HvJ EU 24 november 2022, C-259/21, ECLI:EU:C:2022:917
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
24 november 2022 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – Gemeenschappelijk visserijbeleid – Verordening (EU) 2021/92 – Vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Europese Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn – Instandhouding van visbestanden en bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen – Artikelen 15 tot en met 17 en 20 alsook artikel 59, tweede alinea – Artikel 43, lid 3, VWEU – Misbruik van bevoegdheid – Beginsel van loyale samenwerking”
In zaak C‑259/21,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, ingesteld op 22 april 2021,
Europees Parlement, vertegenwoordigd door I. Liukkonen en I. Terwinghe als gemachtigden,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Falek, F. Naert en A. Nowak-Salles als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Dawes, A. Stobiecka-Kuik en K. Walkerová als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, M. Safjan, N. Piçarra, N. Jääskinen (rapporteur) en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1 Het Europees Parlement verzoekt het Hof om nietigverklaring van de artikelen 15 tot en met 17 en 20 alsmede van artikel 59, tweede alinea, van verordening (EU) 2021/92 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2021, L 31, blz. 31) (hierna: „litigieuze bepalingen”).
Toepasselijke bepalingen
VWEU
2 In artikel 43, leden 2 en 3, VWEU is het volgende bepaald: „2. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité de in artikel 40, lid 1, bedoelde gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten in en stellen de overige bepalingen vast die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid na te streven. 3. De Raad stelt op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.”
Basisverordeningen
3 Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en besluit 2004/585/EG van de Raad (PB 2013, L 354, blz. 22), verordening (EU) 2019/472 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van verordeningen (EU) 2016/1139 en (EU) 2018/973, en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 van de Raad (PB 2019, L 83, blz. 1), en verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB 2019, L 198, blz. 105) (hierna samen: „basisverordeningen”), zijn vastgesteld op grond van artikel 43, lid 2, VWEU.
Verordening nr. 1380/2013
4 In artikel 2 van verordening nr. 1380/2013 worden de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna: „GVB”) opgesomd.
5 Artikel 12 van deze verordening heeft als opschrift „Maatregelen van de Commissie bij ernstige bedreigingen voor de biologische rijkdommen van de zee” en luidt als volgt: „1. Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met een op aanwijzingen gebaseerde ernstige bedreiging voor de instandhouding van biologische rijkdommen van de zee of voor het mariene ecosysteem, kan de Commissie, om het hoofd te bieden aan die bedreiging, op gemotiveerd verzoek van een lidstaat of op eigen initiatief, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen, die voor een termijn van ten hoogste zes maanden van toepassing zijn, volgens de in artikel 47, lid 3, bedoelde procedure. […] 3. De Commissie kan, voordat de geldigheidsduur van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen is verstreken en indien is voldaan aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij de toepassing van die noodmaatregel met onmiddellijke werking voor een termijn van ten hoogste zes maanden wordt verlengd. […]”
6 Op grond van artikel 13 van die verordening, met als opschrift „Noodmaatregelen van lidstaten”, kunnen de lidstaten ingeval van een onmiddellijke actie vereisende, ernstige bedreiging voor de instandhouding van biologische rijkdommen van de zee of voor het mariene ecosysteem die verband houdt met visserijactiviteiten in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van een lidstaat vallen, noodmaatregelen vaststellen om deze bedreiging tegen te gaan.
Verordening 2019/472
7 Verordening 2019/472, zoals gewijzigd bij verordening 2019/1241 (hierna: „verordening 2019/472”), stelt een meerjarenplan vast voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren.
8 Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze verordening worden, wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan bepaalde waarden, aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat een maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Bovendien blijkt uit deze bepaling dat die herstelmaatregelen kunnen inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.
9 Volgens artikel 8, lid 3, van die verordening kunnen de in dat artikel bedoelde herstelmaatregelen onder meer bestaan in noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van verordening nr. 1380/2013 en maatregelen krachtens artikel 9 van verordening 2019/472.
10 Artikel 9, lid 1, van verordening 2019/472 bepaalt het volgende: „De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 18 van deze verordening en artikel 18 van verordening [nr. 1380/2013] ter aanvulling van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende technische maatregelen, voor zover die niet onder verordening [2019/1241] [vallen]: a) de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken; b) de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om de selectiviteit te behouden of te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken; c) de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken, en d) de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen.”
Verordening 2019/1241
11 Verordening 2019/1241 heeft volgens artikel 1 tot doel technische maatregelen vast te stellen ten aanzien van de vangst en de aanlanding van mariene biologische hulpbronnen, de werking van vistuig en de wisselwerking tussen visserijactiviteiten en mariene ecosystemen.
12 Artikel 10 van deze verordening heeft als opschrift „Verboden vissen en schaaldieren” en bepaalt: „1. Het vangen, aan boord houden, overladen of aanlanden van de in bijlage IV bij richtlijn 92/43/EEG [van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7)] vermelde soorten vissen of schaaldieren is verboden tenzij afwijkingen zijn verleend uit hoofde van artikel 16 van die richtlijn. 2. Naast de in lid 1 bedoelde soorten is het voor Unievaartuigen verboden de soorten die in bijlage I zijn opgenomen of de soorten waarvoor uit hoofde van andere rechtshandelingen van de Unie een vangstverbod geldt, te bevissen, aan boord te houden, over te laden, aan te landen, op te slaan, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden. […] 4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 29 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijst in bijlage I te wijzigen, wanneer uit het beste beschikbare wetenschappelijke advies blijkt dat die lijst moet worden gewijzigd. […]”
13 Artikel 15 van die verordening heeft als opschrift „Regionale technische maatregelen” en bepaalt in lid 2: „Teneinde rekening te houden met de specifieke regionale kenmerken van de betrokken visserijtakken, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 29 van deze verordening en artikel 18 van verordening [nr. 1380/2013] gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de technische maatregelen in de […] bijlagen [V tot en met XI en XIII] te wijzigen, aan te vullen, in te trekken of daarvan af te wijken, ook bij de uitvoering van de aanlandingsverplichting in het kader van artikel 15, leden 5 en 6, van verordening [nr. 1380/2013]. De Commissie stelt dergelijke gedelegeerde handelingen vast op basis van een gezamenlijke aanbeveling die overeenkomstig artikel 18 van verordening [nr. 1380/2013] en de desbetreffende artikelen van hoofdstuk III van deze verordening is ingediend.”
14 Artikel 29 van verordening 2019/1241 heeft als opschrift „Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie” en bepaalt in lid 6: „Een overeenkomstig artikel 2, lid 2, artikel 8, lid 3, artikel 10, lid 4, artikel 12, lid 2, artikel 15, lid 2, artikel 23, leden 1 en 5, artikel 27, lid 7, en artikel 31, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zal maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.”
15 De lijst van vissoorten waarvoor een vangstverbod geldt als bedoeld in artikel 10, lid 2, van verordening 2019/1241, is opgenomen in bijlage I bij deze verordening.
16 Bijlage VI bij deze verordening bevat een opsomming van de technische maatregelen die van toepassing zijn op de noordwestelijke wateren.
Verordening 2021/92
17 Verordening 2021/92 is door de Raad vastgesteld op grond van artikel 43, lid 3, VWEU.
18 De overwegingen 55 tot en met 59 van deze verordening luiden als volgt: „(55) Het ICES-advies [International Council for the Exploration of the Sea (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee)] voor 2021 geeft aan dat de omvang van de kabeljauw- en wijtingbestanden in de Keltische Zee onder de [grens voor biomassa (Blim)] ligt. Voor deze bestanden zijn reeds specifieke herstelmaatregelen genomen krachtens verordening (EU) 2020/123 [van de Raad van 27 januari 2020 tot vaststelling, voor 2020, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2020, L 25, blz. 1)]. Deze maatregelen hadden tot doel bij te dragen aan het herstel van de betrokken bestanden. De maatregelen voor kabeljauw moeten de selectiviteit verbeteren door het gebruik van vistuig met lagere bijvangstniveaus voor kabeljauw te verplichten in gebieden met significante kabeljauwvangsten, waardoor de visserijsterfte van dit bestand in gemengde visserijen daalt. De maatregelen voor wijting bestaan uit technische aanpassingen van vistuigkenmerken om bijvangsten van wijting te beperken. Overeenkomstig artikel 8 van het [bij verordening 2019/472 vastgestelde] meerjarenplan voor de westelijke wateren moeten, indien uit wetenschappelijk advies blijkt dat de omvang van de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, van dat plan bedoelde bestanden lager is dan de Blim, aanvullende herstelmaatregelen worden genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de [maximale duurzame opbrengst] kan opleveren. In het bijzonder kunnen deze herstelmaatregelen inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt geschorst en de vangstmogelijkheden voor die bestanden en/of andere bestanden in de visserijen met bijvangsten van kabeljauw of wijting op passende wijze worden verlaagd. (56) De maatregelen ter vermindering van bijvangsten van kabeljauwachtigen zijn functioneel gekoppeld aan de [totale toegestane vangsten (total allowable catches – TAC)] voor soorten die in gemengde visserijen samen met kabeljauwachtigen worden gevangen (zoals schelvis, scharretong, zeeduivel en langoustine), aangezien zonder deze maatregelen de TAC-niveaus voor doelsoorten zouden moeten worden verlaagd om ervoor te zorgen dat de bestanden van kabeljauwachtigen zich kunnen herstellen. Daarom wordt voorgesteld die maatregelen ook voor 2021 vast te stellen, rekening houdend met de verdere beoordeling van deze maatregelen en de werkzaamheden van de lidstaten van de noordwestelijke wateren. (57) In overeenstemming met het regionaliseringsproces van het GVB hebben de lidstaten van de noordwestelijke wateren een gezamenlijke aanbeveling ingediend over een breder scala aan specifieke maatregelen om bijvangsten van kabeljauw en wijting in de Keltische Zee en aangrenzende gebieden te verminderen op basis van de corrigerende maatregelen die in 2020 van kracht waren. Aanvullende selectiviteitsmaatregelen om de bijvangsten van kabeljauwachtigen in de Ierse Zee en ten westen van Schotland te verminderen, zijn ook opgenomen in de gezamenlijke aanbeveling, op basis van soortgelijke maatregelen die in 2020 van kracht waren. (58) Het [Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV)] is van mening dat de voorgestelde maatregelen over het algemeen selectiever of ten minste even selectief zijn als de technische maatregelen in verordening [2019/1241] en de Commissie overweegt momenteel deze maatregelen op te nemen in een gedelegeerde handeling die is gebaseerd op de gezamenlijke aanbeveling die is ingediend door de lidstaten die een rechtstreeks belang hebben bij het beheer van de noordwestelijke wateren. (59) Aangezien die maatregelen uitgebreider zijn en op stabielere basis zullen worden toegepast, dienen de functioneel gekoppelde technische maatregelen alleen van toepassing te zijn in afwezigheid van een overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening [2019/1241] vastgestelde gedelegeerde handeling, waarbij bijlage VI bij die verordening door de invoering van overeenkomstige technische maatregelen voor de noordwestelijke wateren wordt gewijzigd.”
19 In artikel 15 van verordening 2021/92, met als opschrift „Technische maatregelen voor kabeljauw en wijting van de Keltische Zee”, is een aantal maatregelen met betrekking tot de maaswijdte vastgesteld. Deze maatregelen zijn van toepassing op vaartuigen van de Unie die in de Keltische Zee vissen met bodemtrawls of zegens.
20 Artikel 16 van deze verordening heeft als opschrift „Technische maatregelen in de Ierse Zee” en legt verplichtingen op met betrekking tot vissersvaartuigen van de Unie die in de Ierse zee vissen met bodemtrawls of zegens.
21 In artikel 17 van die verordening, met als opschrift „Technische maatregelen in het gebied ten westen van Schotland”, zijn eveneens maatregelen opgenomen die de maaswijdte betreffen. Deze maatregelen zijn van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die ten westen van Schotland vissen met bodemtrawls of zegens.
22 Volgens artikel 20 van verordening 2021/92, met als opschrift „Verboden soorten”, is het vissersvaartuigen van de Unie verboden om in bepaalde ICES-sectoren en ICES-deelgebieden van de voormalige Uniewateren bepaalde soorten te bevissen, aan boord te houden, over te laden of aan te landen. In deze bepaling staat eveneens dat incidenteel gevangen vissen van de vermelde soorten ongedeerd worden gelaten en onmiddellijk worden teruggezet.
23 Artikel 59 van deze verordening heeft als opschrift „Overgangsbepaling” en is als volgt geformuleerd: „De artikelen 11, 19, 20, 27, 33, 34, 41, 42, 43, 48, 50 en 57 blijven in 2022 mutatis mutandis van toepassing tot de inwerkingtreding van de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2022. De artikelen 15, 16 en 17 zijn van toepassing tot de datum waarop een overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening [2019/1241] vastgestelde gedelegeerde handeling, waarbij bijlage VI bij die verordening door de invoering van overeenkomstige technische maatregelen voor de noordwestelijke wateren is gewijzigd, van toepassing wordt.”
Interinstitutioneel akkoord
24 Punt 2 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016 (PB 2016, L 123, blz. 1; hierna: „interinstitutioneel akkoord”), luidt als volgt: „Wijzend op het belang dat zij aan de communautaire methode hechten, komen de drie instellingen overeen om bij de uitoefening van hun bevoegdheden en overeenkomstig de in de Verdragen neergelegde procedures, algemene Unierechtelijke beginselen, zoals democratische legitimiteit, subsidiariteit en evenredigheid, en rechtszekerheid, in acht te zullen nemen. Voorts komen zij overeen om bij de opstelling van Uniewetgeving eenvoud, duidelijkheid en coherentie te bevorderen, alsook maximale transparantie van het wetgevingsproces.”
25 Punt 25, derde en vierde alinea, van dit akkoord bepaalt: „De drie instellingen wisselen van gedachten over een beoogde wijziging van de rechtsgrondslag wanneer die tot gevolg heeft dat in de plaats van de gewone wetgevingsprocedure een bijzondere wetgevingsprocedure of een niet-wetgevingsprocedure wordt toegepast. De drie instellingen zijn het erover eens dat de keuze van de rechtsgrondslag het gevolg is van een juridische beoordeling die moet berusten op objectieve gronden die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn.”
Voorgeschiedenis van het geding
26 Op 27 oktober 2020 heeft de Commissie het voorstel ingediend voor een verordening van de Raad tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn [COM(2020) 668 final].
27 Op 14 december 2020 heeft de Commissie dat voorstel gewijzigd door er bepalingen in op te nemen die overeenstemmen met de litigieuze bepalingen.
28 Op 28 januari 2021 heeft de Raad van de Europese Unie verordening 2021/92 vastgesteld. Deze verordening is overeenkomstig artikel 60 ervan in werking getreden op de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, te weten op 29 januari 2021.
29 Bij op 22 april 2021 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift, heeft het Parlement krachtens artikel 263, tweede alinea, VWEU het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de litigieuze bepalingen ingesteld.
Feiten die zich hebben voorgedaan nadat het beroep is ingesteld
30 Op 23 augustus 2021 heeft de Commissie gedelegeerde verordening (EU) 2021/2324 tot wijziging van verordening 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft technische maatregelen voor bepaalde demersale en pelagische visserijen in de Keltische Zee, de Ierse Zee en het gebied ten westen van Schotland (PB 2021, L 465, blz. 1) vastgesteld. Die verordening is vastgesteld op grond van met name artikel 10, lid 4, en artikel 15, lid 2, van verordening 2019/1241.
31 Ten eerste blijkt uit overweging 2 van deze gedelegeerde verordening dat het Koninkrijk België, Ierland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden in mei 2020 een eerste gezamenlijke aanbeveling hebben ingediend. Na het verzoek daartoe van de Commissie hebben deze lidstaten op 14 december 2020 een herziene gezamenlijke aanbeveling ingediend.
32 Ten tweede staat in overweging 3 van deze gedelegeerde verordening te lezen dat, in afwachting van de vaststelling door middel van een gedelegeerde handeling van de in deze gezamenlijke aanbeveling voorgestelde maatregelen, in de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 herstelmaatregelen in de zin van verordening 2019/472 zijn vastgesteld die gericht zijn op het verminderen van bijvangsten van kabeljauw en wijting in de Keltische Zee en aangrenzende gebieden, en aanvullende technische maatregelen om bijvangsten van kabeljauwachtigen in de Ierse Zee en het gebied ten westen van Schotland te verminderen. Volgens deze overweging waren deze maatregelen functioneel gekoppeld aan de TAC‑niveaus voor in gemengde visserijen gevangen doelsoorten, aangezien dergelijke TAC‑niveaus zonder die maatregelen hadden moeten worden verlaagd om de bijvangstbestanden in staat te stellen zich te herstellen.
33 Ten derde heeft deze gedelegeerde verordening volgens overweging 6 ervan tot doel de bestaande bepalingen inzake met name de technische maatregelen die overeenkomen met de maatregelen die in de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 zijn vastgesteld, in één enkele handeling op te nemen.
34 Op 27 januari 2022 heeft de Raad verordening (EU) 2022/109 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB 2022, L 21, blz. 1), vastgesteld. Deze verordening is overeenkomstig artikel 60 ervan in werking getreden op de dag van de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, te weten op 31 januari 2022.
Conclusies van partijen en procedure bij het Hof
35 Het Parlement verzoekt het Hof: – de litigieuze bepalingen nietig te verklaren en – de Raad te verwijzen in de kosten.
36 De Raad verzoekt het Hof: – het beroep ongegrond te verklaren; – in geval van nietigverklaring van de litigieuze bepalingen, de gevolgen ervan te handhaven, en – het Parlement te verwijzen in de kosten.
37 Bij beslissing van 19 augustus 2021 heeft de president van het Hof de Commissie toegestaan om te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
38 Overeenkomstig artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof hebben de advocaat-generaal en de rechter-rapporteur partijen bij brief van 13 mei 2022 verzocht hun standpunt kenbaar te maken over de gevolgen van de vaststelling van verordening 2022/109 voor het beroep van het Parlement. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan.
Beroep
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
39 In het kader van een inleidende opmerking van procedurele aard in zijn memorie van repliek, voert de Raad in de eerste plaats aan dat doordat na de instelling van het onderhavige beroep met de vaststelling door de Commissie van gedelegeerde verordening 2021/2324 op zodanige wijze een einde is gemaakt aan de toepassing van de maatregelen van de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92, dat het beroep met betrekking tot die artikelen en artikel 59, tweede alinea, van deze verordening zonder voorwerp is geraakt.
40 In de tweede plaats is dit beroep in ieder geval, wat de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 betreft, op 31 december 2021 zonder voorwerp geraakt, aangezien de toepassing ratione temporis van deze bepalingen beperkt was tot enkel het jaar 2021. Artikel 20 van deze verordening is slechts effect blijven sorteren tot verordening 2022/109 in werking trad, dat wil zeggen tot 31 januari 2022.
41 Omgekeerd is het Parlement van mening dat de vaststelling van gedelegeerde verordening 2021/2324 er niet aan in de weg staat dat het Hof uitspraak doet over de geldigheid van de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92. Hoewel bepaalde voorschriften van deze gedelegeerde verordening met de inhoud van de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 overeenkomen, maken die voorschriften echter nog steeds deel uit van de rechtsorde van de Unie en moeten zij in het belang van de rechtszekerheid worden ingetrokken.
42 Wat de inwerkingtreding van verordening 2022/109 betreft, betoogt het Parlement, net als de Commissie, dat de vaststelling van deze verordening niet van invloed is op het onderhavige beroep.
43 Het Parlement benadrukt dat een verordening waarbij de vangstmogelijkheden voor een bepaald jaar worden vastgesteld, de verordening betreffende het voorgaande jaar gewoonlijk niet intrekt. Daardoor is het onder meer mogelijk om de bepalingen van die voorgaande verordening zelfs na afloop van het betrokken vangstseizoen nog aan de lidstaten en de marktdeelnemers tegen te werpen teneinde met name achteraf te kunnen controleren of de visserijactiviteiten verenigbaar waren met de vastgestelde vangstmogelijkheden.
44 Bovendien is het Parlement van mening dat het Hof uitspraak moet doen op het onderhavige beroep, aangezien de Raad in de toekomst technische maatregelen zoals die in de litigieuze bepalingen zou kunnen vaststellen.
Beoordeling door het Hof
45 Het Hof heeft al eerder beroepen ontvankelijk verklaard die strekten tot nietigverklaring van handelingen die reeds waren uitgevoerd of niet meer van toepassing waren op het moment dat het beroep werd ingesteld (arrest van 1 oktober 2009, Commissie/Raad (C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Deze oplossing is met name gerechtvaardigd omdat het mogelijk moet zijn te verzekeren dat de gestelde onwettigheid zich niet herhaalt (zie in die zin arresten van 24 juni 1986, AKZO Chemie en AKZO Chemie UK/Commissie, 53/85, EU:C:1986:256, punt 21, en 26 april 1988, Apesco/Commissie, 207/86, EU:C:1988:200, punt 16). Dit is het geval wanneer de visserijwetgeving, zoals in het onderhavige geval, voor een beperkte tijd van toepassing is en elk jaar nieuwe voorschriften worden vastgesteld.
47 Hieruit volgt dat noch doordat de Commissie gedelegeerde verordening 2021/2324 heeft vastgesteld, noch doordat verordening 2022/109 in werking is getreden, het voortbestaan van het voorwerp van het onderhavige beroep in twijfel kan worden getrokken en dus de ontvankelijkheid van dat beroep kan worden aangetast.
48 In ieder geval is het Parlement, aangezien het ter instelling van een beroep tot nietigverklaring tegen de besluiten van de Raad geen procesbelang hoeft aan te tonen (zie in die zin arrest van 1 oktober 2009, Commissie/Raad, C‑370/07, EU:C:2009:590, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak), evenmin gehouden om te bewijzen dat een dergelijk belang gedurende de procedure blijft voortbestaan.
49 Het beroep is derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
50 Ter ondersteuning van zijn beroep voert het Parlement twee middelen aan. Het eerste middel heeft betrekking op misbruik van de in de basisverordeningen neergelegde procedure en het tweede op schending van het in artikel 13, lid 2, VEU bedoelde beginsel van loyale samenwerking.
Eerste middel: misbruik van de in de basisverordeningen neergelegde procedure
– Argumenten van partijen
51 Het Parlement betoogt dat de Raad, door de litigieuze bepalingen op grond van artikel 43, lid 3, VWEU vast te stellen, misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die deze bepaling hem biedt en aldus de in de basisverordeningen neergelegde procedure voor de vaststelling van technische maatregelen heeft omzeild, welke procedure alleen aan de Commissie en, in noodgevallen, aan de lidstaten de bevoegdheid verleende om dergelijke maatregelen vast te stellen.
52 Meer in het bijzonder betoogt het Parlement dat de Raad, door de procedure tot vaststelling van technische maatregelen, zoals neergelegd in de basisverordeningen – met name in artikel 9 van verordening 2019/472 en artikel 10, lid 4, en artikel 15 van verordening 2019/1241 –, niet na te leven, misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid in de zin van de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit de arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a. (C‑331/88, EU:C:1990:391, punt 24), en 16 april 2013, Spanje en Italië/Raad (C‑274/11 en C‑295/11, EU:C:2013:240, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Aangezien deze bepalingen van de op grond van artikel 43, lid 2, VWEU vastgestelde basisverordeningen de Commissie de bevoegdheid verlenen om technische maatregelen te nemen, kon de Raad de litigieuze bepalingen immers niet vaststellen op basis van de bevoegdheid die hij ontleent aan artikel 43, lid 3, VWEU.
54 De bevoegdheid van de Raad om op grond van artikel 43, lid 3, VWEU technische maatregelen vast te stellen, is dus beperkt, aangezien het Parlement en de Raad in krachtens artikel 43, lid 2, VWEU vastgestelde wetgevingshandelingen zijn overeengekomen om niet de Raad, maar veeleer de Commissie te machtigen om dergelijke maatregelen vast te stellen in de vorm van gedelegeerde handelingen in de zin van artikel 290 VWEU.
55 Onder verwijzing naar met name de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit het arrest van 1 december 2015, Parlement en Commissie/Raad (C‑124/13 en C‑125/13, EU:C:2015:790), is het Parlement van mening dat de Raad, wanneer hij op grond van artikel 43, lid 3, VWEU maatregelen wil vaststellen ter uitvoering van wetgevingshandelingen die gebaseerd zijn op artikel 43, lid 2, VWEU, het in die wetgevingshandelingen vooraf vastgestelde kader moet eerbiedigen en volgen.
56 Meer in het bijzonder is het Parlement van mening dat door de artikelen 15 tot en met 17 en 20 van verordening 2021/92 de voorschriften van bijlage VI, deel B, punt 1, en deel C, alsook die van bijlage I bij verordening 2019/1241 zijn gewijzigd, hetgeen in strijd is met artikel 10, lid 4, en artikel 15, lid 2, van laatstgenoemde verordening, aangezien het aan de Commissie en niet aan de Raad stond om deze voorschriften te wijzigen.
57 Het Parlement brengt voor het overige in herinnering dat de Raad in overweging 59 en in artikel 59, tweede alinea, van verordening 2021/92 uitdrukkelijk heeft erkend dat de Commissie de in de artikelen 15 tot en met 17 van die verordening bedoelde technische maatregelen had moeten vaststellen. De Raad heeft in geen enkel opzicht gerechtvaardigd waarom hijzelf, in plaats van de Commissie, de litigieuze bepalingen heeft vastgesteld.
58 Het Parlement betoogt voorts dat indien de in de litigieuze bepalingen vervatte technische maatregelen gerechtvaardigd waren wegens een noodsituatie, daarvoor dan de artikelen 12 en 13 van verordening nr. 1380/2013 de juiste rechtsgrondslag zouden zijn geweest, waarin is bepaald dat de Commissie of de lidstaten, maar niet de Raad, noodmaatregelen kunnen vaststellen.
59 Het Parlement benadrukt dat wanneer er geen sprake is van een noodsituatie, alleen de Commissie volgens artikel 8, leden 2 en 3, van verordening 2019/472 in gedelegeerde handelingen herstelmaatregelen kan vaststellen.
60 De Raad, ondersteund door de Commissie, is van mening dat het eerste middel ongegrond is.
– Beoordeling door het Hof
61 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een handeling slechts gebrekkig wegens misbruik van bevoegdheid indien zij, op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende gegevens, uitsluitend, of ten minste in overwegende mate, blijkt te zijn vastgesteld voor andere doeleinden dan die waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden (arrest van 5 mei 2015, Spanje/Parlement en Raad, C‑146/13, EU:C:2015:298, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 In het onderhavige geval moet worden onderzocht of, zoals het Parlement betoogt, de litigieuze bepalingen zijn vastgesteld voor andere doeleinden dan die waarvoor de betrokken bevoegdheid is verleend of om te ontkomen aan een procedure die in het VWEU specifiek is vastgesteld om aan de omstandigheden van het geval het hoofd te bieden.
63 Aangaande in de eerste plaats de vraag of de litigieuze bepalingen vallen onder de bevoegdheid waarover de Raad krachtens artikel 43 VWEU beschikt, moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat de leden 2 en 3 van die bepaling andere doelstellingen nastreven en elk een specifieke werkingssfeer hebben, zodat zij afzonderlijk kunnen worden gebruikt als grondslag voor de vaststelling van bepaalde maatregelen in het kader van het GVB (arrest van 1 december 2015, Parlement en Commissie/Raad, C‑124/13 en C‑125/13, EU:C:2015:790, punt 58).
64 De Raad moet bij de vaststelling van handelingen op basis van artikel 43, lid 3, VWEU de grenzen van zijn bevoegdheden in acht nemen, alsook, in voorkomend geval, het reeds krachtens artikel 43, lid 2, VWEU vastgestelde rechtskader (arrest van 1 december 2015, Parlement en Commissie/Raad, C‑124/13 en C‑125/13, EU:C:2015:790, punt 58).
65 Vervolgens moet worden opgemerkt dat de Raad volgens artikel 43, lid 3, VWEU op voorstel van de Commissie de maatregelen vaststelt voor de prijsbepaling, de heffingen, de steun en de kwantitatieve beperkingen, alsook voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden.
66 Het Hof heeft verduidelijkt dat deze bepaling maatregelen kan omvatten die verder gaan dan de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden, voor zover die maatregelen geen aan de Uniewetgever voorbehouden politieke keuze behelzen, omdat zij nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid na te streven (arrest van 1 december 2015, Parlement en Commissie/Raad, C‑124/13 en C‑125/13, EU:C:2015:790, punt 59).
67 Wat in het onderhavige geval ten eerste de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 betreft, blijkt uit de overwegingen 55 tot en met 58 van deze verordening dat de technische maatregelen waarin deze bepalingen voorzien tot doel hebben om door middel van een verbeterde selectiviteit van vistuig aan het herstel van de betrokken bestanden bij te dragen, net als het geval was bij de eerder bij verordening 2020/123 vastgestelde specifieke herstelmaatregelen.
68 Bovendien volgt uit overweging 56 van verordening 2021/92, net als uit overweging 3 van gedelegeerde verordening 2021/2324, zoals in herinnering is gebracht in punt 32 van dit arrest, dat de in de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 vastgestelde technische maatregelen functioneel waren gekoppeld aan de TAC‑niveaus voor in gemengde visserijen gevangen doelsoorten, aangezien de TAC‑niveaus zonder die maatregelen hadden moeten worden verlaagd om de bijvangstbestanden in staat te stellen zich te herstellen.
69 Aangaande ten tweede artikel 20 van verordening 2021/92, moet in navolging van de Commissie worden opgemerkt dat de in die bepaling vastgestelde vangstverboden betekenen dat er geheel geen vangstmogelijkheden zijn. Later kan deze afwezigheid van vangstmogelijkheden in voorkomend geval, afhankelijk van de ontwikkeling van de bestanden van de betrokken soorten, worden gewijzigd in beperkte vangstmogelijkheden.
70 Zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, strekt de vaststelling van de litigieuze bepalingen, anders dan de wijzigingen die de Raad op grond van artikel 43, lid 3, VWEU had aangebracht in de voorschriften voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden die aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 1 december 2015, Parlement en Commissie/Raad (C‑124/13 en C‑125/13, EU:C:2015:790), voorts niet ertoe het algemene mechanisme voor de vaststelling van de TAC’s en de beperkingen van de visserijinspanning aan te passen teneinde de gebreken te verhelpen die voortvloeien uit de toepassing van de vroegere voorschriften, of het juridische kader te bepalen waarin die TAC’s en beperkingen van de visserijinspanning worden vastgesteld.
71 Integendeel, de artikelen 15 tot en met 17 en 20 van verordening 2021/92 onderscheiden zich door hun beperkte strekking tot bijzondere omstandigheden – de daarin vastgelegde maatregelen zijn namelijk bestemd om te worden toegepast op bepaalde scheepstypen die alleen in bepaalde gebieden actief zijn en hebben slechts betrekking op bepaalde vissoorten – en doordat het de bedoeling is dat ze voor een beperkte tijd van toepassing zijn. Bijgevolg gaat het bij deze artikelen niet om een aan de Uniewetgever voorbehouden politieke keuze in de zin van de in punt 66 van dit arrest aangehaalde rechtspraak.
72 Bijgevolg vallen de litigieuze bepalingen in beginsel onder de bevoegdheid van de Raad uit hoofde van artikel 43, lid 3, VWEU.
73 Wat in de tweede plaats de gevolgen van de basisverordeningen voor die bevoegdheid betreft, moet worden opgemerkt dat deze verordeningen, meer bepaald artikel 9 van verordening 2019/472 en artikel 10, lid 4, en artikel 15 van verordening 2019/1241, voorzien in een specifieke procedure voor de vaststelling van technische maatregelen door de Commissie, namelijk de vaststelling van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU.
74 Deze aan de Commissie verleende bevoegdheid belet de Raad echter niet om op grond van zijn aan artikel 43, lid 3, VWEU ontleende bevoegdheid om in omstandigheden als die van de onderhavige zaak – namelijk wanneer de Commissie niet is opgetreden om zelf op basis van die bepalingen van de basisverordeningen gedelegeerde handelingen vast te stellen – technische maatregelen te nemen met betrekking tot kwesties die vergelijkbaar zijn met die waarop deze bepalingen van de basisverordeningen van toepassing zijn.
75 Uit artikel 59, tweede alinea, van verordening 2021/92 blijkt immers dat de artikelen 15 tot en met 17 niet langer van toepassing zijn zodra de Commissie een of meer gedelegeerde handelingen met betrekking tot dezelfde technische maatregelen vaststelt.
76 In die omstandigheden moet, zoals de advocaat-generaal in punt 83 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden vastgesteld dat de litigieuze bepalingen tijdelijk van aard zijn en dat de Raad geen inbreuk heeft gemaakt op de bevoegdheid van de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen, maar juist uitdrukkelijk heeft getracht die te handhaven.
77 Deze bevoegdheid van de Commissie wordt niet alleen erkend in artikel 59, tweede alinea, maar ook in overweging 59 van verordening 2021/92. In deze overweging staat namelijk te lezen dat de technische maatregelen die de Commissie vaststelt op grond van verordening 2019/1241, uitgebreider zijn en op stabielere wijze zullen worden toegepast dan de technische maatregelen die zijn vervat in de litigieuze bepalingen.
78 Wat het vangstverbod van artikel 20 van verordening 2021/92 betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 10, lid 2, van verordening 2019/1241 weliswaar een soortgelijk vangstverbod bevat, maar dat dit verbod betrekking heeft op andere soorten vissen of schaaldieren.
79 Het is juist dat in artikel 10, lid 4, van verordening 2019/1241 is bepaald dat de Commissie bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen om de soortenlijst in bijlage I bij die verordening te wijzigen, wanneer uit het beste beschikbare wetenschappelijke advies blijkt dat het noodzakelijk is om aldus te werk te gaan.
80 Ditzelfde artikel 10 van verordening 2019/1241 bepaalt echter in lid 2 dat het voor Unievaartuigen verboden is om naast de in lid 1 bedoelde soorten, de soorten die in bijlage I zijn opgenomen of de soorten waarvoor „uit hoofde van andere rechtshandelingen van de Unie” een vangstverbod geldt, te bevissen, aan boord te houden, over te laden, aan te landen, op te slaan, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden.
81 In navolging van de Raad en de Commissie moet worden vastgesteld dat de in artikel 10, lid 2, van verordening 2019/1241 bedoelde „andere rechtshandelingen van de Unie” onder meer de verordeningen op grond van artikel 43, lid 3, VWEU van de Raad tot vaststelling van de vangstmogelijkheden omvatten.
82 Met de vaststelling van de litigieuze bepalingen heeft de Raad dus gehandeld binnen de grenzen van de bevoegdheden die hij aan artikel 43, lid 3, VWEU ontleent en het specifieke rechtskader van artikel 43, lid 2, VWEU in acht genomen.
83 In die omstandigheden kan met de gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier niet op basis van objectieve, relevante en onderling overeenstemmende aanwijzingen worden geoordeeld, zoals de in punt 61 van dit arrest bedoelde rechtspraak vereist, dat de litigieuze bepalingen misbruik van bevoegdheid opleveren, zoals het Parlement stelt.
84 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door het argument van het Parlement dat de in de litigieuze bepalingen vervatte maatregelen ofwel hadden moeten worden vastgesteld als noodmaatregelen van de Commissie of de lidstaten om te reageren op een ernstige bedreiging voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee of voor het mariene ecosysteem in de zin van de artikelen 12 en 13 van verordening nr. 1380/2013, ofwel, buiten noodsituaties, als gedelegeerde handelingen van de Commissie, aangezien artikel 8, leden 2 en 3, van verordening 2019/472 slechts deze twee mogelijkheden bevat.
85 Om te beginnen vormen de litigieuze bepalingen, zoals ook het Parlement heeft erkend, gelet op het voorwerp en het doel ervan, immers geen noodmaatregelen als reactie op een ernstige bedreiging voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in de zin van de artikelen 12 en 13 van verordening nr. 1380/2013. Voorts heeft de Raad gehandeld en de litigieuze bepalingen vastgesteld voor de overgangsperiode waarin de Commissie nog geen gebruik had gemaakt van de andere in artikel 8, leden 2 en 3, van verordening 2019/472 uitdrukkelijk vastgestelde mogelijkheid en waarin zij krachtens deze bepalingen een of meer gedelegeerde handelingen had vastgesteld.
86 Zoals de Commissie in haar memorie in interventie terecht heeft aangevoerd, waren de eerdere herstelmaatregelen van artikel 13 van verordening 2020/123 bestemd om slechts tot en met 31 december 2020 van kracht te blijven. Evenzo bleven andere eerdere maatregelen, met name de vangstverboden voor bepaalde kwetsbare soorten, overeenkomstig artikel 54 van deze verordening in de loop van 2021 mutatis mutandis van toepassing tot de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor het jaar 2021 – namelijk verordening 2021/92 – in werking was getreden.
87 Bovendien was er, wat specifiek de artikelen 15 tot en met 17 van verordening 2021/92 betreft en zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft opgemerkt, doordat veel inspanningen nodig waren om een overeenkomst tussen de Unie en het Verenigd Koninkrijk te sluiten over de vaststelling van technische maatregelen wegens de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, niet tijdig genoeg een gezamenlijke aanbeveling ingediend zoals vereist door artikel 9, lid 1, van verordening 2019/472 en artikel 15, lid 2, van verordening 2019/1241, opdat de Commissie begin 2021 een gedelegeerde handeling kon vaststellen. Deze omstandigheid wordt overigens bevestigd in overweging 2 van gedelegeerde verordening 2021/2324, waarin staat te lezen dat het Koninkrijk België, Ierland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden, hoewel zij in mei 2020 een eerste gemeenschappelijke aanbeveling hebben ingediend, pas op 14 december 2020 een herziene gemeenschappelijke aanbeveling hebben ingediend.
88 Zoals de advocaat-generaal in punt 89 van zijn conclusie heeft opgemerkt, was het dus de bedoeling van de Raad om met de vaststelling van de litigieuze bepalingen een leemte te vullen die anders tijdens een deel van het jaar 2021 of zelfs dat hele jaar zou zijn blijven bestaan.
89 Het eerste middel in hogere voorziening moet dan ook worden afgewezen.
Tweede middel
– Argumenten van partijen
90 Het Parlement betoogt dat de Raad, door niet te voldoen aan de procedures die in de basisverordeningen voor de vaststelling van de in de litigieuze bepalingen vervatte maatregelen zijn voorzien, in strijd met artikel 13, lid 2, VEU zijn verplichting tot loyale samenwerking met het Parlement niet is nagekomen.
91 Het Parlement betoogt in het bijzonder dat de Raad punt 2 van het interinstitutioneel akkoord heeft geschonden, waarin de verplichting tot loyale samenwerking in het kader van de procedures voor de voorbereiding en de vaststelling van wetteksten en gedelegeerde handelingen uitdrukkelijk is weergegeven en welk punt overeenkomstig artikel 295 VWEU voor partijen en met name voor de Raad en het Parlement, bindend is.
92 De vaststelling van technische maatregelen op basis van artikel 43, lid 3, VWEU, in plaats van een gedelegeerde handeling overeenkomstig de basisverordeningen, heeft het Parlement belet om zijn toezicht uit te oefenen op de op grond van artikel 290, lid 2, onder b), VWEU genomen maatregelen en heeft het Parlement aldus elke rol in het wetgevingsproces ontnomen.
93 Bovendien benadrukt het Parlement dat de Raad hem niet in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om de procedure te wijzigen teneinde de litigieuze bepalingen vast te stellen. Het Parlement herinnert eraan dat punt 25 van het interinstitutioneel akkoord de verplichting bevat om de andere instellingen te raadplegen over een wijziging van de rechtsgrondslag waardoor de bevoegdheidsverdeling bij de vaststelling van een handeling aanzienlijk kan worden gewijzigd ten opzichte van hetgeen overeenkomstig het Unierecht is bepaald.
94 Volgens de Raad, daarin ondersteund door de Commissie, moet het onderhavige middel worden afgewezen.
– Beoordeling door het Hof
95 Volgens artikel 13, lid 2, VEU werken de instellingen loyaal samen. Deze loyale samenwerking moet echter met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden die in de Verdragen aan elke instelling zijn toegedeeld, op zodanige wijze worden uitgeoefend dat de uit deze bepaling voortvloeiende verplichting deze bevoegdheden niet kan wijzigen (zie in die zin arrest van 12 februari 2015, Parlement/Raad, C‑48/14, EU:C:2015:91, punten 57 en 58).
96 Het Parlement baseert zich bij zijn in het kader van zijn tweede middel aangevoerde standpunt dat de Raad het beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden door de litigieuze bepalingen vast te stellen, in essentie op een redenering die uitgaat van de premisse dat de Raad bij de vaststelling van de litigieuze bepalingen de basisverordeningen heeft geschonden en dus de grenzen van zijn door de Verdragen verleende bevoegdheden heeft overschreden.
97 Uit de punten 82 en 83 van dit arrest volgt echter dat de Raad met de vaststelling van de litigieuze bepalingen heeft gehandeld binnen de grenzen van de bevoegdheden die hij aan artikel 43, lid 3, VWEU ontleent en geen blijk heeft gegeven van misbruik van bevoegdheid.
98 Hieruit volgt dat het Parlement niet op goede gronden kan stellen dat de Raad het in artikel 13, lid 2, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden.
99 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van het Parlement met betrekking tot punt 25 van het interinstitutioneel akkoord, aangezien verordening 2021/92, zoals de Raad terecht heeft aangevoerd, is vastgesteld op dezelfde rechtsgrondslag als die welke de Commissie heeft voorgesteld, namelijk artikel 43, lid 3, VWEU, zodat er geen wijziging van de rechtsgrondslag in de zin van dat punt 25 heeft plaatsgevonden.
100 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen.
101 Aangezien geen van de middelen van het beroep gegrond is verklaard, moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
102 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Parlement in het ongelijk is gesteld, moet het Parlement overeenkomstig de vordering van de Raad in de kosten worden verwezen.
103 Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, draagt de Commissie haar eigen kosten.
Het Hof (Derde kamer) verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Het Europees Parlement draagt behalve zijn eigen kosten ook de kosten van de Raad van de Europese Unie.
3) De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 1 december 2015, C-124/13, ECLI:EU:C:2015:790
- HvJ EU 5 mei 2015, C-146/13, ECLI:EU:C:2015:298
- HvJ EU 12 februari 2015, C-48/14, ECLI:EU:C:2015:91
- HvJ EU 16 april 2013, C-274/11, ECLI:EU:C:2013:240
- HvJ EU 1 oktober 2009, C-370/07, ECLI:EU:C:2009:590
- HvJ EU 13 november 1990, 331/88, ECLI:EU:C:1990:391
- HvJ EU 26 april 1988, 207/86, ECLI:EU:C:1988:200
- HvJ EU 24 juni 1986, 53/85, ECLI:EU:C:1986:256