Art. XXIV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap

Geen enkele Lid-Staat is verplicht de in de artikelen XIV, XV, XVI, letters b, e en g, en XVII, letter c, bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan zijn eigen onderdanen of aan personen die op het tijdstip waarop zij hun werkzaamheden in die Lid-Staat aanvangen er ingezetene van zijn.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen