Art. 7 Aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren, Functionele contacten met de Staten-Generaal en individuele kamerleden

Aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren

1. Op een verzoek van een kamerlid om schriftelijke of mondelinge contacten met een ambtenaar wordt slechts ingegaan, indien het verzoek het ver-strekken van openbare informatie betreft.

2. Indien het in het eerste lid bedoelde verzoek een ander doel heeft, wordt de minister onmiddellijk geïnformeerd. Aanwijzing 3, tweede en derde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing.

3. Ambtenaren zelf nemen slechts op aanwijzing van de betrokken minister contact op met een kamerlid.

Eerste lid: Het aan kamerleden verstrekken van openbare, feitelijke informatie door ambtenaren is niet bezwaarlijk; het is in het belang van een goede en democratische bestuursvoering zelfs gewenst dat kamerleden toegang hebben tot de door hen gewenste openbare, feitelijke informatie. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal het overigens veelal raadzaam zijn om de minister over het desbetreffende contact in te lichten, bij voorbeeld omdat het een signaal is van een voor de minister relevante politieke ontwikkeling. Met een verzoek van een kamerlid wordt in deze aanwijzingen overigens ook gedoeld op een namens een kamerlid gedaan verzoek, bij voorbeeld gedaan door een fractiemedewerker of de persoonlijk medewerker van het kamerlid. Tweede lid: Indien het betrokken kamerlid (of zijn medewerker of een fractiemedewerker) contact zoekt om met de ambtenaar te spreken over beleidsmatige aangelegenheden, dient primair de minister over het toestaan van het gevraagde contact te beslissen. De minister wordt in deze gevallen dan ook onmiddellijk geïnformeerd.

Derde lid: Het initiatief voor het contact met kamerleden dient - behoudens aanwijzing van de minister - niet bij ambtenaren te liggen.