Art. 17 Wgbz, De griffierechten in zaken die bij dagvaarding of met een verzoekschrift worden ingeleid en in vorderingszaken en verzoekzaken bij de Hoge Raad
Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)
1. In elk faillissement betaalt de curator uit de baten van de boedel bij het deponeren van de eerste uitdelingslijst of zodra de uitspraak tot homologatie van een akkoord in kracht van gewijsde is gegaan, een griffierecht van € 820.
2. Onder het griffierecht, bedoeld in het eerste lid, is niet begrepen het griffierecht dat ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt geheven voor verificatiegeschillen. Partijen zijn dit griffierecht verschuldigd vanaf hun verschijning op de bepaalde zitting en zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel ter griffie is gestort.
3. Van de niet-geverifieerde schuldeiser die ingevolge artikel 349aa van de Faillissementswet verzet doet tegen de uitdelingslijst, wordt overeenkomstig artikel 3, tweede lid, griffierecht geheven, met dien verstande dat indien tevens door wel geverifieerde schuldeisers verzet wordt gedaan tegen de uitdelingslijst, geen griffierecht wordt geheven.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zeeland-West-Brabant 16 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:7347
- HR 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1353
- Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juni 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:3630
- Rb. Limburg 4 februari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:968
- Conclusie A-G de Bock 18 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:625
- Rb. Rotterdam 2 januari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BY8578
- Rb. Limburg 7 december 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9311
- Rb. Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3941
- Conclusie A-G de Bock 25 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:977