HvJ EU 5 september 2023, C-137/21, ECLI:EU:C:2023:625

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

5 september 2023 ( *1 )

„Beroep wegens nalaten – Verordening (EU) 2018/1806 – Artikel 7, eerste alinea, onder f) – Lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum – Lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld – Wederkerigheidsbeginsel – Uitnodiging om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika voor een periode van twaalf maanden”

In zaak C‑137/21,

betreffende een beroep wegens nalaten krachtens artikel 265 VWEU, ingesteld op 4 maart 2021,

Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Alonso de León, P. López-Carceller en J. Rodrigues als gemachtigden,

verzoeker,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en L. Grønfeldt als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Prechal, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. Safjan en M. L. Arastey Sahún, kamerpresidenten, M. Ilešič, J.‑C. Bonichot, I. Jarukaitis (rapporteur), A. Kumin, N. Jääskinen, M. Gavalec, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 2022,

het navolgende

Arrest

1 Het Europees Parlement verzoekt het Hof vast te stellen dat de Europese Commissie de krachtens het VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door geen gedelegeerde handeling vast te stellen krachtens artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB 2018, L 303, blz. 39).

Toepasselijke bepalingen

2 Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB 2001, L 81, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/850 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 (PB 2017, L 133, blz. 1), is met ingang van 18 december 2018 ingetrokken en vervangen door verordening 2018/1806. Volgens overweging 1 ervan codificeert verordening 2018/1806 de ingetrokken en vervangen verordening, wat betekent dat verwijzingen naar die verordening voortaan gelden als verwijzingen naar verordening 2018/1806 en moeten worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV bij laatstgenoemde verordening. Volgens deze bijlage komt artikel 1, lid 4, van verordening nr. 539/2001 overeen met artikel 7 van verordening 2018/1806.

3 In overweging 14 van verordening 2018/1806 staat te lezen: „Volledige wederkerigheid op visumgebied is een doel dat de [Europese] Unie proactief dient na te streven in haar betrekkingen met derde landen om aldus bij te dragen aan verbetering van de geloofwaardigheid en samenhang van het buitenlands beleid van de Unie.”

4 Overweging 15 van deze verordening luidt als volgt: „Er moet worden voorzien in een mechanisme van de Unie dat het mogelijk maakt om het wederkerigheidsbeginsel toe te passen wanneer één van de derde landen die zijn opgenomen in de lijst van bijlage II een visumplicht toepast op onderdanen van ten minste één lidstaat. Dat mechanisme moet een reactie van de Unie vanuit solidariteitsoverwegingen mogelijk maken indien een dergelijk derde land de visumplicht toepast voor de onderdanen van ten minste één lidstaat.”

5 Overweging 17 van die verordening luidt: „Teneinde zorg te dragen voor gepaste betrokkenheid van het Europees Parlement en de Raad [van de Europese Unie] in de tweede fase van de toepassing van het wederkerigheidsmechanisme, en gezien de politiek zeer gevoelige aard van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor alle onderdanen van een derde land dat is opgenomen in de lijst in bijlage II en de horizontale implicaties ervan voor de lidstaten, de met Schengen geassocieerde landen en de Unie zelf, met name voor hun externe betrekkingen en voor het algemene functioneren van het Schengengebied, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 [VWEU] handelingen vast te stellen ten aanzien van bepaalde onderdelen van het wederkerigheidsmechanisme. […]”

6 Artikel 1 van verordening 2018/1806 bepaalt: „Deze verordening stelt de derde landen vast waarvan de onderdanen onderworpen zijn aan of vrijgesteld zijn van de visumplicht op basis van een toetsing per geval aan een aantal criteria die onder meer verband houden met illegale immigratie, openbare orde en veiligheid, economische voordelen, in het bijzonder op het gebied van toerisme en buitenlandse handel, en de externe betrekkingen van de Unie met de betrokken derde landen, waarbij in het bijzonder wordt gekeken naar mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede naar de implicaties voor de regionale samenhang en de wederkerigheid.”

7 In artikel 4, lid 1, van deze verordening wordt bepaald: „De onderdanen van de in de lijst van bijlage II opgenomen derde landen zijn van de […] visumplicht vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.”

8 Artikel 7 van die verordening bepaalt: „Indien een [in] bijlage II vermeld derde land een visumplicht oplegt aan onderdanen van ten minste één lidstaat, zijn de volgende bepalingen van toepassing: a) binnen 30 dagen na de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd door het derde land stelt de betrokken lidstaat het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan schriftelijk in kennis. Deze kennisgeving bevat: i) de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd en specificeert de betrokken soorten reisdocumenten en visa; ii) een uitvoerige beschrijving van de eerste maatregelen die de betrokken lidstaat reeds heeft genomen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, en alle relevante informatie. Informatie over deze kennisgeving wordt onverwijld door de Commissie bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en bevat informatie over de datum met ingang waarvan de visumplicht ten uitvoer wordt gelegd en de betrokken soorten reisdocumenten en visa. Indien het derde land besluit de visumplicht op te heffen voordat de in de eerste alinea van dit punt bedoelde termijn is verstreken, gebeurt de kennisgeving niet of wordt zij ingetrokken en wordt de informatie niet bekendgemaakt; b) de Commissie onderneemt, onmiddellijk na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking en in overleg met de betrokken lidstaat, stappen bij de autoriteiten van het betrokken derde land, met name op politiek, economisch en handelsgebied, met het oog op de herinvoering of invoering van het visumvrij reizen, en brengt het Europees Parlement en de Raad onverwijld van die stappen op de hoogte; c) indien het derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 90 dagen na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking niettegenstaande alle stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen, kan de betrokken lidstaat de Commissie verzoeken de vrijstelling van de visumplicht voor bepaalde categorieën onderdanen van dat betrokken derde land op te schorten. Indien een lidstaat daarom verzoekt, stelt hij het Europees Parlement en de Raad hiervan in kennis; d) de Commissie houdt, bij de afweging van verdere stappen overeenkomstig punt e), f) of h), rekening met het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, met de stappen die overeenkomstig punt b) zijn ondernomen alsook met de gevolgen van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land; e) indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven, doet de Commissie, uiterlijk zes maanden na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking en vervolgens met tussenpozen van ten hoogste zes maanden binnen een totale periode die de datum niet mag overschrijden waarop de onder f) bedoelde gedelegeerde handeling in werking treedt of waarop daartegen bezwaar is gemaakt, het volgende: i) zij stelt op verzoek van de betrokken lidstaat dan wel op eigen initiatief een uitvoeringshandeling vast waarbij voor bepaalde categorieën onderdanen van het betrokken derde land de vrijstelling van de visumplicht tijdelijk wordt opgeschort voor een periode van hoogstens zes maanden. In die uitvoeringshandeling wordt een datum binnen 90 dagen na de inwerkingtreding ervan vastgesteld waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht ingaat, rekening houdend met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten. Bij de vaststelling van volgende uitvoeringshandelingen kan de Commissie de periode van opschorting verlengen met termijnen van hoogstens zes maanden en kan zij de categorieën onderdanen van het betrokken derde land waarvoor de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort, wijzigen. Die uitvoeringshandelingen worden in overeenstemming met de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Onverminderd artikel 6 moeten alle in de uitvoeringshandelingen bedoelde categorieën onderdanen van het derde land tijdens de periode van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten, of ii) zij dient een verslag in bij het in artikel 11, lid 1, bedoelde comité met een beoordeling van de situatie en een motivering van haar besluit om de vrijstelling van de visumplicht niet op te schorten en zij stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan in kennis. In dat verslag wordt rekening gehouden met alle relevante gegevens, zoals de onder d) bedoelde gegevens. Het Europees Parlement en de Raad kunnen op basis van dat verslag een politiek debat voeren; f) indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 24 maanden na de datum van de onder a), derde alinea, bedoelde bekendmaking, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 10 een gedelegeerde handeling vast, waarbij de vrijstelling van de visumplicht voor een periode van twaalf maanden tijdelijk wordt opgeschort voor de onderdanen van dat derde land. In de gedelegeerde handeling wordt een datum binnen 90 dagen na de inwerkingtreding ervan vastgesteld waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht ingaat, rekening houdend met de beschikbare middelen in de consulaten van de lidstaten en wordt bijlage II dienovereenkomstig gewijzigd. Deze wijziging zal geschieden door naast de naam van het betrokken derde land een voetnoot in te voegen waarin aangegeven wordt dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld. Vanaf de datum waarop de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor de onderdanen van het betrokken derde land van kracht wordt of waarop overeenkomstig artikel 10, lid 7, bezwaar tegen de gedelegeerde handeling is gemaakt, vervalt een krachtens punt e) van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling met betrekking tot dat derde land. Wanneer de Commissie een wetgevingsvoorstel als bedoeld onder h) indient, wordt de in de eerste alinea van dit punt bedoelde periode van opschorting van de vrijstelling van de visumplicht met zes maanden verlengd. De in die alinea bedoelde voetnoot wordt dienovereenkomstig gewijzigd. Onverminderd de toepassing van artikel 6 moeten de onderdanen van het derde land waarop de gedelegeerde handeling van toepassing is tijdens de perioden van opschorting in het bezit zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten; […] h) indien het betrokken derde land de visumplicht niet heeft opgeheven binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de onder f) bedoelde gedelegeerde handeling, kan de Commissie een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening indienen om de verwijzing naar het derde land van bijlage II naar bijlage I over te hevelen; […]”

9 Artikel 10, leden 6 en 7, van verordening 2018/1806 bepaalt: „6. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad. 7. Een overeenkomstig artikel 7, onder f), vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van vier maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”

10 De Verenigde Staten van Amerika zijn opgenomen in de „lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten van de visumplicht zijn vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen”, welke lijst het voorwerp van bijlage II bij die verordening vormt.

Voorgeschiedenis van het geding

11 Op 12 april 2016 heeft de Commissie aan het Parlement en de Raad een mededeling voorgelegd met de titel „Stand van zaken en mogelijke verdere stappen met betrekking tot de situatie van niet-wederkerigheid met een aantal derde landen op het gebied van visa” [COM(2016) 221 final] (hierna: „mededeling van 12 april 2016”). Zij wees erop dat de overgrote meerderheid van de gevallen van niet-wederkerigheid, waarbij acht derde landen betrokken waren, was opgelost, maar dat er ten aanzien van drie derde landen nog steeds sprake was van een situatie van niet-wederkerigheid. Tot die derde landen behoorden de Verenigde Staten van Amerika, die destijds Bulgaarse, Kroatische, Cypriotische, Poolse en Roemeense staatsburgers aan de visumplicht onderwierpen.

12 De Commissie heeft in die mededeling ook in herinnering gebracht dat indien het betrokken derde land de visumplicht niet uiterlijk op 12 april 2016 zou hebben opgeheven, zij op grond van verordening nr. 539/2001, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1289/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 (PB 2013, L 347, blz. 74), ertoe gehouden zou zijn om een gedelegeerde handeling vast te stellen waarbij de visumvrijstelling voor de staatsburgers van dat land voor een periode van twaalf maanden wordt opgeschort. Verder preciseerde zij dat zij op grond van verordening nr. 539/2001, zoals gewijzigd, rekening moest houden met de gevolgen van de opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten.

13 Vervolgens heeft de Commissie na de mededeling van 12 april 2016 nog zes vervolgmededelingen gepubliceerd, de eerste en de tweede in respectievelijk juli en december 2016, de derde en de vierde in respectievelijk mei en december 2017, de vijfde in december 2018 en ten slotte de laatste in maart 2020.

14 Na de tweede vervolgmededeling, van 21 december 2016, waarin de Commissie vaststelde dat nog slechts voor twee derde landen sprake was van niet‑wederkerigheid op het gebied van visa, namelijk Canada en de Verenigde Staten van Amerika, heeft het Parlement op 2 maart 2017 de resolutie van het Europees Parlement over de verplichtingen van de Commissie op het gebied van visumwederkerigheid overeenkomstig artikel 1, lid 4, van verordening (EG) nr. 539/2001 [2016/2986(RSP)] (hierna: „resolutie van 2 maart 2017”) vastgesteld. In die resolutie heeft het Parlement zich op het standpunt gesteld dat de Commissie „wettelijk verplicht [was] een gedelegeerde handeling vast te stellen – waarbij de visumvrijstelling tijdelijk wordt opgeschort voor de onderdanen van derde landen die de visumplicht niet hebben opgeheven voor burgers van bepaalde lidstaten – binnen een periode van 24 maanden na de datum van bekendmaking van de kennisgeving hiervan, die op 12 april 2016 [was] verstreken”, en heeft het haar uit hoofde van artikel 265 VWEU verzocht om de vereiste gedelegeerde handeling vast te stellen.

15 Op 2 mei 2017 heeft de Commissie in haar derde vervolgmededeling aan het Parlement en de Raad gereageerd op de resolutie van 2 maart 2017 en verslag uitgebracht over de geboekte vooruitgang [COM(2017) 227 final] (hierna: „mededeling van 2 mei 2017”). Zij heeft aangegeven dat de vaststelling van een gedelegeerde handeling tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor staatsburgers van Canada en de Verenigde Staten van Amerika „momenteel contraproductief” zou zijn en „niet zou bijdragen tot het beoogde visumvrij reizen voor alle [Unie]burgers”.

16 In haar vierde vervolgmededeling, van 20 december 2017, heeft de Commissie opgemerkt dat alleen met betrekking tot de Verenigde Staten van Amerika nog sprake was van niet-wederkerigheid. Hoewel de Republiek Polen in november 2019 was toegetreden tot het visumvrijstellingsprogramma van de Verenigde Staten van Amerika, heeft de Commissie in haar zesde vervolgmededeling van 23 maart 2020 aangegeven dat dit vrijstellingsprogramma niet was uitgebreid tot alle lidstaten, aangezien de Verenigde Staten van Amerika nog steeds weigerden om de visumplicht op te heffen voor burgers van de Republiek Bulgarije, de Republiek Kroatië, de Republiek Cyprus en Roemenië.

17 Op 22 oktober 2020 heeft het Parlement in de resolutie van het Europees Parlement over de verplichtingen van de Commissie inzake wederkerigheid op het gebied van visa overeenkomstig artikel 7 van verordening (EU) 2018/1806 [2020/2605(RSP)] (hierna: „resolutie van 22 oktober 2020”) de Commissie op basis van artikel 265 VWEU uitgenodigd om de gedelegeerde handeling vast te stellen die het Parlement noodzakelijk achtte op grond van artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806, tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika wegens de visumplicht die dit derde land oplegt aan Bulgaarse, Cypriotische, Kroatische en Roemeense staatsburgers.

18 Op 22 december 2020 heeft de Commissie in de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Commissie naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 22 oktober 2020 over de verplichtingen van de Commissie op het gebied van visumwederkerigheid, en tot verslaglegging over de voortgang [COM(2020) 851 final] (hierna: „mededeling van 22 december 2020”) de redenen uiteengezet waarom zij op dat moment nog steeds niet voornemens was om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika.

19 Het Parlement meent dat artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 de Commissie niet de mogelijkheid biedt om geen gedelegeerde handeling vast te stellen wanneer is voldaan aan de in die bepaling gestelde voorwaarden voor vaststelling van een dergelijke handeling, en heeft daarom het onderhavige beroep ingesteld.

Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

20 Het Parlement verzoekt het Hof: – vast te stellen dat de Commissie het VWEU heeft geschonden door geen gedelegeerde handeling vast te stellen krachtens artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806, en – de Commissie te verwijzen in de kosten.

21 De Commissie verzoekt het Hof om het beroep te verwerpen en het Parlement te verwijzen in de kosten.

22 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie op 18 mei 2021, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen overeenkomstig artikel 151, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Het Parlement heeft op 28 juni 2021 zijn opmerkingen over deze exceptie ingediend.

23 Op 21 september 2021 heeft het Hof beslist om de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde.

Beroep

Ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

24 Volgens de Commissie is het beroep om twee redenen niet-ontvankelijk. Ten eerste voert zij in haar verweerschrift aan dat het Parlement met de vaststelling van de resolutie van 22 oktober 2020 de in artikel 265 VWEU gestelde termijn voor het beroep wegens nalaten heeft omzeild. Deze resolutie vormt volgens haar een tweede uitnodiging tot handelen met, althans wat staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika betreft, in wezen dezelfde inhoud als die van 2 maart 2017, terwijl die eerste uitnodiging tot handelen niet is uitgemond in een beroepsprocedure bij het Hof. Derhalve kon het Parlement geen dergelijk beroep wegens nalaten instellen. Ten tweede stelt de Commissie in haar exceptie van niet-ontvankelijkheid dat zij, door in antwoord op de uitnodiging tot handelen van het Parlement van 22 oktober 2020 de mededeling van 22 december 2020 vast te stellen, een standpunt heeft bepaald in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU.

25 Het Parlement betoogt dat het beroep ontvankelijk is. Met betrekking tot een eventuele omzeiling van de in artikel 265 VWEU gestelde termijn voor het beroep wegens nalaten merkt het Gerecht ten eerste op dat de Commissie, door niet de in verordening 2018/1806 bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen, deze verordening op voortdurende wijze heeft geschonden. Ten tweede bevat de resolutie van 22 oktober 2020 ten opzichte van de resolutie van 2 maart 2017 twee nieuwe overwegingen. Ten derde voert het Parlement aan dat zijn samenstelling in de periode tussen de twee resoluties is gewijzigd naar aanleiding van de verkiezingen van juni 2019. Ten vierde en ten slotte benadrukt het in wezen dat de tweede uitnodiging tot handelen berust op een evaluatie van de ontwikkeling van de situatie sinds de vaststelling van de eerste uitnodiging tot handelen, rekening houdend met de op dat moment meest recente mededeling van de Commissie, namelijk die van 23 maart 2020. Wat de exceptie van niet‑ontvankelijkheid betreft, betoogt het Parlement dat de Commissie geen standpunt heeft bepaald in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU door de mededeling van 22 december 2020 vast te stellen. De vraag of een instelling al dan niet een standpunt heeft ingenomen, kan immers niet worden beantwoord op basis van uitsluitend de titel van een document dat afkomstig is van de instelling waarvan het stilzitten aan de orde is. Bovendien heeft de Commissie door de bekendmaking van de mededeling van 22 december 2020 niet duidelijk een standpunt ingenomen over de vaststelling van de gedelegeerde handeling, aangezien die mededeling enkel een herhaling van elementen uit haar eerdere mededelingen en een uiteenzetting van de feitelijke redenen voor haar stilzitten bevatte.

Beoordeling door het Hof

26 Op grond van artikel 265, tweede alinea, VWEU is het beroep wegens nalaten slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling, dit orgaan of deze instantie na twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, nog geen standpunt heeft bepaald, kan dat beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.

27 Het voorafgaand inschakelen van de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie door de verzoeker vormt een wezenlijk vormvoorschrift, niet alleen omdat dit het vertrekpunt vormt voor de aan de betrokkene toegekende termijnen, maar ook omdat dit, door het stilzitten ter discussie te stellen, deze instelling, dat orgaan of deze instantie verplicht om binnen een beperkte termijn een standpunt in te nemen over de rechtmatigheid van zijn stilzitten (arrest van 12 mei 2022, Klein/Commissie,C‑430/20 P, EU:C:2022:377, punt 47).

28 Wat het middel van niet-ontvankelijkheid betreft dat is ontleend aan de te late instelling van het onderhavige beroep, staat vast dat het Parlement bij de resolutie van 2 maart 2017 en bij die van 22 oktober 2020 de Commissie heeft uitgenodigd tot handelen in de zin van artikel 265 VWEU. De Commissie heeft op deze verzoeken gereageerd met haar mededelingen van 2 mei 2017 en 22 december 2020. Ook staat vast dat het Parlement na de mededeling van 2 mei 2017 geen beroep wegens nalaten heeft ingesteld.

29 De vraag of het Parlement zich niet heeft gehouden aan de in die bepaling gestelde beroepstermijn door het onderhavige beroep wegens nalaten in te stellen nadat het de Commissie bij resolutie van 22 oktober 2020 een tweede uitnodiging tot handelen had gezonden, terwijl het geen dergelijk beroep had ingesteld na de resolutie van 2 maart 2017 met de eerste uitnodiging tot handelen, hangt dus af van de vraag of deze tweede uitnodiging tot handelen, op basis van objectieve elementen in verband met de inhoud of de context ervan, losstaat van de eerste.

30 In dit verband blijkt uit de mededeling van 2 mei 2017, die aan het Parlement is voorgelegd in antwoord op de resolutie van 2 maart 2017, dat de Commissie na een onderzoek van alle relevante omstandigheden, in het bijzonder van de gevolgen van een eventuele opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met de Verenigde Staten van Amerika, heeft geoordeeld dat de vaststelling van een gedelegeerde handeling waarbij die vrijstelling tijdelijk wordt opgeschort, „momenteel” contraproductief zou zijn en niet zou bijdragen tot het beoogde visumvrij reizen voor alle Unieburgers.

31 Bij resolutie van 22 oktober 2020 heeft het Parlement, na het verstrijken van een termijn van meer dan drie jaar, de Commissie verzocht de in haar mededeling van 2 mei 2017 gekozen weg te heroverwegen, gelet op de ontwikkelingen die zich sindsdien hadden voorgedaan.

32 Ten eerste konden verschillende redenen van zowel juridische als politieke aard het Parlement ertoe brengen om in eerste instantie, na de vaststelling van die mededeling door de Commissie, de contentieuze weg af te wijzen en haar de mogelijkheid te bieden om langs diplomatieke weg resultaten te verkrijgen die bijdragen tot de in overweging 14 van verordening 2018/1806 genoemde doelstelling van volledige wederkerigheid op visumgebied. Ten tweede verwijst de resolutie van 22 oktober 2020 naar mededelingen van de Commissie die dateren van na die van 2 mei 2017 en die betrekking hebben op de problematiek van het ontbreken van wederkerigheid op visumgebied met de Verenigde Staten van Amerika. Aldus blijkt dat het Parlement eerst de ontwikkeling van de situatie sinds de vaststelling van de eerste uitnodiging tot handelen heeft beoordeeld, alvorens in tweede instantie de resolutie van 22 oktober 2020 vast te stellen, die overigens twee aanvullende gronden bevat ter onderbouwing van de stelling dat de Commissie verplicht was om de betrokken gedelegeerde handeling vast te stellen.

33 Dat de in de resoluties van 2 maart 2017 en 22 oktober 2020 vervatte uitnodigingen tot handelen van elkaar verschillen, wordt nogmaals bevestigd door het feit dat de Commissie in haar mededeling van 22 december 2020, die naar aanleiding van laatstgenoemde resolutie is vastgesteld, de situatie van niet-wederkerigheid op visumgebied tussen de Verenigde Staten van Amerika en de vier betrokken lidstaten van de Unie opnieuw heeft beoordeeld in het licht van de ontwikkelingen sinds 2017. Na een overzicht te hebben gegeven van de uitwisselingen tussen de Unie en de Verenigde Staten van Amerika over dit onderwerp, alsmede van de ontwikkeling van het visumvrijstellingsprogramma van dit derde land, van de politieke context in dat land en van zijn bilaterale betrekkingen met de Unie, is zij tot de conclusie gekomen dat de vaststelling van een dergelijke handeling niet opportuun was en „met name op dit moment contraproductief” zou zijn.

34 Tegen deze achtergrond kan de resolutie van 22 oktober 2020 niet worden geacht een middel te zijn geweest ter omzeiling van de beroepstermijn van artikel 265, tweede alinea, VWEU, die was ingegaan met de in de resolutie van 2 maart 2017 vervatte uitnodiging tot handelen, aangezien de in die twee resoluties vervatte uitnodigingen tot handelen van elkaar verschilden met betrekking tot zowel hun inhoud als de context waarin zij zijn vastgesteld.

35 Bijgevolg moet het eerste middel van niet-ontvankelijkheid, dat is ontleend aan de te late instelling van het onderhavige beroep, worden afgewezen.

36 Wat het tweede middel van niet-ontvankelijkheid betreft, dat is ontleend aan het bestaan van een standpuntbepaling door de Commissie, dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof krachtens artikel 265, eerste alinea, VWEU kan worden verzocht om vast te stellen dat de Commissie in strijd met de Verdragen nalaat een besluit te nemen.

37 In casu betoogt de Commissie dat zij met de mededeling van 22 december 2020 een standpunt heeft bepaald, in de zin van die Verdragsbepaling, over het verzoek tot vaststelling van de in artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 bedoelde gedelegeerde handeling, en heeft uiteengezet waarom zij dit verzoek niet heeft ingewilligd.

38 In dit verband is het juist dat het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat een antwoord van een instelling op een uitnodiging tot handelen degene die haar deze uitnodiging heeft toegezonden niet tevreden stelt, niet betekent dat dit antwoord geen standpuntbepaling in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU vormt, waarvan de vaststelling een einde maakt aan het nalaten (zie in die zin met name arrest van 1 april 1993, Pesqueras Echebastar/Commissie,C‑25/91, EU:C:1993:131, punten 11 en 12).

39 De in het vorige punt in herinnering gebrachte oplossing kan echter – in een interinstitutionele context – niet worden toegepast in gevallen waarin de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens nalaten de instelling die is uitgenodigd om te handelen in staat zou stellen om in haar passieve houding te volharden.

40 Dit zou het geval zijn indien de in punt 37 van het onderhavige arrest bedoelde mededeling moet worden aangemerkt als een „standpuntbepaling” in de zin van artikel 265, tweede alinea, VWEU, die de niet-ontvankelijkheid van het onderhavige beroep met zich meebrengt. In een dergelijk geval blijft de onenigheid tussen de partijen in het onderhavige geding over de strekking van artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 en meer bepaald over het bestaan van een eventuele verplichting om de betrokken gedelegeerde handeling vast te stellen, immers voortbestaan.

41 Tegen een weigering tot handelen naar aanleiding van een krachtens artikel 265, tweede alinea, VWEU tot een instelling gerichte uitnodiging tot handelen, kan dus, hoe uitdrukkelijk die weigering ook moge zijn, op grond van dat artikel worden opgekomen bij het Hof, aangezien die weigering geen einde maakt aan het nalaten (arrest van 27 september 1988, Parlement/Raad,302/87, EU:C:1988:461, punt 17).

42 Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat – in een interinstitutionele context – het antwoord van een instelling dat, zoals in casu, bestaat in een uiteenzetting van de redenen waarom de gevraagde maatregel volgens deze instelling niet moet worden vastgesteld, noodzakelijkerwijs moet worden beschouwd als een weigering van die instelling om te handelen in de zin van de in het vorige punt in herinnering gebrachte rechtspraak, waartegen dus moet kunnen worden opgekomen in het kader van een beroep uit hoofde van artikel 265 VWEU.

43 Het beroep is derhalve ontvankelijk.

Ten gronde

Argumenten van partijen

44 Ter ondersteuning van zijn beroep voert het Parlement één middel aan, namelijk dat de Commissie de Verdragen heeft geschonden door niet op grond van artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika.

45 Het Parlement betoogt dat deze bepaling de Commissie geen enkele beoordelingsmarge toekent, zodat zij in casu verplicht is om een dergelijke handeling vast te stellen. Volgens het Parlement moet voor de verplichting om krachtens die bepaling een gedelegeerde handeling vast te stellen immers aan slechts één objectieve voorwaarde zijn voldaan, namelijk dat het betrokken derde land voor onderdanen van ten minste één lidstaat de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 24 maanden na bekendmaking van de in artikel 7, eerste alinea, onder a), van verordening 2018/1806 bedoelde kennisgeving. In casu is in het geval van de Verenigde Staten van Amerika op 12 april 2016 aan deze voorwaarde voldaan.

46 Het Parlement is van mening dat het feit dat artikel 7, eerste alinea, onder d), van deze verordening de Commissie toestaat om rekening te houden met de gevolgen die opschorting van de visumvrijstelling zou hebben voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land, niet betekent dat deze instelling een discretionaire bevoegdheid wordt verleend bij de toepassing van artikel 7, eerste alinea, onder f), van die verordening, aangezien de Commissie geen andere keuze heeft dan de gedelegeerde handeling vast te stellen.

47 De door de Commissie voorgestane uitlegging van laatstgenoemde bepaling zou de logica van artikel 7 van verordening 2018/1806 omkeren, aangezien zij van de verplichting om rekening te houden met de gevolgen van de opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen, het kernelement van het in dat artikel vastgestelde wederkerigheidsmechanisme zou maken, zodat de in de eerste alinea, onder f), van dat artikel gestelde verplichting hieraan ondergeschikt wordt gemaakt.

48 Bijgevolg zou deze uitlegging aan laatstgenoemde bepaling haar nuttig effect ontnemen en geen rekening houden met de opzet van het wederkerigheidsmechanisme. Er is geen sprake van tegenstrijdigheid tussen, enerzijds, de in artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 vervatte verplichting voor de Commissie om een gedelegeerde handeling vast te stellen waarbij de visumvrijstelling wordt opgeschort wanneer aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, en, anderzijds, het in artikel 7, eerste alinea, onder d), van die verordening bedoelde vereiste om rekening te houden met de gevolgen van die opschorting voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten. Dit vereiste geldt immers voor alle fasen van het wederkerigheidsmechanisme en moet als zodanig vanuit dat oogpunt worden gelezen. Bovendien biedt artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 de Commissie slechts een beperkte beoordelingsmarge, die geen betrekking heeft op de inhoud van de handeling, dat wil zeggen op de daadwerkelijke opschorting van de visumvrijstelling. Deze beoordelingsmarge heeft betrekking op andere aspecten, zoals de keuze van de datum waarop de opschorting van de visumvrijstelling in werking moet treden binnen de termijn van 90 dagen na inwerkingtreding van de handeling.

49 De door de Commissie voorgestane uitlegging zou de verplichting om de in artikel 7, eerste alinea, onder f), van die verordening omschreven gedelegeerde handeling vast te stellen wanneer het betrokken derde land de visumplicht niet binnen een bepaalde termijn heeft opgeheven, onwerkzaam maken, aangezien deze instelling, door zich hoofdzakelijk te baseren op de gevolgen van een opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten met dat derde land, zich zou onttrekken aan de door de Uniewetgever opgelegde verplichting en het wederkerigheidsmechanisme in de praktijk reeds in de eerste fase ervan zou beëindigen.

50 De Commissie brengt daartegen in dat artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 haar geen onvoorwaardelijke verplichting oplegt om een gedelegeerde handeling vast te stellen teneinde de visumvrijstelling voor onderdanen van een derde land op te schorten wanneer dat derde land voor onderdanen van ten minste één lidstaat de visumplicht niet heeft opgeheven binnen 24 maanden na bekendmaking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 7, eerste alinea, onder a), derde alinea, van deze verordening.

51 Volgens deze instelling moet artikel 7, eerste alinea, onder f), van die verordening worden gelezen in het licht van artikel 7, eerste alinea, onder d), daarvan, waarin is bepaald dat de Commissie, bij de afweging van verdere stappen overeenkomstig die eerste alinea, onder e), f) of h), ten eerste rekening houdt met het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, ten tweede met de stappen die zijzelf met name op politiek, economisch en handelsgebied heeft ondernomen met het oog op de herinvoering of invoering van het visumvrij reizen, en ten slotte met de gevolgen van de opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land.

52 De Commissie betwist niet dat de beoordelingsmarge waarover zij bij de toepassing van artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 beschikt, beperkt is tot het in aanmerking nemen van de in die alinea, onder d), genoemde factoren. Het staat echter buiten kijf dat deze verordening haar wel degelijk die beoordelingsmarge toekent.

53 Bovendien zou de door haar voorgestane uitlegging van artikel 7 de verplichting om de in de eerste alinea, onder f), van dit artikel bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen niet „volledig onwerkzaam” maken. De Commissie merkt in dit verband op dat de verplichting om, bij de afweging van verdere stappen overeenkomstig artikel 7, eerste alinea, onder e), f), of h), rekening te houden met de gevolgen voor de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten, uitdrukkelijk is vastgesteld in die eerste alinea, onder d), hetgeen uitsluit dat die uitlegging kan worden geacht contra legem te zijn. Bovendien merkt de Commissie op dat zij zich er niet toe heeft beperkt de gevolgen in te roepen die een opschorting van de visumvrijstelling zou hebben voor de externe betrekkingen van de Unie en de lidstaten met het betrokken derde land, maar – overeenkomstig de eis van de Uniewetgever – deze gevolgen heeft meegewogen in haar beoordeling van de mogelijkheid om een opschortingsmaatregel vast te stellen.

Beoordeling door het Hof

54 In casu staat vast dat de Verenigde Staten van Amerika voor onderdanen van ten minste één lidstaat de visumplicht niet hebben opgeheven na het verstrijken van de periode van 24 maanden na bekendmaking van de in artikel 7, eerste alinea, onder a), van verordening 2018/1806 bedoelde kennisgeving.

55 Derhalve moet worden onderzocht of, zoals het Parlement betoogt, deze omstandigheid de Commissie in de situatie heeft geplaatst dat zij op grond van artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 verplicht was om een gedelegeerde handeling vast te stellen tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor staatsburgers van dat derde land, zonder daarbij over een beoordelingsmarge te beschikken.

56 Bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling dient niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

57 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 bepaalt dat de Commissie een gedelegeerde handeling „vaststelt” waarbij de visumvrijstelling tijdelijk wordt opgeschort, wanneer het betrokken derde land, zoals in casu, de betrokken visumplicht niet binnen de in die bepaling gestelde termijn heeft opgeheven. Uit de bewoordingen van deze bepaling lijkt dus te volgen dat, wanneer aan de voorwaarden voor vaststelling van een dergelijke handeling is voldaan, de Commissie daartoe gehouden is.

58 Een dergelijke uitlegging van artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 moet echter worden uitgesloten in het licht van de algemene opzet van dit artikel 7, eerste alinea, die met name wordt gekenmerkt door de gefaseerde structuur van het bij deze bepaling ingevoerde wederkerigheidsmechanisme.

59 Meer in het bijzonder bepaalt artikel 7, eerste alinea, onder d), van verordening 2018/1806 uitdrukkelijk dat de Commissie, bij de afweging van verdere stappen overeenkomstig die eerste alinea, onder e), f) of h), rekening houdt met, in de eerste plaats, het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, in de tweede plaats met de stappen die de Commissie overeenkomstig diezelfde alinea, onder b), met name op politiek, economisch en handelsgebied bij de autoriteiten van het betrokken derde land heeft ondernomen met het oog op de herinvoering of invoering van het visumvrij reizen, en, in de derde plaats, met de gevolgen van de opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met het betrokken derde land.

60 De verplichting om rekening te houden met deze verschillende omstandigheden zou geen enkel nut hebben indien de Commissie hoe dan ook verplicht zou zijn om de in artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 bedoelde gedelegeerde handeling vast te stellen wanneer het betrokken derde land de betrokken visumplicht niet binnen de in die bepaling gestelde termijn heeft opgeheven.

61 In dit verband blijkt uit overweging 17 van verordening 2018/1806 dat met de toekenning, aan de Commissie, van de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen in het kader van het bij artikel 7 van deze verordening ingestelde wederkerigheidsmechanisme, werd beoogd om een institutioneel kader tot stand te brengen dat het mogelijk maakt om vóór de eventuele opschorting van de visumvrijstelling voor alle staatsburgers van een derde land, die politiek zeer gevoelig ligt, de gevolgen van een dergelijke maatregel voor de externe betrekkingen en voor het algemene functioneren van het Schengengebied te beoordelen.

62 Uit een gecombineerde lezing van de bepalingen van artikel 7, eerste alinea, van verordening 2018/1806, gelezen in het licht van overweging 17 ervan, blijkt dus dat de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt om al dan niet een gedelegeerde handeling op grond van artikel 7, eerste alinea, onder f), van die verordening vast te stellen, waarbij deze beoordelingsmarge begrensd is door de in die alinea, onder d), gestelde criteria.

63 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 34 tot en met 40 van zijn conclusie, vindt deze uitlegging ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van verordening nr. 1289/2013, waarbij het wederkerigheidsmechanisme in het Unierecht is ingevoerd. Uit die totstandkomingsgeschiedenis blijkt namelijk dat de Uniewetgever niet de bedoeling had om te voorzien in een automatische opschorting van de visumvrijstelling in geval van een voortdurende situatie van niet-wederkerigheid.

64 Hieruit volgt dat, anders dan het Parlement betoogt, de Commissie niet verplicht is om krachtens artikel 7, eerste alinea, onder f), van verordening 2018/1806 een gedelegeerde handeling vast te stellen na het verstrijken van de termijn van 24 maanden na bekendmaking van de in artikel 7, eerste alinea, onder a), van deze verordening bedoelde kennisgeving. Om te bepalen of met het oog op de in overweging 14 van die verordening genoemde doelstelling van volledige wederkerigheid de visumvrijstelling ten aanzien van staatsburgers van het betrokken derde land moet worden opgeschort, dan wel of juist moet worden afgezien van een dergelijke maatregel, gelet op de belangen in verband met in het bijzonder de externe betrekkingen van de lidstaten, de met Schengen geassocieerde landen en de Unie, moet de Commissie daarentegen rekening houden met de drie in artikel 7, eerste alinea, onder d), van voornoemde verordening gestelde criteria, zoals uiteengezet in punt 59 van het onderhavige arrest.

65 Nagegaan moet worden of, in het licht van deze factoren, de Commissie in casu haar beoordelingsmarge heeft overschreden door zich gerechtigd te achten om te weigeren op te treden.

66 Wat het eerste criterium betreft, volgens hetwelk de Commissie, alvorens te overwegen een gedelegeerde handeling vast te stellen tot tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling voor onderdanen van een derde land dat een visumplicht oplegt aan de onderdanen van ten minste één lidstaat, rekening moet houden met het resultaat van de door de betrokken lidstaat genomen maatregelen met het oog op het verzekeren van visumvrij reizen met het betrokken derde land, dient te worden vastgesteld dat de mededeling van 22 december 2020 een gedetailleerd overzicht bevat van de situatie van de vier lidstaten waarvoor de visumplicht op dat moment gold. De Commissie heeft immers voor elk van deze lidstaten de ontwikkelingen met betrekking tot het percentage geweigerde visa in beeld gebracht, en aangegeven dat de Verenigde Staten van Amerika voor deze lidstaten „op maat gemaakte werkprogramma’s” hebben opgesteld om hen in staat te stellen te voldoen aan de vereisten van het Amerikaanse visumvrijstellingsprogramma. Deze mededeling vermeldt bovendien de omstandigheid dat de bespreking op basis van deze werkprogramma’s, die voor elk van de betrokken lidstaten specifieke richtsnoeren bevatten, een aanzienlijke verbetering was ten opzichte van de vorige aanpak, die was gebaseerd op een meer algemene beoordeling van de veiligheidsvereisten, alsmede het feit dat uit de beoordeling van de uitvoering van die programma’s door deze lidstaten was gebleken dat op een aantal werkterreinen vooruitgang was geboekt.

67 Wat het tweede criterium betreft, te weten de verplichting voor de Commissie om rekening te houden met de stappen die zij – in casu – bij de Verenigde Staten van Amerika heeft ondernomen, met name op politiek, economisch en handelsgebied, met het oog op de herinvoering of invoering van het visumvrij reizen, heeft zij in haar mededeling van 22 december 2020, ten eerste, een uitvoerig overzicht gegeven van een aantal werkvergaderingen met haar Amerikaanse tegenhangers. Ten tweede heeft zij uiteengezet dat zij zich in verband met de overgangsperiode na de verkiezingen in de Verenigde Staten van Amerika en met de installatie van het nieuwe bestuur na de inhuldiging van de nieuwe president, die gepland stond op 20 januari 2021, heeft moeten beperken tot het uitwerken, samen met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), van een voorstel voor een nieuwe trans-Atlantische agenda waarin het belang van de trans-Atlantische banden opnieuw wordt benadrukt.

68 Wat het derde criterium betreft, te weten de noodzaak voor de Commissie om rekening te houden met de gevolgen van de opschorting van de visumvrijstelling voor de externe betrekkingen van de Unie en haar lidstaten met, in casu, de Verenigde Staten van Amerika, heeft de Commissie in haar mededeling van 22 december 2020 verwezen naar de uitgebreide uitleg die zij daarover reeds had gegeven in de mededeling van 12 april 2016. Ook heeft zij bij wijze van conclusie aangegeven dat het opschorten van de visumvrijstelling voor staatsburgers van de Verenigde Staten van Amerika aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor een groot aantal beleidsterreinen en -sectoren.

69 Uit deze elementen blijkt dat de Commissie rekening heeft gehouden met de drie criteria van artikel 7, eerste alinea, onder d), van verordening 2018/1806 alvorens tot de conclusie te komen dat zij de gevraagde gedelegeerde handeling niet zou vaststellen.

70 Uit al het voorgaande volgt dat de Commissie, door zich na de uitnodiging tot handelen die het Parlement haar op 22 oktober 2020 had toegezonden, op het standpunt te stellen dat zij niet gehouden was om de betrokken gedelegeerde handeling vast te stellen, haar beoordelingsmarge niet heeft overschreden, zodat haar in casu geen enkel nalaten kan worden verweten.

71 Bijgevolg moet het onderhavige beroep wegens nalaten ongegrond worden verklaard.

Kosten

72 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Grote kamer) verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken