Art. 100 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, Rechtsvervolging
Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
De krijgsgevangenen en de beschermende Mogendheden zullen zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gebracht van de feiten waarop bij de wetten van de gevangenhoudende Mogendheid de doodstraf is gesteld.
Daarna mag op andere feiten de doodstraf niet worden gesteld zonder de goedkeuring van de Mogendheid tot welke de krijgsgevangenen behoren.
De doodstraf mag niet worden uitgesproken tegen een krijgsgevangene, tenzij, in overeenstemming met artikel 87, tweede lid, de aandacht van het gerecht in het bijzonder is gevestigd op het feit, dat de verdachte, geen onderdaan zijnde van de gevangenhoudende Mogendheid, niet door enige plicht van trouw jegens haar is gebonden en dat hij zich in haar macht bevindt door omstandigheden onafhankelijk van zijn eigen wil.
Vorige artikelen
- Artikel 95 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 96 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 97 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 98 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 99 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
Volgende artikelen
- Artikel 101 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 102 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 103 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 104 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen
- Artikel 105 Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen