Art. 19 Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES, Vakantie-uitkering

Besluit vakantie en vrijstelling van dienst werknemers BES

1. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar, in de tweede helft van de maand juni, uitbetaald over de periode van twaalf maanden aangevangen met de maand juni van het voorafgegane kalenderjaar.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid vindt de uitbetaling van de vakantie-uitkering ook plaats bij ontslag of overlijden van de werknemer – tenzij het ontslag zonder onderbreking door een nieuw dienstverband als werknemer bij dezelfde overheid wordt gevolgd – en wel over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatstverstreken periode waarover vakantie-uitkering werd uitbetaald en de datum van het ontslag of het overlijden.

3. Bij overlijden van de werknemer geschiedt de uitbetaling van de vakantie-uitkering aan de weduwe of weduwnaar.

4. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters, overige kinderen of stiefkinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.

5. Laat de overledene ook geen betrekkingen, als bedoeld in het vierde lid na, dan wordt de vakantie-uitkering geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.

6. Bij toepassing van het tweede lid wordt het tijdstip van artikel 17 eerste lid vervangen door de datum, voorafgaande aan die van ingang van het ontslag of aan die van het overlijden.