Art. 5 Leerplichtwet BES
1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de in dat lid, onderdeel b, bedoelde verplichting:
a. zolang de jongere wegens ziekte verhinderd is de lessen bij te wonen, indien daarvan op de eerste dag van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte;
b. zolang van de jongere wegens onvoorzienbare bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de lessen bijwoont, indien daarvan, met opgave van de aard van de omstandigheden, op de eerste dag van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven;
c. zolang van de jongere wegens bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de lessen bijwoont, indien het hoofd vóór de eerste dag van verhindering toestemming heeft gegeven;
d. zolang de jongere wegens een disciplinaire maatregel de toegang tot de school is ontzegd;
e. zolang de jongere werkelijke dienst vervult, bedoeld in artikel 1 van de Dienstplichtwet BES.
2. Indien een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, langer dan een bij eilandsverordening te bepalen periode duurt, deelt het hoofd der school die vrijstelling, met opgave van de reden en de verwachte duur, onverwijld mede aan de toezichthoudende instantie.
3. In geval van een vrijstelling op grond van het eerste lid, onderdeel d, deelt het hoofd die vrijstelling, met opgave van de reden en de duur, onverwijld mede aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen en aan de toezichthoudende instantie.