Art. 2 MARPOL, Verificatieprocedure deel 1
Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij (MARPOL)
2.1. De bevoegde autoriteit levert het monster geleverd uit hoofde van MARPOL af bij het laboratorium.
2.2. Het laboratorium:
1. legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
2. legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
3. wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
2.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
1. verwijdert het zegel van het monster;
2. stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
3. neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
4. verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
2.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 1 van deze verificatieprocedure worden de uitkomsten van de analyse aangeduid als „1A” en „1B”:
1. resultaten 1A en 1B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode; en
2. indien de resultaten van 1A en 1B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt; of
3. blijven de resultaten van 1A en 1B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode, dan worden beide resultaten afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen;
4. in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 1A en 1B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 2.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
2.5. Indien de testresultaten van 1A en 1B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. De gemiddelde waarde wordt aangeduid als „X” en wordt vastgelegd in het testdossier:
1. indien het resultaat X gelijk is aan of lager dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
2. indien het resultaat „X” hoger is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, voldoet de brandstofolie niet aan het vereiste.
Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode
Toepasselijke grenswaarde % m/m: V
Resultaat 2.5.1: X ≤ V
Resultaat 2.5.2: X > V
0,10
Voldoet aan het vereiste
Voldoet niet aan het vereiste
0,50
Resultaat X wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven
2.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
2.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1862
- Hof Den Haag 27 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3143
- Rb. Rotterdam 1 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8287
- Rb. Rotterdam 1 november 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8280
- Conclusie A-G Keulen 31 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1171
- Hof Den Haag 27 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3145
- Hof Den Haag 27 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3144