Art. 24 Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, Rogatoire commissies

Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Dit artikel stelt de rogatoire commissie uitgaande van de rechterlijke autoriteiten van een van de Partijen, voor wat betreft hun uitvoering, gelijk met die uitgaande van een nationale rechter.

Deze gelijkstelling brengt mede dat wordt afgeweken van artikel 11 van de Belgische wet van 25 maart 1874 aangaande uitlevering in die zin dat de voorafgaande toestemming van de Raadkamer niet vereist is om over te gaan tot inbeslagneming of huiszoeking.

De rogatoire commissies, welke strekken tot een inbeslagneming of een huiszoeking, zullen echter slechts worden uitgevoerd indien zij betrekking hebben op feiten, welke op grond van het onderhavige verdrag op zichzelf tot uitlevering aanleiding kunnen geven. In beslag genomen voorwerpen kunnen slechts met toestemming van de bevoegde rechter van het aangezochte land aan het aanvragende land worden overgedragen. Het tweede lid van artikel 20 is terzake toepasselijk.

Aan de aanvragende Staat overgedragen voorwerpen zullen op grond van artikel 29 moeten worden teruggezonden, tenzij de aangezochte Staat daarvan afstand doet.

Artikelen die hiernaar verwijzen

Vorige artikelen

Volgende artikelen