Art. 8.26 Belastingwet BES, Vergrijp aangiftebelastingen
1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100% van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.
2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.
3. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.
4. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
5. Artikel 8.25, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 8.12, tweede lid, en derde lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 26 maart 2020, ECLI:NL:OGEABES:2020:15
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 10 januari 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:59
- Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11 juli 2018, ECLI:NL:OGEABES:2018:16