Art. 2.1.3 Wetboek van Strafvordering

Wetboek van Strafvordering

Een bevoegdheid wordt alleen uitgeoefend indien:

a. het daarmee beoogde doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt en

b. de uitoefening daarvan in een redelijke verhouding staat tot het daarmee beoogde doel.

Toelichting

Vorige artikelen

Volgende artikelen