HvJ EU 22 juni 2004, C-42/01, ECLI:EU:C:2004:379

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak C‑42/01

Portugese Republiek

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Communautaire controle op concentraties van ondernemingen – Artikel 21, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad – Bescherming van gewettigde belangen door lidstaten – Bevoegdheid van Commissie”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Concentraties – Onderzoek door Commissie – Verplichting voor lidstaten om elk in artikel 21, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 4064/89 bedoeld openbaar belang mee te delen – Bevoegdheid van Commissie om ondanks niet-mededeling uitspraak te doen over verenigbaarheid van dit belang met gemeenschapsrecht

(Verordening nr. 4064/89 van de Raad, art. 21, lid 3, tweede en derde alinea)

2. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking vastgesteld in voor adressaat welbekende context – Toelaatbaarheid van summiere motivering

(Art. 253 EG)

1. Artikel 21, lid 3, derde alinea, van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen kan niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie zich bij gebreke van mededeling van andere belangen dan die vermeld in de tweede alinea van hetzelfde lid, die door nationale bepalingen worden beschermd, niet bij beschikking kan uitspreken over de verenigbaarheid van deze belangen met het gemeenschapsrecht.

Indien de Commissie bij gebreke van mededeling door de betrokken lidstaat alleen een beroep wegens niet-nakoming in de zin van artikel 226 EG kon instellen, zou het immers onmogelijk zijn om binnen de door verordening nr. 4064/89 voorgeschreven korte termijnen een communautaire beschikking te verkrijgen, waardoor de kans toeneemt dat een dergelijke beschikking pas wordt gegeven nadat de nationale maatregelen de concentratie van communautaire dimensie reeds definitief in gevaar hebben gebracht. Bovendien zou een dergelijke uitlegging artikel 21, lid 3, derde alinea, van deze verordening van zijn nuttig effect beroven doordat de lidstaten zich gemakkelijk aan de door deze bepaling ingestelde controles zouden kunnen onttrekken.

Hieruit volgt dat de in artikel 21, lid 3, derde alinea, van deze verordening aan de Commissie opgedragen toetsing van de andere openbare belangen dan die bedoeld in de tweede alinea van dit lid, alleen efficiënt kan zijn indien deze instelling de bevoegdheid bezit om zich bij beschikking uit te spreken over de verenigbaarheid van deze belangen met de algemene beginselen en de overige bepalingen van gemeenschapsrecht, ongeacht of deze belangen haar zijn meegedeeld of niet.

Het niet meedelen van deze belangen door de betrokken lidstaat kan de taak van de Commissie weliswaar onzekerder en ingewikkelder maken, omdat zij moeilijkheden zou kunnen ondervinden om na te gaan welke belangen door de nationale maatregelen worden beschermd, maar dit neemt niet weg dat de Commissie altijd inlichtingen kan vragen aan de betrokken lidstaat. Indien deze niettegenstaande het verzoek van de Commissie de gevraagde inlichtingen niet verstrekt, kan de Commissie een beschikking geven op basis van de gegevens waarover zij beschikt.

(cf. punten 54‑58)

2. De door artikel 253 EG vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk, dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.

Aldus kan summier worden gemotiveerd een beschikking van de Commissie betreffende een procedure op grond van artikel 21 van verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen vastgesteld in een voor de betrokken lidstaat welbekende context, namelijk in het kader van een beroep wegens niet-nakoming tegen deze lidstaat, waarin deze lidstaat de Commissie niet de minste aanwijzing heeft verstrekt over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de openbare belangen waarvan bescherming wordt beoogd door de maatregelen die het voorwerp van deze beschikking vormen.

(cf. punten 66, 69‑70)

ARREST VAN HET HOF (voltallige zitting ) 22 juni 2004(1)

„Communautaire controle op concentraties van ondernemingen – Artikel 21, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad – Bescherming door lidstaten van gewettigde belangen – Bevoegdheid Commissie”

verzoekster,

tegen

verweerster,

HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting ),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 22 januari 2004,

het navolgende

HET HOF VAN JUSTITIE (voltallige zitting),

Skouris Jann Timmermans

Rosas Gulmann Puissochet

Cunha Rodrigues La Pergola Schintgen

Colneric von Bahr

De griffier De president

R. Grass V. Skouris

1 – Procestaal: Portugees.

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in