Art. 25 Wkkgz, Toezicht en handhaving
Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)
1. De in artikel 24 bedoelde ambtenaren onderzoeken meldingen van aanbieders en zorgverleners als bedoeld in artikel 11 en andere meldingen, teneinde vast te stellen of sprake is van een situatie die voor de veiligheid van cliënten of de zorg een ernstige bedreiging kan betekenen, of met het oog op het belang van een goede zorg anderszins noodzaakt tot nader onderzoek.
2. De zorgaanbieder en de zorgverleners verstrekken bij en naar aanleiding van een andere melding aan de in artikel 24 bedoelde ambtenaren de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, die voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
a. de wijze waarop een melding wordt gedaan en de gegevens, die de melding ten minste bevat;
b. de wijze waarop een melding wordt onderzocht, en de termijnen waarbinnen aan de melder en andere betrokkenen schriftelijk wordt medegedeeld dat de melding nader wordt onderzocht dan wel niet nader wordt onderzocht dan wel wat de uitkomst van het onderzoek is;
c. de wijze waarop de inspectie de zorgaanbieder op zijn verzoek informeert of is vastgesteld dat er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid;
d. de gevallen waarin nader onderzoek van een melding achterwege blijft;
e. de wijze waarop het onderzoek, buiten de gevallen, bedoeld onder d, wordt afgesloten en daarover informatie wordt verstrekt aan de melder en andere betrokkenen.
4. Voor zover bij het onderzoeken van een melding gegevens van een cliënt ter beschikking van de inspectie zijn gekomen, ter zake waarvan de betrokken zorgverlener uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de ambtenaren van de inspectie jegens anderen dan de cliënt.
5. Indien de inspectie vaststelt dat sprake is van een van de in het eerste lid bedoelde situaties, neemt hij passende maatregelen, het in kennis stellen van justitiële autoriteiten daaronder begrepen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2170
- ABRvS 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2753
- HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:202
- ABRvS 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2718
- Rb. Overijssel 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:2854
- Rb. Amsterdam 21 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:347
- ABRvS 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1171
- Rb. Overijssel 8 april 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1479
- Rb. Oost-Brabant 17 april 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2634
- Rb. Limburg 11 februari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1054
- Rb. Gelderland 11 november 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:7772
- Rb. Gelderland 1 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6519
- Rb. Den Haag 25 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6149
- Rb. Den Haag 14 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3366
- Rb. Den Haag 18 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6182
- Hof 's-Hertogenbosch 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2693