Art. 4 Reglement op de meters voor elektrische energie BES, Merktekens en aanduidingen
Reglement op de meters voor elektrische energie BES
Iedere meter moet de volgende aanduidingen, die niet met eenvoudige middelen kunnen worden verwijderd, dragen:
a. De naam van de fabrikant of zijn fabrieksmerk;
b. Het type en het serienummer; indien het serienummer aangebracht is op een aan de kap bevestigde plaat dient dit nummer bovendien op de grondplaat of op het gestel aangegeven te zijn.
c. Het jaar van fabrikage;
d. De aanduiding van het soort meter; deze aanduiding wordt vereenvoudigd bij gebruik van navolgende symbolen: elke spanningskring wordt voorgesteld door een streep en elke stroomkring door een punt. De punt die een stroomkring van een electromagneet voorstelt wordt geplaatst op een der uiteinden van de streep die de spanningskring van dezelfde electromagneet voorstelt; het aantal strepen duidt ook het aantal electromagneten aan:
duidt aan dat de meter een electromagneet bevat die één stroomkring en één spanningskring heeft (éénpolig schema).
duidt aan dat de meter een electromagneet bevat die één spanningskring en twee stroomkringen heeft (tweepolig schema).
duidt aan dat de meter twee electromagneten bevat die elk één spanningskring en één stroomkring hebben en gemonteerd zijn volgens de methode van de twee wattmeters (voor driefasige kring zonder nulleider).
duidt aan dat de meter dezelfde bestanddelen als de voorgaande bevat, maar dat hij bestemd is voor een driefasige kring waarvan twee fasen en de nulleider gebruikt worden.
duidt aan dat de meter drie electromagneten bevat die elk een spanningskring en een stroomkring hebben en gemonteerd zijn volgens de methode van de drie wattmeters (voor driefasige kring met nulleider).
e. De nominale frequentie;
f. De nominale spanning (en) in volt. In geval van driefasige kring met nulleider, is de nominale spanning de spanning tussen fase en nulleider; haar aanduiding wordt gevolgd door een schuin streepje en de aanduiding van de spanning tussen de fasen. Ingeval het toestel een spanningsgebied heeft, worden de uiterste waarden van het gebied op de plaat aangeduid en gescheiden door een horizontale streep die eindigt op twee pijlen. Ingeval het toestel meerdere referentiespanningen heeft, worden de waarden van deze spanningen aangeduid en gescheiden door het teken '&.
g. De basisstroom en de maximumstroom, in ampère, één hiervan aangeduid tussen haakjes. De aanduidingen d, f en g kunnen op de volgende door voorbeelden aangetoonde wijze gegroepeerd worden:
h. de constante van de meter.
i. Als de meter van een bijzonder soort is (dus voorzien is van een teruglooprem, of in het geval van een meertarief meter als de spanning van de omschakelrelais afwijkt van de nominale spanning van de meter zelf) dient dit op de naamplaat of op een afzonderlijk plaatje te zijn aangegeven,
j. Indien de meter de energie registreert via meettrans-formatoren, waarmede in de meterconstante rekening is gehouden, dienen de overzetverhouding(en) daarvan aangegeven te worden.
Iedere meter moet voorzien zijn van een aansluitschema dat vastgehecht is aan de binnenkant van het klemmendeksel en dat de schikking van de klemmen op de klemmenplaat weergeeft.
Het aansluitschema moet zodanig zijn dat het eigen verbruik van de spanningskringen niet aangetekend wordt door de meter.
De fasenreeks van de driefasige meters wordt door de volgende tekens aangeduid:
RST en N of O (nulleider)
waarin de fase S 120° en de fase T 240° achterstand hebben ten opzichte van de fase R.