Art. 13 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië, Verderlevering aan een derde staat
Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
1. Wanneer een persoon door de aangezochte Staat is overgeleverd aan de verzoekende Staat, levert laatstgenoemde Staat die persoon niet verder aan een derde Staat voor een strafbaar feit begaan vóór zijn overlevering, tenzij:
(a) de aangezochte Staat met deze uitlevering instemt; of
(b) de persoon de gelegenheid had de verzoekende Staat te verlaten en zulks niet heeft gedaan binnen vijfenveertig dagen na zijn invrijheidstelling ter zake van het strafbare feit waarvoor die persoon was overgeleverd door de aangezochte Staat of is teruggekeerd naar het grondgebied van de verzoekende Staat nadat hij dit had verlaten.
2. Alvorens in te stemmen met een verzoek ingevolge het eerste lid, letter (a), van dit artikel kan de aangezochte Staat verzoeken om overlegging van de in artikel 5 vermelde stukken.
Vorige artikelen
- Artikel 8 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 9 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 10 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 11 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 12 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
Volgende artikelen
- Artikel 14 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 15 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 16 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 17 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië
- Artikel 18 Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië