HvJ EU 14 juli 2022, C-207/21, ECLI:EU:C:2022:560
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
14 juli 2022 ( *1 )
„Hogere voorziening – Nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 – Artikel 16, leden 4 en 5, VEU – Artikel 3, leden 2 en 3, van Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen – Toepassing ratione temporis – Stemregels van de Raad – Gekwalificeerde meerderheid”
In zaak C‑207/21 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 2 april 2021,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door Ł. Habiak, K. Herrmann, R. Tricot en C. Valero als gemachtigden,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
verzoekster in eerste aanleg,
Koninkrijk België,
Republiek Bulgarije,
Franse Republiek,
Hongarije,
Koninkrijk Zweden, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Eklinder, J. Lundberg, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en O. Simonsson, vervolgens door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, R. Shahsavan Eriksson, H. Shev en M. O. Simonsson als gemachtigden,
interveniënten in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin (rapporteur), J.‑C. Bonichot, L. S. Rossi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 maart 2022,
het navolgende
Arrest
1 Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 januari 2021, Polen/Commissie (T‑699/17, EU:T:2021:44; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties (PB 2017, L 212, blz. 1; hierna: „litigieus besluit”) nietig heeft verklaard.
Toepasselijke bepalingen
VEU en Protocol nr. 36
2 Artikel 16, leden 4 en 5, VEU bepaalt: „4. Met ingang van 1 november 2014 wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan ten minste 55 % van de leden van de Raad [van de Europese Unie] die ten minste vijftien in aantal zijn en lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste 65 % uitmaakt van de bevolking van de [Europese] Unie. Een blokkerende minderheid moet ten minste uit vier leden van de Raad bestaan; in het andere geval wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen. De overige bepalingen inzake de besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid worden vastgesteld in artikel 238, lid 2[, VWEU]. 5. De overgangsbepalingen inzake de omschrijving van de gekwalificeerde meerderheid die tot en met 31 oktober 2014, respectievelijk tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 van toepassing zijn, worden vastgesteld in het Protocol betreffende de overgangsbepalingen.”
3 Artikel 3 van Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen (hierna: „Protocol nr. 36”), het enige artikel van titel II ervan, „Bepalingen inzake de gekwalificeerde meerderheid”, luidt als volgt: „1. Overeenkomstig artikel 16, lid 4, [VEU] worden de bepalingen van dat lid en van artikel 238, lid 2, [VWEU] inzake de bepaling van de gekwalificeerde meerderheid van stemmen in de Europese Raad en de Raad van kracht op 1 november 2014. 2. Wanneer, tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017, een besluit moet worden genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, kan een lid van de Raad verzoeken dat het besluit wordt genomen met de in lid 3 omschreven gekwalificeerde meerderheid. In dat geval zijn de leden 3 en 4 van toepassing. 3. Tot en met 31 oktober 2014 zijn de volgende bepalingen van kracht, onverminderd artikel 235, lid 1, tweede alinea, [VWEU]: Voor de besluiten van de Europese Raad en de Raad waarvoor een gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist is, worden de stemmen van de leden als volgt gewogen: [...]”
Richtlijn 2010/75
4 Artikel 13 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB 2010, L 334, blz. 17), met als opschrift „BBT-referentiedocumenten en uitwisseling van informatie”, luidt in de leden 1, 5 en 6: „1. Teneinde de BBT-referentiedocumenten op te stellen, te evalueren en waar nodig te actualiseren organiseert de Commissie de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken, niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, en de Commissie. [...] 5. Besluiten met betrekking tot de BBT-conclusies worden vastgesteld volgens de in artikel 75, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. 6. Na de aanneming van een besluit overeenkomstig lid 5 maakt de Commissie de BBT-referentiedocumenten onmiddellijk toegankelijk voor het publiek en zorgt zij ervoor dat de BBT-conclusies beschikbaar zijn in alle officiële talen van de Unie.”
5 Artikel 14 van deze richtlijn, „Vergunningsvoorwaarden”, bepaalt in lid 3: „De BBT-conclusies vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden.”
6 Artikel 75 van die richtlijn, „Comitéprocedure”, luidt als volgt: „1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van besluit 1999/468/EG [van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB 1999, L 184, blz. 23)] van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van besluit [1999/468] bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.”
Verordening nr. 182/2011
7 Artikel 5 van verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB 2011, L 55, blz. 13), „Onderzoeksprocedure”, bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Wanneer de onderzoeksprocedure van toepassing is, brengt het comité zijn advies uit met de meerderheid van stemmen die is voorgeschreven in artikel 16, leden 4 en 5, [VEU], en, indien van toepassing, artikel 238, lid 3, [VWEU], voor handelingen die op voorstel van de Commissie worden vastgesteld. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het comité overeenkomstig genoemde artikelen gewogen. 2. Indien het advies positief is, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling aan.”
8 Artikel 12, eerste alinea, van deze verordening bepaalt dat „[b]esluit [1999/468] wordt ingetrokken”.
9 In artikel 13, lid 1, van die verordening is bepaald: „Wanneer vóór de inwerkingtreding van deze verordening vastgestelde basishandelingen voorzien in de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie overeenkomstig besluit [1999/468] zijn de volgende regels van toepassing: [...] c) wanneer de basishandeling verwijst naar artikel 5 van besluit [1999/468], is de in artikel 5 van deze verordening genoemde onderzoeksprocedure van toepassing [...]; [...] e) wanneer de basishandeling verwijst naar de artikelen 7 en 8 van besluit [1999/468], zijn de artikelen 10 en 11 van deze verordening van toepassing.”
Voorgeschiedenis van het geding
10 De voorgeschiedenis van het geding is uiteengezet in de punten 8 tot en met 15 van het bestreden arrest en kan als volgt worden samengevat.
11 Op 9 maart 2017 heeft de Commissie in haar hoedanigheid van voorzitter van het bij artikel 75 van richtlijn 2010/75 ingestelde comité (hierna: „comité”), aan dit comité een ontwerp voorgelegd voor een uitvoeringsbesluit tot vaststelling van BBT-conclusies, op grond van richtlijn 2010/75, voor grote stookinstallaties, en op 23 maart 2017 heeft zij de leden van het comité uitgenodigd voor een vergadering die zou plaatsvinden op 28 april 2017, met het oog op een stemming over het advies betreffende dit ontwerpuitvoeringsbesluit.
12 Op 30 maart 2017 heeft de Republiek Polen verzocht om het comité te laten stemmen over dit advies overeenkomstig de stemregels van artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36.
13 Op 4 april 2017 heeft de juridische dienst van de Raad het comité van permanente vertegenwoordigers van de lidstaten een advies doen toekomen dat in wezen inhield dat, om over een ontwerphandeling te kunnen stemmen volgens de regels die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon van toepassing waren, aan twee voorwaarden moest zijn voldaan, te weten, ten eerste, dat de lidstaat ten laatste op 31 maart 2017 een verzoek in die zin indient en, ten tweede, dat de stemming in kwestie ook vóór die datum plaatsvindt.
14 Op 10 april 2017 heeft het directoraat-generaal Milieu van de Commissie het verzoek van de Republiek Polen van 30 maart 2017 afgewezen omdat de stemming over het advies stond ingepland op 28 april 2017, dat wil zeggen na 31 maart 2017, de in artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 bepaalde datum.
15 Op 28 april 2017 hebben de leden van het comité gestemd over de vaststelling van een advies over een gewijzigd ontwerpuitvoeringsbesluit. De stemming is verlopen volgens de stemregels van artikel 16, lid 4, VEU in plaats van die van artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36. Zij heeft tot een positief advies van het comité over dit ontwerp geleid: 20 lidstaten die 65,14 % van de bevolking van de Unie en 71,43 % van de leden van het comité vertegenwoordigen, hebben vóór gestemd. Acht lidstaten, waaronder de Republiek Polen, hebben tégen gestemd.
16 Op 31 juli 2017 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarin de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties zijn vastgesteld en de met de BBT geassocieerde emissieniveaus zijn opgelegd voor stikstofoxiden (NOx), kwik (Hg) en waterstofchloride (HCl).
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
17 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 oktober 2017, heeft de Republiek Polen beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit.
18 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 4 en 15 januari 2018, hebben Hongarije en de Republiek Bulgarije verzocht om te mogen interveniëren aan de zijde van de Republiek Polen. Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 16 en 25 januari 2018, hebben het Koninkrijk België, de Franse Republiek en het Koninkrijk Zweden verzocht om te mogen interveniëren aan de zijde van de Commissie. Bij beslissingen van 19 en 21 februari 2018 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht (oude samenstelling) deze verzoeken ingewilligd.
19 De Republiek Polen heeft ter ondersteuning van haar beroep vijf middelen aangevoerd.
20 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste middel, betreffende schending van de toepasselijke bepalingen inzake gekwalificeerde meerderheid, aanvaard en het litigieuze besluit nietig verklaard, zonder de overige door de Republiek Polen aangevoerde middelen te onderzoeken.
21 Meer in het bijzonder heeft het Gerecht zich in het kader van het onderzoek van het eerste middel gebogen over de draagwijdte van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 en over de vraag of het, om de regels betreffende de gekwalificeerde meerderheid van lid 3 van dit artikel te kunnen toepassen, die overeenkomen met de regels in het Verdrag van Nice, volstaat dat een lidstaat tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 een verzoek in die zin indient dan wel of de betrokken beslissing ook in deze periode moet worden genomen.
22 In dit verband heeft het Gerecht in de eerste plaats in de punten 35 en 36 van het bestreden arrest de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 onderzocht en geconcludeerd dat geen enkele taalversie van deze bepaling de twijfel over de exacte draagwijdte ervan kon wegnemen.
23 In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 37 van dat arrest de ontstaansgeschiedenis van dat artikel 3, lid 2, geanalyseerd, door te onderzoeken of het mandaat dat werd verleend aan de intergouvernementele conferentie die was samengeroepen om een ontwerpverdrag tot wijziging van het EU‑Verdrag en het EG‑Verdrag op te stellen, aanwijzingen verschafte die de bewoordingen van die bepaling konden verduidelijken. Het is tot de slotsom gekomen dat de formulering in dit mandaat zeer nauw aansloot bij die in voornoemde bepaling, waardoor zij evenmin de ambiguïteit ten aanzien van de draagwijdte ervan kon wegnemen.
24 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 38 tot en met 42 van het bestreden arrest onderzocht of deze draagwijdte op basis van een teleologische uitlegging kon worden achterhaald. In dit verband heeft het Gerecht allereerst in herinnering gebracht dat Protocol nr. 36 volgens de enige overweging ervan tot doel had om „de overgang [te regelen] van, enerzijds, de institutionele bepalingen van de Verdragen die van toepassing zijn tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon naar, anderzijds, de bepalingen van bedoeld Verdrag”.
25 Vervolgens heeft het Gerecht, ten eerste, er tevens aan herinnerd dat artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 een lidstaat het recht verleent om in de periode van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2017 te verzoeken om toepassing van de regels voor de in artikel 3, lid 3, van dit protocol omschreven gekwalificeerde meerderheid, die overeenstemmen met die van het Verdrag van Nice. Ten tweede heeft het vastgesteld dat dit recht noodzakelijkerwijs impliceert dat, wanneer een lidstaat een dergelijk verzoek indient, de stemming volgens deze regels verloopt, zelfs indien deze na 31 maart 2017 plaatsvindt. Volgens het Gerecht kon namelijk alleen deze uitlegging verzekeren dat een lidstaat dit recht gedurende heel die periode – tot op de laatste dag ervan – effectief kan uitoefenen.
26 Ten slotte heeft het Gerecht geconcludeerd dat elke andere uitlegging de nuttige werking zou ontnemen aan de uitdrukkelijke vaststelling van een periode – van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2017 – om het betrokken recht uit te oefenen, en de termijn waarbinnen een lidstaat daadwerkelijk kan verzoeken om te stemmen overeenkomstig de regels van het Verdrag van Nice, aanzienlijk zou inkorten. Het was van oordeel dat een dergelijke uitlegging zou betekenen dat een verzoek dat aan het einde van deze periode wordt ingediend, te laat komt om deze regels te kunnen toepassen. De lidstaten zouden dus gedwongen zijn om hun verzoek in voorkomend geval veel eerder in te dienen, afhankelijk van de – onvoorzienbare – stemdatum, waardoor hun de mogelijkheid wordt ontnomen om tot op de laatste dag van de in artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 genoemde periode te verzoeken om volgens voornoemde regels te stemmen.
27 Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld dat uit een teleologische uitlegging van dit artikel 3, lid 2, volgt dat de bepalingen van voornoemd artikel 3, lid 3, ook kunnen worden toegepast op een stemming die ná 31 maart 2017 plaatsvindt, op voorwaarde dat een lidstaat daar vóór deze datum om heeft verzocht.
28 In de vierde plaats heeft het Gerecht in de punten 43 tot en met 52 van het bestreden arrest overwogen dat deze uitlegging tevens steun vindt in een contextuele uitlegging van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36. In dit verband heeft het Gerecht, met betrekking tot de inwerkingtreding van de in artikel 16, lid 4, VEU opgenomen regels inzake de gekwalificeerde meerderheid, drie perioden aangeduid en vervolgens geanalyseerd.
29 Eerst waren, zo heeft het Gerecht opgemerkt, in de periode van 1 december 2009 tot en met 31 oktober 2014 de in artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 omschreven regels inzake gekwalificeerde meerderheid, die overeenkwamen met die van het Verdrag van Nice, van toepassing. Vervolgens kon volgens het Gerecht een lid van de Raad in de periode van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2017 op grond van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 verzoeken dat werd besloten volgens deze regels van het Verdrag van Nice, en dat bij afwezigheid van een dergelijk verzoek de nieuwe, in artikel 16, lid 4, VEU opgenomen omschrijving van de gekwalificeerde meerderheid gold. Ten slotte geldt, aldus het Gerecht, in de periode vanaf 1 april 2017 de gekwalificeerde meerderheid die wordt omschreven in artikel 16, lid 4, VEU, zonder mogelijkheid om te verzoeken om een andere stemberekeningswijze.
30 Het Gerecht heeft het argument van de Commissie afgewezen dat artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 een uitzondering vormt op de regel van artikel 16, lid 4, VEU. Het kwam tot de slotsom dat dit artikel 3, lid 2, een overgangsbepaling is, zoals wordt bevestigd door de enige overweging van Protocol nr. 36, de titel van dit protocol en de bewoordingen van artikel 16, lid 5, VEU. Dienaangaande heeft het Gerecht opgemerkt dat zijn uitlegging van artikel 3, lid 2, zoals uiteengezet in punt 27 van het onderhavige arrest, ten eerste in overeenstemming is met het uit vaste rechtspraak voortvloeiende vereiste dat een overgangsbepaling strikt moet worden uitgelegd, en, ten tweede, onontbeerlijk is om een lidstaat in staat te stellen tot op de laatste dag van de in dat artikel 3, lid 2, bepaalde termijn het in punt 25 van het onderhavige arrest bedoelde recht naar behoren en daadwerkelijk te kunnen uitoefenen.
31 In de vijfde en laatste plaats heeft het Gerecht in de punten 53 tot en met 56 van het bestreden arrest opgemerkt dat deze uitlegging steun vindt in het rechtszekerheidsbeginsel en dat de door de Commissie bepleite uitlegging niet alleen een gebrek aan voorzienbaarheid zou creëren, doordat aan het einde van de overgangsperiode onzekerheid zou ontstaan over de toepassing in de tijd van de in artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 omschreven gekwalificeerde meerderheid, maar mogelijk ook ertoe zou leiden dat artikel 3, lid 2, van dat protocol wordt omzeild door te bepalen dat de stemming ná 31 maart 2017 plaatsvindt.
32 Daar het Gerecht van oordeel was dat de in artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 vastgestelde regels inzake gekwalificeerde meerderheid hadden moeten worden toegepast bij de stemming over het ontwerp van het litigieuze besluit op 28 april 2017, en dat de niet-inachtneming van stemregels een schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU vormt, heeft het Gerecht het litigieuze besluit nietig verklaard. Voorts heeft het Gerecht, om redenen van rechtszekerheid en om een onderbreking of een achteruitgang te vermijden in de uitvoering van het door de Unie gevoerde of ondersteunde beleid, besloten de gevolgen van het litigieuze besluit te handhaven totdat, binnen een redelijke termijn van ten hoogste twaalf maanden na de uitspraak van het bestreden arrest, een nieuwe handeling ter vervanging daarvan in werking treedt die wordt vastgesteld volgens de regels van de gekwalificeerde meerderheid die zijn vastgelegd in dat artikel 3, lid 3.
Conclusies van partijen
33 De Commissie verzoekt het Hof: – het bestreden arrest te vernietigen; – het eerste middel van het in punt 17 van het onderhavige arrest bedoelde beroep af te wijzen; – de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over het tweede tot en met het vijfde middel van dit beroep, die in eerste aanleg niet zijn onderzocht, en – de beslissing omtrent de kosten van het beroep in eerste aanleg en de hogere voorziening aan te houden.
34 De Republiek Polen verzoekt het Hof: – de hogere voorziening af te wijzen, en – de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening.
35 Subsidiair, ingeval het Hof de hogere voorziening toewijst en het bestreden arrest vernietigt, verzoekt de Republiek Polen het Hof de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak over het tweede tot en met het vijfde middel van het in punt 17 van het onderhavige arrest bedoelde beroep.
Procedure bij het Hof
36 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van Hof op het tijdstip van de instelling van haar hogere voorziening, heeft de Commissie verzocht om behandeling van de onderhavige zaak volgens de versnelde procedure als bedoeld in de artikelen 133 tot en met 136 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, die ingevolge artikel 190, lid 1, van dat Reglement van toepassing zijn op hogere voorzieningen.
37 Ter ondersteuning van dit verzoek heeft de Commissie opgemerkt dat wegens de beslissing van het Gerecht om de gevolgen van het litigieuze besluit te handhaven tot de inwerkingtreding van een nieuwe handeling binnen een termijn van ten hoogste twaalf maanden na de uitspraak van het bestreden arrest, de in het litigieuze besluit omschreven BBT slechts tot en met 27 januari 2022 konden worden toegepast. Gelet op de aldus ontstane rechtsonzekerheid over de voorwaarden voor de exploitatie van grote stookinstallaties en gezien het aantal betrokken marktdeelnemers en de geïnvesteerde bedragen, was het volgens de Commissie noodzakelijk om snel op de hoogte te zijn van de uitkomst van de onderhavige hogere voorziening en dus te weten of het daadwerkelijk noodzakelijk was om vóór 27 januari 2022 een nieuwe handeling vast te stellen. Mocht het Hof de hogere voorziening toewijzen, zou het immers niet nodig zijn om een nieuw uitvoeringsbesluit vast te stellen over de BBT voor deze installaties.
38 Volgens artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van hetzij de verzoeker, hetzij de verweerder, wanneer de aard van de zaak verlangt dat zij binnen korte termijnen wordt behandeld, de andere partij, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen een zaak te behandelen volgens de in dat Reglement bedoelde versnelde procedure.
39 Om te beginnen volgt uit vaste rechtspraak dat noch de rechtsonzekerheid rond de rechtmatigheid of de uitlegging van een handeling, noch het grote aantal personen of rechtssituaties die mogelijkerwijs betrokken zijn, als zodanig buitengewone omstandigheden kunnen vormen die de toepassing van een versnelde procedure kunnen rechtvaardigen (beschikking van de president van het Hof van 7 april 2016, Raad/Front Polisario, C‑104/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:232, punt 7 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Wat vervolgens het feit betreft dat de noodzaak om een nieuwe handeling vast te stellen afhangt van de uitkomst van de procedure in hogere voorziening, dient in herinnering te worden gebracht dat het enkele – ongetwijfeld legitieme – belang van justitiabelen dat de draagwijdte van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen zo snel mogelijk wordt vastgesteld, evenmin een uitzonderlijke omstandigheid kan vormen die rechtvaardigt dat een zaak volgens de versnelde procedure wordt behandeld (zie in die zin arrest van 28 april 2022, Caruter, C‑642/20, EU:C:2022:308, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Tot slot is het vaste rechtspraak dat economische belangen, hoe gewichtig en legitiem ook, op zich niet de toepassing van die procedure kunnen rechtvaardigen (beschikking van de president van het Hof van 16 maart 2017, Abanca Corporación Bancaria, C‑70/17, niet gepubliceerd, EU:C:2017:227, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Tegen deze achtergrond heeft de president van het Hof op 7 juli 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist om het verzoek om een versnelde procedure niet in te willigen.
Hogere voorziening
43 Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de Commissie één middel aan, dat bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan schending van artikel 16, lid 5, VEU en het tweede aan schending van artikel 16, lid 4, VEU.
Eerste onderdeel van het middel
Argumenten van partijen
44 De Commissie betoogt dat de uitlegging die het Gerecht in de punten 42, 56 en 57 van het bestreden arrest heeft gegeven aan artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36, in strijd is met artikel 16, lid 5, VEU.
45 In dit verband voert de Commissie aan dat, anders dan het Gerecht in punt 49 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, de bewoordingen van artikel 16, lid 5, VEU geen enkele twijfel doen rijzen over de uitlegging ervan. Zij betoogt dat deze bepaling niet voorziet in een overgangsperiode na 31 maart 2017, zodat de voorschriften van Protocol nr. 36 inzake de bepaling van de gekwalificeerde meerderheid na die datum niet meer kunnen worden toegepast. De door het Gerecht gegeven uitlegging brengt evenwel mee dat zij deze bepalingen wel na die datum moet toepassen.
46 De Commissie betoogt dat, los van het feit dat zowel de bepalingen van artikel 16 VEU als die van Protocol nr. 36 bepalingen van primair Unierecht vormen, artikel 16 VEU een fundamenteel karakter heeft omdat het het voorwerp en de toepassingstermijn van de in dat protocol opgenomen regels bepaalt. Zij is van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 3, lid 2, van dat protocol niet uit te leggen op een wijze waarbij de samenhang van die bepaling met artikel 16, lid 5, VEU kan worden gewaarborgd.
47 Bovendien meent de Commissie dat een strikte uitlegging van overgangsbepalingen, en het algemene rechtszekerheidsbeginsel, bevestigen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In dit verband herinnert zij eraan dat procedureregels van toepassing zijn vanaf de datum waarop zij in werking treden, en dat hier alleen van wordt afgeweken indien de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die de voorwaarden voor de toepassing ratione temporis ervan specifiek vaststellen. De toepassingstermijn van overgangsbepalingen moet dus strikt worden uitgelegd om vertraging bij de toepassing van nieuwe bepalingen te verminderen.
48 De Commissie is van mening dat de vraag welke gekwalificeerde meerderheid van toepassing is op een stemming, niet op kunstmatige wijze kan worden losgekoppeld van de datum van deze stemming, aangezien de wijze van berekening van deze meerderheid een van de elementen van de stemregels is. Volgens haar heeft het Gerecht zich in punt 48 van het bestreden arrest beperkt tot een analyse van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 waarbij het zich uitsluitend heeft gebaseerd op het feit dat de betrokken lidstaat vóór 31 maart 2017 een verzoek op grond van deze bepaling had ingediend. Volgens de Commissie heeft het Gerecht echter geen rekening gehouden met de gevolgen van dat verzoek, te weten dat artikel 3, lid 3, van dit protocol wordt toegepast na 31 maart 2017, dat wil zeggen na de datum die uitdrukkelijk is bepaald in artikel 16, lid 5, VEU. De Commissie is dan ook van mening dat het Gerecht een ruime uitlegging heeft gegeven aan een overgangsbepaling, in casu artikel 3, lid 2, van dat protocol, en aan de geldigheidsduur van artikel 3, lid 3, ervan, waarnaar deze overgangsbepaling verwijst.
49 Wat het algemene rechtszekerheidsbeginsel betreft, voert de Commissie aan dat het Gerecht bij de uitlegging van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 geen rekening heeft gehouden met de zienswijze van alle belanghebbenden. Naast alle lidstaten die deelnemen aan een stemming van het comité, behoort ook de Commissie, die de auteur is van de ontwerphandeling waarover wordt gestemd, tot de belanghebbenden, waarvan de rechten en verplichtingen afhankelijk zijn van een correcte afbakening van de gekwalificeerde meerderheid bij die stemming. De Commissie herinnert eraan dat zij het voorzitterschap van het comité bekleedt en uit dien hoofde verantwoordelijk is voor de organisatie en het verloop van een dergelijke stemming, en dat het advies van het comité, waarvan de vaststelling van een ontwerpuitvoeringshandeling of van de andere in artikel 5 van verordening nr. 182/2011 bedoelde maatregelen afhankelijk is, tot haar is gericht.
50 Volgens de Commissie heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 53 tot en met 55 van het bestreden arrest alleen rekening te houden met de belangen van lidstaten die een verzoek op grond van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 indienen. In dit verband betoogt zij dat het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest heeft verzuimd rekening te houden met het belang van de Commissie en van de andere lidstaten die deelnemen aan de betrokken stemming, om, wat de toepassing van overgangsbepalingen betreft, uit te kunnen gaan van een duidelijk vastgelegd tijdschema. De Commissie concludeert dat het ongemak dat voortvloeit uit de noodzaak voor een lidstaat om tijdig concrete maatregelen te nemen om de nuttige werking van een krachtens deze bepaling ingediend verzoek te waarborgen, niet zwaarder mag wegen dan de belangen van de andere partijen bij de comitéprocedure en die van de andere justitiabelen.
51 De Commissie is van mening dat de door het Gerecht gegeven uitlegging in strijd is met het algemene rechtszekerheidsbeginsel, aangezien die uitlegging met zich meebrengt dat justitiabelen, sinds de vaststelling van het Verdrag van Lissabon en Protocol nr. 36, niet hebben kunnen voorzien gedurende welke periode de gekwalificeerde meerderheid, zoals bepaald in het Verdrag van Nice, kon worden toegepast. Volgens haar is de uitlegging volgens welke de laatste stemming met deze gekwalificeerde meerderheid op 31 maart 2017 kon plaatsvinden, anders dan de uitlegging van het Gerecht, gebaseerd op een exacte, in artikel 16, lid 5, VEU genoemde datum, en voldoet zij aan het vereiste van voorzienbaarheid, aangezien die instelling op basis daarvan een ontwerphandeling kon opstellen met het oogmerk om die meerderheid te bereiken.
52 Voorts betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 54 van het bestreden arrest te oordelen dat volgens een uitlegging van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 die de toepassing van deze bepaling afhankelijk stelt van de datum van het in die bepaling bedoelde verzoek, die toepassing beperkt was in de tijd, op grond dat de beraadslagingen die in een stemming uitmonden een einde maken aan deze toepassing. Volgens de Commissie doet deze uitlegging afbreuk aan de rechtszekerheid, aangezien het Gerecht, door enkel de geldingsduur van deze bepaling vast te stellen, er geen rekening mee heeft gehouden dat de gelding van artikel 3, lid 3, van dit protocol zo voor onbepaalde tijd wordt verlengd. De duur van de procedure die voorafgaat aan de datum van de definitieve stemming hangt af van tal van externe en onvoorzienbare factoren.
53 De Commissie merkt op dat, hoewel het bestreden arrest betrekking heeft op de stemprocedure binnen het comité, de door het Gerecht gehanteerde uitlegging van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 ook betrekking heeft op de stemprocedure binnen de Raad in het kader van de wetgevingsprocedure. Deze uitlegging zou ertoe leiden dat een verzoek om stemming met de in het Verdrag van Nice gedefinieerde gekwalificeerde meerderheid, de Raad, vanaf het moment dat de Commissie een wetgevingsprocedure inleidt, bindt voor alle stemmingen over het ontwerp dat onder deze procedure valt, ongeacht het werkelijke aantal stemmen bij de Raad uit hoofde van artikel 294 VWEU en de werkelijke duur van deze procedure, die zich soms over meerdere jaren uitstrekt.
54 De Commissie is van mening dat een dergelijke uitlegging ook praktische problemen oplevert, aangezien de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gevolgen heeft voor de berekening van de gekwalificeerde meerderheid zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36.
55 Zij voegt hieraan toe dat de redenering van het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest, volgens welke de door de Commissie voorgestane uitlegging ertoe zou kunnen leiden dat artikel 3, lid 2, van dit protocol wordt omzeild door de datum van een stemming na 31 maart 2017 vast te stellen, louter speculatief is.
56 De Republiek Polen betwist de argumenten van de Commissie.
Beoordeling door het Hof
57 Artikel 16, lid 5, VEU bepaalt dat de overgangsbepalingen inzake de omschrijving van de gekwalificeerde meerderheid die tot en met 31 oktober 2014, respectievelijk tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 van toepassing zijn, worden vastgesteld in Protocol nr. 36. Artikel 3, lid 2, van dit protocol bepaalt dat wanneer tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 een besluit moet worden genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, een lid van de Raad kan verzoeken dat het besluit wordt genomen met de in artikel 3, lid 3, van dat protocol omschreven gekwalificeerde meerderheid, dat wil zeggen zoals deze was omschreven in het VEU vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon.
58 In het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 aldus moest worden uitgelegd dat het, om een ontwerphandeling te kunnen laten vaststellen volgens de regels inzake gekwalificeerde meerderheid van artikel 3, lid 3, van dit protocol, volstond dat een lidstaat tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 om toepassing van die regels had verzocht, zonder dat de stemming over de betrokken ontwerphandeling eveneens tussen deze datums hoefde plaats te vinden.
59 Daarmee is deze uitlegging van het Gerecht niet in strijd met artikel 16, lid 5, VEU.
60 Wat met name de omschrijving van de tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 geldende gekwalificeerde meerderheid betreft, verwijst deze bepaling naar Protocol nr. 36. Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 2, van dit protocol volgt dat ieder lid van de Raad – gedurende deze gehele periode en dus tot en met 31 maart 2017 – kon verzoeken om toepassing van de gekwalificeerde meerderheid zoals omschreven in artikel 3, lid 3, van dat protocol.
61 Niets in de bewoordingen van artikel 16, lid 5, VEU, noch in die van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36, sluit uit dat een stemming met de in artikel 3, lid 3, omschreven gekwalificeerde meerderheid kan plaatsvinden na 31 maart 2017, mits een verzoek daartoe is ingediend tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017. In dit verband moet worden benadrukt dat de vaststelling van de datum van een stemming grotendeels is onttrokken aan de controle van individuele leden van de Raad.
62 Het is juist dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, het van belang is dat artikel 16, lid 5, VEU en het protocol waarnaar het verwijst, zodanig worden toegepast dat de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen en dat, middels een strikte uitlegging van de overgangsregeling van artikel 3, lid 2, van dit protocol, wordt gewaarborgd dat de toepasselijkheid van deze regeling niet wordt verlengd tot na de periode van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2017.
63 Anders dan de Commissie betoogt, is de draagwijdte die het Gerecht aan deze bepalingen heeft toegekend evenwel in overeenstemming met deze vereisten.
64 Wat, ten eerste, het algemene beginsel van rechtszekerheid betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat dit beginsel vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor de justitiabelen (arrest van 16 februari 2022, Hongarije/Parlement en Raad, C‑156/21, EU:C:2022:97, punt 223 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 In dit verband moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 56 van zijn conclusie, de beoordeling door het Gerecht van de draagwijdte van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 deze bepaling verduidelijkt op een wijze die waarborgt dat de toepasselijke stemregels voorzienbaar zijn. Volgens deze beoordeling konden immers, wanneer tussen 1 november 2014 en 31 maart 2017 een verzoek op grond van artikel 3, lid 2, werd ingediend, alle belanghebbenden vanaf de indiening van dit verzoek op de hoogte zijn van de stemregels. De door de Commissie voorgestane uitlegging zou artikel 3, lid 2, daarentegen ten dele zijn nuttig effect ontnemen, aangezien zelfs een verzoek dat tijdens de in deze bepaling omschreven periode is ingediend, niet zou garanderen dat een stemming van het comité zou worden georganiseerd overeenkomstig de regels van het Verdrag van Nice. Bijgevolg zouden de belanghebbenden pas kennis kunnen nemen van de toepasselijke stemregels zodra het voorzitterschap van het comité een datum voor de stemming vaststelt, waardoor de toepassing van deze regels wordt overgelaten aan de discretie van dit voorzitterschap, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
66 Ten tweede, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 54 van zijn conclusie, heeft de beoordeling van het Gerecht niet tot gevolg dat de in artikel 16, lid 5, VEU en artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 vastgestelde overgangsperiode van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2017, voor onbepaalde tijd wordt verlengd. Volgens deze beoordeling kunnen immers alleen verzoeken die uiterlijk op 31 maart 2017 zijn ingediend en betrekking hebben op voorgestelde maar nog niet goedgekeurde ontwerphandelingen, leiden tot toepassing van de stemregels van artikel 3, lid 3, van dit protocol. De mogelijkheid dat de stemming over een dergelijke ontwerphandeling na 31 maart 2017 plaatsvindt, is inherent aan de overgangsregeling van artikel 3, lid 2, van dat protocol, die uitgaat van de datum waarop het verzoek om toepassing van deze stemregels is ingediend en niet van de datum waarop de stemming plaatsvindt. Aldus blijkt dat het Gerecht een strikte uitlegging van deze overgangsregeling heeft gehanteerd, door zich te houden aan een getrouwe lezing van de bewoordingen van Protocol nr. 36, waarnaar artikel 16, lid 5, VEU verwijst. Bijgevolg kan het Gerecht niet worden verweten dat het de duur van die regeling verder heeft verlengd dan intrinsiek voortvloeit uit hetgeen de opstellers van het Verdrag van Lissabon in dit protocol hebben vermeld.
67 Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van zijn conclusie heeft benadrukt, kan aan deze overwegingen niet worden afgedaan door het argument van de Commissie omtrent de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat noch een gebeurtenis die dateert van na de vaststelling en inwerkingtreding van Protocol nr. 36 en van na de stemming die heeft geleid tot de vaststelling van het litigieuze besluit, noch de praktische gevolgen van genoemde terugtrekking, relevant zijn voor de uitlegging van de bepalingen van dit protocol.
68 Uit het voorgaande volgt dat de uitlegging die het Gerecht in de punten 42, 56 en 57 van het bestreden arrest heeft gegeven aan artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36, niet in strijd is met artikel 16, lid 5, VEU.
69 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het enige middel ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel van het middel
Argumenten van partijen
70 De Commissie betoogt dat de uitlegging die het Gerecht in de punten 42, 56 en 57 van het bestreden arrest heeft gegeven aan artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36, afbreuk doet aan de nuttige werking van artikel 16, lid 4, VEU.
71 In dit verband brengt de Commissie in herinnering dat eerstgenoemde bepaling een algemene regel vaststelt, namelijk de definitie van de vanaf 1 november 2014 geldende gekwalificeerde meerderheid, en dat alleen in de in artikel 16, lid 4, derde alinea, bedoelde gevallen, in afwijking van deze algemene regel, vanaf die datum de „overige bepalingen” van artikel 238, lid 2, VWEU van toepassing zijn. Volgens haar zijn de overgangsbepalingen van Protocol nr. 36 van toepassing tot en met 31 maart 2017. Anders zou artikel 16, lid 4, deze overgangsbepalingen uitdrukkelijk als „overige bepalingen” hebben aangemerkt.
72 Voorts betoogt de Commissie dat artikel 16, lid 4, VEU overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Protocol nr. 36 op 1 november 2014 in werking is getreden. Daarnaast merkt zij op dat artikel 3, lid 3, van dit protocol bepaalt dat de in het Verdrag van Nice omschreven gekwalificeerde meerderheid van toepassing is tot en met 31 oktober 2014, onverminderd artikel 235, lid 1, tweede alinea, VWEU, waarin wordt verwezen naar artikel 16, lid 4, VEU. Volgens de Commissie volgt derhalve uit de bewoordingen van artikel 3, leden 1 en 3, van dat protocol dat wanneer na 1 november 2014 op basis van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 wordt afgezien van toepassing van de in artikel 16, lid 4, VEU omschreven gekwalificeerde meerderheid, dit geen afbreuk mag doen aan de nuttige werking van dat artikel 16, lid 4. De Commissie meent echter dat de door het Gerecht gehanteerde uitlegging van dit artikel 3, lid 2, afbreuk doet aan artikel 16, lid 4, VEU omdat deze ertoe leidt dat de toepasselijkheid van artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 wordt uitgebreid tot zelfs na 31 maart 2017.
73 De Commissie betoogt dat een uitlegging van artikel 3, leden 2 en 3, van Protocol nr. 36 op grond waarvan de in het Verdrag van Nice omschreven gekwalificeerde meerderheid na 31 maart 2017 kan worden toegepast, ook afbreuk doet aan de nuttige werking van artikel 16, lid 4, VEU, aangezien zij in strijd is met de doelstellingen van deze laatste bepaling.
74 In dit verband voert de Commissie aan dat artikel 16, lid 4, VEU tot doel heeft om een nieuwe regeling voor stemmingen met gekwalificeerde meerderheid in te voeren, waarbij zowel een meerderheid van de lidstaten als een meerderheid van de bevolking van de Unie moet worden behaald. Zo is zij van mening dat het in het Verdrag van Nice vastgelegde stelsel van gekwalificeerde meerderheid veel complexer en minder democratisch was, zodat de nieuwe definitie van gekwalificeerde meerderheid in artikel 16, lid 4, VEU, die een criterium invoert dat rechtstreeks rekening houdt met de bevolking van de lidstaten, de democratische legitimiteit van de besluiten van de Raad heeft vergroot. De Commissie betoogt dat met deze nieuwe definitie de doelstelling van de Unie om haar werking te grondvesten op de representatieve democratie, kon worden verwezenlijkt.
75 De Commissie meent dat de beperking van de nuttige werking van artikel 16, lid 4, VEU leidt tot een inbreuk op het democratiebeginsel, dat volgens vaste rechtspraak behoort tot de grondwaarden waarop de Unie berust. Volgens de Commissie heeft het Gerecht deze doelstelling afgezet tegen het bijzondere belang van één enkele lidstaat om na 31 maart 2017, naar aanleiding van een verzoek van 30 maart 2017, te kunnen profiteren van een voor hem gunstiger gekwalificeerde meerderheid, die is gebaseerd op gewogen stemmen die niet de democratische vertegenwoordiging van de burgers van de Unie weerspiegelen.
76 Bovendien voert de Commissie aan dat het specifieke doel van artikel 16, lid 5, VEU juncto artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 niet erin bestond om de vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon geldende regels inzake de definitie van gekwalificeerde meerderheid voor nagenoeg onbepaalde tijd te handhaven, maar om de volle toepassing van de regels inzake de nieuwe definitie van die meerderheid, die zijn opgenomen in artikel 16, lid 4, VEU, uit te stellen tot en met 31 maart 2017, teneinde het belang te beschermen van lidstaten waarvan het relatieve gewicht bij stemmingen is verminderd door de regels van het Verdrag van Lissabon.
77 De Commissie is van mening dat de drie in punt 45 van het bestreden arrest genoemde perioden ook passen bij een dergelijk idee van uitgestelde toepassing van deze regels over de nieuwe algemene definitie van gekwalificeerde meerderheid in artikel 16, lid 4, VEU, waarbij die regels in de eerste periode geheel niet van toepassing zijn, zij in de tweede periode van toepassing zijn onder voorbehoud van de mogelijkheid om daarvan af te wijken in geval van een voorafgaand verzoek van een lidstaat, en zij in de derde periode – die, anders dan de eerste twee perioden, niet kan worden aangemerkt als een „overgangsperiode” – systematisch en zonder uitzondering van toepassing zijn.
78 De Commissie overweegt derhalve dat de uitlegging die het Gerecht in de punten 42, 56 en 57 van het bestreden arrest heeft gegeven aan artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36, deze drie perioden door elkaar laat lopen door in feite na 31 maart 2017 een derde overgangsperiode van onbepaalde duur te laten ingaan. Deze instelling komt tot de slotsom dat, gelet op de doelstelling van artikel 16, lid 4, VEU om een algemeen geldende definitie van de gekwalificeerde meerderheid vast te stellen, iedere restrictieve uitlegging van de temporele werkingssfeer van deze regel, zoals die welke het Gerecht in de punten 40 en 41 van het bestreden arrest heeft gehanteerd, moet worden beschouwd als een beperking van de volle nuttige werking ervan.
79 De Republiek Polen betwist de argumenten van de Commissie.
Beoordeling door het Hof
80 Het betoog van de Commissie dat de uitlegging die het Gerecht aan artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 heeft gegeven, afbreuk doet aan de nuttige werking van artikel 16, lid 4, VEU, dient op voorhand te worden afgewezen, aangezien dit betoog berust op de – in het kader van het onderzoek van het eerste onderdeel van het enige middel van de Commissie verworpen – stelling dat deze uitlegging tot gevolg heeft dat de toepasselijkheid van artikel 3, lid 3, van Protocol nr. 36 wordt verlengd tot na 31 maart 2017.
81 Wat het argument van de Commissie inzake het democratiebeginsel betreft, is het juist dat de werking van de Unie volgens de bewoordingen van artikel 10, lid 1, VEU, gegrond is op het beginsel van de representatieve democratie, dat een concrete uitwerking vormt van de democratie als een in artikel 2 VEU genoemde waarde (arrest van 19 december 2019, Junqueras Vies, C‑502/19, EU:C:2019:1115, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 63 en 64 van zijn conclusie, zijn de argumenten van de Commissie over het belang van artikel 16, lid 4, VEU voor de democratische legitimiteit van Uniehandelingen echter op zich niet relevant voor de uitlegging van artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36. De vaststelling van dit protocol vormt een uitdrukking van de duidelijk geuite wil van de opstellers van het Verdrag van Lissabon om een flexibele overgang te verzekeren naar de in dat artikel 16, lid 4, vastgestelde regels inzake de omschrijving van de gekwalificeerde meerderheid. Het Gerecht kan niet worden verweten dat het bij de beoordeling van de draagwijdte van dat artikel 3, lid 2, het beginsel van representatieve democratie heeft geschonden, aangezien het, door bij die beoordeling de overgangsregels strikt en in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel uit te leggen, heeft verzekerd dat elk lid van de Raad het recht had om, gedurende de gehele periode van 1 november 2014 tot en met 31 maart 2017, het in artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36 bedoelde verzoek in te dienen.
83 Uit het voorgaande volgt dat de uitlegging die het Gerecht in de punten 42, 56 en 57 van het bestreden arrest heeft gegeven aan artikel 3, lid 2, van Protocol nr. 36, niet in strijd is met artikel 16, lid 4, VEU.
84 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond worden verklaard.
85 Aangezien de twee onderdelen van het enige middel ongegrond zijn verklaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
86 Artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het Hof over de kosten beslist wanneer de hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dit Reglement – dat op grond van artikel 184, lid 1, van datzelfde Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening – wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd.
87 Aangezien de Commissie in casu in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Republiek Polen worden verwezen in haar eigen kosten en in die van deze lidstaat.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Europese Commissie draagt, naast haar eigen kosten, die van de Republiek Polen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Pools.