Art. 83 PCT, Recht op te treden voor internationale instanties
Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (PCT)
83.1. Bewijs van het recht Het Internationale Bureau, de bevoegde Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en de bevoegde Instanties voor de Internationale Voorlopige Beoordeling kunnen overlegging verlangen van het bewijs van het recht op te treden als bedoeld in artikel 49.
83.1bis. Wanneer het Internationale Bureau het ontvangende bureau is
a. Een persoon die het recht heeft op te treden voor het nationale bureau van, of dat optreedt voor, een Verdragsluitende Staat waarvan de aanvrager, of indien er meer aanvragers zijn, een van de aanvragers inwoner of onderdaan is, is bevoegd met betrekking tot de internationale aanvrage op te treden voor het Internationale Bureau in de hoedanigheid van ontvangend bureau ingevolge Regel 19.1 a iii.
b. Een persoon die het recht heeft op te treden voor het Internationale Bureau in de hoedanigheid van ontvangend bureau met betrekking tot een internationale aanvrage, is bevoegd met betrekking tot die aanvrage op te treden voor het Internationale Bureau in iedere andere hoedanigheid en voor de bevoegde Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek en de bevoegde Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling.
83.2. Mededeling
a) Het nationale bureau of de intergouvernementele organisatie, waarvoor de betrokken persoon beweert een recht tot optreden te hebben deelt, op verzoek, aan het Internationale Bureau, de bevoegde Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of de bevoegde Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling mede of deze persoon het recht heeft voor hem of haar op te treden.
b) Deze mededeling is bindend voor, al naar het geval, het Internationale Bureau, de Instantie voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek of de Instantie voor de Internationale Voorlopige Beoordeling.