HvJ EU 29 april 2004, C-199/01, ECLI:EU:C:2004:249

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Gevoegde zaken C‑199/01 P en C‑200/01 P

IPK-München GmbH

en

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Hogere voorzieningen – Beschikking van Commissie houdende weigering van uitbetaling van saldo van financiële bijstand”

Samenvatting van het arrest

1. Hogere voorziening – Ontvankelijkheid – Partij die voor Gerecht niet in ongelijk is gesteld

(Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 49)

2. Hogere voorziening – Middelen – Loutere herhaling van voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten – Niet-ontvankelijkheid – Betwisting van wijze waarop Gerecht gemeenschapsrecht heeft uitgelegd of toegepast – Ontvankelijkheid

(Art. 225 EG; Statuut van het Hof van Justitie, art. 58, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)

3. Hogere voorziening – Middelen – Middel voor het eerst aangevoerd in hogere voorziening – Niet-ontvankelijkheid

(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 2, en 118)

1. Voor een partij die voor het Gerecht gedeeltelijk noch geheel in het ongelijk is gesteld, staat geen hogere voorziening tegen het bestreden arrest open in de zin van artikel 49, tweede alinea, van het Statuut-EG van het Hof van Justitie.

(cf. punt 42)

2. Uit artikel 225 EG, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven, tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen. Aan de motiveringseisen van deze bepalingen is niet voldaan wanneer het verzoekschrift in hogere voorziening slechts een herhaling of een letterlijke weergave van de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten bevat, waaronder die welke waren gebaseerd op feiten die het Gerecht uitdrukkelijk heeft verworpen.

Wanneer de rekwirant echter de uitlegging of de toepassing van het gemeenschapsrecht door het Gerecht betwist, kunnen de in eerste aanleg onderzochte rechtspunten in hogere voorziening opnieuw worden behandeld. De procedure van hogere voorziening zou immers ten dele aan betekenis verliezen, indien de rekwirant op die manier zijn hogere voorziening niet kon baseren op middelen en argumenten die reeds zijn aangevoerd voor het Gerecht.

Een hogere voorziening die is gericht tegen de beoordeling door het Gerecht van verschillende in eerste aanleg voorgelegde rechtspunten en precies aangeeft welke aspecten van het bestreden arrest worden gekritiseerd, alsook de middelen en argumenten waarop zij berust, is dus ontvankelijk.

(cf. punten 48‑51)

3. Op grond van artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is artikel 42, lid 2, van dit reglement, dat het aanvoeren van nieuwe middelen in de loop van het geding in beginsel verbiedt, ook van toepassing op de procedure voor het Hof in hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht. In hogere voorziening is het Hof dus alleen bevoegd, de beslissing van het Gerecht te onderzoeken met betrekking tot de middelen die voor het Gerecht zijn bepleit.

(cf. punt 52)

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 29 april 2004(1)

„Hogere voorzieningen – Beschikking van Commissie houdende weigering van uitbetaling van saldo van financiële bijstand”

rekwiranten,

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 juli 2003,

het navolgende

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

Skouris Cunha Rodrigues Puissochet

Schintgen Macken

De griffier De president

R. Grass V. Skouris

1 – Procestaal: Duits.