Art. 44 COTIF, Personen die de vervoerder in rechte kunnen aanspreken
Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF)
§ 1. Behoudens de §§ 3 en 4, zijn tot het instellen van de op de vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen gerechtigd:
a. de afzender tot het tijdstip waarop de geadresseerde
1. de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen,
2. de goederen heeft aangenomen of
3. de hem krachtens artikel 17, § 3 of artikel 18, § 3 toekomende rechten heeft doen gelden;
b. de geadresseerde vanaf het tijdstip waarop hij
1. de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen,
2. de goederen heeft aangenomen of
3. de hem krachtens artikel 17, § 3 of artikel 18, § 3 toekomende rechten heeft doen gelden.
§ 2. Het recht van de geadresseerde om een rechtsvordering in te stellen, vervalt zodra de door hem overeenkomstig artikel 18, § 5 aangewezen persoon de vrachtbrief in ontvangst heeft genomen, de goederen heeft aangenomen of de hem krachtens artikel 17, § 3 toekomende rechten heeft doen gelden.
§ 3. De rechtsvordering tot terugbetaling van een bedrag dat op grond van de vervoerovereenkomst betaald is, komt slechts toe aan degene die de betaling heeft gedaan.
§ 4. De rechtsvordering met betrekking tot rembours komt slechts toe aan de afzender.
§ 5. Om rechtsvorderingen in te stellen moet de afzender de duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet hij een machtiging van de geadresseerde overleggen of bewijzen dat deze laatste de goederen heeft geweigerd. Indien nodig moet de afzender het bewijs leveren van het ontbreken of het verlies van de vrachtbrief.
§ 6. Om rechtsvorderingen in te stellen moet de geadresseerde de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.