Art. 8 Regeling DNA-onderzoek in strafzaken
Regeling DNA-onderzoek in strafzaken
1. De opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 2, zevende lid, en 3, tweede en derde lid, van het besluit, dient:
a. met goed gevolg de door de Politieacademie verzorgde opleiding ‘Afname celmateriaal van personen ten behoeve van DNA-onderzoek’ te hebben afgelegd, en
b. niet betrokken te zijn bij het opsporingsonderzoek in het kader waarvan het celmateriaal wordt afgenomen.
2. De door de directeur van de inrichting of instelling aangewezen persoon als bedoeld in artikel 3, derde lid, van het besluit, dient met goed gevolg de door het Opleidingsinstituut DJI verzorgde en door de Stichting CEDEO erkende opleiding ‘DNA-afname bij veroordeelden’ te hebben afgelegd.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zwolle-Lelystad 26 maart 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2301
- Rb. Zwolle-Lelystad 26 maart 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2298
- Rb. Rotterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2096
- Rb. Rotterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2095
- Rb. Rotterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:2094
- Rb. Haarlem 22 maart 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1409
- Conclusie A-G Vegter 1 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1008
- Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1161