het beginsel van de voorrang van het Unierecht, moet aldus worden uitgelegd dat een rechter in eerste aanleg de beoordelingen van een rechter in tweede aanleg, die een beschikking tot beëindiging van de vervolging heeft vernietigd en de terugverwijzing van de zaak naar die rechter in eerste aanleg heeft gelast, terzijde moet schuiven wanneer deze beoordelingen onverenigbaar zijn met het vermoeden van onschuld, zelfs indien de nationale regelgeving die rechter in eerste aanleg verplicht om zich aan die beoordelingen te houden. Artikel 3 staat er evenwel niet aan in de weg dat die rechter in eerste aanleg verplicht is gevolg te geven aan de procedurele maatregelen die door die rechter in tweede aanleg zijn gelast.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Slowaaks.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 24 juni 2025, C-351/23, ECLI:EU:C:2025:474
- HvJ EU 19 december 2024, C-369/23, ECLI:EU:C:2024:1043
- HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830
- HvJ EU 24 juli 2023, C-107/23, ECLI:EU:C:2023:606
- HvJ EU 22 februari 2022, C-430/21, ECLI:EU:C:2022:99
- HvJ EU 28 november 2019, C-653/19, ECLI:EU:C:2019:1024
- HvJ EU 19 september 2018, C-310/18, ECLI:EU:C:2018:732
- HvJ EU 5 oktober 2010, C-173/09, ECLI:EU:C:2010:581
- HvJ EU 13 juli 2000, C-36/99, ECLI:EU:C:2000:405