Art. 4 Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES, Vakantie

Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES

1. De werknemer heeft per kalenderjaar aanspraak op vakantie met behoud van vol inkomen, op de voorwaarden en met inachtneming van de regelen gesteld in dit hoofdstuk. Hij is gerechtigd zijn vakantie geheel of gedeeltelijk in het buitenland door te brengen.

2. De vakantie bedoeld in het eerste lid, wordt aan de werknemer op zijn daartoe strekkend verzoek aaneengesloten verleend door de bevoegde autoriteit.

3. Wanneer de werknemer dit verzoekt en de dienst het toelaat, kan in een kalenderjaar ten hoogste de helft van het aantal vakantieuren waarop de werknemer per kalenderjaar aanspraak heeft gesplitst worden verleend. Door of namens het bevoegd gezag kan voor een bepaalde dienst of een bepaald dienstvak of bedrijf het minimum-aantal aaneengesloten uren worden vastgesteld dat op een zelfde dag als vakantieuren kan worden toegekend. Dit aantal mag niet hoger gesteld worden dan het voor een werknemer volgens de voor hem geldende werktijd op één dag vastgestelde aantal werkuren.

4. Omtrent de tijdstippen, waarop de vakantie zal ingaan, alsmede omtrent de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist de bevoegde autoriteit.

5. Bij het nemen van de beslissing bedoeld in het vorige lid, wordt met inachtneming van de belangen van de dienst zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de werknemer, waartoe deze kenbaar maakt, wanneer hij bij voorkeur de hem toekomende vakantie wenst te genieten.