Art. 11 Aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren, Functionele contacten met derden

Aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren

1. In de contacten die de ambtenaar in het kader van zijn functievervulling heeft met derden, geeft hij zich rekenschap dat hij als zodanig optreedt namens of ten behoeve van de minister.

2. Voor de ambtenaar gelden de in het algemeen voor werknemers geldende eisen die met het oog op het goed functioneren van een werkverband aan de leden van dat verband moeten worden gesteld ten opzichte van het door dat verband gevoerde beleid.

Eerste lid: Ambtenaren zijn bij de uitoefening van hun functie altijd werkzaam voor de betrokken minister. Zij vertegenwoordigen de minister in contacten met derden; zij handelen of spreken als zodanig niet voor zichzelf. De ambtenaar dient zich van zijn positie als zodanig bewust te zijn. Tweede lid: Van een ambtenaar kan worden verlangd dat hij zich in contacten met derden net zo opstelt met betrekking tot zijn eigen ministerie of dienstonderdeel als in het algemeen mag worden verwacht van een werknemer ten aanzien van zijn werkverband (vgl. ook het begrip ’goed ambtenaar’ in bij voorbeeld artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement).