HvJ EU 13 oktober 2022, C-698/20, ECLI:EU:C:2022:787
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
13 oktober 2022 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Structuurfondsen – Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) – Cohesiefonds – Verordening (EG) nr. 1083/2006 – Verordening (EU) nr. 1303/2013 – Financiering door de Europese Unie – Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Verordening (EG) nr. 1290/2005 – Verordening (EG) nr. 1698/2005 – Verordening (EU) nr. 1306/2013 – Subsidieovereenkomst – Fondsen die aan de begunstigde zijn uitgekeerd op een rekening bij een in staat van faillissement verkerende bank – Nationale regeling volgens welke deze fondsen niet buiten de failliete boedel van die bank blijven”
In zaak C‑698/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissing van 22 september 2020, ingekomen bij het Hof op 21 december 2020, in de procedure
Gmina Wieliszew
tegen
Syndyk masy upadłości Spółdzielczego Banku Rzemiosła i Rolnictwa w Wołominie w upadłości likwidacyjnej,
in tegenwoordigheid van:
Rzecznik Praw Obywatelskich,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, A. Arabadjiev (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend rechter van de Zesde kamer, en I Ziemele, rechter,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Rzecznik Praw Obywatelskich, vertegenwoordigd door M. Taborowski,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Barcew en J. Hradil als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 5, de artikelen 3 en 4, artikel 57, lid 1, en de artikelen 70 en 80 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 423/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 (PB 2012, L 133, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 1083/2006”), en van artikel 2, punt 15, artikel 37, lid 1, artikel 66, artikel 67, lid 1, artikel 74, lid 1, en artikel 89, lid 1, van verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening nr. 1083/2006 (PB 2013, L 347, blz. 320).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Gmina Wieliszew (gemeente Wieliszew, Polen; hierna: „gemeente”) en de Syndyk masy upadłości Spółdzielczego Banku Rzemiosła i Rolnictwa w Wołominie w upadłości likwidacyjnej (curator in het faillissement van de coöperatieve bank voor het ambachtswezen en de landbouw in Wołomin, Polen; hierna: „bank”) over de uitsluiting van een door de gemeente op een rekening van deze bank geplaatst bedrag van 2439814 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 500000 EUR) van de failliete boedel van die bank.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Protocol
3 Artikel 1, derde volzin, van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (hierna: „Protocol”) bepaalt dat „[d]e eigendommen en bezittingen van de [Europese] Unie […] zonder toestemming van het Hof van Justitie [van de Europese Unie] niet [kunnen] worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard”.
Verordening nr. 1698/2005
4 Artikel 2, onder i), van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2005, L 277, blz. 1) omschreef het begrip „overheidsuitgaven” als volgt: „elke overheidsbijdrage aan de financiering van concrete acties uit de begroting van de staat, van een regionale of plaatselijke overheid of van de Europese Gemeenschappen en elke soortgelijke uitgave. Elke bijdrage aan de financiering van concrete acties die afkomstig is uit de begroting van publiekrechtelijke instellingen of verenigingen van een of meer regionale of plaatselijke overheden of publiekrechtelijke instellingen in de zin van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten [(PB 2004, L 134, blz. 114)], wordt beschouwd als een overheidsbijdrage”.
5 Artikel 3 van deze verordening bepaalde: „Het Elfpo levert een bijdrage aan de bevordering van duurzame plattelandsontwikkeling in de hele Gemeenschap die complementair is aan het marktbeleid en het inkomenssteunbeleid in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, aan het cohesiebeleid en aan het gemeenschappelijk visserijbeleid.”
6 Artikel 4, lid 1, van deze verordening luidde: „De steun voor plattelandsontwikkeling draagt bij tot de verwezenlijking van de volgende doelstellingen: a) verbetering van het concurrentievermogen van de land- en bosbouw door steun te verlenen voor herstructurering, ontwikkeling en innovatie; b) verbetering van het milieu en het platteland door steunverlening voor landbeheer; c) verbetering van de leefkwaliteit op het platteland en bevordering van diversificatie van de economische bedrijvigheid.”
7 In artikel 15, lid 1, van dezelfde verordening was het volgende bepaald: „Het Elfpo treedt in de lidstaten op door middel van de programma’s voor plattelandsontwikkeling. Met deze programma’s wordt een strategie voor plattelandsontwikkeling uitgevoerd met behulp van een samenstel van maatregelen die zijn gegroepeerd in overeenstemming met de in titel IV omschreven assen, waarbij voor de uitvoering van die maatregelen om steun uit het Elfpo wordt verzocht. Elk programma voor plattelandsontwikkeling bestrijkt een periode tussen 1 januari 2007 en 31 december 2013.”
8 Artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005 luidde als volgt: „Onverminderd de voorschriften betreffende de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten in de zin van de artikelen 43 en 49 [EG], ziet de lidstaat erop toe dat de bijdrage uit het Elfpo voor een concrete actie die een investering betreft, slechts dan wordt gehandhaafd indien deze investeringsactie gedurende vijf jaar te rekenen vanaf het door de beheersautoriteit genomen financieringsbesluit geen belangrijke wijziging ondergaat die: a) de aard of de uitvoeringsvoorwaarden ervan raakt, of een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert; b) het gevolg is hetzij van een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij van de beëindiging of verplaatsing van een productieactiviteit.”
Verordening nr. 1083/2006
9 Bij verordening nr. 1083/2006 worden volgens artikel 1, eerste alinea, ervan „de algemene bepalingen vastgesteld met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) (hierna ‚de structuurfondsen’ genoemd) en het Cohesiefonds”.
10 Artikel 2, punt 5, van deze verordening luidde: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 5. ‚publieke uitgaven’: elke overheidsbijdrage aan de financiering van concrete acties die afkomstig is uit de begroting van de staat of van een regionale of plaatselijke overheid of van de Europese Gemeenschappen en verband houdt met de structuurfondsen en het Cohesiefonds, alsmede elke soortgelijke uitgave. Elke bijdrage aan de financiering van concrete acties die afkomstig is uit de begroting van publiekrechtelijke instellingen of verenigingen van een of meer regionale of plaatselijke overheden […] wordt beschouwd als een soortgelijke uitgave”.
11 Artikel 3 van die verordening had als opschrift „Doelstellingen” en bepaalde: „1. Het optreden van de Gemeenschap op grond van artikel 158 [EG] is erop gericht de economische en sociale samenhang van de uitgebreide Unie te versterken om de harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de Gemeenschap te bevorderen. Voor dit optreden wordt bijstand verleend uit de fondsen, de Europese Investeringsbank (EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten. Doel van dit optreden is het hoofd te bieden aan uitdagingen die samenhangen met de economische, sociale en territoriale ongelijkheden die zich vooral in landen en regio’s met een ontwikkelingsachterstand voordoen, en in verband met de economische en sociale herstructurering, aan de veroudering van de bevolking. Het optreden in het kader van de fondsen geeft, op nationaal en regionaal niveau, vorm aan de prioriteiten van de Gemeenschap ten gunste van een duurzame ontwikkeling doordat de groei, het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, de sociale insluiting en de milieubescherming en -kwaliteit worden bevorderd. 2. In dit verband dragen het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, de Europese Investeringsbank (EIB) en de andere bestaande financieringsinstrumenten van de Gemeenschap elk op passende wijze bij tot de verwezenlijking van de volgende drie doelstellingen: a) de convergentiedoelstelling, waarmee wordt beoogd de convergentie van de minst ontwikkelde lidstaten en regio’s te versnellen door de verbetering van de voorwaarden voor groei en werkgelegenheid via de toename en kwalitatieve verbetering van de investeringen in fysiek en menselijk kapitaal, de ontwikkeling van de innovatie en van de kennismaatschappij, het vermogen zich aan economische en sociale veranderingen aan te passen, milieubescherming en ‑verbetering en bestuurlijke efficiëntie. Deze doelstelling vormt de prioriteit van de [structuurfondsen en het Cohesiefonds]; b) de doelstelling ‚Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid’, die geldt voor andere dan de minst ontwikkelde regio’s en waarmee wordt beoogd het concurrentievermogen en de aantrekkingskracht van de regio’s alsmede de werkgelegenheid te vergroten door op economische en sociale veranderingen, inclusief die welke met de vrijmaking van de handel verband houden, te anticiperen via innovatie en de bevordering van de kennismaatschappij, ondernemerschap, milieubescherming en ‑verbetering, de verbetering van de toegankelijkheid, het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven, en de ontwikkeling van inclusieve arbeidsmarkten; en c) de doelstelling ‚Europese territoriale samenwerking’, waarmee wordt beoogd de grensoverschrijdende samenwerking te intensiveren door gezamenlijke lokale en regionale initiatieven, de transnationale samenwerking te intensiveren door met de prioriteiten van de Gemeenschap verband houdende acties die bevorderlijk zijn voor de geïntegreerde territoriale ontwikkeling, en de interregionale samenwerking en de uitwisseling van ervaringen op het passende territoriale niveau te intensiveren. 3. Bij de bijstandsverlening uit de fondsen in het kader van de drie in lid 2 vermelde doelstellingen wordt, in overeenstemming met de aard van de fondsen, rekening gehouden, enerzijds, met de specifieke economische en sociale kenmerken en, anderzijds, met de specifieke territoriale kenmerken. Met de bijstand wordt op passende wijze ondersteuning geboden voor duurzame stedelijke ontwikkeling, met name als onderdeel van de regionale ontwikkeling, en, via economische diversifiëring, voor de vernieuwing van plattelandsgebieden en van gebieden die afhankelijk zijn van de visserij. Voorts wordt bijstand verleend voor de gebieden die te kampen hebben met geografische of natuurlijke handicaps waardoor de ontwikkelingsproblemen nog groter worden, met name in de ultraperifere regio’s als bedoeld in artikel 299, lid 2, [EG] en voor de zeer dunbevolkte noordelijke gebieden, sommige eilanden en eiland-lidstaten, en berggebieden.”
12 Artikel 4 van deze verordening had als opschrift „Instrumenten en taken” en bepaalde in lid 1: „Elk fonds draagt volgens de specifieke voorschriften die erop van toepassing zijn, bij tot de verwezenlijking van de drie in artikel 3, lid 2, vermelde doelstellingen, en wel volgens de onderstaande taakverdeling: a) de convergentiedoelstelling: het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds; b) de doelstelling ‚Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid’: het EFRO en het ESF; c) de doelstelling ‚Europese territoriale samenwerking’: het EFRO.
13 Artikel 14, lid 1, van verordening 1083/2006 bepaalde dat de aan de fondsen toegewezen begroting van de Unie onder gedeeld beheer door de lidstaten en de Europese Commissie wordt uitgevoerd.
14 In artikel 57, lid 1, eerste alinea, van deze verordening was het volgende bepaald: „De lidstaat of de beheersautoriteit ziet erop toe dat de bijdrage uit de fondsen voor een concrete actie die een investering in infrastructuur of een productieve investering omvat alleen blijft gehandhaafd als die concrete actie gedurende vijf jaar na de voltooiing ervan geen substantiële wijziging ondergaat die het gevolg is van een verandering in de aard van de eigendom van een bestanddeel van infrastructuur of van de beëindiging van een productieactiviteit, en die aard of de uitvoeringsvoorwaarden van de concrete actie beïnvloedt of een onderneming of overheidsinstantie onrechtmatig voordeel oplevert.”
15 Artikel 70, leden 1 en 2, van deze verordening luidde: „1. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het beheer en de controle van de operationele programma’s, in het bijzonder door middel van de volgende maatregelen: a) zij zorgen ervoor dat beheers‑ en controlesystemen voor operationele programma’s worden ingesteld overeenkomstig de artikelen 58 tot en met 62, en dat deze systemen doeltreffend functioneren; b) zij voorkomen onregelmatigheden, sporen ze op en corrigeren ze en vorderen onverschuldigd betaalde bedragen terug, in voorkomend geval verhoogd met rente wegens laattijdige betaling. Zij stellen de Commissie in kennis van onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van administratieve en gerechtelijke procedures. 2. Als bedragen die onverschuldigd aan een begunstigde zijn betaald, niet kunnen worden teruggevorderd, is de lidstaat verantwoordelijk voor de terugbetaling van die voor de algemene begroting van de Europese Unie verloren gegane bedragen, indien is aangetoond dat het verlies door zijn onregelmatigheid of nalatigheid is berokkend.”
16 Artikel 80 van dezelfde verordening bepaalde: „De lidstaten vergewissen zich ervan dat de voor het verrichten van de betalingen verantwoordelijke instanties ervoor zorgen dat de begunstigden het volledige bedrag van de overheidsbijdrage zo spoedig mogelijk en volledig ontvangen. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke extra heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast die het totale bedrag voor de begunstigden verminderen.”
Verordening nr. 1303/2013
17 In artikel 152, leden 1 en 2, van verordening nr. 1303/2013 is het volgende bepaald: „1. Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging, met inbegrip van de volledige of gedeeltelijke intrekking, van steunverlening die door de Commissie is goedgekeurd op grond van verordening (EG) nr. 1083/2006 of andere wetgeving die op 31 december 2013 op die bijstandsverlening van toepassing is. Die verordening of zulke andere wetgeving blijft bijgevolg na 31 december 2013 op die steunverlening of de betrokken concrete acties van toepassing totdat ze worden afgesloten. Voor de toepassing van dit lid heeft bijstand betrekking op operationele programma’s en grote projecten. 2. Steunaanvragen die zijn ingediend of goedgekeurd in het kader van verordening (EG) nr. 1083/2006 blijven geldig.”
18 Artikel 153, lid 1, van verordening nr. 1303/2013 luidt: „Onverminderd het bepaalde in artikel 152, wordt verordening (EG) nr. 1083/2006 ingetrokken met ingang van 1 januari 2014.”
Verordening nr. 1305/2013
19 Artikel 88 van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening nr. 1698/2005 (PB 2013, L 347, blz. 487), bepaalt dat laatstgenoemde verordening van toepassing blijft voor concrete acties die worden uitgevoerd krachtens programma’s die de Commissie vóór 1 januari 2014 op grond van die verordening heeft goedgekeurd.
Verordening nr. 1306/2013
20 Artikel 11 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549) bepaalt: „Tenzij in het recht van de Unie uitdrukkelijk anders is bepaald, worden betalingen die verband houden met de financiering in het kader van deze verordening volledig aan de begunstigden uitgekeerd.”
21 In artikel 34, leden 1 en 2, van verordening nr. 1306/2013 is het volgende bepaald: „1. De kredieten die nodig zijn voor de financiering van de in artikel 5 bedoelde uitgaven, worden aan de lidstaten ter beschikking gesteld in de vorm van voorfinanciering, tussentijdse betalingen en een saldobetaling, zoals beschreven in deze afdeling. 2. Het gecumuleerde totaal van de voorfinanciering en de tussentijdse betalingen bedraagt ten hoogste 95 % van de bijdrage uit het Elfpo voor elk programma voor plattelandsontwikkeling. […]”
22 Volgens artikel 35, lid 1, van deze verordening „[keert de Commissie] [n]a het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het programma voor plattelandsontwikkeling […] aan de lidstaat een eerste voorfinanciering voor de gehele programmaperiode uit”. Krachtens artikel 36, lid 2, van deze verordening verricht de Commissie tussentijdse betalingen ter vergoeding van de uitgaven die de erkende betaalorganen hebben gedaan voor de tenuitvoerlegging van de programma’s. In artikel 37, leden 1 en 2, van die verordening wordt met betrekking tot de saldobetaling verduidelijkt dat de Commissie die verricht na ontvangst van het laatste jaarverslag over de voortgang van de uitvoering van een plattelandsontwikkelingsprogramma. In dit artikel 37, lid 2, staat te lezen dat deze betaling plaatsvindt uiterlijk zes maanden nadat de in artikel 37, lid 1, bedoelde informatie en documenten door de Commissie ontvankelijk zijn bevonden en de laatste jaarrekening is goedgekeurd.
23 Artikel 54 van verordening nr. 1306/2013 bepaalt: „1. De lidstaten vorderen onverschuldigde betalingen die verband houden met onregelmatigheden of nalatigheden, terug van de begunstigde binnen 18 maanden na de goedkeuring en, indien van toepassing, de ontvangst door het betaalorgaan of het voor de terugvordering verantwoordelijke orgaan van een controlerapport of een soortgelijk document waarin wordt verklaard dat er een onregelmatigheid of nalatigheid heeft plaatsgevonden. De desbetreffende bedragen worden op het moment van het verzoek tot terugbetaling opgenomen in het debiteurenboek van het betaalorgaan. 2. Indien geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van de terugvordering of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële gevolgen van de niet-inning voor 50 % door de betrokken lidstaat gedragen, en voor 50 % door de begroting van de Unie, onverminderd de eis dat de betrokken lidstaat de terugvorderingsprocedure overeenkomstig artikel 58 moet voortzetten. Indien in het kader van de terugvorderingsprocedure in een administratief of gerechtelijk besluit met een definitief karakter wordt geconstateerd dat er geen sprake is van een onregelmatigheid, declareert de betrokken lidstaat de financiële last die hij op grond van de eerste alinea heeft gedragen, aan de Fondsen als uitgave. Indien evenwel, om redenen die niet kunnen worden toegeschreven aan de betrokken lidstaat, de terugvordering niet binnen de in de eerste alinea van dit lid gespecificeerde termijn kon plaatsvinden en het terug te vorderen bedrag meer dan 1 miljoen EUR bedraagt, kan de Commissie op verzoek van de lidstaat de termijn met ten hoogste de helft van de oorspronkelijke periode verlengen. 3. In behoorlijk gemotiveerde gevallen kan een lidstaat besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een dergelijk besluit kan alleen in de volgende gevallen worden genomen: a) indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag; aan deze voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan indien: i) het van de begunstigde in het kader van een eenmalige betaling voor een steunregeling of steunmaatregel terug te vorderen bedrag, exclusief rente, niet hoger is dan 100 EUR, of ii) het van de begunstigde in het kader van een eenmalige betaling voor een steunregeling of steunmaatregel terug te vorderen bedrag, exclusief rente, tussen 100 EUR en 150 EUR bedraagt en de betrokken lidstaat in zijn nationale wetgeving een drempelwaarde voor het niet innen van nationale schulden hanteert die ten minste gelijk is aan het te innen bedrag; b) de terugvordering blijkt onmogelijk als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht van de betrokken lidstaat geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Indien het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt genomen voordat lid 2 van toepassing is op het uitstaande bedrag, worden de financiële gevolgen van de niet-inning gedragen door de begroting van de Unie. 4. De lidstaten nemen de bedragen die zij op grond van lid 2 van dit artikel zelf moeten dragen, op in de jaarrekeningen die zij op grond van artikel 102, lid 1, onder c), punt iv), bij de Commissie moeten indienen. De Commissie gaat na of dit is gebeurd, en verricht eventueel de nodige aanpassingen volgend op de vaststelling van de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 51. 5. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen, mits zij daartoe de in artikel 52, lid 3, neergelegde procedure heeft gevolgd, op grond waarvan in de volgende gevallen ten laste van de begroting van de Unie gebrachte bedragen van financiering door de Unie worden uitgesloten: a) de lidstaat heeft de in lid 1 genoemde termijnen niet in acht genomen; b) zij is van oordeel dat het door een lidstaat uit hoofde van lid 3 genomen besluit om de terugvordering niet voort te zetten, ongegrond is; c) zij is van oordeel dat de onregelmatigheid of de niet-inning het gevolg is van onregelmatigheden of nalatigheden die te wijten zijn aan de overheidsdiensten of een andere officiële instantie van de lidstaat. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 116, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.”
24 Artikel 56 van die verordening luidt: „De lidstaten verrichten financiële correcties indien onregelmatigheden en nalatigheden worden geconstateerd in de concrete acties of de programma’s voor plattelandsontwikkeling, door de betrokken Uniefinanciering volledig of gedeeltelijk in te trekken. De lidstaten houden rekening met de aard en de ernst van de geconstateerde onregelmatigheden en met de omvang van het financiële verlies voor het Elfpo. De ingetrokken bedragen aan Uniefinanciering uit het Elfpo en de terugbetaalde bedragen, met de rente daarop, worden opnieuw toegewezen aan het betrokken programma. De lidstaten kunnen de ingetrokken of terugbetaalde Uniemiddelen echter alleen gebruiken voor een concrete actie in het kader van hetzelfde programma voor plattelandsontwikkeling, met dien verstande dat deze geldmiddelen niet opnieuw mogen worden bestemd voor concrete acties waarvoor een financiële correctie heeft plaatsgevonden. De lidstaten betalen de bedragen die na de afsluiting van een programma voor plattelandsontwikkeling nog worden teruggekregen, terug aan de begroting van de Unie.”
25 In artikel 58, lid 1, van deze verordening is het volgende bepaald: „De lidstaten stellen in het kader van het GLB alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle andere maatregelen vast die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen, in het bijzonder om: […] e) onverschuldigd betaalde bedragen met rente terug te vorderen en daartoe gerechtelijke procedures in te leiden indien nodig.”
Pools recht
26 Artikel 61 van de ustawa z dnia 28 lutego 2003 r. – Prawo upadłościowe (wet van 28 februari 2003 op het faillissement) (Dz. U. 2020, nr. 60, volgnr. 1228; hierna: „u.p.u.”), luidt: „Vanaf de datum van faillietverklaring wordt het vermogen van de gefailleerde omgevormd tot de failliete boedel, die dient ter voldoening van zijn schuldeisers.”
27 Overeenkomstig artikel 63, lid 1, u.p.u. wordt een goed dat krachtens de bepalingen van de ustawa z dnia 17 listopada 1964 r. – Kodeks postępowania cywilnego (wet van 17 november 1964 op het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (Dz. U. 2020, volgnr. 1575; hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”) van gedwongen tenuitvoerlegging is uitgesloten, niet tot de failliete boedel gerekend.
28 Artikel 70 u.p.u. luidt: „Goederen die niet tot het vermogen van de gefailleerde behoren, blijven buiten de failliete boedel.”
29 Artikel 831, lid 1, punt 2 bis, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt: „Gedwongen tenuitvoerlegging is niet mogelijk bij: […] 2a) fondsen die afkomstig zijn uit programma’s die zijn gefinancierd met middelen als bedoeld in artikel 5, lid 1, punten 2 en 3, van de ustawa z dnia 27 sierpnia 2009 r. o finansach publicznych (wet van 27 augustus 2009 op de overheidsbegroting) (Dz. U. 2019, volgnr. 869, zoals gewijzigd) en zijn uitgekeerd in de vorm van voorschotten, tenzij de schuldvordering waarop de tenuitvoerleggingsmaatregel betrekking heeft, voortvloeit uit de uitvoering van het project waarvoor die fondsen bestemd waren”.
30 Artikel 5, lid 1, punten 2, 2 bis en 3, van de wet op de overheidsbegroting bepaalt: „Als overheidsmiddelen worden beschouwd: […] 2) uit de begroting van de Europese Unie afkomstige fondsen en de niet-terugbetaalbare fondsen die zijn uitbetaald uit hoofde van door de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) verleende steun; 2a) de fondsen bedoeld in artikel 3 ter van de ustawa z dnia 6 grudnia 2006 r. o zasadach prowadzenia Polityki Rozwoju (wet van 6 december 2006 betreffende de beginselen van het ontwikkelingsbeleid) (Dz. U. 2018, volgnrs. 1307 en 1669); 3) niet-terugbetaalbare fondsen uit andere dan de in punt 2 genoemde buitenlandse bronnen”.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
31 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de gemeente dankzij drie met de bevoegde nationale autoriteiten gesloten subsidieovereenkomsten (hierna samen: „subsidieovereenkomsten”) in aanmerking is gekomen voor fondsen die deze autoriteiten hadden ontvangen voor mede uit de Uniebegroting te financieren projecten.
32 De eerste subsidieovereenkomst is op 26 mei 2014 voor de periode 2007‑2013 gesloten ter financiering van een met steun van het EFRO uitgevoerd project in het kader van het operationele programma „Innovatieve economie”. De totale subsidiabele kosten van dit project bedroegen 1014473 PLN (ongeveer 210000 EUR) en konden voor 85 % uit de Uniebegroting worden medegefinancierd. Uit deze overeenkomst blijkt ten eerste dat de overheidsbijdrage moest worden toegekend in de vorm van een vergoeding van de subsidiabele en reeds gedane uitgaven en/of in de vorm van voorschotten, en ten tweede dat de begunstigde ervoor moest zorgen dat dat project gedurende de in artikel 57 van verordening nr. 1083/2006 bedoelde periode van vijf jaar ten uitvoer werd gelegd en zou worden voortgezet, en dat de begunstigde verplicht was om de fondsen in bepaalde situaties, zoals misbruik ervan, terug te betalen.
33 De tweede subsidieovereenkomst, gesloten op 28 augustus 2014, betrof de financiering van een project in het kader van de actie „Essentiële diensten voor plattelandseconomie en ‑bevolking” in het kader van het door het Elfpo ondersteunde programma voor plattelandsontwikkeling 2007‑2013. De gemeente heeft steun ontvangen ten belope van 2335084 PLN (ongeveer 480000 EUR), met een maximum van 50 % van de subsidiabele kosten voor de uitvoering van dit project. Net als de eerste overeenkomst legde de tweede overeenkomst de begunstigde in bepaalde situaties een verplichting tot terugbetaling van de fondsen op. Ook waren daarin weer bepalingen opgenomen die moesten waarborgen dat het project zou worden voortgezet.
34 Vergelijkbare bepalingen waren te vinden in de derde subsidieovereenkomst van 8 september 2014, die betrekking had op de financiering van een door het Cohesiefonds ondersteund project voor de periode 2007‑2013 in het kader van het operationele programma „Infrastructuur en milieu”. De totale subsidiabele kosten van dit project bedroegen 5107639,40 PLN (ongeveer 1000000 EUR). Dit bedrag moest aan de begunstigde worden uitbetaald in de vorm van voorschotten, gevolgd door tussentijdse betalingen en een eindbetaling.
35 Alle bedragen die de nationale autoriteiten op grond van de subsidieovereenkomsten aan de gemeente hadden betaald, werden gestort op rekeningen van die gemeente bij de bank.
36 Bij beschikking van 30 december 2015 werd de bank failliet verklaard.
37 De gemeente verzocht de rechter-commissaris de bedragen die zij in het kader van de uitvoering van de subsidieovereenkomsten had ontvangen, niet tot de failliete boedel van de bank te rekenen, maar haar beroep is bij beschikking van 18 maart 2016 verworpen. Daarop heeft de gemeente beroep ingesteld bij de Sąd Rejonowy dla st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) om te vorderen dat deze bedragen alsnog buiten de boedel zouden blijven. Dit beroep werd bij vonnis van 8 februari 2017 verworpen. Nadat de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) het door de gemeente tegen dit laatste vonnis ingestelde hoger beroep bij vonnis van 7 februari 2018 had verworpen, heeft de gemeente cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen), de verwijzende rechter.
38 De verwijzende rechter vraagt zich af wat er moet gebeuren met de in punt 35 van dit arrest bedoelde bedragen. In het bijzonder stelt hij de vraag aan de orde of een nationale wettelijke regeling op grond waarvan dergelijke uit de Uniebegroting afkomstige bedragen niet buiten de failliete boedel blijven van de bank waarbij deze bedragen zijn ingelegd, verenigbaar is met het Unierecht, gezien het feit dat door deze wettelijke regeling de verwezenlijking van doelstellingen van de Unieregeling wordt ondermijnd.
39 In dit verband merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat de in punt 35 van dit arrest bedoelde bedragen, door de storting op een van de lopende rekeningen van de bank, eigendom van deze bank zijn geworden en als zodanig rechtmatig in de failliete boedel van deze bank zijn opgenomen om de schuldeisers van deze bank te voldoen.
40 Volgens de Sąd Najwyższy volgt uit artikel 63 u.p.u., artikel 831, lid 1, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering en artikel 5, lid 1, punten 2 en 3, van de wet op de overheidsbegroting inderdaad dat bedragen uit overheidsmiddelen, met inbegrip van die uit de Uniebegroting, zijn uitgesloten van gedwongen tenuitvoerlegging. Deze bepalingen zijn echter niet van toepassing op het hoofdgeding. Volgens de Poolse rechtsleer en rechtspraak staat immers vast dat de in die bepalingen vastgelegde uitsluiting slechts van toepassing is wanneer de gefailleerde de begunstigde van de betrokken fondsen is. In het onderhavige geval was de begunstigde echter niet de bank, maar de gemeente. Om te voorkomen dat de betrokken fondsen in beslag zouden worden genomen, had de gemeente deze fondsen volgens de verwijzende rechter zelf onder zich moeten houden zonder ze bij de bank te storten, wat volgens de subsidieovereenkomsten echter niet was toegestaan.
41 In de tweede plaats zet de verwijzende rechter uiteen dat de gemeente de in het Poolse recht, in het bijzonder artikel 70 u.p.u., vastgelegde procedure heeft gevolgd om te bewerkstelligen dat goederen die volgens deze lokale autoriteit niet aan de gefailleerde toebehoorden, niet in de failliete boedel werden opgenomen. Het door de gemeente dienaangaande ingestelde beroep werd evenwel niet toegewezen, op grond dat de bank eigenaar was geworden van de door de begunstigde gestorte fondsen, zodat dit artikel 70 niet van toepassing was op het hoofdgeding.
42 Niettemin is de gemeente een van de schuldeisers van de bank, waarbij haar vorderingen overeenkomen met de uit hoofde van de subsidieovereenkomsten aan haar uitbetaalde bedragen. Om die bedragen terug te kunnen krijgen, moet de gemeente de schuldvordering die zij aan die bedragen ontleent dus indienen bij de failliete boedel van de bank. Het is echter geenszins zeker dat deze terugvorderingspoging succesvol zal zijn.
43 Volgens de Sąd Najwyższy kan het feit dat de betrokken bedragen mogelijkerwijs niet kunnen worden teruggevorderd, schending opleveren van de artikelen 57 en 80 van verordening nr. 1083/2006. Daardoor zou immers het doel van de subsidieovereenkomsten, namelijk de investeringen in specifieke projecten mede financieren en dus de uitvoering ervan mogelijk maken, niet kunnen worden bereikt. Bovendien zouden die overeenkomsten niet worden nagekomen als deze bedragen voor andere dan de daarin bepaalde doeleinden zouden worden aangewend en zou dit voor de begunstigde de verplichting kunnen meebrengen om die bedragen terug te betalen.
44 Daarop heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moeten [verordening nr. 1083/2006], in het bijzonder artikel 2, punt 5, de artikelen 3 en 4, artikel 57, lid 1, alsook de artikelen 70 en 80, en de thans geldende verordening [nr. 1303/2013], in het bijzonder artikel 2, punt 15, artikel 37, lid 1, artikel 66, artikel 67, lid 1, artikel 74, lid 1, en artikel 89, lid 1, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die een entiteit die uit de begroting van de Europese Unie afkomstige fondsen heeft ontvangen, belet om in het geval dat die fondsen zijn gestort op een bankrekening die is geopend bij een bank die vervolgens failliet is verklaard, met vrucht in rechte te vorderen dat die fondsen buiten de failliete boedel moeten blijven, dan wel in de weg staan aan een nationale regeling die verhindert dat deze fondsen buiten de boedel van de gefailleerde bank blijven?”
Verzoek om een versnelde procedure
45 De verwijzende rechter heeft verzocht om deze zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
46 Ter ondersteuning van zijn verzoek beroept deze rechter zich op de aard van de faillissementsprocedure en de doelstelling om de schuldeisers zo snel mogelijk te voldoen en aldus de faillissementsprocedure van de bank te beëindigen.
47 Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure.
48 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat deze versnelde procedure een procedureel instrument is om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 28 april 2022, Phoenix Contact, C‑44/21, EU:C:2022:309, punt 14).
49 In het onderhavige geval heeft de president van het Hof bij beslissing van 9 februari 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, het verzoek tot toepassing van de versnelde procedure afgewezen.
50 In dit verband moet ten eerste over de doelstelling om de schuldeisers zo snel mogelijk te voldoen en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde faillissementsprocedure even zo snel af te sluiten, in herinnering worden gebracht dat de eis om een bij het Hof aanhangig geding binnen korte termijnen te behandelen, niet kan voortvloeien uit de enkele omstandigheid dat de verwijzende rechter gehouden is een snelle afhandeling van het geschil te verzekeren (arrest van 28 april 2022, Caruter, C‑642/20, EU:C:2022:308, punt 24).
51 Ten tweede heeft de verwijzende rechter in het onderhavige geval enkel aangevoerd dat het beroep op toepassing van een versnelde procedure gerechtvaardigd was door de „aard” van de faillissementsprocedure, zonder uit te leggen waarom deze „aard” op zich rechtvaardigde dat deze zaak binnen korte termijnen in de zin van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering moest worden behandeld. Hoe dan ook impliceert het feit dat een zaak economisch of maatschappelijk gevoelig ligt, gesteld al dat dit is aangetoond, op zich niet dat een behandeling binnen die korte termijnen noodzakelijk is [zie in die zin arrest van 10 maart 2022, Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (Verzekering die de ziektekosten volledig dekt), C‑247/20, EU:C:2022:177, punt 45].
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
52 De Rzecznik Praw Obywatelskich (ombudsman, Polen) is van mening dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is omdat de verwijzende instantie, die bestaat uit personen die in strijd met het nationale recht en het Unierecht zijn benoemd, niet kan worden aangemerkt als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU.
53 Meer bepaald staan dergelijke schendingen van het nationale recht en het Unierecht in de procedure voor de benoeming van personen die de verwijzende rechterlijke instantie vormen, ten eerste in de weg aan de aanname dat deze instantie voldoet aan het criterium dat een rechterlijke instantie moet zijn „ingesteld bij wet”.
54 Ten tweede betoogt de ombudsman dat de beoordeling van alle juridische en feitelijke omstandigheden in verband met de benoemingsprocedure van de in punt 52 van dit arrest bedoelde personen, niet elke legitieme twijfel over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van die instantie kan wegnemen.
55 De ombudsman merkt ten derde op dat een van de leden van de kamer van de Sąd Najwyższy die het Hof het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft voorgelegd, de rechter is die, als alleensprekende rechter, bij het Hof de zaak aanhangig had gemaakt die heeft geleid tot het arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank (C‑132/20, EU:C:2022:235), en dat hij in het kader van die zaak reeds zijn bedenkingen heeft geuit over de vraag of deze persoon wel voldeed aan de vereisten om als een rechter van een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWUE te kunnen worden beschouwd.
56 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Hof volgens vaste rechtspraak bij de beoordeling of de betrokken verwijzende instantie een „rechterlijke instantie” in de zin van dit artikel 267 is, wat uitsluitend een vraag van Unierecht is, en dus bij de beoordeling of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is, rekening houdt met een geheel van factoren, zoals onder andere de wettelijke grondslag van deze instantie, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak, de toepassing van de rechtsregels door deze instantie en de onafhankelijkheid van die instantie (arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 66).
57 Het wordt niet betwist dat de Sąd Najwyższy als zodanig voldoet aan de in het vorige punt van dit arrest vermelde vereisten. In deze zaak werpt de ombudsman veeleer de vraag op of de rechters die de rechtsprekende formatie van de Sąd Najwyższy vormen die het Hof het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing hebben voorgelegd, aan deze vereisten voldoen.
58 Zoals het Hof in punt 69 van het arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank (C‑132/20, EU:C:2022:235), om de in de punten 70 en 71 van dat arrest genoemde redenen heeft geoordeeld, moet bij een van een nationale rechterlijke instantie afkomstig verzoek om een prejudiciële beslissing worden vermoed dat deze instantie aan de in punt 56 van het onderhavige arrest genoemde vereisten voldoet, ongeacht de concrete samenstelling van die instantie.
59 Het is juist dat het in het vorige punt van het onderhavige arrest uiteengezette vermoeden kan worden weerlegd wanneer een definitieve rechterlijke beslissing van een nationale of internationale rechterlijke instantie tot de gevolgtrekking zou leiden dat de rechter of rechters die de verwijzende rechterlijke instantie vormen, geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht vormen in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 72).
60 Aangezien het Hof in het onderhavige geval evenwel noch aan het einde van het schriftelijke gedeelte van de procedure, noch bij de beraadslagingen over de zaak, ervan in kennis is gesteld dat ten aanzien van de rechters die de verwijzende rechterlijke instantie vormen een dergelijke definitieve rechterlijke beslissing is vastgesteld, kunnen de eventuele gebreken in de nationale benoemingsprocedure niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de onderhavige prejudiciële verwijzing.
61 Niettemin zij eraan herinnerd dat het in punt 58 van het onderhavige arrest vermelde vermoeden uitsluitend geldt voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van verzoeken om een prejudiciële beslissing in het kader van artikel 267 VWEU. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de omstandigheden rond de benoeming van de rechters die de verwijzende rechterlijke instantie vormen, noodzakelijkerwijs voldoen aan de waarborgen voor toegang tot een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU of artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (zie in die zin arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 74).
62 Tot slot moet worden gepreciseerd dat een andere beoordeling dan die welke voortvloeit uit de punten 57 tot en met 61 van het onderhavige arrest noodzakelijk zou kunnen zijn in omstandigheden waarin, naast de persoonlijke situatie van de rechter of rechters door wie formeel een verzoek krachtens artikel 267 VWEU wordt ingediend, andere elementen gevolgen hebben voor het functioneren van de verwijzende rechterlijke instantie waartoe deze rechters behoren, en aldus de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die rechterlijke instantie aantasten (zie in die zin arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 75).
63 Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
Ten gronde
64 Allereerst dient erop te worden gewezen dat de verwijzende rechter met zijn prejudiciële vraag van het Hof wenst te vernemen hoe verordening nr. 1083/2006 en verordening nr. 1303/2013, waarbij verordening 1083/2006 is ingetrokken en vervangen, moeten worden uitgelegd, en of deze verordeningen in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan uit de Uniebegroting afkomstige bedragen die een begunstigde van door de Unie medegefinancierde programma’s heeft ontvangen, in geval van faillissement van de bank waar deze bedragen zijn gestort, niet buiten de failliete boedel blijven.
65 Uit de informatie waarover het Hof beschikt volgt echter, ten eerste, dat de eerste en de derde subsidieovereenkomst wel betrekking hebben op projecten die door respectievelijk het EFRO en het Cohesiefonds worden ondersteund en waarvoor dus met name de bepalingen gelden die zijn opgenomen in verordening nr. 1083/2006, die is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1303/2013, maar dat de tweede subsidieovereenkomst een programma voor plattelandsontwikkeling betreft dat wordt ondersteund door het Elfpo, waarop met name verordening nr. 1698/2005, die is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1305/2013, en verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1), die is ingetrokken bij en vervangen door verordening nr. 1306/2013, van toepassing zijn.
66 Ten tweede zijn de subsidieovereenkomsten weliswaar ondertekend nadat de verordeningen nr. 1083/2006 en nr. 1698/2005 per 1 januari 2014 werden ingetrokken, maar hierop blijven, overeenkomstig respectievelijk artikel 152 van verordening nr. 1303/2013 en artikel 88 van verordening nr. 1305/2013, de bepalingen van verordeningen nr. 1083/2006 en nr. 1698/2005 van toepassing, aangezien de projecten waarop deze overeenkomsten betrekking hebben volgens de aanwijzingen in de verwijzingsbeslissing de periode 2007‑2013 betreffen en zijn goedgekeurd op basis van laatstgenoemde verordeningen. Aangezien verordening nr. 1306/2013 geen overgangsbepaling als artikel 88 van verordening nr. 1305/2013 bevat en verordening nr. 1290/2005 krachtens de artikelen 119 en 121 van verordening nr. 1306/2013 met ingang van 1 januari 2014 is ingetrokken, blijft bovendien ook de tweede subsidieovereenkomst onderworpen aan de relevante bepalingen van verordening nr. 1306/2013.
67 In die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 2, punt 5, en de artikelen 3, 4, 57, 70 en 80 van verordening nr. 1083/2006, de artikelen 11, 54, 56 en 58 van verordening nr. 1306/2013, alsook artikel 2, onder i), de artikelen 3 en 4, en artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan een entiteit die in het kader van uit de Uniebegroting medegefinancierde programma’s fondsen heeft ontvangen, in het geval dat die fondsen zijn gestort op een bankrekening die is geopend bij een bank die vervolgens failliet is verklaard, niet kan vorderen dat die fondsen buiten de failliete boedel van deze bank blijven, en waarin voorts evenmin is bepaald dat die fondsen buiten deze boedel blijven.
68 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat tegoeden uit de Uniebegroting die in het kader van de structuurfondsen en het Cohesiefonds aan de lidstaten ter beschikking zijn gesteld, als zij eenmaal zijn uitgekeerd niet kunnen worden beschouwd als bezittingen van de Unie in de zin van artikel 1, laatste volzin, van het Protocol (zie in die zin arrest van 30 mei 2018, Dell’Acqua, C‑370/16, EU:C:2018:344, punt 40).
69 In dit verband heeft het Hof ten eerste met betrekking tot verordening nr. 1083/2006 reeds geoordeeld dat de door de Commissie in het kader van de structuurfondsen en het Cohesiefonds aan de lidstaten verrichte betalingen impliceren dat tegoeden van de Uniebegroting aan de begrotingen van de lidstaten worden overgedragen (zie in die zin arrest van 30 mei 2018, Dell’Acqua, C‑370/16, EU:C:2018:344, punt 39).
70 Ten tweede volgt uit de artikelen 34 tot en met 37 van verordening nr. 1306/2013 dat ook betalingen die de Commissie in het kader van de door het Elfpo ondersteunde programma’s voor plattelandsontwikkeling verricht, impliceren dat de betrokken tegoeden worden overgedragen van de Uniebegroting naar die van de lidstaten.
71 Hieruit volgt in het onderhavige geval dat de bedragen die de gemeente op grond van de subsidieovereenkomsten heeft ontvangen en die zij vervolgens heeft overgemaakt aan de bank, niet kunnen worden aangemerkt als bezittingen van de Unie in de zin van artikel 1, laatste volzin, van het Protocol die niet, in de zin van die bepaling, zonder toestemming van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard.
72 Voorts moet worden vastgesteld dat geen van de in punt 67 van dit arrest genoemde bepalingen de lidstaten ertoe verplicht nationale bepalingen vast te stellen volgens welke bedragen niet tot de failliete boedel van een bank worden gerekend op de enkele grond dat een begunstigde van een programma dat medegefinancierd is uit de Uniebegroting, deze bedragen bij die bank heeft gestort.
73 Wat ten eerste artikel 57, lid 1, van verordening nr. 1083/2006 betreft, waarvan de inhoud in essentie overeenkomt met die van artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005, moet worden vastgesteld dat uit de bewoordingen van deze bepalingen in essentie blijkt dat de lidstaat of de beheersautoriteit erop toeziet dat de bijdrage van het betrokken fonds voor een medegefinancierde concrete actie alleen blijft gehandhaafd als die concrete actie gedurende vijf jaar na de voltooiing ervan geen enkele belangrijke wijziging ondergaat die strijdig is met de aard ervan of met de ervoor geldende uitvoeringsvoorwaarden en die verder het gevolg is van hetzij een verandering in de aard van de eigendom van een infrastructuurvoorziening, hetzij de beëindiging van een productieactiviteit.
74 Noch uit dat artikel 57, noch uit dat artikel 72, lid 1, blijkt echter dat de in punt 72 van dit arrest bedoelde verplichting zou bestaan.
75 Ten tweede legt artikel 70 van verordening nr. 1083/2006, waarvan de inhoud in essentie overeenkomt met die van de artikelen 54, 56 en 58 van verordening nr. 1306/2013, de lidstaten met name de verplichting op om de voor de algemene begroting van de Unie verloren gegane bedragen terug te betalen, indien is aangetoond dat het verlies door hun onregelmatigheid of nalatigheid is berokkend.
76 Uit de bewoordingen van dat artikel 70 kan echter geenszins, net zomin als uit die van voornoemde artikelen 54, 56 of 58, het bestaan van de in punt 72 van dit arrest bedoelde verplichting worden afgeleid.
77 Bovendien heeft niemand aangevoerd dat de Republiek Polen onjuist zou hebben gehandeld of nalatig is geweest bij het beheer of de controle van de betrokken operationele programma’s waardoor een eventuele toepassing van bedoeld artikel 70 gerechtvaardigd zou zijn.
78 Wat ten derde artikel 80 van verordening nr. 1083/2006 betreft, dat gelijk is aan artikel 11 van verordening nr. 1306/2013, blijkt uit de bewoordingen van deze bepalingen weliswaar in essentie dat de begunstigden van een overheidsbijdrage deze bijdrage volledig moeten ontvangen, maar deze bepalingen leggen de lidstaten als zodanig evenwel niet de in punt 72 van dit arrest bedoelde verplichting op.
79 Overigens blijkt uit de feitelijke vaststellingen van de verwijzende rechter, die in punt 35 van dit arrest in herinnering zijn gebracht, dat de nationale autoriteiten de betrokken bedragen daadwerkelijk aan de gemeente hebben uitbetaald uit hoofde van de subsidieovereenkomsten.
80 Ten vierde moet worden opgemerkt dat de in punt 72 van dit arrest bedoelde verplichting noch uit de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 1083/2006 noch uit de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 1698/2005 voortvloeit. Deze artikelen bevatten immers enkel een vermelding in algemene bewoordingen van de doelstellingen, instrumenten en taken van de in artikel 1, eerste alinea, van verordening nr. 1083/2006 bedoelde fondsen en van de taken en doelstellingen van het Elfpo.
81 Ten vijfde moet ten slotte worden opgemerkt dat die verplichting evenmin voortvloeit uit artikel 2, punt 5, van verordening nr. 1083/2006, noch uit artikel 2, onder i), van verordening nr. 1698/2005, waarin enkel het begrip „overheidsuitgaven” wordt gedefinieerd.
82 Het is juist dat een eventuele onmogelijkheid om de betrokken bedragen terug te vorderen, zoals de verwijzende rechter in essentie opmerkt, in bepaalde gevallen de verwezenlijking van het door de toepasselijke Unieregeling nagestreefde doel kan belemmeren of er zelfs toe kan leiden dat de begunstigde van die bedragen verplicht is om deze terug te betalen.
83 Deze omstandigheid kan evenwel niet rechtvaardigen dat aan deze regeling een uitlegging wordt gegeven die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan. In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een uitlegging van een bepaling van het Unierecht er niet toe kan leiden dat aan de duidelijke en precieze bewoordingen van die bepaling elk nuttig effect wordt ontnomen. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag het Hof dus niet van deze uitlegging afwijken (arrest van 25 januari 2022, VYSOČINA WIND, C‑181/20, EU:C:2022:51, punt 39).
84 Ten slotte moet worden benadrukt dat het feit dat het Unierecht de in punt 72 van dit arrest bedoelde verplichting niet kent, in het onderhavige geval geen afbreuk doet aan de eventuele mogelijkheid om de betrokken bedragen niet tot de failliete boedel van de bank te rekenen op grond van het Poolse recht.
85 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 5, en de artikelen 3, 4, 57, 70 en 80 van verordening nr. 1083/2006, de artikelen 11, 54, 56 en 58 van verordening nr. 1306/2013, alsook artikel 2, onder i), de artikelen 3 en 4, en artikel 72, lid 1, van verordening nr. 1698/2005, aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan een entiteit die in het kader van uit de Uniebegroting medegefinancierde programma’s fondsen heeft ontvangen, in het geval dat die fondsen zijn gestort op een bankrekening die is geopend bij een bank die vervolgens failliet is verklaard, niet kan vorderen dat die fondsen buiten de failliete boedel van deze bank blijven, en waarin voorts evenmin is bepaald dat die fondsen niet tot deze boedel worden gerekend.
Kosten
86 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, punt 5, en de artikelen 3, 4, 57, 70 en 80 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006, houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 423/2012 van het Europees Parlement de Raad van 22 mei 2012, de artikelen 11, 54, 56 en 58 van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad, alsook artikel 2, onder i), de artikelen 3 en 4, en artikel 72, lid 1, van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling,
moeten aldus worden uitgelegd dat:
zij niet in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan een entiteit die in het kader van uit de begroting van de Europese Unie medegefinancierde programma’s fondsen heeft ontvangen, in het geval dat die fondsen zijn gestort op een bankrekening die is geopend bij een bank die vervolgens failliet is verklaard, niet kan vorderen dat die fondsen buiten de failliete boedel van deze bank blijven, en waarin voorts evenmin is bepaald dat die fondsen niet tot deze boedel worden gerekend.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.