Art. I Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, Oprichting van het Agentschap
Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
1. Bij de uitvoering van het in artikel VII van het Verdrag bedoelde industriële beleid, handelt de Directeur-Generaal in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage en de richtlijnen van de Raad.
2. De Raad beziet steeds het potentieel en de structuur van de industrie in verhouding tot de werkzaamheden van het Agentschap, en wel in het bijzonder:
(a) de algemene structuur van de industrie en de industriële groeperingen,
(b) de gewenste mate van specialisatie in de industrie en de methoden om deze te bereiken,
(c) de coördinatie van het desbetreffende industriële beleid van de afzonderlijke Staten,
(d) de wisselwerking met het desbetreffende industriële beleid van andere internationale instellingen,
(e) de verhouding tussen industriële productie capaciteit en potentiële markten,
(f) de organisatie van gesprekken met de industrie,
ten einde in staat te zijn het industriële beleid van het Agentschap te volgen en zo nodig aan te passen.
Vorige artikelen
- Artikel XXIV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXVI Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXVII Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel XXVIII Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
Volgende artikelen
- Artikel II Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel III Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel IV Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel V Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap
- Artikel VI Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap