Art. 123 EOV, Veiligstellen van bewijs
Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag) (EOV)
1. Het Europees Octrooibureau kan op verzoek onverwijld het verkrijgen van bewijs ten uitvoer leggen met het oog op het veiligstellen van het bewijs van feiten die van belang kunnen zijn bij een beslissing die het Europees Octrooibureau waarschijnlijk zal moeten nemen ten aanzien van een Europese octrooiaanvrage of een Europees octrooi, wanneer te vrezen valt dat het verkrijgen van bewijs later moeilijker of zelfs onmogelijk wordt. De datum van het verkrijgen van bewijs dient tijdig te worden medegedeeld aan de aanvrager of aan de houder van het octrooi om hen in staat te stellen daarbij aanwezig te zijn. Het Europees Octrooibureau kan alle ter zake dienende vragen stellen.
2. Het verzoek dient te bevatten:
a. de gegevens van de verzoeker overeenkomstig regel 41, tweede lid, onderdeel c;
b. een toereikende aanduiding van de desbetreffende Europese octrooiaanvrage of het desbetreffende Europees octrooi;
c. een omschrijving van de te bewijzen feiten;
d. de aanduiding van de bewijsmiddelen;
e. een uiteenzetting van de redenen die rechtvaardigen dat verwacht mag worden dat het verkrijgen van bewijs later moeilijker of zelfs onmogelijk zal kunnen worden.
3. De beslissing op het verzoek wordt genomen en het daaropvolgende verkrijgen van bewijs wordt ten uitvoer gelegd door het orgaan van het Europees Octrooibureau, die de beslissing zal moeten nemen waarvoor de te bewijzen feiten van belang zouden kunnen zijn. De bepalingen die betrekking hebben op het verkrijgen van bewijs in procedures voor het Europees Octrooibureau zijn van toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2363
- HR 6 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7412
- Hof Den Haag 27 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2052
- Conclusie A-G van Peursem 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2200
- Conclusie A-G van Peursem 24 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1282
- Conclusie A-G van Peursem 30 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:939
- Hof Den Haag 3 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3099
- Rb. Den Haag 23 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:9417
- Conclusie A-G van Peursem 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:269
- HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:293
- Conclusie A-G van Peursem 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:77
- Conclusie A-G van Peursem 8 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1123
- Hof Den Haag 8 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1105
- Hof 's-Gravenhage 3 juli 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9364
- Rb. Den Haag 30 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17665
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 12 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:422
- Hof Den Haag 18 oktober 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2079
- Hof Den Haag 20 september 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1802
- Hof Den Haag 16 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2057
- Hof Den Haag 17 januari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:148