Art. 42 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, Afwijkingen
Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
1. Het comité voor douanesamenwerking, hierna in dit artikel „het comité” genoemd, kan besluiten dat van dit protocol mag worden afgeweken wanneer de ontwikkeling van bestaande industrieën of de oprichting van nieuwe industrieën in de OZA-staten dit rechtvaardigt. Voordat of wanneer de betrokken OZA-staat of -staten de aangelegenheid aan het comité voorlegt (voorleggen), stelt hij (stellen zij) de Gemeenschap overeenkomstig lid 2 van zijn (hun) verzoek om een afwijking in kennis, onder vermelding van de redenen voor dit verzoek. De Gemeenschap willigt alle verzoeken van OZA-staten in die overeenkomstig dit artikel naar behoren gemotiveerd zijn, tenzij hierdoor ernstige schade kan ontstaan voor een gevestigde industrie in de Gemeenschap.
2. Om het onderzoek van verzoeken om een afwijking door het comité te vergemakkelijken, verstrekken OZA-staten die een verzoek doen, ter staving van hun verzoek op het in bijlage VII bij dit protocol opgenomen formulier zo volledig mogelijke gegevens over met name de volgende punten: Dezelfde regels zijn van toepassing op verzoeken om een verlenging. Het formulier kan door het comité worden gewijzigd.
– omschrijving van het eindproduct,
– aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit een derde land,
– aard en hoeveelheid van de materialen die van oorsprong zijn uit de OZA-staten of uit de in de artikelen 3 en 4 bedoelde landen en gebieden, dan wel van de materialen die daar een verwerking hebben ondergaan,
– fabricageprocedés,
– toegevoegde waarde,
– aantal werknemers in de betrokken onderneming,
– verwachte omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap,
– andere bronnen waaruit grondstoffen kunnen worden betrokken,
– verantwoording van de duur van de gevraagde afwijking, in het licht van de inspanningen om andere bronnen voor de grondstoffen te vinden,
– andere opmerkingen.
3. Bij het onderzoek van verzoeken wordt in het bijzonder rekening gehouden met:
a. het ontwikkelingsniveau of de geografische ligging van de betrokken OZA-staat of -staten;
b. gevallen waarin toepassing van de bestaande oorsprongsregels van aanzienlijke invloed zou zijn op het vermogen van een bestaande industrie in een OZA-staat om haar uitvoer naar de Gemeenschap voort te zetten, met name wanneer dit kan leiden tot stopzetting van haar activiteiten;
c. bijzondere gevallen waarin duidelijk kan worden aangetoond dat toepassing van de oorsprongsregels kan leiden tot ontmoediging van belangrijke investeringen in een industrie en waarin, door het toestaan van een afwijking, een investeringsprogramma kan worden uitgevoerd dat het mogelijk zou maken op den duur aan deze regels te voldoen.
4. In alle gevallen wordt onderzocht of de regels inzake cumulatie van oorsprong een oplossing voor het probleem bieden.
5. Wanneer het verzoek om een afwijking een van de minst ontwikkelde OZA-staten of een insulaire OZA-staat betreft, wordt het in een geest van welwillendheid onderzocht, waarbij met name rekening wordt gehouden met:
a. de economische en sociale gevolgen van het te nemen besluit, met name voor de werkgelegenheid;
b. de noodzaak de afwijking gedurende een bepaalde periode toe te passen, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie van de betrokken OZA-staat en de moeilijkheden waarmee deze te kampen heeft.
6. Elk verzoek wordt afzonderlijk onderzocht, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de mogelijkheid de oorsprongsstatus te verlenen aan producten waarin materialen zijn verwerkt die van oorsprong zijn uit naburige ontwikkelingslanden, de minst ontwikkelde landen of ontwikkelingslanden waarmee een of meer OZA-staten bijzondere banden hebben, mits met deze landen een bevredigende administratieve samenwerking tot stand kan worden gebracht.
7. Onverminderd de leden 1 tot en met 6 wordt de afwijking toegestaan wanneer de waarde die aan de in de betrokken OZA-staat gebruikte, niet van oorsprong zijnde producten wordt toegevoegd, ten minste 45% van de waarde van het eindproduct bedraagt, mits door deze afwijking geen ernstige schade ontstaat voor een economische sector van de Gemeenschap of van een of meer lidstaten.
8. Onverminderd en in aanvulling op de leden 1 tot en met 7 worden afwijkingen betreffende ingeblikte tonijn en tonijnzijden toegestaan binnen een contingent van 8 000 ton per jaar voor ingeblikte tonijn en van 2 000 ton per jaar voor tonijnzijden. Verzoeken om een dergelijke afwijking moeten door de OZA-staten in overeenstemming met bovengenoemd contingent worden ingediend bij het comité, dat de afwijking automatisch verleent en door middel van een besluit in werking doet treden.
9. Het comité ziet erop toe dat zo spoedig mogelijk, en in elk geval binnen 75 werkdagen na ontvangst van het verzoek door de EG-medevoorzitter van het comité, een besluit wordt genomen. Indien de Gemeenschap een OZA-staat niet binnen deze termijn van zijn standpunt inzake het verzoek in kennis stelt, wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.
10.
a. Afwijkingen gelden voor een door het comité vast te stellen periode, die in het algemeen vijf jaar bedraagt.
b. Het besluit tot afwijking kan voorzien in verlengingen zonder dat het comité hiervoor een nieuw besluit behoeft te nemen, op voorwaarde dat de betrokken OZA-staat of -staten drie maanden vóór het einde van elke periode aantoont (aantonen) dat nog niet kan worden voldaan aan de voorwaarden van dit protocol waarop de afwijking betrekking heeft. Indien tegen de verlenging bezwaar wordt gemaakt, stelt het comité zo spoedig mogelijk een onderzoek hiernaar in en besluit het of de afwijking kan worden verlengd. Het comité volgt hierbij de procedure van lid 9. Alles wordt in het werk gesteld om onderbrekingen in de toepassing van de afwijking te voorkomen.
c. Tijdens de onder a) en b) bedoelde periodes kan het comité de voorwaarden voor de toepassing van de afwijking opnieuw onderzoeken indien zich een belangrijke wijziging blijkt te hebben voorgedaan in de essentiële feiten die ertoe hebben geleid de afwijking goed te keuren. Naar aanleiding van dit nieuwe onderzoek kan het comité zijn besluit wijzigen wat het toepassingsgebied van de afwijking of een andere eerder vastgestelde voorwaarde betreft.
Verwijst naar
- Artikel 4 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 3 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
Artikelen die hiernaar verwijzen
Vorige artikelen
- Artikel 37 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 38 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 39 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 40 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 41 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
Volgende artikelen
- Artikel 43 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 44 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 45 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 46 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
- Artikel 1 Tussentijdse Overeenkomst tot vaststelling van een kader voor een Economische Partnerschapsovereenkomst tussen staten in oostelijk en zuidelijk Afrika, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds