Art. XXIV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
Geen enkele Lid-Staat is verplicht de in de artikelen XIV, XV, XVI, letters b, e en g, en XVII, letter c, bedoelde voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan zijn eigen onderdanen of aan personen die op het tijdstip waarop zij hun werkzaamheden in die Lid-Staat aanvangen er ingezetene van zijn.
Artikelen die hiernaar verwijzen
Vorige artikelen
- Artikel XIX Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XX Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXI Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXII Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXIII Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
Volgende artikelen
- Artikel XXV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXVI Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXVII Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXVIII Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel I Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap