Art. 37 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, Godsdienst, studie en lichaamsoefeningen
Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
Wanneer krijgsgevangenen niet beschikken over de bijstand van een aangehouden geestelijke der strijdkrachten of van een krijgsgevangen bedienaar van hun eredienst, zal, op verzoek van de belanghebbende krijgsgevangenen, een geestelijke die hun eigen dan wel een aanverwant geloof belijdt, of, bij gebreke daarvan, een daartoe bekwame leek, indien zulks uit confessioneel oogpunt mogelijk is, worden aangewezen om deze taak te vervullen. Deze aanwijzing, welke onderworpen is aan de goedkeuring van de gevangenhoudende Mogendheid, zal geschieden met instemming van de gemeenschap der betrokken krijgsgevangenen en, waar nodig, met goedkeuring van de plaatselijke geestelijke overheid van dezelfde geloofsbelijdenis. De aldus aangewezene moet zich gedragen naar alle voorschriften, door de gevangenhoudende Mogendheid vastgesteld in het belang van de orde en tucht en de militaire veiligheid.
Vorige artikelen
- Artikel 32 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 33 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 34 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 35 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 36 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
Volgende artikelen
- Artikel 38 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 39 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 40 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 41 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 42 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen