HvJ EU 11 maart 2021, C-400/19, ECLI:EU:C:2021:194

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

11 maart 2021 ( *1 )

„Niet-nakoming – Gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten – Verordening (EU) nr. 1308/2013 – Artikel 34 VWEU – Verkoopprijs van landbouw- en voedingsproducten – Bij de detailverkoop van deze producten toe te passen minimumwinstmarges”

In zaak C‑400/19,

betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 23 mei 2019,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Sipos, X. Lewis en E. Manhaeve als gemachtigden,

verzoekster,

tegen

Hongarije, aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, G. Koós en Zs. Wagner, vervolgens door M. Z. Fehér en G. Koós als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin (rapporteur) en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 september 2020,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 november 2020,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat Hongarije, door § 3, lid 2, onder u), van de mezőgazdasági és élelmiszeripari termékek vonatkozásában a beszállítókkal szemben alkalmazott tisztességtelen forgalmazói magatartás tilalmáról szóló 2009. évi XCV. törvény (wet nr. XCV van 2009 inzake het verbod op oneerlijke handelspraktijken jegens leveranciers van landbouw- en voedingsproducten; hierna: „wet nr. XCV van 2009”) vast te stellen en daardoor de methoden voor het bepalen van de verkoopprijzen van landbouw- en voedingsproducten te beperken, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 34 VWEU en verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

2 Overweging 172 van verordening nr. 1308/2013 luidt: „Gezien de specifieke kenmerken van de landbouwsector en het feit dat deze afhangt van de goede werking van de volledige toeleveringsketen, met inbegrip van de doeltreffende toepassing van de mededingingsvoorschriften in alle relevante sectoren in de volledige voedselketen, die sterk geconcentreerd kan zijn, moet bijzondere aandacht uitgaan naar de toepassing van de mededingingsvoorschriften bedoeld in artikel 42 VWEU. [...]”

3 Artikel 83, lid 5, van deze verordening bepaalt: „De lidstaten kunnen uitsluitend aanvullende nationale bepalingen aannemen of handhaven voor producten die onder een handelsnorm van de Unie vallen, indien die bepalingen in overeenstemming zijn met het recht van de Unie, met name wat de eerbiediging van het beginsel van vrij verkeer van goederen betreft, en mits wordt voldaan aan richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad[, van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 1998, L 204, blz. 37)].”

Hongaars recht

4 § 1 van wet nr. XCV van 2009 verduidelijkt dat deze wet eerlijk handelsgedrag wil verzekeren tussen inrichtingen die landbouw- en voedingsproducten verkopen en de leveranciers daarvan.

5 § 2, lid 1, van deze wet ziet enerzijds op ondernemingen die landbouw- en voedingsproducten produceren, verwerken of verkopen zonder te verwerken, en anderzijds op ondernemingen die deze producten verkopen aan eindgebruikers. Laatstgenoemde categorie omvat alle detailhandelaren, ongeacht hun omvang, en is dus van toepassing op zowel hypermarkten als kleine winkels die landbouw- en voedingsproducten verkopen.

6 § 3, lid 2, onder u), van die wet bepaalt: „Als oneerlijke handelspraktijk wordt beschouwd: [...] u) een op grond van het land van herkomst van de producten discriminerende wijze om te bepalen voor welke prijs producten die qua samenstelling en organoleptische eigenschappen identiek zijn aan de eindgebruiker worden verkocht.”

Precontentieuze procedure

7 Op 12 januari 2015 heeft de Commissie een schrijven gericht aan de Hongaarse autoriteiten om inlichtingen te verkrijgen over § 3, lid 2, onder u), van wet nr. XCV van 2009 (hierna: „betrokken maatregel”). Hongarije heeft hierop geantwoord op 23 maart 2015.

8 Aangezien de Commissie aanvullende informatie nodig had, heeft zij Hongarije op 7 juli 2015 een verzoek om informatie gestuurd, waarop deze lidstaat op 22 juli 2015 heeft geantwoord.

9 Op 16 februari 2017 heeft de Commissie Hongarije een ingebrekestelling gezonden waarin zij haar twijfels heeft geuit over de verenigbaarheid van enkele bepalingen van wet nr. XCV van 2009 met verordening nr. 1308/2013 en artikel 34 VWEU.

10 Op 7 juni 2017 heeft Hongarije in antwoord hierop de beweerde niet-nakoming betwist.

11 Op 9 maart 2018 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij haar in de ingebrekestelling uiteengezette standpunt heeft gehandhaafd. Zij heeft Hongarije verzocht om binnen twee maanden na ontvangst van dit advies de nodige maatregelen te nemen om daaraan te voldoen. Hongarije heeft op 11 mei 2018 op dit advies geantwoord en haar standpunt herhaald dat haar regelgeving in overeenstemming is met het Unierecht.

12 Daar de Commissie dit antwoord niet bevredigend vond, heeft zij het onderhavige niet-nakomingsberoep ingesteld.

Beroep

13 Ter onderbouwing van haar beroep betoogt de Commissie dat de betrokken maatregel onverenigbaar is met verordening nr. 1308/2013 en artikel 34 VWEU. Eerst zal worden ingegaan op de grief inzake schending van deze verordening, en daarna op die inzake schending van artikel 34 VWEU.

Eerste grief: schending van verordening nr. 1308/2013

Argumenten van partijen

14 De Commissie brengt in herinnering dat de betrokken maatregel in essentie inhoudt dat op detailverkoopprijzen van landbouw- en voedingsproducten uit een bepaald land dezelfde winstmarge moet worden toegepast als op die van identieke producten uit een ander land, en het dus verboden is om voor identieke producten uit verschillende landen verschillende marges te bepalen. Het begrip „identieke producten” wordt hierbij gedefinieerd met een verwijzing naar de samenstelling en de organoleptische eigenschappen van het product (hierna: „identieke producten”).

15 De Commissie merkt op dat hoewel de lidstaten in beginsel bevoegd blijven om bepaalde maatregelen vast te stellen waarin verordening nr. 1308/2013 niet voorziet, dit niet wegneemt dat dergelijke maatregelen niet van dien aard mogen zijn dat van deze verordening wordt afgeweken, daarop inbreuk wordt gemaakt of de doeltreffende werking daarvan wordt belemmerd.

16 Zij brengt in dit verband in herinnering dat indien een prijsstellingsmechanisme ontbreekt, de op vrije mededinging berustende vrije bepaling van de verkoopprijzen deel uitmaakt van verordening nr. 1308/2013 en een uiting vormt van het beginsel van het vrije verkeer van goederen onder voorwaarden van daadwerkelijke mededinging. Voorts is elke gemeenschappelijke marktordening (hierna: „GMO”) gebaseerd op het beginsel van een open markt, waartoe elke producent vrij toegang heeft onder voorwaarden van daadwerkelijke mededinging.

17 De Commissie is in casu van mening dat de betrokken maatregel de uitvoering van verordening nr. 1308/2013 ondermijnt omdat die indruist tegen het beginsel van vrije bepaling van verkoopprijzen van landbouwproducten op basis van eerlijke concurrentie, en dat de winstmarge integraal deel uitmaakt van de bepaling van de detailhandelsprijs. Een bepaling die, zoals in casu, verbiedt dat bij de detailverkoop van identieke producten verschillende winstmarges worden vastgesteld, verhindert dat ingevoerde producten tot een bepaalde nationale markt doordringen dankzij aantrekkelijke detailverkoopprijzen.

18 Hoewel de Commissie erkent dat de doelstelling oneerlijke handelspraktijken te verbieden een doelstelling van algemeen belang kan zijn waarvoor de GMO-regels niet gelden, herinnert zij eraan dat beperkende maatregelen die ter verwezenlijking van die doelstelling worden genomen, wel evenredig moeten zijn.

19 Zij betoogt daarbij dat de betrokken maatregel noch geschikt is om de verwezenlijking van die doelstelling te verzekeren, noch evenredig is aan die doelstelling, namelijk eerlijk handelsgedrag te garanderen en de situatie van de producenten in de voedingsketen te verbeteren.

20 De Commissie voert in dit verband aan dat de praktijk om verschillende marges vast te stellen, geen oneerlijke handelspraktijk is, en dat de betrokken maatregel een substantiële inmenging vormt in de vrijheid van detailhandelaren om marges vast te stellen. De uitoefening van deze vrijheid kan niet worden gelijkgesteld met een verkoop onder de aankoopprijs, en laatstgenoemde praktijk kan worden ingeperkt zonder dat het Unierecht wordt geschonden.

21 Voorts is de betrokken maatregel ongeschikt om het beoogde doel te bereiken, aangezien het vaststellen van detailhandelsmarges geenszins garandeert dat leveranciers hiervan zullen profiteren.

22 Volgens de Commissie gaat de maatregel hoe dan ook verder dan noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken en heeft hij in de praktijk een discriminerend effect, daar hij nadeliger is voor ingevoerde producten.

23 Hongarije betoogt dat de betrokken maatregel ertoe strekt een gelijk speelveld te garanderen tussen nationale landbouw- en voedingsproducten en die welke uit andere lidstaten komen. Het herinnert eraan dat richtlijn (EU) 2019/633 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (PB 2019, L 111, blz. 59) de lidstaten uitdrukkelijk toestemming geeft om maatregelen te handhaven met betrekking tot handelspraktijken die niet onder deze richtlijn vallen, mits die verenigbaar zijn met de regels inzake de werking van de interne markt. Die lidstaat meent dan ook dat de maatregel, die detailhandelaren verbiedt om bij de bepaling van de verkoopprijzen van de betrokken producten te discrimineren op grond van hun land van herkomst opdat deze producten op de nationale markt kunnen concurreren op basis van hun kosteneffectiviteit, in overeenstemming is met verordening nr. 1308/2013.

24 Hongarije legt uit dat wet nr. XCV van 2009 is vastgesteld in een context die wordt gekenmerkt door de afhankelijke en economisch kwetsbare positie van leveranciers ten opzichte van grote bedrijven, wat tot asymmetrische onderhandelingsposities en oneerlijke handelspraktijken heeft geleid. Vóór de inwerkingtreding van deze wet konden detailhandelaren de leveranciers de voorwaarden voor de verkoop van hun producten opleggen, en vroegen zij hun in de praktijk om aanvullende kosten te betalen of aan willekeurige vereisten te voldoen, wat dus op misbruik neerkwam. Het doel van die wet is volgens Hongarije om leveranciers te beschermen tegen detailhandelaren die, door hun sterkere onderhandelingspositie te misbruiken, praktijken toepassen die de eerlijke mededinging op de betrokken markt verstoren, maar niet via het mededingingsrecht kunnen worden bestraft.

25 Hongarije betoogt dat het begrip „identiek product” ook slaat op basislevensmiddelen die homogeen zijn en qua samenstelling en smaak niet van elkaar zijn te onderscheiden. De betrokken maatregel heeft enkel betrekking op producten die in al hun eigenschappen identiek zijn, en dus algemeen op basisvoedingsmiddelen van een lagere prijsklasse die minder bewerkt zijn, en niet op zogenoemde „merkproducten”. Aangezien deze producten identiek zijn, zijn de voorkeuren van de consumenten minder van belang en kan het prijsverschil tussen de producten doorslaggevend zijn voor hun keuze. Hongarije meent dat aangezien de mededinging voor die producten op hun prijzen gebaseerd is, de betrokken maatregel kan garanderen dat deze mededinging eerlijk is.

26 Voorts meent Hongarije dat de maatregel verhindert dat de mededinging op de markt van leveranciers van landbouw- en voedingsproducten wordt beïnvloed door de eigen criteria van de detailhandelaar, met inbegrip van de subjectieve sympathie die deze voor een bepaalde leverancier of zijn producten kan hebben.

27 De lidstaat onderstreept evenwel dat de leverancier en de detailhandelaar volledig vrij blijven om de aankoopprijzen van de producten te bepalen, en dat de betrokken maatregel mededingingsverstoringen voorkomt door te verbieden dat de door de consument te betalen prijs voor een product dat de detailhandelaar heeft aangekocht tegen een lagere prijs dan die van een identiek product, kunstmatig wordt opgedreven, omdat deze detailhandelaar een grotere winstmarge toepast.

28 Verder benadrukt deze lidstaat dat de betrokken maatregel geen beperkingen oplegt aan de verkoop van de betrokken producten tegen een speciale actieprijs.

29 Wat betreft de vraag of die maatregel verenigbaar is met verordening nr. 1308/2013, merkt Hongarije op dat de Commissie niet aangeeft welke concrete bepaling daarvan zou geschonden zijn.

30 Hongarije stelt dat de betrokken maatregel niet raakt aan de vrijheid om de prijzen te bepalen wanneer detailhandelaren landbouw- en voedingsproducten aankopen, en dus niet in strijd is met de vaste rechtspraak dat nationale maatregelen die de concurrentie verstoren door te verhinderen dat bepaalde producenten of importeurs profiteren van lagere kostprijzen teneinde aantrekkelijker verkoopprijzen in de detailhandel voor te stellen, in strijd zijn met het Unierecht. Het voegt daaraan toe dat het aan verordening nr. 1308/2013 ten grondslag liggende beginsel niet de prijsbepaling betreft, maar de waarborging van het vrije verkeer van goederen, zodat de betrokken maatregel, die daadwerkelijke mededinging wil garanderen, niet in strijd is met deze verordening.

31 Hongarije merkt in dit verband op dat de betrokken maatregel formeel gezien plaatsgrijpt aan het einde van de distributieketen, in het stadium van de relatie tussen detailhandelaar en consument, maar effect sorteert op het niveau van de relatie tussen leverancier en detailhandelaar, en dus op hetzelfde idee berust als richtlijn 2019/633. De maatregel is geschikt om de genoemde doelstelling te bereiken: hij beschermt de producenten door te verhinderen dat de competitiviteit van hun producten voor de consument kan worden geneutraliseerd door de discriminatoire prijsbepalingstechniek van de detailhandelaar.

32 Die lidstaat voegt daaraan toe dat de maatregel niet de keuzevrijheid van de detailhandelaren elimineert, aangezien deze de mogelijkheid behouden om prijsverlagingen toe te passen bij het introduceren van nieuwe producten en om marketinginstrumenten gebaseerd op een tijdelijke prijsverlaging te gebruiken, mits de prijsmarges die op de producten worden toegepast in een tijdsbestek van zes maanden worden gelijkgetrokken.

33 Tot slot meent Hongarije ten eerste dat de Commissie er niet in is geslaagd aan te tonen dat de betrokken maatregel onderscheid maakt tussen de verkoop van uit andere lidstaten ingevoerde en die van nationale producten, en ten tweede dat het bij basisproducten de prijs van het product is die doorslaggevend is voor de keuze van de consument. Het argument van de Commissie dat de maatregel ingevoerde producten benadeelt en dus indirect discriminerend is, berust op de aanname dat consumenten doorgaans de nationale producten verkiezen die zij reeds kennen, maar de Commissie toont niet aan hoe deze redenering aan de orde kan zijn bij producten die qua samenstelling en organoleptische eigenschappen identiek zijn.

Beoordeling door het Hof

34 Om te beginnen moet worden geconstateerd dat de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder d), VWEU onder de gedeelde bevoegdheid van de Europese Unie en de lidstaten valt, over een wetgevingsbevoegdheid beschikken die zij kunnen uitoefenen voor zover de Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend, zoals blijkt uit artikel 2, lid 2, VWEU (arrest van 13 november 2019, Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė, C‑2/18, EU:C:2019:962, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Verder is het vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer op een bepaald gebied een GMO tot stand is gebracht, de lidstaten zich dienen te onthouden van elke maatregel die daarvan afwijkt of er inbreuk op maakt. Met een GMO zijn ook onverenigbaar bepalingen die de doeltreffende werking daarvan belemmeren, ook wanneer de GMO geen uitputtende regeling voor het betrokken gebied bevat (arrest van 13 november 2019, Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė, C‑2/18, EU:C:2019:962, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 Dienaangaande zij er vooraf aan herinnerd dat de Commissie weliswaar schending van de hele verordening nr. 1308/2013 aanvoert en niet van een specifieke bepaling daarvan, maar dat dit niet wegneemt dat indien een prijsstellingsmechanisme ontbreekt, de op vrije mededinging berustende vrije bepaling van de verkoopprijzen deel uitmaakt van deze verordening en een uiting vormt van het beginsel van het vrije verkeer van goederen onder voorwaarden van daadwerkelijke mededinging (zie in die zin arrest van 13 november 2019, Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė, C‑2/18, EU:C:2019:962, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Niettemin staat de totstandbrenging van een GMO er niet aan in de weg dat de lidstaten nationale regels toepassen die een andere doelstelling van algemeen belang nastreven dan die van de GMO, zelfs wanneer die regels gevolgen kunnen hebben voor de werking van de interne markt in de betrokken sector, op voorwaarde dat zij geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is (zie in die zin arrest van 13 november 2019, Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė, C‑2/18, EU:C:2019:962, punten 30 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 In casu verbiedt de betrokken maatregel voor landbouw- en voedingsproducten die krachtens § 2, lid 1, van wet nr. XCV van 2009 binnen de werkingssfeer daarvan vallen, dat de prijzen waartegen identieke producten aan de eindgebruiker worden verkocht, op discriminatoire wijze op basis van hun land van herkomst worden bepaald.

39 De betrokken maatregel verbiedt dat bij de detailverkoop van identieke producten uit verschillende lidstaten verschillende winstmarges worden toegepast, en heeft dus een impact op de prijsvorming van landbouw- en voedingsproducten die detailhandelaren aan consumenten verkopen. De vrijheid om de detailhandelsprijzen van deze producten te bepalen, wordt door die maatregel dan ook beperkt.

40 Zoals de Commissie in wezen betoogt, vormt die maatregel immers een inmenging in de vrijheid van detailhandelaren om hun winstmarges vast te stellen, door hen te verhinderen om identieke producten uit verschillende landen met een grotere of kleinere winstmarge te verkopen, en dus om profijt te kunnen trekken uit lagere aankoopprijzen van bepaalde landbouw- en voedingsproducten die identiek zijn aan andere of om, bij hogere aankoopprijzen, het concurrentienadeel daarvan te compenseren door kleinere winstmarges toe te passen.

41 Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het argument van Hongarije dat de betrokken maatregel geen promotieverkopen verbiedt. Zoals de Commissie in wezen heeft opgemerkt, heeft de maatregel immers tot gevolg dat detailhandelaren niet op deze manier reclame kunnen maken voor producten die zij onder de aandacht willen brengen, met name nieuwe producten. Zoals de advocaat-generaal in punt 83 van zijn conclusie heeft aangegeven, kan het voor een detailhandelaar in bepaalde omstandigheden noodzakelijk zijn om prijsstrategieën te hanteren om ervoor te zorgen dat een nieuw product op de markt op lange termijn blijft verkopen.

42 Bijgevolg moet worden geconstateerd dat de betrokken maatregel indruist tegen het beginsel van de op vrije mededinging berustende vrije bepaling van verkoopprijzen – dat, zoals uit punt 36 van dit arrest blijkt, deel uitmaakt van verordening nr. 1308/2013 – en dus inbreuk kan maken op deze verordening.

43 Hongarije betoogt in casu dat deze maatregel wordt gerechtvaardigd door de strijd tegen oneerlijke handelspraktijken, aangezien hij detailhandelaren verhindert om hun winstmarges willekeurig te bepalen en dus om bepaalde producten te bevoordelen en zich op die manier te mengen in de mededinging tussen producenten. Volgens deze lidstaat wordt dit gedrag gezien als een oneerlijke handelspraktijk die nadelig is voor de belangen van de producenten van landbouw- en voedingsproducten, die hun producten onder eerlijke concurrentievoorwaarden moeten kunnen aanbieden, wat veronderstelt dat die concurrentie niet wordt vervalst door detailhandelaren.

44 Hongarije heeft echter niet aangetoond dat de omstandigheid dat een detailhandelaar verschillende winstmarges toepast voor identieke producten van verschillende leveranciers die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, wat in het Unierecht niet verboden is, een oneerlijke handelspraktijk uitmaakt.

45 Een detailhandelaar kan immers diverse commerciële redenen hebben om verschillende winstmarges toe te passen op identieke landbouw- en voedingsproducten, zoals het promoten van nieuwe producten wegens hun herkomst of het aantrekken van nieuwe klanten met lage detailhandelsprijzen.

46 Bijgevolg kan de rechtvaardiging die Hongarije voor de betrokken maatregel geeft, niet worden aanvaard.

47 Wat om te beginnen de evenredigheidstoets van de betrokken maatregel betreft, moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het goed functioneren van de GMO, wat vereist dat een afweging plaatsvindt tussen die doelstellingen en de doelstelling die met de maatregel wordt beoogd, te weten het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken (zie in die zin arrest van 13 november 2019, Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė, C‑2/18, EU:C:2019:962, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48 Wat vervolgens de vraag betreft of de betrokken maatregel geschikt is om de beoogde doelstelling te verwezenlijken, zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak van het Hof een nationale wettelijke regeling slechts geschikt is om de verwezenlijking van het beoogde doel te waarborgen wanneer de verwezenlijking van het doel waarlijk coherent en systematisch wordt nagestreefd (zie in die zin arrest van 4 juli 2019, Commissie/Duitsland, C‑377/17, EU:C:2019:562, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, moet in casu worden geconstateerd dat de maatregel, die in de laatste fase van de leveringsketen van landbouw- en voedingsproducten – namelijk die van de verkoop aan de consument – plaatsgrijpt, de onderhandelingspositie van de producenten of de leveranciers, die de Hongaarse wetgever ziet als de zwakkere partijen bij de verkoop van hun producten aan de detailhandelaren, niet versterkt.

50 Zo belet de maatregel niet dat producenten van landbouw- en voedingsproducten prijsconcurrentie voeren via andere praktijken dan die welke de maatregel verbiedt en die oneerlijke handelspraktijken kunnen vormen, zoals met name de vaststelling van de verkoopprijs van deze producten voor de detailhandelaar op hun kostprijs of hun marginale productiekosten ongeacht de efficiëntie van de productiemethoden, die de Hongaarse wetgever nochtans trachtte te bevorderen.

51 Bovendien eist de betrokken maatregel enkel dat identieke winstmarges worden toegepast op identieke producten uit verschillende landen, en belet hij dus niet dat detailhandelaren verschillende winstmarges toepassen op identieke producten uit hetzelfde land, wat de maatregel incoherent maakt, aangezien de doelstelling ervan in laatstgenoemd geval niet kan worden bereikt.

52 Derhalve kan niet worden aangenomen dat de betrokken maatregel geschikt is om het doel van bestrijding van oneerlijke handelspraktijken coherent en systematisch te verwezenlijken.

53 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat Hongarije, door de betrokken maatregel vast te stellen en daardoor de methoden voor het bepalen van de verkoopprijzen van landbouw- en voedingsproducten te beperken, de krachtens verordening nr. 1308/2013 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Tweede grief: schending van artikel 34 VWEU

54 Gelet op het voorgaande hoeft te betrokken maatregel niet te worden getoetst aan artikel 34 VWEU.

Kosten

55 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Hongarije in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Commissie.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart:

1) Door § 3, lid 2, onder u), van de mezőgazdasági és élelmiszeripari termékek vonatkozásában a beszállítókkal szemben alkalmazott tisztességtelen forgalmazói magatartás tilalmáról szóló 2009. évi XCV. törvény (wet nr. XCV van 2009 inzake het verbod op oneerlijke handelspraktijken jegens leveranciers van landbouw- en voedingsproducten) vast te stellen en daardoor de methoden voor het bepalen van de verkoopprijzen van landbouw- en voedingsproducten te beperken, is Hongarije de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad.

2) Hongarije wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in