Art. 4 Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017, Voorbehouden aan de Minister

Mandaatbesluit Algemene Zaken 2017

1. Mandaat in de zin van dit besluit heeft voorts geen betrekking op het afdoen en ondertekenen van stukken bestemd voor:

a. de Koning;

b. de Raad van Ministers (van het Koninkrijk) en de daaruit gevormde onderraden en commissies;

c. de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal of de voorzitter van een uit een van die kamers gevormde commissie;

d. een Minister of een Staatssecretaris;

e. de Raad van State (van het Koninkrijk), behoudens voor zover het betreft bestuursrechtelijke procedures of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;

f. de Algemene Rekenkamer, behoudens voor zover het betreft gevraagde inlichtingen of gedane verzoeken of het aanbieden van documenten van louter informatieve aard;

g. de Nationale ombudsman;

h. autoriteiten in binnen- en buitenland, in rang gelijk aan of hoger dan de Minister.

2. De secretaris-generaal kan de stukken bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen de Minister en de secretaris-generaal. In dat geval ondertekent de secretaris-generaal de stukken op de in artikel 15, vierde lid, voorgeschreven wijze.