Art. 8.9.22 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

1. De officier van justitie kan de ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel bevolen maatregelen beëindigen:

a. indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de beschermde persoon niet meer op het grondgebied van Nederland woont of verblijft of dat hij het grondgebied definitief heeft verlaten;

b. indien van ten aanzien van de door de officier van justitie ter uitvoering van het Europees beschermingsbevel bevolen maatregelen de maximale termijn, bedoeld in artikel 8.9.17, derde lid, is verstreken;

c. indien artikel 8.9.21, tweede lid, van toepassing is.

d. indien, na de erkenning van het Europees beschermingsbevel, een vonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ of een beslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ aan Nederland als de uitvoerende lidstaat is overgedragen.

2. Voordat de officier van justitie besluit tot beëindiging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan hij bij de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat inlichtingen inwinnen omtrent de vraag of de bij het Europees beschermingsbevel geboden bescherming in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijft.

3. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit en indien mogelijk de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt, onmiddellijk in kennis van de beslissing tot beëindiging, bedoeld in het eerste lid.

Verwijst naar

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen