Art. 4 Leerplichtwet BES

Leerplichtwet BES

1. De toezichthoudende instantie is bevoegd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen voor een door haar te bepalen duur ontheffing te verlenen:

a. van de in dat lid bedoelde verplichtingen, indien de jongere op grond van langdurige geestelijke of lichamelijke onbekwaamheid niet in staat zal zijn lessen bij te wonen;

b. van de in dat lid, onderdeel b, bedoelde verplichting, voor zover de jongere op grond van langdurige geestelijke of lichamelijke onbekwaamheid niet in staat zal zijn bepaalde lessen bij te wonen.

2. Het bestuurscollege verleent op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen ontheffing van de in dat lid bedoelde verplichtingen, indien die personen overwegende bezwaren hebben tegen de richting van alle in het desbetreffende openbaar lichaam aanwezige scholen waarop de jongere de lessen zou kunnen bijwonen en zij aantonen dat de jongere op een andere wijze voldoende onderwijs geniet.

3. Bij of krachtens eilandsverordening worden regels gegeven met betrekking tot onder meer:

a. het tijdstip en de wijze waarop een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid, moet worden ingediend,

b. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de toezichthoudende instantie dan wel het bestuurscollege de beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, aan de verzoeker dient mede te delen,

c. de procedure die dient te worden gevolgd alvorens een beslissing als bedoeld in onderdeel b, te nemen, waaronder begrepen de wijze waarop wordt bepaald hoeveel en welke deskundigen over de mate van de onbekwaamheid dienen te adviseren en welke wetenschappelijke disciplines door die deskundigen moeten worden vertegenwoordigd,

d. de instantie waarbij, de termijn waarbinnen en de wijze waarop de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen tegen de beslissing, bedoeld in onderdeel b, beroep kunnen instellen,

e. de termijn waarbinnen en de wijze waarop de instantie, bedoeld in onderdeel d, de beslissing omtrent een beroep als bedoeld in dat onderdeel, aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen dient mede te delen, en

f. de procedure die dient te worden gevolgd alvorens een beslissing als bedoeld in onderdeel e, te nemen.

4. De kosten, verband houdende met een procedure als bedoeld in het derde lid, onderdeel c of f, zijn voor rekening van het openbaar lichaam.