Art. 30 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel, Rechtszittingen
Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
In overeenstemming met Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name artikel 6, neemt elke Partij de wetgevende en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om in de gerechtelijke procedure het volgende te waarborgen:
a de bescherming van het privé-leven van het slachtoffer en, wanneer passend, zijn/haar identiteit;
b. de veiligheid van het slachtoffer en bescherming tegen intimidatie, in overeenstemming met de voorwaarden voorzien in haar nationale recht en daarbij, in het geval van kinderen die het slachtoffer zijn, in het bijzonder rekening te houden met de behoeften van kinderen en hun recht op bijzondere beschermingsmaatregelen te waarborgen.
Verwijst naar
Vorige artikelen
- Artikel 25 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 26 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 27 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 28 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 29 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
Volgende artikelen
- Artikel 31 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 32 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 33 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 34 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
- Artikel 35 Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel