Art. 5 WTO, Goede diensten, conciliatie en bemiddeling

Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)

De onderlinge verbanden tussen de verschillende aspecten van het economisch beleid vergen dat de internationale instellingen die verantwoordelijkheden op deze terreinen hebben, een samenhangend en wederzijds ondersteunend beleid voeren. De Wereldhandelsorganisatie dient derhalve te streven naar samenwerking met internationale organisaties die zijn belast met monetaire en financiële aangelegenheden, en deze tot ontwikkeling te brengen, waarbij het mandaat, de vereisten inzake vertrouwelijkheid en de noodzakelijke autonomie in besluitvormingsprocedures van elke instelling worden geëerbiedigd en het opleggen van eencross-conditionality -beding of extra voorwaarden aan regeringen wordt vermeden. De ministers verzoeken de Directeur-Generaal van de WTO te zamen met de Directeur van het Internationale Monetaire Fonds en de President van de Wereldbank te bezien wat de gevolgen zijn van de taken van de WTO voor de samenwerking met de Bretton Woods-instellingen en in welke vorm deze samenwerking zou kunnen geschieden, teneinde te komen tot een grotere samenhang in het mondiale economische beleid.cross-conditionality -beding of extra voorwaarden aan regeringen wordt vermeden. De ministers verzoeken de Directeur-Generaal van de WTO te zamen met de Directeur van het Internationale Monetaire Fonds en de President van de Wereldbank te bezien wat de gevolgen zijn van de taken van de WTO voor de samenwerking met de Bretton Woods-instellingen en in welke vorm deze samenwerking zou kunnen geschieden, teneinde te komen tot een grotere samenhang in het mondiale economische beleid.

Uitspraken die dit artikel aanhalen